Overpeinzingen

Daarna lijkt alles mooier

Het zijn pittige temperaturen en het blijft een kwestie van vroeg in de ochtend wat activiteit ondernemen. Toch ging ik gistermorgen naar de Datsja om te schilderen. De dag ervoor had ik een goeie opzet gemaakt en ik had zin om verder te gaan ondanks de warmte. Heerlijk zo’n drijfveer.

Soms kan het gebeuren dat de flow goed is. Met een Braziliaanse fado als ondertoon bleek het goed werken en vloeide het penseel op dat heerlijke ritme als vanzelf. Zuslief kreeg vorm. Steeds even bijschaven, zoeken naar de mogelijkheden, duwen en trekken. Het mocht. Er was tijd genoeg. Aan het eind van mijn zwoegen voelde het goed. Morgen de puntjes op de -i- en door naar een nieuwe opzet. Het marktvrouwtje met de paar schamele bosjes Guldenroede. We hadden haar ontdekt in Kaposvar bij een overdekte markt. Temidden van de enorme uitstalling aan waar op de andere kramen, zat ze bescheiden achter een tafeltje bij de ingang van de grote hal en wachtte af. Haar mimiek was ondoorgrondelijk maar met een ondertoon van verlegen. Ze was het toonbeeld van eenvoud.

De hele week was ik vol verwachting naar de post. Op de hoek, twee huizen verder, zit het postkantoor. Zoonlief had op mijn verzoek twee puzzelboekjes opgestuurd. Gisteren ontdekten we dat de straatnaam niet helemaal klopte. Inmiddels was het verzenden al een week geleden gebeurd. Met zo’n verkeerd woord in het adres begon ik ‘m toch te knijpen. Na een eerste vergeefse poging, het postkantoor was net gesloten, ondernam lief er later op de middag nog een en kwam na een half uurtje triomfantelijk met de enveloppe binnen. Zoonlief had geadresseerd aan mama met achternaam. Daar waren ze niet helemaal uitgekomen. Zekerheid voor alles.

In de avond kwam vriend langs. Na lange werkdagen was het goed toeven in de schaduw van de tuin. Alcoholvrije biertjes hadden we speciaal gekocht om te gebruiken voor dit soort gelegenheden. Het promillage dat is toegestaan tijdens het rijden is nul en daar zijn ze behoorlijk streng op. Vriend vertelde hoe zijn vriendin, die hier geboren en getogen is, eigenlijk nog bijna niets van de omgeving heeft gezien. Na mijn enthousiaste verhalen over wat we tot nu toe hebben meegemaakt en hoe mooi het hier allemaal is, besloot hij om nog eens een poging te wagen haar uit haar vertrouwde omgeving te pellen.

Het werd een aangename lange avond met tsjirpende krekels, waarvan ik er een op beeld gevangen had in de vroege ochtend, omdat ze naar binnen was geslopen en tegen het raam geplakt zat. Deze kleine prachtige beestjes roepen ten enenmale de sfeer op van de nacht die Vasalis beschrijft in haar gedicht De krekels. Daarin beseft ze het voortgaan van de tijd en haar eigen vergankelijkheid ‘Ondanks de schijn van eeuwigheid/in enkle stille ogenblikken/hoor ik voortaan een fijn, schor tikken…’ De onrust van de dag werd gesmoord met dit vertrouwde geluid, wat bleef, was schemering en diepe vredige rust.

Het daggedicht van Annie bleek gisteren er een te zijn die ik niet kende. Dat komt zelden voor. Het heeft de opbeurende titel ‘ De Dame sterft uit’. Ik las het voor aan lief en samen moesten we er om gniffelen. Heerlijke onbetaalbare humor. En ik zou iedereen iedere dag een gedicht voor willen schrijven als tegenhang van het dagelijkse nieuws. Klop er luchtigheid in en een beetje vertrouwen. Daarna lijkt alles mooier.

