Stralende zon in een wat rode gloed als ik de ogen opsla. Om zeven uur weer in slaap gevallen en met nichtlief door Amsterdam gestruind. Ze bleek ineens opvallend goed mondharmonica te spelen en hun prachtige oude huis aan de gracht had nu een monumentale uitstraling op de hoek van een plein. Ze bikte tussen neus en lippen door een 16e Eeuwse vloertegel uit haar entree, net niet helemaal ongeschonden, en maakte zich wat druk om haar geparkeerde auto een paar straten verderop. Een mens heeft wat zorgen te verdragen.
De kauwtjes vlogen in grote getale naar hun vergaderboom waar vervolgens druk onderhandeld werd. Vermoedelijk over de kerst en de verstoorde natuur, nu na de afgelopen zachte dagen, ineens de vrieskou was ingetreden, maar wel met feestelijk licht en rijm op de daken, zoals het een goede kerst betaamd.
Pluis komt informeren of ik er aan toe ben om haar uitgebreide kopjes te beantwoorden. Straks lief zacht fluweeltje, eerst de dagelijkse bezigheden. Spinnend neemt ze de weigering in ontvangst en belegert ondertussen mijn hele schoot. Een tactvolle zet.
Gisteren haalde zoonlief zijn kerstpakket op. Het boek van Finkers en een Donald Duck-game bleven achter. We bespraken de voorgenomen kerstbrunch op tweede kerstdag dat in een rooskleurig recent verleden was afgesproken. Als we met elkaar zijn dan zijn we met 11 volwassenen en acht kinderen. Zelfs voor een wandeling buiten is dat te veel. Wikken en wegen zoals altijd. Liefde, pedagogisch handelen en emoties doen een duit in het zakje. De ratio schudt het wijze hoofd. De uitslag is dat ik nu bij iedereen langs ga. Met de één een wandeling, met de ander de kerstbrunch, met een volgende een borrelplank enzovoort. Drukke bedoening dus, maar het hangt niet op die ene dag kerst. Op derde kerstdag komt dochter met de kleine filosoof de kast met de puddingvormen uitmesten. Als leuke nevenactiviteit kunnen we natuurlijk altijd een heerlijke oerouderwetse Engelse Christmaspudding in elkaar flansen en Melanie er bij afspelen.
Voor de zussen wordt vandaag een rijsttafel voor drie personen besteld. Dus ging ik gisteren op pad om een vers en hagelwit kleed te scoren. De enige mogelijkheid daartoe was de drogist. Er stonden twee luid pratende dames voor me met een sloot dreinende kinderen er naast, die voortdurend een snauw te pakken kregen op hun onmetelijke gevraagd. Ze zochten ook iets voor de tafel. Ik ben te netjes opgevoed. Een andere mevrouw kwam langs, schoof een van de rijzige gestaltes opzij en speurde naar servetten die eronder lagen. Na zeker een kwartier wikken, wegen en neuzelen stoomde het hele zwikje op richting kassa. Van de weeromstuit griste ik snel wit, grijs/wit en organza aubergine bij elkaar. De rij voor de kassa was winkellang. Geen goed plan die keuze om nu er naar op zoek te gaan. Bij thuiskomst bleek het witte damasten kleed van plastic. Dompertje. Maar een wit laken uit de kast trekken, want nog een zo’n hachelijke onderneming is teveel van het goede. Alles met mate doseren, daar houden we van.
De grote en kleine waxinelichten zijn aangevuld en dat is voor een kerstelijk tintje voldoende. Vandaag nog een bosje amaryllis en wat lekkere wijnen binnenhalen en klaar zijn we weer.
Morgen de eerste wandeling sinds lang in de buurt van het Indisch afhaalrestaurant. Daar liggen de Maarseveense plassen. Met deze winterkou mag het fototoestel niet ontbreken. Maar vandaag eerst maar eens aan de schoonmaak in de keuken, alles spic en span voor onze eigen vervroegde zussenkerst. In mijn tempo kost dat wel een dag. Die tijd is er volop, want Breda ging inderdaad niet door helaas en zelfs geen stream. Dan dans ik zelf de keuken rond. Met moed, beleid en trouw, dat wel. Voor je het weet zit je, in plaats van met een kerstpudding ,met de gebakken peren.
Soms kom je iets tegen, dat rechtstreeks de kern raakt en waarvan je hart opveert. In het hoofdstuk Winter uit ‘Winteren’ van Katherine May komt de volgende passage voor: ‘ Je moet het leven leiden waardoor je je goed voelt, niet het leven dat andere mensen willen’. Degene die deze raad aanhaalt is Dorte, een vrouw met een bipolaire stoornis. Ze krijgt dit advies na tien jaar tobben aangereikt door een, haar onbekende arts, die waarneemt voor zijn collega. Vanaf dat moment neemt ze het heft in eigen hand, daarbij vooral geholpen door de dagelijkse winterse zeeduik, toen ze merkte dat ze zich beter voelde bij kou, dan bij warmte. Daar moest ze eerst wel naar toe werken in kleine stappen met volharding en groot succes. Iets om heilig ontzag voor te hebben, dat je de realiteit naadloos durft aan te passen aan het ‘Zijn’. Er was oefening voor nodig, maar uiteindelijk baarde het kunst. De schoonheid van het doorgronden. Een zo’n passage is voor deze ochtend al genoeg. Wijsheid ligt soms verborgen of duikt plotseling en onverwacht op, als je de ogen er maar voor opent.
Gisteren kwam mijn verwacht bezoek een uurtje later. De tijd is aan ons in deze stille dagen, dus maakte het niet uit. Een grote verrassingsdoos, die ik pas na de boodschappen uit zou pakken. Thee en heerlijke winterse chocolaatjes van mijn andere werkgever waren voorhanden. Gemoedelijk gekout over het wel en wee. Een nieuwe zilveren dwarsfluit als opsteker van de dag, een eeuwige liefde voor het instrument wat al heel vroeg duidelijk was en af en toe, in de verlegen blik, mijn lief klein meisje van ooit. Alweer 12 jaar. De tijd vliegt voorbij. Erasmus werd met vriend besproken en het was fijn om dat te mogen delen. Naar aanleiding van mijn blog was het boek besteld en lag het straks onder de kerstboom. Zelf was het kind van pas geleden nu Geronimo Stilton aan het lezen, de muis, die kinderen door de tijd laat reizen en ze meeneemt naar Homerus zijn Odyssee en het Rome van Dante bijvoorbeeld. Gek op lezen, wat haast niet anders kon, met boekminnende ouders en juffen.
Het gesprek kabbelde voort en sloeg een uur stuk. Tijd om een deur verder te gaan. De doos bleef onaangeroerd tot na de boodschappen. Maar daarna kon het feest beginnen. In feite was het een groot filmpakket bij elkaar. Een te kiezen film, popcorn zoet en zout, zoetigheid, frisdrank, en een kaaszoutje met dip. Dubbel feest door het Vrijwilligershuis. Pluis vond het maar zozo, zonder kattensnoepjes.
Vriendlief is weer in het land. Gebroken door de lange reis, een tikkie ‘weltfremd’ hier in het westen, maar heelhuids. Van de week ga ik poolshoogte nemen. Vandaag word ik bijgepraat, of liever, bijgeschreven, daarna zijn er stappen te ondernemen, verwacht ik.
Zoonlief had de Zonnewendemaan onder zijn leden en liep al vanaf voor vieren te spoken, sapjes te brouwen en roffeltjes op de trap ten beste te geven. Zonet nog probeerde ik in slaap te vallen, maar eenmaal aan het malen stoppen de radertjes in het hoofd niet meer zo vlug.
Iemand schreef, ik zal de musea zo erg missen. Mijn eerste neiging was het te beamen, maar ik ben zeker twee maanden niet in het museum geweest. Ik vrees dat we dát niet zozeer missen, maar meer het idee, dat we er niet in vrijheid over kunnen beschikken. En is dat niet met alles zo. Iets om over na te denken.
De ingestudeerde liederen gisterenmorgen gingen me redelijk goed af. We waren met zeven zangers. Er was maar een sopraan, de alten, tenoren en bassen konden zich aan elkaar optrekken. De dirigente jaste er met niet aflatende energie een aantal pittige recitals door. Dat leverde een nieuwe ervaring op. Mijn stem was bij het spreken erg ‘gebroken’, bij het zingen verdween dat euvel als sneeuw voor de zon. Dat is tegenwoordig te doen gebruikelijk. Maar na een uur zang kroop er een branderig gevoel aan de onderkant van de longen omhoog. Het noopte me te gaan zitten. Dat was voor het eerst en een niet bekend fenomeen. Onaangenaam. Even onthouden.
Zuslief stelde voor om ons uitje aanstaande woensdag naar de kringloop, dankzij de nieuwe ontwikkelingen, dan te vullen met spelletjes. O jee. Dat is niet mijn kopje thee, om met de Engelsen te spreken. Ik ga straks voorstellen of we niet een restaurant in de buurt een hart onder de riem kunnen steken door ze een uitgebreid diner te laten bezorgen. Lekker lang tafelen in de middag. We hebben elkaar al tijden niet gezien, dus er valt heel wat te bespreken. Meer is niet nodig voor een fijn samenzijn. Als compensatie kan er daarna nog wel een spelletje in. Het leven is geven en nemen.
Voor een zware lockdown suist er hier beneden mij nog heel wat verkeer over de weg. Zoonlief was al om negen uur aan de wandel rond de plas hierachter. Ik heb slechts koffie gemaakt, de zaterdagse krant mee naar boven gezeuld en Pluis uitgelaten en weer binnengehaald. Dat zijn al twee trappen op. Onder de omstandigheden vermoeiend genoeg. Nu blijven de liedjes van gisteren al anderhalve dag door mijn hoofd spoken. ‘Oh don’t deceive me, oh never leave me…lalalalalala A poor maiden so’. Bij het lalala zijn de woorden me ontschoten.
Vaag had ik afgesproken met dochterlief de puddingvormen uit te zoeken en op te schonen. Ooit had ik bedacht dat ze best een beetje antiek waren en bij mijn verhuizing hier naar toe, ruim dertig jaar geleden, had ik ze omzichtig in krantenpapier gepakt en op de bovenste plank van de gangkast gestald. Ze zijn er niet meer uit gekomen. Wonderlijk dat ik ze verzamelde, want toetjes zaten nooit in het systeem. Er zitten nog meer merkwaardige verzamelingen aan keukenspullen in die kast. De deur kan dicht en op slot. Alles wat dan even uit het zicht moet, verdwijnt erachter. De kast van het grote vergeten. ik voel een verhaal aan komen.
Straks ga ik me echt opnieuw storten op het doek van de vier zusters. De verhoudingen zijn me al maanden een doorn in het oog, bovendien heb ik het gezicht van een van de meiden weggevaagd, in een rigoreuze bui, omdat ze te cartoonachtig was. ‘Vernietig je lievelingen’, nog zo’n goede raad uit het Engelse. Een sprankelende opzet moet er voor in de plaats komen. Geen idee of het erin zit. Dat merk ik wel, als ik verder ga.
Een mail van de tuin. Iemand is tegen het ijzeren toegangsweg gereden. Het is lastig in en uitkomen. Er komt een nieuw hek, maar dat betekent vermoedelijk ook weer ontelbare nieuwe sleutels die verdeeld moeten worden. Normaal kom je met een kleine voiture wel door één hek, maar dan moet je toch nog altijd voorzichtig en berekenend erdoor. Dat is kennelijk niet gelukt.
Straks komt de vriend van de Historische kring een kerstgratificatie brengen, die niet door de brievenbus past. Hij neemt zijn dochter mee, die ooit als verlegen meisje bij mij de groep in stapte. Nu is het een mooie zelfverzekerde tiener, die de sterren van de hemel speelt op haar dwarsfluit. Een heerlijk vooruitzicht, zo’n middag-causerietje. En een verrassing. Ik ben gek op verrassingen. Er gaat niets boven een doos vol hebbedingetjes met lekkers, die je vervolgens zal delen met wie er bij past. Wie deelt, heelt.
Bliksembezoekje bij dochterlief. Onder het genot van een kopje thee onze wederwaardigheden uitgewisseld, wensen uitgesproken, verlangens gedeeld. Kleindochter vermaakte zich met haar baby in de buik, tussen haar bovenstukje van haar broek geschoven. Natuurlijk moest het kind eten, dus werd de inhoud van de mandjes uit het fornuisje omgekieperd. Tomaat rolde gezusterlijk naast de gele sneetjes brood en de augurken, of waren het komkommers. Alles in een tijdsbestek van een kwartiertje en met de wetenschap dat ze bijna naar bed moest.
Geduld is een schone zaak. Manlief ruimde de tafel af en hielp mee bij het ter bedde brengen, om daarna weer hard op zolder aan de arbeid te gaan. Thuiswerken betekende vooral koude voeten oplopen van het stilzitten.
We mijmerden over aanpassingen aan het atelier. Als de tot nu toe plek innemende en milieuvervuilende houtkachel eruit zou worden gehaald, heb ik heerlijk veel ruimte meer. Dan zouden we om kunnen zien naar een verwarming op zonne-energie. Daar waren mooie kleine exemplaren van. Als de benauwdheid wat meer achter de rug is, wordt het tijd om dat idee uit te diepen.
Moeder/dochter deelmomenten, dat is een kostbaar goed. Toen het tijd was om de kleine filosoof van school te halen, ging ik er weer vandoor. De boodschappen bij elkaar gesprokkeld en in de zinderende finale van Masterchef de ietwat onthutste winnaar zien hakkelen, terwijl zijn medestrijders hem met alle liefde van de wereld het succes gunden als geen ander. Mooi om te zien dat zelfs een competitief element kan verbroederen.
Het nieuws op de radio lekte een voortvarende waarschuwing van het OMT voor de nieuwe mutatievariant. Stel je voor dat na zondag, alles weer dicht gaat. Dan valt mijn uitje naar Breda, waar de presentaties van dansgezelschap ‘ De Stilte’ zouden zijn, opnieuw in het water. In dat geval zijn we nogmaals volledig op onszelf aangewezen.
Leg je ongelezen boeken op een stapel, haal de onafgemaakte doeken van zolder, sla vandaag extra waxinelichtjes in en verschans je achter de conserven uit de kast, wees creatief met koken en desnoods met kurk, haal je breiwol uit de tas en brei een troosttrui of een lange sjaal en plan elke dag een wandeling in de vrije natuur. Haal voer voor de kouwelijke mussen, als het tenminste nog kouder wordt, en geniet van de wintertuin, die haar eigen schoonheid zal openbaren in de verstilde kleuren van de oude hortensiabloemen. Als we het van iemand moeten hebben, dan toch vooral van ons eigen initiatief. Winteren bij uitstek dus.
Nog maar een nacht en dan is zonnewende maan een feit, daarna nog twee dagen en dan is er de kortste dag en de langste nacht, de winterzonnewende. Met de dagen die er op volgen, zal het elke dag meer licht sprokkelen, een hoopvol licht in deze verwarrende duisternis.
In gedachten hoor ik goede oude vriendin zeggen: ‘Erger je niet, verwonder je slechts‘. Ik heb haar wijze raad hard nodig, want er is veel om ons over te verbazen in plaats van te verwonderen, omdat elke logica uit het verband gerukt schijnt te zijn. Dan moeten we de voorgeschotelde regels maar in hapklare brokken verdelen. ‘Waartoe dient het?’ ‘Het dient als bescherming’. ‘Voor wat?’ ‘Voor wat men niet kan overzien’. Ik verlang naar het virusje uit mijn verhaal die met haar groene tentakeltjes eieren voor haar geld koos en terug keerde op haar post. Haar venijnig oprukkende broers nopen geenszins tot leuke verhalen. ‘Angst is een slechte raadgever’ wist men vroeger. Maar wat is wijsheid?
Vannacht uitzonderlijk helder gedroomd. Hoe bestaat het dat huizen waar je, zeker te weten, nog nooit bent geweest, zich zo in vol ornaat laten bewonderen. Dit keer was het een groot ouderwets huis, type villa kakelbont maar nog groter, waar een echte commune leefde. Mensen en kinderen liepen in en uit, op de muren was de kunst rechtstreeks op het behang geschilderd, gelardeerd met heel veel geschreven tekst. Die lieve vriend liep er rond met een joyeuze zwarte alpino op zijn haar, en zag er al net zo hippie-wise uit. Er was alleen maar water te drinken, want dat was gezond en waarom had ik ineens een shaggie in mijn hand, terwijl ik niet rook. De kleine blauwe hadden ze geparkeerd langs het water, met de deur open en de sleutel naast het stuur.
Misschien had de droom met vertrouwen te maken, want er zijn wat veranderingen op komst. Vriendlief heeft medische zorg nodig en een uitgebreid onderzoek. In het Verweggistan, waar hij woont, spreekt hij de taal niet en is het een eenzame bedoening. Hier zijn mensen die met hem meeleven en het beste met hem voor hebben. We gaan hem helpen om een en ander uitsluitsel te geven en dat vertrouwen in zichzelf en zijn fysieke staat weer terug te geven. Daar zal de geest ook wel bij varen. Nu is het voor de rasoptimist te donker en te koud daarboven.
Vandaar ook de droom. Iets in de trant van; de kreupele helpt de blinde, maar het voornemen voelt goed. ‘Geen zorgen voor de dag van morgen’, fluistert mijn moeder door het grijze wolkendek heen. Wie dan leeft, die dan zorgt. En zo is het.
Gisteren bij de thee en bij zuslief hebben we de twee nieuwe zangstemmen doorgenomen. Abschied vorm Walde van Mendelssohn en Entre le Boeuf, die lieve Franse kerst-evergreen. In een andere versie hebben we haar op de kleuterkweek aangeleerd gekregen. de altpartij is anders, maar toch herkenbaar. Het was gezellig en fijn om alles door te nemen, want aanstaande zaterdag moeten we het met twee van de vijf alten zien te klaren. Om half vijf na een kleine borrel was het welletjes. Tijdens de boodschappen had ik voor een nieuw kersthapje peer en gorgonzola gehaald en bladerdeeg. Maar ik kwam niet verder dan een paar pannenkoeken met mapple syrup . Als je het flesje omdraaide vloeide het direct leeg. Hele zoete hap dus, maar ook erg lekker.
De gedichtenbundel Fantasii van Ineke Riem valt open op het gedicht ‘Gedaantes’, als antwoord op mijn vraag in welk teken de dag staat vandaag en ik lees in haar onnavolgbare dansende zinnen;
Gedaantes
Ik word wakker in de letter i/Hij knelt als een korset./ Liever was ik een duinvalleien geweest.
Oma heeft mijn labels losgetornd. ik dapper/als een naamloze trui voor het raam boven.
Omdat tijd niet bestaat, ben ik weer negen en logeer ik/in mijn paletten versierde geheugen. In een sopje
Weekt oma de etiketten van jampotten en herinneringen/ook onze woorden glanzen doorzichtig. Zo kom ik
aan mijn liefde voor leegte. Ik knip natuurplaatjes/uit tijdschriften en vraag: zouden wespen vinden
dat hun naam knelt, hebben orchissen dromen/waarin ze eeuwig zijn, of een zwaluw?
In een flinke jampot zou best een duinvlakte passen./In een onbegrensd hoofd een waaier aan gedaantes.
Wat een heerlijk gedicht. Er is veel meer mogelijk dan men denkt als je de grenzen maar durft te laten vieren. Een uitstekende raad voor het vraagstuk dat nu op mijn bord ligt. Schouders eronder, neus dicht en gaan. Een sprong in het diepe. Verbondenheid vermag veel.
Wat een heerlijk feest, gisteren. Dolenthousiast was de grote broer, toen hij mij zag. Ze kwamen net aanlopen van wat boodschappen uit de buurtsuper. De Benjamin werd uit zijn winterpak gepeld en ik nam broerlief onder mijn hoede. Wijselijk had ik mijn slofsokken meegenomen. Er gaat niets boven warme voetjes. Een uitdaging bleken de luidruchtige ambulance en het politiebusje, onder oorverdovend geratel maakte schoondochter zich op voor het bezoek en een lunch bij de oude werkgever. De kleine was helemaal niet naar het dagverblijf. Hij werd geacht juist luister bij te zetten, een verlaat omgekeerd kraambezoek en eigenlijk was dit in feite een baby show-er. Een zacht chenille pak transformeerde hem in een schattig witte ijsbeertje, om op te vreten of plat te knuffelen, succes verzekerd daarginds.
Geen centje pijn toen ze vertrokken. Grote broer had oma, die kon weliswaar niet hard lopen maar wel met alles meespelen en hem naar bed brengen en verhaaltjes voorlezen. Na alle rituelen, twee boterhammen en twee appelsap, het was per slot van rekening feest, ging hij liggend verder spelen. Het hoofd was zwaar, tijd voor bed met een voorleesverhaal over de wereld en de planeten, ietwat hoog gegrepen, maar met boeiende platen. Panda mee, speen in en slaap maar zacht. Nou dat liet hij zich geen twee keer zeggen.