DAGGEDICHT – Annie M.G. Schmidt (1911-1995) – De dame sterft uit

De dame sterft uit

Vertelt u het verder, maar niet al te luid:
er is iets ontzettends, de dame sterft uit.
O, vrouwen genoeg (veel te veel, Lieve Heer),
maar dames die hebben we bijna niet meer.

De dame sterft uit, we zullen het zien,
precies als het rendier, maar eerder misschien.
Ze droeg een jabootje, ze wist niets van seks,
ze was wel nerveus, maar ze had geen complex,
sprak nooit over buik, want ze noemde het maag,
ze zei met een hele beschaafde stem ‘graag’,
gebruikte nooit poeder of crème op ’t gezicht,
beschouwde het echt’lijk verkeer als een plicht,
bracht kinderen voort in Den Haag en Schiedam,
maar wist nooit precies hoe dat allemaal kwam.
Ze wou ’t ook niet weten, ’t was allemaal vies
en ze waste persoonlijk haar Sèvres servies.

Zo was ze, maar ach in de tijd die nu komt
zeggen de dames voortdurend ‘verdomd’.
De douairières, zij dragen -als norm-
een merry-go-round of een Maidenform.
In plaats van ‘laat mij eens’ zeggen ze ‘lames’.
Waar blijven de echte dames?

Ze zijn er nog wel, een paar, een paar…
maar ze zijn al zo oud en over tien jaar,
dan merken wij plots op een maandag in maart,
dat er geen dames meer leven op aard.
Misschien kan men nu in de komende jaren
de laatste tien dames nog even bewaren,
wat koel, in een dames-natuurreservaat.
Of is het te laat, is het al te laat.

En vinden wij binnenkort nog alleen
een enkel klein opschrift, gebeiteld in steen,
gesierd met wat rozen en witte cyclamen:
‘Hier ligt de laatste dame’?

(Uit: Tot hier toe: gedichten en liedjes voor toneel, radio en televisie 1938-1985. Querido – Beeld: illustratie van Fiep Westendorp bij bovenstaand gedicht uit: En wat dan nog? De Arbeiderspers, 1967)

Overpeinzingen

Een waaier aan kleur

Wat we wilden bereiken in de vroege ochtend lukte wonderwel. Om elf uur zaten we gepikt en gesteven in de auto op weg naar die grote blauwe Donau, die door de stad Mohacs stroomde en een stief uurtje later liepen we over de boulevard, waarlangs druk gebouwd werd en kennelijk in allerijl appartementen werden opgetrokken. De lantaarns, het muurtje en de wandelweg aan de voet ademden allemaal en grandeur van weleer, maar was nu vooral een toonbeeld van oud en nieuw. In de Donau dobberden twee enorme hotelschepen met een zeer steile loopplank waar net twee mannen met hun koffers zeulend omhoog gingen. Iets verderop was een veerboot heen en weer aan het varen. Nader onderzoek verklapte dat de nabije overkant een eiland bleek te zijn. Een uitspanning boven het inrij-haventje zag er uitnodigend uit en was in deze hitte niet ongewenst. Het uitzicht was prachtig.

De Donau zelf strekte en rekte zich imposant en liet het water kabbelen. Een oude tanige vrouw in een kleurrijke hippielange rok van weleer liet haar mottige oude hondje pootje baaien aan de oevers naast het veer, tenminste, dat hoopte ik. Ze pasten wonderwel bij elkaar en bij hun omgeving. Grandeur van weleer dus.

Het jonge meisje serveerde ijskoud alcoholvrij bier en wij en diverse wespen genoten daarvan en van het wonderschone uitzicht, water zover als het oog reiken kon en een schouwspel aan wandelende mensen die naar het eiland wilden of terug kwamen en de auto’s die kris kras hun plekken innamen op het veer of er af reden. Er waren badgasten bij en toeristen, mensen die gewinkeld hadden met plastic tassen en trolleys, de waterpolitie die aan het controleren was, het doordeweekse leven van een stad. De veerman draaide alsof zijn leven er van afhing aan het wiel aan de zijkant van het schip waar kennelijk een kabel aanzat, die een tweede man met zich mee trok de wal op om de lus om de bolder te leggen. Frequent voer hij heen en weer tussen de Rijnaken door die hun weg onverstoorbaar vervolgden.