Eerst maar eens doen wat ik kon om het huishouden te ontlasten. Beetje zuigen, vaatje weg, speelgoed aan kant en een duik in de IPad voor een filmpje. Luie oma-oppas hoor, maar wel even heerlijk, de rust. ‘ Misha and The wolves’ was het ongelooflijke verhaal op NPOplus over een zevenjarig meisje, die in de oorlog dwars door een aantal landen trok om haar ouders te zoeken, die plotseling waren gedeporteerd. Ze kwam onder de hoede van een grijze wolvin, die zich over haar ontfermde en haar op afstand volgde en haar beschermde. Ook de troep, die zich later aansloot, zorgde voor haar, door wat vlees achter te laten. Een aangrijpend relaas door de bejaarde vrouw zelf vertelt. Bij tijd en wijle trok er verbittering door haar gelaat als ze over de mensen sprak, maar zachtheid filmde er overheen bij de gedachte aan die wolvin en haar roedel.
Ik moest denken aan dat lied van lang geleden: ‘ Ik hou van dieren, ik hou van mieren, dieren houden ook van mij, mensen niet, maar dat is niet erg hoor, want ik gaan ze wel voorbij. Het is het refrein uit een lied van Liesbeth List dat ‘Sjaantje’ heet.
De docu was te lang om af te kijken. Ik meen dat men op het laatst probeerde te achterhalen of het om een verdichting ging of dat het de waarheid was. Straks maar eens verder. Schoondochter was om kwart voor drie weer thuis en mijn porkie sliep nog. Terwijl ik het witte ijsbeertje bevrijdde van zijn warme wintervacht, ging mams hem wakker maken. Aan de geluiden die van boven kwamen te horen, werd het haar niet in dank afgenomen. Ijsbeertje en ik hadden ondertussen een evaluerend gesprek over de tocht in de auto en het bezoek. Hij kraaide zijn antwoorden met die heerlijke tandeloze mummeltjes. super om met beide even een privé-moment te delen.
Na de thee en dikke knuffies van grote broer vertrok ik op huis aan. De kleine blauwe was wat van slag met het instrumentarium. Zijn claxon deed het niet en nog steeds sprong het signaaltje van de autogordel op rood. Even na laten kijken. Je wordt er ongewild toch wat nerveus van.
Al met al een stralende dag in een druilerige omlijsting. Achter de wolken schijnt altijd een zon.
De fysio had allemaal leuke nieuwe speeltjes klaar staan. Na het gebruikelijke lopen en de legpress vonden we dat de knie weer terug was in haar hok van de betamelijkheid. Geen pijn meer, geen losse delen, alleen nog een tikje vocht, maar dat was nooit meer anders geweest, dan de eerste keer dat ik er zo glorieus doorheen was gegaan. Nu was het zaak om de rest van de spieren op sterkte te krijgen, dus mocht ik hangen aan de touwen, schouders laag, rug recht, naar voren buigen over een stang met dezelfde restricties en vermaakten we ons met een balansoefening op de streep, de voeten achter elkaar, met vangen en gooien van een goudkleurige doorzichtige ondermaatse strandbal. Het was vooral leuk, een kolfje naar mijn hand.
Naar de kringloop in de speurtocht naar een dienblad, omdat de oude sinds de kerstverbouwing onder de sagopalm op de brede rug van de bank stond. Daar liep ik mijn verleden tegen het lijf, midden tussen de kook-, kunst-en-historische boeken. Daar ontvouwden zich de wederwaardigheden, achter haar mondkapje dat voortdurend afgleed naar de mond, alle oud collega’s kwamen langs, zowel van de kringloop als van school. Tranende ogen achter de brillenglazen, niet van verdriet, maar omdat het nou eenmaal een herkenbare bijkomstigheid van ouder worden was. Geanimeerde herinneringen schoven voorbij, het wel en wee van de kinderen werden gedeeld en de hele mispoge dat het virus te weeg had gebracht. We schoven voortdurend van de ene naar de andere kant om passanten te laten snuffelen tussen het rijke boekenaanbod. Met lege handen en een warm gevoel stond ik na een stief half uur weer buiten.
In het kader van de hapjes waagde ik me in de supermarkt aan de portobello’s uit de oven gevuld met lichte groenten en roomkaas. In mijn enthousiasme had ik het hele bakje erin leeg gekieperd. Resultaat, een bijzonder romig en machtig paddenstoeltje. Volgende keer beter letten op de verhoudingen en misschien de grootte reduceren tot kastanjechampignons. Al doende leert men. Roomkaas met lente-uitjes volstaan al.
Op de galerij kwam ik de buurman tegen, die aan zijn dagelijkse shotje zuurstof toe was. De buuf nodigde me uit voor een kop koffie, maar ik bleef liever in de frisse buitenlucht staan. We namen het plaatselijke nieuws door en de vermissing van een vrouw in het naburige stadje, die om acht uur ‘s avonds nog ‘even’ een boodschap ging doen. Van het andere nieuws hield ik me wijselijk afzijdig, want ik kende zijn mening, die volstrekt haaks op de mijne stond. Derhalve bleef het bij prietpraat, waar zijn eenzame huisarrest doorheen schemerde en dat hem noopte tot een enkel praatje op de galerij per dag als afleiding tussen de dagelijkse beslommeringen.
Op de bank genoot ik daarna van een herhaling van Masterchef Australië en ik weet allang wie mag winnen. In het kader van de hapjes is het goed toeven bij die geweldenaren in het bedenken van heerlijke combinaties.
Vannacht spookte de vermiste vrouw door mijn hoofd, waar zou ze zwerven in deze aardedonkere koude nacht. Tegen de ochtendschemer las ik dat er een lichaam uit het kanaal hier in het stadje was gevist. Er kon nog niets worden bevestigd, maar het leverde een onaangename kou op. Stel je toch voor, dat je weggaat voor een boodschapje en niet weerom komt. Hoe heftig moet dat zijn voor haar naaste familie. Was haar geest gaan dwalen net als haar geheugen deed.
Straks ga ik oppassen bij ‘grote broer’. Hij heeft al Corona gehad, ik de booster en samen durven we dat wel aan. Voor het eerst sinds al weer een te lange tijd. De Benjamin is op het dagverblijf. Prime-time en voorlezen, verwacht ik. Nu snel in de benen, de kleine blauwe prins staat vast al te trappelen van ongeduld. Eindelijk weer een flink aantal kilometers maken. Een kolfje naar zijn hand.
Stop het leven niet in een doosje zegt de ogenschijnlijk frêle vrouw in een YouTube-filmpjes van ‘All in The mind’. Ze heet Elrieda. Zuslief heeft het ontdekt en vond het de moeite waard om te delen. De omgeving is heel ideaal, een vrij afgelegen huis, veel natuur om haar heen, wat mooie zachtogige pinken, een hond en een poes, mooie geurige bloemen. De schoonheid der kleine dingen. We nemen afscheid van haar als ze gelukzalig op de schommel zit en al wiegend in de lichte bries van al wat haar leven vult, geniet.
Heel even wil ik het ook zo. In mijn oor zingt het eeuwenoude gezegde: Het gras is altijd groener bij de buren en trekt een lange neus. Kijk om je heen zegt ze er bestraffend achteraan. Een dak boven je hoofd, een boom voor je raam waar zich elke dag een wereld vol leven voltrekt, de rijkdom aan kinderen en kleinkinderen, je eigen tuintje en het vermogen om er altijd weer nieuwe levensenergie uit te halen. Als dat niet genieten is. Er valt niets anders te doen dan deze wijsheid te beamen. We zijn groot in het vinden van het kleine geluk, ondanks de tegenslagen en de lichamelijke ongemakken. ‘Je mag best eens verdrietig zijn’ zegt Elrieda, ‘Of boos, of angstig, maar zorg dat het ook weer voorbij gaat’. Ze heeft gelijk. Het leven hoort niet thuis in een doosje, ook al heet je Donald Jones. Het is bedoeld om ten volle geleefd te worden.
Wat een mijmering al niet los kan maken. Na de prachtige haiku van Basho gisteren schreef vriendinlief hoe blij ze was met de weergekeerde herinnering aan dat lieve herderstasje met haar fijne blaadjes en haar fantasie als kind of de herder wel alles in die tasjes zou kunnen prutsen. Een retrospectie in de tijd door een haiku, een gedachte van een Boeddhistische monnik uit de 17e eeuw, dat zijn mooie eindjes om verbondenheid aan te knopen en alle emotie, die dat met zich meebrengt, te koesteren.
In Winteren piekert Katherine May over de oudejaarsavond en het wel dan niet ophouden van de kinderen, wat betekent dat je zelf een stukje van je eigen ruimte af zal moeten staan. Ze vindt een middenweg door eerder met haar echtgenoot en zoon de kerstboom op het strand in vlammen op te laten gaan, zoals de jaarlijkse gewoonte is en net te doen alsof het jaar dan geëindigd is. Soms is het vrediger, de dingen naar je hand te zetten en het tij eigenhandig te keren. Straks begint haar nieuwe jaarcyclus. Het boek is het verhaal van een jonge vrouw en dat klinkt in alles door. Een zoektocht naar een leven in de tijd, een tweespalt tussen de alledaagse druk, de snelheid van het moment en de hang naar de oude bedachtzame riten van weleer. Soms heb ik de neiging haar toe te spreken. Ach meisje…Als een wijze oude Elrieda. Iets in de trant van ‘hebben we niet allen op zo’n drempel gestaan’.
In het kader van de nieuwe hapjes voor de zussen probeerde ik gisteren een eigen combinatie. Flammkuchen met cranberrycompote en geitenkaas, majoraan, basilicum en grote zwarte kalamata-olijven met rucola. Het werd te droog bij elkaar, terwijl de smaak goed was. Ik denk dat een roomkaas op de bodem een oplossing zou kunnen zijn, of in ieder geval meer olie. Eigenlijk zou je Flammkuchen zelf moeten maken, zodat het deeg veerkrachtiger en smeuïger is. Dat wordt oefenen, of gewoon ander deeg proberen. Het moet namelijk snel en makkelijk te bereiden zijn. De dag zelf zal in het teken van kringlopen en hilarische vondsten bestaan, maar bovenal gaat het om het samenzijn en de gedeelde tijd.
Er hadden meer mensen van mijn geboortejaar gereageerd op de website van de GGD. Grijze hoofden alom, de een kwakkelend en schuifelend achter de rollator, begeleid door dochter, de ander kwiek en keuvelend achter het mondmasker. Het gebruikelijke riedeltje in een veelvoud aan vragen en een verwijzing naar de arts om de bloedverdunners, waar ik zoals altijd te horen zou krijgen om tien minuten af te drukken na de prik. Een triageverpleegkundige met zwaar accent handelde een en ander af en hup, langs de afzettingen naar de loketten. Moderna dit keer. Waarom, tja…omdat.