Natuurlijk wilden we meer Donau en storten ons wederom in het ongewisse door de rivier te volgen, zoals we bij de Drava ook gedaan hadden. Maar we liepen stuk op kleine doodlopende weggetjes en de doorgaande weg leidde ons door bescheiden dorpen, de een nog stiller dan de andere. Tot onze verbazing reden we ineens het grote Duna-Drava Nemzetipark in. Opnieuw waren de goden ons gunstig gezind. Bij een oude arm van de Donau stapten we uit. Heel veel dood hout aan de zijkanten, staketsel van bomen staken uit het bruinige water en voor mijn ogen vloog de blauwe ijsvogel gehaast naar een veiliger plek verderop, onzichtbaar voor de lens. In de diepte trok een grote groene pad de aandacht, terwijl hij zijn kostje bij elkaar scharrelde. De weg was verrassend goed begaanbaar en liep door een dorp dat verlaten oogde. Hier en daar was een huis nog in gebruik, maar opvallend was de leegstand. Ook de school bleek al jaren buiten gebruik. ‘Ex-school’ vertaalde lief het bord ervoor en het scheefgezakte gebouw erachter bevestigde dat met nadruk. Wel zagen we er drie varkens en een biggetje lopen met opvallend lange snuiten in een goed omheind kot. Eindelijk, daar zijn de zwijnen. Iets is beter dan niets. In het ongerepte loofbos erachter zaten ze zeker, maar dan zou je in de vroege avond op pad moeten. In het midden van het park kwamen we weer een enorme vlakte bebouwd met zonnebloemen tegen en aan het eind van de weg een hek. Daar kon je alleen nog lopend verder. Dat was voor een volgende keer.

Op de terugweg zagen we een zwanenfamilie in een tweede oude arm , de Belso Beda, die statig en kalm met kroost heen en weer zwom. Op de terugweg de goudgeel verdorde maisvelden, de bruine stoppel-akkers tegen de blauwgrijze hoogste top van het Mecsekgebergte. Ongerept en een waaier aan kleur.

Overpeinzingen

Als je de tijd aan jezelf hebt

De beuk is weer aan en schittert in haar volle rode gloed. De acer, aan het begin van de tuin, verliest het van diens intense kleur als de zon er op schijnt. Gisteren was het te heet om ver weg te gaan. Het werd een dagje Datsja. Het papier lag klaar. De iPad bracht heerlijke dromerige fado’s, de temperatuur had zich aangepast aan de lome Portugese klanken en er bleef gelukkig een lauwe bries door het struweel waaien. Het was er goed toeven. Lief zat op de veranda in de rieten leunstoel.

Om te zorgen dat de penselen zich weer naar mijn wil zouden buigen, oefende ik op zomaar iets, dat uiteindelijk net zo dromerig werd als de Fado klonk. De uren streken voorbij en voor ik er erg in had, gutste het water letterlijk van mijn lijf. Het werd nu echt te heet. Dit eerste probeersel was af en het tweede stond in de basis erop. Morgen was er weer een dag.

We schoven met ons borreltje, een koud Belgisch biertje en een een even koude witte wijn, naar verschillende schaduwplekken in de tuin. Eerst de fluweelbomen, te weinig wind door de dikke juniperus-struik ervoor. Daarna achter de boeddha met uitzicht op de oude caravan die dienst deed als schuur voor het kleine tuingereedschap en toen zelfs voor de caravan met uitzicht op het beeld van de nimf met de kruik. Dat was eigenlijk een fonteintje, maar helaas had ze dat genoegen nooit mogen smaken. Wat verweerd stond ze er te staan, vertrouwd wit baken in het groen. Ik nam een foto van lief in de stoel, haha, Pa op de camping, zo oogde het. De foto’s appte ik door aan dochterlief. Volgend voorjaar staan ze hier waarschijnlijk een paar weken met hun caravan en wie weet, viel de onze op te knappen tot extra tuinhuisje annex slaapplek.

Ondertussen maakten we plannen voor vandaag. De Donau stond nog steeds bovenaan. Nu besloten we het gedegen aan te pakken en puzzelden de tocht via google Map en vooral ook via google Earth uit, zodat we niet weer voor verrassingen kwamen te staan. Mohacs werd de bestemming. Een wat grotere stad aan de Donau en een uur rijden van hier. Dat was een mooie afstand voor een dagje weg. Waarschijnlijk alleen de ochtend en de vroege namiddag, want later beloofde het 36 graden te worden en dan kon je maar beter op het erf zijn.

Opeens werd de stilte van de middag verbroken door een alarmerend gillende sirene van de ambulance, even later een brandweerwagen en twee politiewagens er achteraan. Niet veel verderop, op de weg naar Szigetvar, was kennelijk een groot ongeluk gebeurd. Het verkeer moest omgeleid worden door onze straat. Dat gebeurde bijna nooit, vertelde lief, maar nu stonden ze op de hoek bij het kruispunt heel druk het verkeer te regelen. Vlak voor het huis stopte een grote vrachtwagen met een trieste lading. Varkens voor de slacht. Ik zag door de spleten heen hun oren wapperen en hun snuitjes snuffen. Er bleken een aantal varkenshouderijen verderop te zijn.

Wij waren blij dat we hadden ontdekt dat de Penny in Szigetvar de grootste keuze Vega van alle aanwezige winkels in de omtrek had. Ze hadden überhaupt veel meer keuze. Bij de diepvriesgroenten waren sperziebonen en doperwten te krijgen en tussen de blikken vond ik kievitsbonen. Superheerlijk. Daar stond tegenover dat je moest nadenken over het tijdstip van inkoop, want er waren maar twee kassa’s met gemiddeld lange rijen. Geen probleem als je de de tijd aan jezelf hebt.

Overpeinzingen

Op onze lauweren rusten

Gisteren kwam het idee voor een verhaal over het rampjaar letterlijk binnenstormen en bleek niet meer te ontwijken te zijn. De diepte in dan maar. De dood of de gladiolen en wie niet waagt, die niet wint. Dus verdwijn ik naar de meer dan koele keuken, om de dertig graden van buiten te ontvluchtenen verzin al sparrend met Lief de ingang voor het verhaal.

Het lukte wonderwel en mondde uit in een vijf uur durende schrijfsessie. Moe en leeg geschreven en verstijfd van de kou omdat ik had verzuimd een warme trui aan te trekken, plofte ik naast lief neer, die in de schaduw van de fluweelbomen zat op te drogen. Hij had de hele tijd kleine fruitboompjes verwijderd, snoodaards die overal hun kopje opstaken, maar daarbij wel steeds de schaduw opgezocht. De temperatuur bleef moordend en de arbeid koos een eigen route om weg te vloeien.

Opa was de aanzet voor het verhaal en een in elkaar gevouwen krantenartikel in een binnenzak. De rest blijft tot publicatie binnenskamers. Het luchtte op, maar bracht toch een totale vermoeidheid met zich mee, letterlijk leeggeschreven. Geen puf meer voor het verslag van de heerlijke dag ervoor.