Vriendelijke verpleegkundige die met vaart en verve de naald erin jenste onder het afleidende gesprek. Geen centje pijn in deze rechterarm anders dan de vorige in de linker.
Het wachten tussen de EHBOposten betekende schoenen bestuderen, het plafond, een glimp van de race op het televisietoestel, het mobieltje en nog meer van dergelijke afleiding. Wat moet een opgehokt mens anders. Na een kwartier kroop het tussen de zelfde rollators en grijze hoofden naar de uitgang.
Buiten een flinke teug frisse lucht. Op naar de vrijheid en naar de supermarkt om een lunch in te slaan voor de hardwerkende dochters. Een tas vol liefde namen ze dankbaar in beslag. Meergranen bolletjes, boerenkaas, Griekse salade voor ertussen, jus d’orange en grote mandarijnen.
Met de grote hoeveelheden stof kon ik nog niet de vorderingen en verbeteringen bewonderen, dat was voor later. In de middag was er op tv een programma van de Boeddhistische gemeenschap hier in het land. De markante filosoof, ecoloog en boeddhistische leraar Matthijs Schouten sprak zijn gehoor toe. Een verhaal trok de aandacht. Het ging over het Herderstasje, dat lieve kleine, wat onooglijke plantje met de lepelaarblaadjes. Het werd aangehaald in een Haiku van Basho.
‘Yokoe mireba/nazoena hana sakoe/ kakine kana’, in de vertaling is het: ‘Zie toch eens hoe het/Herderstasje bij die heg/ in bloei staat; Oh, kijk..!’
Het begrip Kana is nauwelijks te vertalen en drukt de verwondering uit over de schoonheid van dit nietige bloemetje en haar bescheiden inname in de ruimte, daar onder die heg. Basho erkent die ruimte, observeert alleen en laat het plantje in haar eigen waarde, haar eigen zijn. De natuur toe-eigenen is het eerste wat we in de westerse wereld zouden willen. Beschouwen we het als onkruid, dan rissen we het weg, vinden we het een mooi bloemetje, dan plukken we het om het nader te aanschouwen. Zelden mag het blijven waar het is.
Wat een mooie gedachte. Ik denk direct aan de woekerende paarse dovenetel op de vlonder voor mijn atelier. Niet zelden trek ik het gros ervan weg, moet ik beschaamd toegeven. Waarom eigenlijk. Het heeft nu eenmaal die weg gekozen. Wie wil er niet zitten tussen dat overweldigende paars. Het voornemen groeit met het aanhalen van de haiku, om meer en meer eens te kijken naar waar de tuin mij leiden zal in plaats van omgekeerd en bovenal om mijn Haiku’s weer eens onder de loep te nemen.
‘Door het nabije te ervaren, leert men het verre kennen’ zegt Elisabeth Tonnard, schrijfster en beeldend kunstenaar. De toehoorders werden door Matthijs Schouten op pad gestuurd om hetzelfde als Basho te ervaren. Onmiddellijk waren er bij, die plukten, oppakten en in ieder geval een interventie pleegden. Sommige zegen neer en keken alleen maar, lieten dat wat ze zagen binnenkomen. Wat een prachtige meditatievorm om een moment van de dag stil te staan bij het wezen van iets in haar natuurlijke habitat zonder tussenbeide te komen. Wat een logische en natuurlijke vorm ook.
Met deze gedachte in mijn bagage keer ik terug naar het alledaagse. De inwendige mens vraagt net als de ziel om versterking. Met in het achterhoofd de hapjes voor bij het aperitief van de zussen straks rond kerst, oefen ik met een lap bladerdeeg en de ingrediënten voor de Caprese. Strooi overvloedig Italiaanse oregano, majoraan, tijm basilicum over de mozzarella en de tomaat, besprenkel met olie en schuif het in de oven. Na een kwartiertje al geroffel op de trap, zoonlief en schoondochter komen naar beneden. ‘Wat ruikt hier zo heerlijk’. Twee proefkonijnen om te testen, hoe kom ik aan die mazzel. Het kreeg het predikaat ‘zalig’. Dat lijkt me een passend gerecht voor die gewijde kerstdagen. Bon Appetit.
Er is niet veel tijd over om te schrijven, terwijl er toch eigenlijk zeeën van tijd zouden moeten zijn. Nog steeds loopt de tijd in een bodemloze zandloper weg en sijpelt tot in de laatste uurtjes van de dag door. Slaap en droom vullen de hiaten op, die gaten in de bodem van de nacht hebben geslagen.
De post bracht gisteren een lieve warme kerstgroet van een blogger, die ik al heel lang volg en die ik bewonder om de moed, waarmee ze de grenzen van een belemmering weet te verschuiven tot aanvaardbaar en mooi leven, vol oog voor alles wat schoonheid in zich draagt. Het inspireert en is de broodnodige stimulans om steeds maar weer de schouders eronder te zetten, te focussen op wat haalbaar is en te weten, dat er mensen zijn, net als jij, die op een dergelijke manier in het leven staan. Ons kent ons.
Dochterlief appt, of ik zo voor een lunch kan zorgen en kan brengen naar het huis van de oudste, waar uit alle macht geschilderd wordt om, na een forse verbouwing door de verhuurder, er weer tiptop bij te kunnen zitten. Eerst de prik en dan de broodjes, appte ik terug.
Door de booster kon ik vandaag niet mee om met acht urban sketchers op ruim afstand van elkaar te tekenen in het Musiom, het museum voor hedendaagse kunst in Amersfoort. Daar had ik me op verheugd. Een zittende activiteit met veel afleiding, want genoeg mooie moderne kunst om me aan te laven, om me heen. Vanmiddag maar eens zien of ik op afstand wel er een tekening uit kan brouwen, veilig op de bank dan maar. Het zijn van die heerlijke uitjes, ook weer met een groep gelijkgestemden.
Een ander bericht van een door mij veel gelezen blogger komt binnen en valt rauw op mijn dak. Haar geliefde is gisterennacht volkomen onverwacht gestorven in haar armen. Ik ben er stil van. Gezond, sportief, relatief jong. Van het ene op het andere moment, ogenschijnlijk zonder aanleiding. Onmiddellijk zwerft de gemeenplaats van lang geleden door het hoofd. ‘Van het concert des levens krijgt niemand een program’. Volkomen misplaatste tegeltjeswijsheid, om met een zwaai in de verste hoek van de kamer te keilen. Onbevattelijk, zo’n gebeurtenis. Elke vorm van leedbetuiging lijkt er een teveel te zijn. Gillen wil je, als dat je overkomt, jammeren, uitschreeuwen over alle zeven zeeën van tijd heen. Het moment terugdraaien en het overdoen maar dan met een goede afloop. Dapper schrijft ze eronder: Blogpauze. Alles valt letterlijk uit je handen op zo’n moment. Waar moet je beginnen met je rouw, het lijkt eerder een zwart gat, waarin de werkelijkheid opeens verdwenen lijkt te zijn, er komt geen hemel aan te pas, enkel dat doffe(vooral dat), verdovende gevoel. Kwetsbare mensen in alle opzichten, dat zijn we.
Het roert iets los, een angstig gevoel. Ik ken beiden niet en bedenk, dat er toch meer binding is dan alleen het bloglijntje. Je leert elkaar kennen, leeft mee met elkaar en deelt die intieme gedachtensprongen. Het schift zich vanzelf, de trouwe volgers, die lezen en vinden, wat de ander hen toebedeeld en de vluchtige passanten.
Cijfers zeggen niets, het gaat om de respons, de voeling met elkaar, de waarachtige belangstelling. Dat te delen heeft gelijkvoelende geesten opgeleverd. Ze houden van kunst, van schoonheid, de natuur de kleine geneugtes des levens en bovenal houden we allemaal van de taal om dat gevoel te vangen in woorden.
Eindelijk weer eens een wakkere nacht, waar een goede maar korte slaap aan voorafging. Tijd voor het boek Winteren van Katherine May, waarin de schrijfster, anders dan ik verwachtte, ook de natuurkundige werking van de herfst 4e3en de winter op een biologische manier uit de doeken doet. Haar zoektocht maakt hink-stap-sprongen tussen wetenschap, historie, overlevering en riten. Het heerlijke verhaal van de hazelmuis in winterslaap blijft hangen. Ook de mare van Lucia, die letterlijk en figuurlijk verlichting bracht aan de verschoppelingen in de catacomben, geeft licht. De Zweedse Lucia in de kerk, maagdelijk wit, met de rode sjerp en de kaarsenkroon op haar hoofd, brengt mij hier, mijlen en tijden verder, dezelfde warme gloed en in vervoering. Het beeld zo overduidelijk aanwezig, als ze voortschrijdt.
Stonehenge, dat welhaast ontheiligde heiligdom, wordt door de beschrijving in het boek in mijn verbeelding gestapeld door enorme Reuzenhanden, dezelfde die onder het bed graaien om Jaap, die van de bonenstaak, te grijpen. Daar tussendoor dansen de druïden, die veel weg hebben van het exemplaar uit Asterix en Obelix. Ik weifel met haar mee als ze in de nachtelijke uren overspoeld wordt door gepieker en honderd gedachten de geest bestormen, tot ze de weg heeft gevonden om er een productieve tijdspanne van te maken en ze alles neerpent op het maagdelijke witte, ontvankelijke papier.
Eergisteren zond de NTR in Het Uur van de Wolf een documentaire uit door en over Heddy Honigmann, de filmmaker en regisseuse. Voordat deze film gemaakt zou worden, had ze geen flauw idee, waar ze zich als hoofdrolspeler daarin bevond. Langzaam werden alle herinneringen vervlochten met hernieuwde ontmoetingen. Ze reisde af naar Peru, naar het land waar ze was opgegroeid. Ontroerend om mensen te zien, die na decennia elkaar eindelijk weer in de armen konden sluiten. Ook de aanblik van het oude huis met het hofje met de lantaarnpaal in het midden, waar haar kindervoetstappen lagen, ontroerde zeer en brachten lieve vader/dochter momenten naar boven, terwijl ze de man lang heeft gezien als een liefdeloos persoon. Bij een oude jeugdvriend bleek, dat hij die kwaadaardige man als totaal anders had ervaren. Elke blik in het verleden is persoonlijk gekleurd.