Op zondag wilden we de Donau opzoeken en dat leidde ons naar Barcs. Kennelijk hadden we toch iets over het hoofd gezien, want deze stad, die we als ijkpunt hadden genomen, bleek slechts over één rivier te beschikken. Daar slingerde zich de Drava in volle glorie langs. De parkeerplaats grensde aan een wandelpad en dat beloofde veel, maar het leidde ons slechts langs beboste oevers en rietkragen, met aan de andere kant een desolaat en roestig industrieterrein. Hier en daar was er een glimp van de uitgestrektheid van het water op te vangen, maar het meeste bleef te raden. Terug bij de auto besloten we op de bonnefooi langs de rivier te rijden. De weg slingerde zich er een tijdlang braaf naast en week toen af naar het ‘binnenland’. Een, twee, drie in godsnaam en God zegene de greep. Op naar het avontuur. Het werden kleine kronkelwegen, soms met diepe butsen in het geïmproviseerde wegdek, maar het bracht ons wel bij een van de juwelen waar dit land om bekend stond. Haar uitgestrekte poesta’s. Tegenwoordig doorgaans bebouwd, maar hier, in het midden van het grote niets, zaten we ineens tussen het betere werk. Ongerept en nauwelijks bereikbaar via boerenwegen en ooit aangelegde paden voor een enkele electriciteitscentrale, vanwaar uit de grote palen met hun langgerekte snoeren naar dorpen in verste verten werden geleid. Wat een schoonheid, wat een uitgestrektheid en wat een ruimte.

Op ons gelukkig gesternte en Truusje Tomtom zagen we of een weggetje doorgang vond of niet en dat behoedde voor vastlopen. Het overweldigende gevoel van nietigheid in de grootsheid van deze natuur overspoelde elke vezel.

Zo kwamen we wel weer in de bewoonde wereld. Nog even was er de hoop op een knorrend everzwijn, maar die moesten we er zelf bij denken. We bemerkten een rondje te hebben gemaakt, want we stonden weer bij Barcs en nu ontdekten we met het geluk aan onze zijde, het wandel en fietsgebied langs de Drava, dat ‘Amazon of Europe Bike Trail, heette en waar eeuwenoude bomen een parkje aan de oever van de rivier omzoomden, maar wat ook een wandel en fietspad herbergde dat een aardig aantal kilometers lang beloofde te zijn. Aan de zijkant stond een kleine uitspanning. De rivier strekte zich in al haar glorie breed uit tot zover we kijken konden.

We kuierden tussen de enkele badgast door en lief ontdekte een jonge ringslang in het water. Ze had ons, door de trilling waarschijnlijk ook waargenomen en stak parmantig maar alert haar kop boven het water, wachtte even en schoot toen de diepte in.

De aanzet van de bedding was drooggevallen en we konden om de eerste machtige pijler heen lopen. De Drava schijnt een van de schoonste rivieren te zijn. In breedte kon ze wedijveren met de Donau en verderop bleek het Duna-Drava natuurpark te liggen, waar de twee rivieren zouden samenkomen. Dat was voor een volgende keer. Nu wachtte ons een heerlijke koele lafenis met ijs op dat kleine terras en het nagenieten van alles wat we hadden meegemaakt. Na zo’n tocht mochten we eindelijk op onze lauweren rusten.

Overpeinzingen

Van vrucht naar vrucht

Gisteren een app van het thuisfront. Zoonlief had een ingenieus irrigatiesysteem ontwikkeld om op weinig stroom, met een klein zonnepaneel, de planten op de galerij water te geven. Het zag er professioneel en kien uit. Trots op onze uitvinder, die er niet voor terugdeinst om iets heel nieuws te proberen.

Hier was gisteren een overvloed aan vocht. Op een andere manier zijn er ook waterzorgen. Tenminste, de afvoer gaat met een ouderwetse sceptictank. Die moet niet te vol zitten met het gevaar op overlopen. Een bedrijf komt het in dat geval leeg pompen. De finesses zijn me onbekend, want ik heb het nog niet meegemaakt. Ben wel benieuwd. lief vindt het maar drie keer niks dat het op deze manier gaat. Ach ja, iets met de lusten en de lasten denk ik dan. Dat is wellicht tekort door de bocht. We gaan het zien en beleven.