In een van haar docu’s komt een jongetje voor, waaraan ze vraagt wat het leukste is, wat hij tot dan toe heeft meegemaakt. Hij haalde zijn schouders op. Of hij wel eens droomde? Hij schudde zijn hoofd. Wat hij verwachtte. Weer dat geschokschouder, maar meer nog zijn intens onpeilbare lege blik onderstreepte het afwezige verwachtingspatroon. Zonder doel zijn, zonder droom, zonder verlangen komt mij uitzichtloos voor. Geef dat kind de verwondering terug, de liefde voor het leven, de zin van de schoonheid der kleine dingen en daarom ook het zich veilig en geborgen voelen. Wie niet in staat is als de hazelmuis zijn eigen warme winterholletje te maken, diep weggedoken in de bol vochtig mos, schors en varen is prooi voor de boze buitenwereld. Het was een indringend portret dat Heddy van zichzelf onverbloemd neerzette, maar het allermooist vond ik het moment dat ze op een punt kwam, waarop ze haar vader met het concentratiekampverleden ineens begreep en hem ter plekke in gedachte omarmde, liefdevol en vergevingsgezind vielen alle vaders, die ze in haar herinneringen tegen was gekomen, samen. Een overbezorgde man die, in een alles verstikkende angst, zijn dochters beschermde door ze te harden in plaats van te liefkozen.
Fragment uit het boek: Met de winterzonnewende wordt een nieuw jaar geboren. De druïden houden een ceremonie, die alles wegwerpt wat de verschijning van het licht belemmert en gooien in de duisternis stukjes stof op de grond, waarmee ze de dingen aanduiden die hen hebben tegenhouden. Daarna wordt er met een vuursteen een enkele lamp aangestoken en naar. Het Oosten geheven, om een nieuwe cyclus te verwelkomen, die met de zomerzonnewende haar hoogtepunt zal bereiken.
Een mooie symboliek om in het reine te komen met dat wat was en klaar te zijn voor dat wat komen gaat. We stevenen af op de langste nacht in de wetenschap dat daarna de dagen weer gaan lengen. Licht na de duisternis.
Gisteren kwart voor negen ’s morgens alweer bij de huisarts. Pittig benauwd, je zou het bijna een gelukje noemen, want dan kan ze met eigen ogen aanschouwen hoe moeizaam alles dan gaat. De puf werd in overlegd teruggeschroefd van een vernevelaar naar de oude vertrouwde inhaler, zij het van een ander merk in verband met de prijs, zo bleek de apotheker te weten. Een week op proef en daarna al dan niet opnieuw een consult.
De kerstboom stond bij thuiskomst breed uitgewaaierd midden in de kamer en bedelde om opgetuigd te worden. Eerst uitrusten en plan de campagne maken. In gedachte verschoven alle meubels van hun plek, werden de grote planten bescheidener opgesteld, kreeg de poef een rol als tafel toebedeeld, mocht de ezel blijven staan en gingen alle andere overtolligheden in de kast, een beetje proppen, deur dicht, maar dan had je ook wat. Nu het zware werk.
Hoe kreeg ik, zonder een overdrive aan gehijg het gevaarte op het kerstelijk aangeklede tafeltje. Met twee theedoeken en vereende krachten, een twee drie in godsnaam, schoof ik het gevaarte nipt erop. Zonder kluit, dus minder zwaar, dat scheelde.
De sagopalm moest voor een paar weken de hoek in met mijn tweede dienblad eronder om de bank niet te verruineren. Mokkend bleef ze hier en daar achter de lamp hangen, maar uiteindelijk stond ze majesteitelijk over het interieur uit te kijken in een tropische warmte vlak bij de verwarming.
De brede poef kreeg een mosterdgele plaid als aankleding en het grote dienblad als tafel. De kunstboeken ernaast, de zwart-witte ballen van keramiek in een hoek van het blad. Waar kwam die van kleur wisselende sneeuwman vandaan? Die mocht de ballen gezelschap houden. Overal werd natuurlijk eerst de stofzuiger losgelaten. Op de vloer, op het kleed, op en in de bank, ze snorde naar hartelust, terwijl Pluis vanaf de tafel minachtend haar overdadig gespin aanhoorde.
Toen alles eindelijk op de juiste plek stond kon de aankleding beginnen. Eerst de snoeren. Vorig jaar ordentelijk om de kartonnetjes gewikkeld, de rommelsnoeren en het oeverloos geduld van het ontrafelen van de keren daarvoor in gedachten. Het krat was in een ommezien leeg terwijl de boom met haar versierselen kon pronken. Er zaten lieve hebbedingetjes tussen. Beneden in de schuur wist ik nog veel meer leuke ballen, maar dat was voor nu even een brug te ver. Alle lampjes deden het nog, zelfs het snoer voor het voorraam.
Nu moest de grote eettafel nog in de dinerstand, want dat gaf meer loopruimte. De hele dag was ik er zoet mee en genoot van dit altijd weer bijzondere moment. Als ik nu nog op school gewerkt had, stond de boom pas kerstavond. Dan had ik die van de groep naar huis genomen. Altijd zonde als die schoolbomen voor kerst al op de vaalt verdwijnen. daar zou je zomaar eens een fantastisch kerstverhaal over kunnen schrijven, iets in de trant van het kleinste kaarsje( ken Uw klassiekers).
Terwijl ik hierover mijmer, vloeit er op dit moment traag een klein straaltje henna langs mijn nek naar mijn rug. In de aanslag met een closetpapiertje veeg ik de overdaad weg. Nog ruim anderhalf uur te gaan en dan is de pruik salonfähig. Regeren is vooruitzien. Bij dit, min of meer opgelegde, thuiszitten, zijn deze klussen goed te doen. Zeeën van tijd. Dochterlief belde net. We hebben het vooruitzicht van vier dagen moeder/dochterweekend in april op Terschelling. Wat een heerlijk vooruitzicht. Het zijn deze uitjes in het verschiet die een winterdag weer lichter maken.
De puffer in haar nieuwe jas ligt klaar in de automaat van de apotheker, er is een lange brief onderweg naar de lieve vriend, al het achterstallige uit het sociale leven is verwerkt. We kunnen er weer tegenaan. Kerst om te delen, ik ga hier en daar eens met wat pakketpost strooien. Komt de berg niet naar Mohammed, dan komt Mohammed wel naar de berg en, in een moeite door, vele wegen leiden naar Rome.
Een vragenformulier van het ziekenhuis omtrent de opbrengstverhogende organisatie. Een herindeling en een herijking van de functies in de twee grote ziekenhuizen en de twee kleinere poliklinieken in de regio. Begrijpelijk dat ze zo doeltreffend mogelijk willen zijn. Tevens onderzoeken ze de mogelijkheid van zorg aan huis, of videoconsulten. Vooral dat laatste lijkt me handig in deze tijd. Wel fijn als men elkaar kan zien en zeker als het om bekende kwalen gaat of als iets overduidelijk en onmiskenbaar te diagnosticeren is.
Ach ja, die goede oude tijd, toen ik nog op mijn fiets sprong om om half acht ‘s morgens aan te bellen bij de eerste patiënt. Hier een wasbeurt, daar het zwachtelen van de benen, het toedienen van een injectie, de wondverzorging en er tussendoor, bij deze het draaien van een (wisse)wasje of bij gene het schoonboenen van de douche. En altijd een kopje koffie met de zo broodnodige conversatie er achteraan. Ongemerkte zielenhulp, vooral bij de alleenstaanden. Sommige mensen keken reikhalzend uit naar dit bezoek, als enige aanspraak op een hele dag.
Hoe inspirerend was het om een draadje te hebben met zoveel verschillende levens. Zoveel zielen, zoveel gedachten, maar allen vonden de aandacht en vooral het luisterend oor fijn. Daarmee ving je de helft van het tobben af, voordat het zich weer omzette in nog een kwaal erbij.
Helaas dacht de rug er anders over, die had graag een tweede pleeg erbij gehad. Destijds moest alles in korte tijd efficiënter en economischer, vond men van hogerhand. De omzorg, zoals een wasje draaien of de keuken aan de kant ruimen was er niet meer bij. Het al niet ruime tijdsbestek werd gereduceerd tot tien minuten per bezoek, er was ruimte voor slechts een kop koffie ergens op de ochtend. Er kwam een overdosis administratie bij en zo werd het werken in de wijk een strijd tegen de klok om dat beetje menslievendheid, ondanks de strenge restricties, toch te kunnen blijven geven. Afmattend en uitputtend, voor alle partijen.
Ze komen nog weleens langs, de meneer met zijn overvolle nachtspiegel, die in het putje op het plein geleegd diende te worden, zodat hij zijn rood dooraderde vochtrijke benen uit bed kon zwaaien, waarna ze vakkundig in de zwachtels werden verpakt, of de vrouw in bed, die er zelfstandig niet meer uit kon komen en na een wasbeurt op haar stoel voor het raam werd gehesen met geen ander vertier dan de waggelende eenden aan de rand van het grasveldje en de sloot aan de overkant. Er was een meneer met een neusprothese die verzorgd moest worden en als je voorovergebogen zijn wond verzorgde, kwam steevast het grapje: ‘Pas op hoor, als je te dichtbij komt, bijt ik je neus eraf’. Om erna aanstekelijk te schudden van het lachen. Er was de vrouw met een jong gezin die ik iedere morgen uit haar rugkorset moest pellen om haar onder de douche te helpen. Kalmpjes aan, dan brak het hele dunne lijntje niet. Heel even bevrijd van dat gipsen harnas, ze keek er naar uit en er was de zorg voor een oude verwarde moeder in het houten huisje met, vaste prik, een geurend ouderwets bakkie koffie met zoete koek, dik beboterd. Je kende al je pappenheimers en wat je bij de een deed, liet je bij de ander, omdat je wist dat ze zo min mogelijk afhankelijk wilden zijn.
Zo werkte dat in de wijk en zo gek was het nog niet. Maatzorg aan huis en voldoende uren om het vooral ook zinvol te laten zijn. Terug naar de broodnodige zielenzorg.
De dag begon in het donker gisteren. Om acht uur zou de kleine blauwe Prins zich moeten melden voor een onderhoudswinterbeurt. Een checkpoint na een bepaald aantal kilometers. Het kwam goed uit, want ik had me voorgenomen in een adem de vijf kinderboeken, die in de dagen ervoor verslonden waren, te verslaan. Om half negen zat ik met iPad en goede zin, een kop koffie onder handbereik, klaar voor de aftrap. Die avond zou er een meeting zijn via zoom om dit aanstaande nummer te bespreken en de volgende vast door te nemen.