Een thuisdag gisteren, de tweede op rij. Er moest een oud nestje met helaas een dood vogeltje boven op zolder geruimd worden, dat nam lief voor zijn rekening en ik had de kookkriebels. Dwars door de kast koken is een sport geworden. Vooral hier, waar niet teveel eten moet blijven liggen. Rijstnoedels waren voor handen en daar past een gewokte gemengde groente bij met vissaus en oestersaus en bij gebrek aan sambal wat chili. Om in beweging te blijven was ik vroeg begonnen met het gevolg dat we om half vier al aan de dis zaten. Voor mij niets vreemd, omdat ik, toen ik alleen was, nooit andere tijden hanteerde dan de maag aangaf, voor lief even wennen.

In mijn hoofd tollen mogelijkheden door elkaar. Voor het rampjaar heb ik nog geen aanknopingspunt, wel mooie verhalen over het onder water zetten en het verzet van de boeren en de vernietiging van de hervormde kerk. Ik moet eens kijken of er chocola van te maken valt.

Vamdaag gaan we naar Barcs, een dorpje aan de grens met Kroatië en tot mijn grote vreugde zag ik dat de Donau er doorheen stroomde. Als ik ergens ontzag voor heb dan zijn het die enorme brede traag stromende rivieren die zich dwars door een aantal landen slingeren. Het toonbeeld van mooi. Begrijpelijk dat er componisten dichters en schrijvers zich hebben uitgeleefd om hun verrukking voor die prachtige stroom kenbaar te maken. Als je de ogen dicht doet en je mee laat voeren met de klanken van Der Schonen Blauen Donau van Johann Strauss volg je automatisch de meanderende loop van de rivier. Claudio Magris schreef er een levensloop over die net zo meandert als de rivier zelf: Donau. Biografie van een rivier. Van Beieren tot aan de zwarte zee reist hij met hem mee en verhaalt van het ontstaan, voorbije tijden en toekomstige dromen.

‘Het zijn profetische woorden’ schrijft men in een recensie in Trouw. ‘In de verdere loop van zijn carrière is Magris zijn ideaal van open, grens- en taaloverschrijdende culturen steeds hechter gaan verbinden met het idee van een werkelijk verenigd Europa waarin ‘grenzen tussen landen en culturen eerder bruggen dan obstakels vormen’. En echte klassieker en zeer de moeite waard. De Donau, ik zet Strauss op en laat de muziek van het Wiener Philharmonischer golven over de groene oase, waarin de tuin sedert de regendagen veranderd is. Ineens komt de zon door alsof ze zich geroepen voelt. Een sprankje hoop die het land in een oase verandert. De grote witte koningspage deelt in de vreugde en fladdert tevreden met haar mee van vrucht naar vrucht.

Overpeinzingen

Ware vrijheid

Na gisterenavond hier op de veranda de regen te hebben omarmd, werden we verblijd met de muzikale Hongaarse klanken van een feest hier aan de overkant van de grote doorgangsweg. Met het ritme van de regen op het dak van het overdekte terras extra feestelijk en gezellig.

Op Facebook komt er een link langs met daarin een artikel over Liesbeth Woertman. Ik ga naarstig op zoek naar artikelen van haar en kom uit bij de volgende quote: ‘Je voelt je niet op je mooist in de narcistische bewondering, maar juist in het aangeraakt worden. Je wordt gemaakt in de fysieke aanraking, en je voelt je geweldig door de bevestiging en de nabijheid. Mooi zijn heeft te maken met momenten waarop je met jezelf samenvalt. Met uitzinnig dansen, of een zoen op de fiets. Juist als je niet met je uiterlijk bezig bent, ben je op je mooist.’