Het lukte wonderwel, al was het aanpoten. Voor de fysio om half twee had alles al haar vlucht genomen via de mail en vice versa de complimenten voor het harde werken. Bij de fysio was er wat krachttraining om de kipfiletjes wat te versterken, nu knie, pols en benauwdheid zo belemmerend in de weg zaten. Er was een nieuw apparaat binnen, dat daar uitermate geschikt voor was en leuk voor de fysio om mee te spelen. Na de opdrachten liep ik voorzichtig en beheerst tien minuten uit op de band, kalmpjes aan, om de knie niet weer te ontregelen zoals in de morgen met de trap was gebeurd. Onmiddellijk schiet dan het vocht toe. Een trapgeraffel is er niet meer bij, terwijl dat zo’n heerlijk gevoel van vrijheid geeft.
De kleine Blauwe was net als haar bazin hier en daar aan vervanging toe. De remmen en remschijven moesten buiten kijf gebeuren, een scheurtje hier en een hapertje daar konden nog wel wachten. Verder werd alles doorgelicht en kreeg ik een vel met foto ‘s en al er gratis bij. Wat een slimme aanpak. Dan kon je zien wat men had gedaan.
De avond ervoor waren zoonlief en ik door de wasstraat gereden om hem spic en span af te kunnen leveren. Een bezoek aan het spookhuis dus. Nergens anders vliegen de watergeesten, de zeehelden, de octopussen en de grote harige waterspin je zo om de oren, terwijl je stuurloos in dat kleine compartimentje zit en toch voortbewogen wordt. Helemaal senang ben ik niet en zoonlief zit er met die half spottende, half vertederde blik naast. Daarna ijverde hij zich om alles schoon te zuigen, terwijl ik de matten door het windmachientje haalde. Altijd angstig dat ik ze niet stevig genoeg vast hou.
Bij de boeken zat een exemplaar waar een jong meisje bij haar oma logeerde voor een paar weken. Een beetje chaotische rommelpot-oma met laatjes en doosjes en prullaria op elk denkbaar plekje, zoals mijn kleinkinderen wel kennen. Langzaam ontdekt ze dat oma wel heel veel door elkaar haalt, want wat doet een haring in een zakje aan de waslijn, waarom noemde ze haar steeds bij de naam van haar moeder en verdwaalde oma als ze ging wandelen. Oma verzucht ergens dat haar hele leven zonder etiketten is. Zulke kleine subtiele aanwijzingen zijn goud waard in verhalen als deze.
In de zoom hadden we het over het verschil tussen lef en moed. Sommige vonden lef een beetje negatieve weerklank hebben. Als je denkt aan lefgozer dan vereenzelvig je het met stoer gedrag, maar als je denkt aan de uitdrukking ‘ Het lef ertoe hebben’ dan dekt de vlag de lading en is lef geassocieerd met moed. Het werd een boeiend gesprek en als het een negatieve weerklank heeft, dan is het vooral door de manier waarop je ermee bent geconfronteerd. Lef hebben is de schelmenstreek van vroeger, de Pietje Bell van de durf.
Ziezo, een vrije nieuwe dag ligt open met een check-up bij de tandarts. Zo kunnen de kleine Prins en ik als nieuw de winter in. Al komt aan zachtheid van weer er nog een mini-lente aan, beloven de weergoden. De arme tulpenboom was haar knoppen al trots aan het tonen en zelfs in de geraniums op de galerij bloeien nieuwe knoppen open. Pluis mekkert zich gek deze dagen bij het zien van alle kool-en pimpelmezen die af en aanvliegen. Ik zie haar loeren en denken: ‘Lekker spekkie voor mijn bekkie’.
Ellen van Damme kan het. Ze dook in de tijd en vond in ‘Negen koffers’ de rijkdom van het vroegere LiLaLo-theater terug, om die met een volharding om te smeden tot haar nieuwe repertoire. Daarbij vroeg ze zich wel regelmatig af of er nog mensen zouden zitten te wachten op deze Jiddishe muziek.
De documentaire van de EO gisteren was prachtig. Er waren fragmenten van het Jiddisch Huiskamertheater van Jacques en Jossy Halland te zien onder andere op hun reizen als rondtrekkende nomaden en kleinkunstenaars. Ellen zien we ook ronddolen. In Parijs met prachtige beelden van deze kleurrijke vrouw door de stille straten van Parijs. Haar moeizame veroveringen om zich de schwung van het Jiddish eigen te maken, met haar vriend, met het orkest en met een vriend die zelf als tweede taal met het Jiddish was opgegroeid. De documentaire heet ‘Negen Koffers’ en toont de vorderingen van Ellen in haar zoektocht naar dit wonderschone repertoire vanaf een heel pril stadium. Daarin is ze kwetsbaar en zoekend, heel anders dan hoe ze overkomt op een podium. Maar al ontdekkend wordt ze steeds meer één met de muziek van deze twee theatermakers, waarbij ze zich alleszins herkent in hun levensfilosofie: ‘Verbroederen, mooie dingen maken, niet oordelen’. Zo probeert ze ook in het leven te staan.
Zoals bij alles wat ze onder handen krijgt, lukt het dit keer weer om de ziel van het Jiddishe lied in de vingers te krijgen en ze maakt er een prachtige vertolking van. Niet hetzelfde als Jossy, dat wil ze niet, maar als Ellen die dat prachtige doorleefde repertoire durft te zingen.
Hongaars
Het mijmerde door, over het Volksdansfestival in Vierhouten in de jaren tachtig, waar altijd wel een Klezmerorkest te vinden was met die wonderlijke mengeling van wonderschoon, weemoed en droevenis, maar ook van losbarstende vreugde, onbekommerde blijdschap en verbondenheid onderling. Altijd deelden ze de beleving met hun publiek. Er werd spontaan meegezongen, gedanst en gefeest op de galmende zangerige toon van de klarinet, die luid oorkonde deed van haar zielenroerselen, versterkt door de echo die terug spatte van het tentdoek hoog boven ons. Verbroedering was er zeker te vinden, zoals bij welke vorm van dans en muziek uit al die omringende landen dan ook.
Soms werden we op onze wei in alle vroegte gewekt door het snerpende geluid van de Zurla en de doffe ritmische dreunen van de Tapan. Dan lag je te stuiteren in je slaapzak en was er niet meer voor nodig dan je kaplaarzen of je schoenen om in pyjama met de nog kreukelige slaapgezichten, wakker te worden bij de eerste schreden op een Turkse Hora, die dan weer Horon heette en recht te trekken.
Vele jaren achter elkaar was dit iets om naar uit te kijken en helemaal los te gaan. Later ook met de kinderen erbij, die een volstrekt eigen programma kregen voorgeschoteld en vaak ook met ons meededen. Het had in het geheel niet de sfeer van dansen onder de meiboom. Bulgaars, Grieks, Roemeens, Macedonisch waren toch wel mijn lievelingsdansen en wel zo moeilijk en snel mogelijk, we waren gevorderden. Dat was overdag, maar ‘s avonds danste weer alles door elkaar, jong, oud, langzaam, snel, moeilijk, eenvoudig, als er maar grenzeloos veel plezier gemaakt kon worden. Het feest duurde tot in de kleine uurtjes en tot de damp van de tent kil optrok in de koude nacht.
Met weemoed denk ik er aan terug, maar ook met warmte en ik voel nog steeds dezelfde passie bij het horen van de klanken van een Klezmerklarinet, het geschetter van de Zurla of de Bulgaarse Tamboura. Muziek is. De balsem voor je oren, zeker deze wonderschone volksmuziek.
Pluis bedelt om aandacht. Ze wrijft met haar kopje tegen de iPad aan en drukt mij met de neus op de letters. Daarna nestelt ze zich genoegzaam als lessenaartje. Handig. Het eerste boek is uit, de tweede op de helft nog twee en een half te gaan, want de allereerste van de vijf, een graphic novel, was al verslonden bij binnenkomst. Dat zegt veel over het verhaal.
Een van de korte verhalen die ik na de zomervakantie schreef voor de basisscholen in Nieuwegein voor groep 7 en 8, was die van het verdwenen zwaard. Hier in Nieuwegein was voor de vakantie een Middeleeuws zwaard gevonden op bedrijventerrein Het Klooster. Met die gedachte rollen en buitelen de zinnen al door mijn hoofd. Nu het gepubliceerd is, neem ik jullie mee in het verhaal van:
Het Verdwenen Zwaard
‘Er was eens, lang geleden, een edelman die op weg was van Traiectum naar Dorestad. Halverwege zocht hij een smederij op om zijn paard te laten verzorgen. Daar overkwam hem het volgende:
Uit de oude smederij klonken de hamerslagen op het aambeeld en maakten hun eigen lied. Er bovenuit zong een knecht uit volle borst mee, terwijl hij buiten de smidse het paard van een edelman onder zijn hoede had genomen, de hoeven schoon schraapte en van nieuwe hoefijzers voorzag. Het was een lied van verlangen. ‘Je had troubadour moeten worden’, lachte de edelman. ‘Bespeel je de luit?’ ‘Haha, nee Heer’, antwoordde de knecht. ‘Ik ken alleen mijn eigen stem op het ritme van het slagen van de smid’. ‘Er moet wel iets heel moois op het aambeeld liggen als de slagen dit prachtige lied omhoog laten borrelen’ zei de edelman. Trots krulde de mondhoeken van de knecht omhoog en veegde een rode blos over zijn wangen. ‘Mijn meester maakt de mooiste zwaarden uit de hele omtrek, Heer. Men spreekt van onverwoestbaar en van toverkracht. ‘Een goed zwaard overwint zichzelf en strijdt voor rechtvaardigheid’, zegt mijn meester altijd’. De edelman keek hem peinzend aan. ‘Dat zijn wijze woorden voor een smid’, merkte hij op. ‘Ik zou graag eens kennis met hem maken’. ‘Als hij een zwaard aan het smeden is kunnen we hem niet storen, Heer. Een zwaard, ononderbroken uit een stuk gesmeed geeft het onoverwinnelijke kracht’.
De Edelman keek om zich heen. De abd uit het klooster had hem voor de nacht een veilige slaapplaats aangeboden. De volgende dag zou hij zijn tocht pas voortzetten, maar vanavond had hij, voordat de maaltijd in de refter zou worden opgediend, tijd om een praatje met deze smid te gaan maken. De woorden van de knecht hadden zijn nieuwsgierigheid gewekt. Zo’n bijzonder zwaard moest hij met eigen ogen aanschouwen. In de avond wandelde hij naar de smederij, waar de smid op het bankje voor zijn werkplaats zat, met een verhit gezicht en zijn leren voorschoot nog voor. De knecht was nergens te bekennen.