Het is zo waar wat daar staat. Het is wat ik persoonlijk ondervind nu wij elkaar opnieuw gevonden hebben. Het vertrouwen was er al, blind zelfs wist ik nog van onze eerste acht jaar samen, maar nu sterker dan ooit. Samen oud worden en er voor gaan is een stap, waarin we beiden nauwelijks meer geloofden, maar wat een meerwaarde heeft het ons gebracht. Dat spiegelt zich in alles waar we mee bezig zijn. Mogen zijn wie je bent op alle fronten is om te koesteren, een groot goed. We herkennen het in de rust die over alles heen filtert, de glans in de ogen, het ontspannen gelaat, de groei in het elkaar vinden en de veranderingen die het brengt. We bespreken het en komen tot de conclusie dat het leven goed is voor ons beide, bekroond met dit samenzijn. Zonder sentimenteel te worden overigens, maar wat er is mag benoemd worden.

Gisteren kregen we bezoek. Het echtpaar met hondje, waar Lief, tijdens hun reizen naar Nederland, iedere keer weer op had gepast. Beiden gepensioneerd. Hij had jarenlang in allerlei landen als consul gewerkt en zij ging met hem mee om hem daarin te steunen en vrijwilligerswerk te doen voor organisaties en waar dat nodig was. Ze hadden in verschillende culturen gewerkt en geleefd, het nodige meegemaakt en veel gezien en gehoord.

Het werd een geanimeerd en boeiend gesprek. Heerlijk om mensen te ontmoeten uit een andere leefwereld. Koekjes bij de koffie en over en weer niet uitgepraat raken, dat was zo ongeveer de strekking. Het vriendelijke hondje snuffelde en bedelde zijn behoefte aan aandacht bij elkaar. Beloven elkaar gauw te zien, de volgende keer als we hier zijn en uitwuiven, lekker ouderwets. Aan beide zijden de armen uit het raampje. Dag, dag.

De natuur heeft zich voorgenomen om dit uitgedroogde stuk land eens goed te doordrenken. Er komt geen einde aan. Wij lezen en schrijven ons er doorheen en ervaren het niet als een bezwaar. In tegendeel. In mijn hoofd speelt het rampjaar 1672 op, het verhaal voor de scholen moet gaan over dat stukje geschiedenis. De vraag is wie ik als hoofdpersoon opvoer. Een fictieve molenaarsdochter of een boerenzoon. Het wachten is op die ingeving die altijd en overal komen zal.

Lief leest De Keuze van Edith Eva Eger en is in het vooroorlogse Hongarije. Ik reis met Marten Toonder af naar Amsterdam, waar de belegering een feit is en er allerlei wegen gevonden moeten worden om door te kunnen blijven werken. Verguizen of omarmen daar komt het op neer. Moeilijke keuzes allemaal, maar om met Edith te spreken, die is er wel. Samen bespreken we bepaalde passages en toetsen het aan onze leefwereld. Wat zou jij doen in dezelfde omstandigheden. Die zijn zo verschrikkelijk dat het nauwelijks voor te stellen is. De belangrijkste zin is die van haar moeder aan haar: ‘We weten niet wat er gaat gebeuren. Maar onthou, dat niemand dat wat je in je eigen gedachten hebt van je af kan pakken’. In dat advies huist ware vrijheid

Overpeinzingen

Glazig keken ze op ons neer

Gisteren begon de dag met het prepareren van vier vellen papier met gesso. Dankzij de verhandeling over negatieve ruimten en de oefening erbij uit het boek tekenen met je rechterbrein was ik enthousiast geworden over de bereikte resultaten. Hoe anders kijken we dan. nu zie ik al een tijdje de negatieve ruimten eerder dan het object. Haha. Het moet niet gekker worden.