‘Beste smid’, zei de edelman. ‘Uw knecht vertelde mij uw bijzondere gave’. ‘Knechten en dienstmaagden kunnenbeter de oren spitsen en de lippen sluiten’ bromde de smid en streek over zijn grijze baard. ‘Hij was trots op zijnmeester’, zei de edelman, ‘en hij had denk ik gelijk. Het zwaard dat U smeedde, was dat in opdracht of is het te koop’. De smid had de edelman al gewikt en gewogen. ‘Vertel me eens, als U het zwaard in handen had, wat zou U ermee gaan doen, Heer’. ‘Ik zou het met eerbied dragen en alleen uit de schede halen als daar directe aanleiding voor was. ik gebruik het zwaard zodat het recht zal zegevieren straks op mijn kruisvaarders tochten. Een goed zwaard zou me zeer ten dienste zijn’. De smid stond op, beende naar binnen en kwam met het zwaard naar buiten. Terwijl hij het zwaard bij het gevest uit de schede trok, orakelde hij met luide stem: ‘Wie mij lief heeft, bescherm ik, wie mij onachtzaam gebruikt voor dood en verderf krijgt met mijn kracht te maken en zal zijn kruis moeten dragen’. Waarna hij het zwaard ophief, zodat het blikkerde in de laatste zonnestralen. De edelman was onder de indruk en boog eerbiedig zijn hoofd bij het zien van dit prachtige kunstwerk. De smid overhandigde hem het zwaard en vroeg hem hoe hij er zeker van kon zijn dat de edelman te vertrouwen was. ‘Met de hand op mijn hart bezweer ik U, ‘Een man een man, een woord een woord’ en het woord van een edelman is meer dan ik U geven kan’. Toch diepte hij nog een leren buideltje op waar tien zilveren munten in zaten. Dit moet genoeg zijn om uw aambeeld en de hamer opnieuw te laten zingen’. ‘Ruim voldoende, Heer’ antwoordde de smid. ‘Gebruik het zwaard met ziel en zaligheid’.
De edelman stak het zwaard weg en liep peinzend terug naar de abdij, net op tijd voor een eenvoudig maal in de refter, dat door hem en de monniken zwijgend werd genuttigd. Alleen in de stilte op zijn brits legde hij het zwaard naast hem neer en viel, met een hand op het gevest, in slaap. De volgende morgen nog voor de zon helemaal op was, nam de abd afscheid van hem en zegende de edelman en zijn zwaard. Daarop gaf deze zijn paard de sporen.
Jaren verstreken en de vrome edelman werd een dapper kruisvaarder, die onoverwinnelijk scheen. Het zwaard had menig keer het recht laten zegevieren, precies zoals de meestersmid voorspeld had. Toen zijn zoon hem op zou volgen en eveneens ging strijden in de kruistochten, besloot de edelman nog eenmaal de meestersmid te bezoeken om een zwaard voor zijn zoon aan te schaffen. Bij een groot meer vlakbij de kleine nederzetting waar de smidse was, besloot hij even te rusten en viel van vermoeidheid in slaap.
In de bossen rond het meer joegen brutale groepen roofridders op geld en goederen. Een van hen had de edelman al van verre aan zien komen en zijn vrienden gewaarschuwd. Hun leider wist dat hij behoedzaam te werk moest gaan, omdat de man een kruisvaarder was getuige het geborduurde kruis op zijn borst. Hij gebaarde zijn vrienden stil te zijn en sloop op de slapende edelman af. Voordat hij ook maar iets kon doen had de roofridder het zwaard uit de schede getrokken en stond met de punt van het zwaard recht boven het hart van zijn slachtoffer. ‘Je geld of je leven’, dreigde zijn belager, maar hij had de woorden nog niet uitgesproken of er klonken slagen van een hamer op een aambeeld en daar bovenuit zong een sonore stem een lied van verlangen.
De roofridder stond als aan de grond genageld net als zijn makkers en hij liet van schrik het gevest los. Het zwaard bleef echter trillend staan in de lucht, draaide zich vliegensvlug om en de punt wees nu naar de overvaller. Een galmende stem klonk’ ‘Wie mij lief heeft bescherm ik, wie mij onachtzaam voor dood en verderf gebruikt, krijgt met mijn kracht te maken en zal zijn kruis moeten dragen’. De mannen wendden zich angstig af, overtuigd dat het zwaard behekst moest zijn en sloegen snel een kruis. Op dat moment vloog het zwaard met drie grote omwentelingen richting het meer, bleef even boven het drabbige water hangen en dook de diepte in. De overvallers vlogen hals over kop en sidderend van angst terug naar de bossen. De edelman, nauwelijks bekomen van de wrede verstoring en het wonderlijke voorval, zette spoorslags zijn tocht voort. Hij had een dringende vraag voor de meestersmid.
Deze zat op zijn vertrouwde plek voor de hut en streek over zijn baard. ‘Ik wist dat U komen zou, Heer. Het zwaard voor Uw zoon is klaar en heeft dezelfde eigenschappen als het Uwe’. De edelman was niet verbaasd over de voorkennis van de smid. ‘Slechts een vraag nog, Meester. Waarom verdween het zwaard zo plotseling? ‘Daar had hij een goede reden voor. Zodra dit onoverwinnelijke zwaard in handen zou komen van gespuis kon het nooit meer onfeilbaar het recht laten zegevieren. Ter bescherming hief het zichzelf op’. ‘En de rovers’? ‘Die zullen gestraft worden van hogerhand’, zei de smid en wees naar boven. Peinzend reed de edelman richting de abdij en keek omhoog. ‘’s Heren wegen zijn ondoorgrondelijk’. wist hij.
Zoonlief heeft me gisteren gewoon ontvoerd. Hij vroeg of ik over tien minuten klaar kon staan om me te nestelen in zijn luxe leren stoel van de auto. Limousine-achtingen associatie. ‘Wat gaan we doen’. ‘Wandelen en even gezellig samen zijn ergens in de buurt van Arnhem’. Knie mag geen inspanning deze week, maar dat was geen punt, want anders bleef ik gewoon zitten waar ik zat. Het miezerde en met angst en beven bedacht ik me, dat het voor een wandeling pittig heuvelig was. In mijn optiek waren het bergen, onbegaanbare bergen. Wat een schoonheid zag ik vanuit mijn luxe zetel voorbij trekken. Wat doen we toch in de randstad, vroeg ik me nogmaals hardop af.
Onderweg vroeg hij het hemd van mijn lijf over vroeger. Het verkeer. Ach jongen, de auto’s in de straat waren te tellen, buiten de karren van de handelaren. De groenteboer met paard en wagen, de melkboer met zijn container vol melk achterop de kar, waaruit we een halve of een hele liter konden tappen, de bakker met zijn glimmende kar, die wedijverde met het verse brood erop, de visboer met zijn zure bommen en hom en kuit, de kolenboer met zijn vegen in het gezicht en de linnen witte zak op zijn hoofd om de kolen te sjouwen. Mijn vader had een auto, omdat hij er zelf aan sleutelde, gewoon op straat of in de garage van zijn beste vriend. ‘ Werkte oma ook’, was de wedervraag. In huis, lieverd. De was nam al een hele dag in beslag, eten koken, sokken stoppen, kousen mazen, strijken, enorme hoeveelheden groenten voor dertien personen klaar maken, de kachel brandend houden en de bedden opmaken, kinderen in bad doen, eerst in de teil en later in de douchebak en in het weekend soep maken voor de jongens van het eerste elftal, waar mijn vader voorzitter van was. Daarna zoomden we in op mijn broers. Wat een fijn samenzijn zo met de zoemende verwarming en de bijna geruisloze motor. Buiten was het guur, hier binnen de nostalgie, de overlevering en de herinneringen.
De daad van zoonlief was een bliksemafleider van de eerste soort onder het mom van ‘ Even wat anders’ en een hernieuwde kennismaking met zijn schoonfamilie. Alles op veilige afstand met scan. Grote tafel in een ruim oord. Hoge plafonds, aangename industriële uitstraling met vleugjes oud weleer. Kleindochter had een domino in het Moluks bij zich. De rondjes uitgespreid op de tafel, ‘Doe je mee, Oma’. Bedelende blik. Tuurlijk doe ik mee en kom alle namen van lang geleden tegen, toen de Tong-Tongfair nog tot de jaarlijkse vaste bezoeken behoorden. Bintang, Mata Hari, Bulan….wat een leuk spel is dit. Kleindochter draaide wel erg veel rondjes om per keer en won glansrijk. Daarna kwamen de Jenga-blokjes op tafel en kreeg ze het voor elkaar dat iedereen mee ging spelen.
Wat een lieve familie, wat een mooie klik tussen ons en wat een goede daad van zoonlief. Gewandeld werd er niet meer en knie veerde op van pure blijdschap. Op de terugweg was er een app van de hoofdredacteur van ons blad met een prachtig compliment over een van mijn recensies. Een stimulans om vooral zo door te gaan.
Zuslief had ondertussen op de piano alle altpartijen uitgewerkt en opgestuurd. Vandaag ben ik er niet bij als het ensemble bij elkaar komt. Volgende week wil ik de boosterprik. Daarna zal ik me weer vrij en onbekommerd voelen. De oude Sint laat ik aan me voorbij gaan. Dat komt later wel weer.
Nu snel aan de kinderboeken en de uitwerking ervan. De deadline is in zicht.
Ja, Toon Tellegen in de brievenbus. Het lijkt een pakje gebakken lucht, zo klein is het formaat van deze gedichtenbundel in het grote beschermende karton, maar het zijn kleine juweeltjes om over na te denken. Soms somber en ironisch van toon, soms lieflijk en zacht. Maar altijd herkenbaar en invoelbaar, altijd woorden die meer zeggen dan hun uitgesproken samenstelling en meer nog, wordt er tussen de zinnen oneindig veel verteld.
Gisteren was ik, bij het zien van dochterlief, zomaar ineens verdrietig. De allenigheid drukte zwaar tegen mijn slapen. De moeilijke keuzes die de hele tijd gemaakt moesten worden, de afwegingen over wat nou wel of niet verstandig was, de blije maar gemiste gezichten van zoon en schoondochterlief en de kinderen op het scherm van de pc, de somberte in het stille huis, de pijn in knie en pols en nog wat niet waardige feiten die, opgeteld, net een paar druppels teveel in de emmer van de vrije gedachte werden.
Ze had me gevonden in elkaar gedoken in een hazenslaapje in de bijna donkere kamer ondanks de brandende waxinelichtjes en bracht warmte en haar ongerustheid met zich mee. Het zijn de zeldzame momenten dat ik behoefte voel om even te leunen, even een schouder om op te rusten. Dat zijn de momenten dat ik met Toon kan zeggen:
Kleine demonen bijten zachtjes in mijn oor/kriebelen in mijn nek,fluisteren wat ze anders willen dan ik,/ bedenken woorden, zinnen die ik niet moet zeggen/laten me onthouden wat ik niet wil onthouden,/lachen me stilletjes en met de beste bedoelingen uit,/gaan overal met mij mee naartoe./. grote demonen zijn te oud daarvoor/hebben hun eigen kleine demonen/ komen af en toe nog langs/ voor een klein, verwoestend bezoek.
‘Tot de winter er op volgt’ is een gedichtenbundel van een man die ouder, onmiskenbaar ouder, wordt en met verlies, verlangen en berusting de eeuwenoude gang van zaken het hoofd biedt, maar ook ruimte laat voor twijfel. Nee, het is nog niet gedaan. ‘We worden oud, het oud van de eeuwige jeugd en de verbeelding’ schrijft Toon.
Zo overvallen die kleine demonen je en leiden de gedachtengangen in eigen banen. Het kan niet altijd rozengeur en maneschijn, een onwaarachtig leven, zijn. Er zijn altijd bergen geweest om te slechten, wegen om te wankelen, het volgen van het verkeerde pad, tot de dwaling, rechtgebogen door omstandigheden, aarzelende schreden zette, nieuwe keuzes maakte. Steeds opnieuw het vallen en opstaan en een rotsvast vertrouwen, dat het goed komt. Ook in het uur van verdriet. Verdriet mag er zijn, eenzaam voelen aan het eind van een lege dag mag, vooruitzichten op een lange winter dragen haastig wat haken en ogen aan, waarachter je bij tijd en wijle mag blijven hangen. Heel even somberen om straks, morgen, vandaag, verder te kunnen gaan.
Dochterlief kwam precies op het juiste moment met de troost van de warme thee, medeleven, afleiding en het luisterend oor. Het zet aan het denken. Heb ik mijn moeder ooit zo aangetroffen. Tijdens de wandelingen, hoe heerlijk te ventileren als je loopt, gingen we vaker de diepte in, maar diepste emoties werden toch altijd en herkenbaar verpakt in een wolk van optimisme of een vleug van gedecideerd wegwuiven. Leen Jongewaard zong in die dagen: ‘Kom Kees, het is maar tijdelijk, het zal wel weer overgaan…’
Precies dat onverwoestbare droeg ze uit. Niet bij de pakken neerzitten, maar er overheen stappen en daarmee de scherpe kanten er af schaven. Er is heel wat geschaafd en gebeiteld, destijds en later, een leven lang. Pleng een traan, duik er diep in, om daarna verder te kunnen gaan. De gedachten even flink husselen en schudden, nieuwe daden stellen en balans zoeken. Winteren ten voeten uit.
Lezen, lezen, lezen, aan een stuk door. Zodra de ogen open zijn, glijdt het boek op schoot en vliegen de letters langs mijn nauwelijks geopende spieders. Ze doen het werk wel. Dit dient aandacht, dat kan gescand, hier dient over nagedacht te worden, hé, dit is opmerkelijk. Schrijven, lezen, krabbelen, lezen, schemaatje maken, lezen. Waarom zijn we niet allemaal humanist geworden, bekruipt me, bij de heldere uitleg van deze Erasmus. Respect voor deze vorser en wetenschapper, deze onafhankelijke denker. Wat een taallievende aardbewoner.
Waarom is zijn leer niet eerder van stal gehaald, hier had de moderne mens, de wetenschapper zo mee uit de voeten gekund. Binnen een week heeft zich een tijdperk ontsloten waar ik alleen de oppervlakkige kant van ken. Die heerlijke katholieke riten, ook die vervelende regeltjes, die te allen tijde doorgingen, ongeacht de omstandigheden. De humanisten, wat is hun verhaal eigenlijk. Nader onderzoek leert vijf vormen kennen. Mijn bewondering voor deze man, die zo trouw is aan zijn eigen denkbeelden, vrijheid zo hoog in het vaandel heeft en, tegen elke stroom in, ook onderwijsprincipes hanteerde, die je blind op het vernieuwende onderwijs van nu zou durven plakken, heeft een soort openbaring geleverd, die mijn inziens in alles getuigt van een moderne en vrije geest. Als we bijeen zijn met het groepje biografie-lezers zijn we het roerend eens. Dit boek heeft ons verrijkt. Geschiedkundig, taalkundig en op het gebied van het geloof in de breedste zin van het woord. Er is grote bewondering voor de schrijfster, Sandra Langereis, die met hetzelfde doorvorsen als Erasmus deed, zich zijn leven heeft verdiept en die dat met ons, soms breedsprakig maar nooit vervelend, heeft gedeeld.
Ook de bijeenkomst was gemoedelijk middenin Amsterdam in een bovenhuis dat geurde naar boeken en kunst, de kamers met krakende vloeren, de hoge plafonds, de smalle gang, de uitgesleten trap, de spiegelende ruiten boven de winkelstraat. Op de terugweg in de auto bespraken we nog wat na, vriendin en ik. Eer we het wisten waren we alweer bijna thuis. Gezelligheid kent geen tijd. Op de weg terug brandde een lampje met een Engelse sleutel, dat ook weer verdween. Spannend, omdat je nooit weet wat er gebeuren gaat. De eerste gang vandaag is langs de garage. Dat staat buiten kijf.
Bij de volgende bijeenkomst bespreken we de biografie van de kunstenaar Jeanne Biersma Oosting, die door Jolande Withuis is geschreven. De titel is: ‘Geen tijd verliezen’. Ik kende het werk van deze krasse dame niet, dus eerst een beetje research.
Nu is er ruimte voor wat ontspannen lezen en de kinderboeken. Buiten is het somber en er viel zowaar al een verdwaalde sneeuwvlok. Soms trekt de lucht wat open. Het aantal schakeringen in grijs is opzienbarend, van vaal grijs tot paynes grey, soms mooier en somberder dan ik op het palet kan maken.
Dat is wel een idee. In deze zelfopgelegde solitude (George Moustaki) atelier maken in de kamer en lekker schilderen. Er ligt nog een hele rol linnen. Vlassen wat ik daarmee zal doen. Even in reeksen denken, vermoed ik en afwijkende vormen. Langgerekt aan hout, zoals mijn die piepkleine paneeltjes in inkt. Een drieluik, nu het hoofd uit de middeleeuwen is. O, dachten we trouwens dat het nu heftig was met ons virus, destijds hadden ze ook gemiddeld elke winter de builenpest en bleef iedereen binnen of vluchtte weg. Ik zal jullie de beschrijving van de symptomen besparen, maar iets werd me duidelijk. Misère komt in golven en alles kan altijd erger.
Het verkeer ruist voorbij in de glinsterend natte straat. Vroeger ruisten de rokken, vooral die met een petticoat eronder. Ze knisperden ook, als je ging zitten. Ze waren altijd in gesprek. Wat voelde dat koket, zo’n wijde rok en zeker als er passende glimmend gewreven lakschoentjes bij hoorden.
Straks komt Dribbel een uurtje. Hij snottert niet, dus het kan. Gezellig. Ik zal zoonlief vragen de doos met autootjes onder de bank uit te halen. Daarmee kan hij urenlang zoet zijn. Pluis was narrig vanmorgen. Ze verkocht me bijna een haal. Ze wilde perse onder de hoes van het dekbed kruipen. Daar stak ik een stokje voor. Onder de sprei kan wel, daar had ze de hele nacht al gelegen. Waarom zoeken poezen toch altijd dat soort verstop-plekjes.
Ondanks de stapel wachtende en smachtende boeken mag Toon Tellegen en zijn ‘Tot de Winter er op volgt’ er nog bij. Daarin kijkt hij recht in de muil van de ouderdom, soms te vuur en te zwaard bestreden of dan om haar achteloos achter zich te laten en alleen maar heden te zien, zonder loodzware voeten.
Het leek me een welkome aanvulling op ‘Winteren’ van Katherine May, dat boordevol mooie passages zit en in wonderschone zinnen uiteen valt, ook al lijken ze zo gewoon. Na een periode van overstrekte draf door het leven te zijn gerend, komt ze moe thuis te zitten en schept genoegen in het bakken van bagels, het fabriceren van een stoofpotje of het kneden van peperkoekmannetjes met de volle aandacht. Ze schrijft: ‘Ik buig me over dat wat niet meer is, begraaf zachtjes een aantal waarden die ik niet meer nodig heb‘.
Toon dicht: ‘Het verleden slaat op de vlucht /het is bang voor mij/ ik zou het wat aan kunnen doen/ het laten stikken bijvoorbeeld, of vergeten/en dan alleen verder gaan, met alleen heden voor mij, achter mij/ik zou niets meer wegen/ nooit meer loodzware voeten, die rug die bezwijkt/die plotselinge steen in mij/ en nooit meer schrijven, doorkrassen, verfrommelen, verdoezelen.
Dit gedicht staat op de achterkant van het boek. Dat laatste zou ik persoonlijk erg spijtig vinden, al heeft hij voor een leven lang stof aan denken geboden met zijn oeuvre tot nu toe. Gisteren schreef een geliefde blogger op mijn oude wijze vriend zijn beleving van het moment: ‘Ook ik tracht aan de wereld te ontsnappen, zoals jouw vriendlief. Maar ik zie het licht en de wolken nog.’
Oud worden in de geest is eigenlijk zo mooi. Nee, veel is er niet meer nodig. We hebben alles al. Inderdaad. Een dak boven ons hoofd, een bed om in te slapen en voldoende in de koelkast voor de miezemuishapjes op een dag. Het heden voor en achter je. Toch mag ik graag afdalen naar het verleden, daar wat ronddwalen, ideeën opdoen, weg fantaseren, dromen over een sfeer, een geur, een bijna tastbaar beeld. Ooit schreef ik een verhaal over een kist, waarin je de trap kon afdalen naar het verleden, het heden en de toekomst, Stairway to Heaven was er in mijn gedachten, iets dat ik een prachtige metafoor vond. Niet voortdurend maar mijmerend. Niet als de twee oudjes met de tikkende klok, die hun tijd verbeiden met wachten op de eindigheid, maar meer als een uitstapje of, beter nog, een opstap naar een volgend moment.
‘…Van de schoonheid van de kleine dingen. Zij die belastingvrij zijn maar met een hoog rendement. aan ingetogen vreugde’ schreef de schrijversvriend. Die momenten zijn er in overvloed. Afdalen, opstijgen of blijven hangen in de tijd, het kan allemaal.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.