In verband met de kramp die nogal eens op komt zetten in de benen ‘s nachts, was er de gedachte aan het tekort aan beweging. Normaal gesproken is er in Nederland de dagelijkse gang van vier trappen naar de galerij, op en af, en dan nog het trappengeloop in huis zelf. Hier hoef ik slechts over het landgoed te sloffen en nauwelijks te klimmen. Eerst dacht ik aan het opstapje bij het terras om die vier keer per dag zo’n tien keer te nemen, maar lief herinnerde me aan de trap naar de slaapkamer boven. Natuurlijk. Goeie work-out. Vier keer per dag op en af, en dat natuurlijk minimaal. Meer is altijd beter.

Na een dag van schrijven, lezen, puzzelen en vooral veel tekenen werd het tijd voor een nieuwe verkenningstocht. De omgeving van Orfu stond op het programma. Er was een groot meer met een wandelpad rondom. De weg er naar toe was adembenemend mooi. Wat een kleurenpalet heeft men hier rondgestrooid en dan de uitgestrektheid, iets waar wij in Nederland lyrisch over zouden zijn. Het laatste stuk ging dwars door het Mecsekgebergte en ontvouwde daar een ongerepte schoonheid dat golvend met de auto meereed. Onderweg moest natuurlijk het prachtige dal vastgelegd worden, daar diep beneden ons. Het grote meer met het omliggende dorp, van hieruit huizen argeloos uitgestrooid langs de randen van het water, strekte zich langgerekt en in volle glorie uit. Achter ons de akkervelden, geelgoud gestoppelde tarwevelden, een veelvoud aan groenen in alle tinten die er maar konden zijn, afgewisseld met steppen en toendra’s. Adembenemend mooi.

Het zien ervan is voldoende. Er hoeft niet aangemeerd te worden bij de vele uitspanningen waar badgasten de inwendige mens aan het versterken zijn. Een wandeling over het voetpad leert ook hier de vele visplekken die het meer rijk is, onbereikbaar, afgesloten en particulier, en de hoge rietkragen waar niet overheen te kijken valt. Aan de rechterkant van de parkeerplaats ontdekken we een enorm zwembad, maar kennelijk is het naseizoen al begonnen, want het is dicht. De schamele doorkijkjes die er waren, lieten ons een meer zien, waar jonge kinderen in zeilbootjes, kleine polywoods, aan het oefenen waren met gijpen en overstag gaan. Wendbare witte vlekken in het rimpeloze water. Ergens in het midden zwom een koppel statige zwanen met hun al bijna volgroeide kroost, zes stuks in totaal en boven het hoofd cirkelde opnieuw een visarend of een andere grote roofvogel.

Terug in Szigetvar op het raadhuisplein met de statige gesloten kerk, eveneens ooit een moskee, sloten we de dag af met een aperitief. De ijskoude Rieslinger werd geschonken in een enorme bel met ijs. De bewoners oogden kunstzinnig en modern of gemoedelijk en dorps. De pizzeria waar we zaten was duidelijk een stamkroeg en een ontmoetingsplek.

Er was een kringloop, ontdekte ik. Second-hand shop heette het. In graaibakken ervoor lag de kleding. Daarnaast een goedkope kledingwinkel waar een Aziatische meneer de scepter zwaaide, compleet met mondkapje. Het ging hier vooral om veel. Er was veel van alles. Men kon terecht voor een complete uitrusting, ook voor schoenen, tassen en een hoed. Voor twee of drie euro viel er een linnen jurkje te scoren, die doorgaans op alle markten van Europa te vinden was. Exclusiviteit was er vooral in de verderop gelegen authentieke winkeltjes met de kleine etalages en een hoog jaren vijftig gehalte aan etalagepoppen en uitgestalde jurken. Glazig keken ze op ons neer.

Overpeinzingen

De stilte omarmde ons

Na die heerlijke regen in de ochtend, werd het ‘s middags dampend droog. Het leek alsof de natuur zich had herpakt en levendiger werd dan ooit. Maar tamme merelman, die iedere dag dichterbij kwam hippen en ons voortdurend in ogenschouw nam, was verdwenen. Had de zwarte poes, dat magere scharminkel dat schuw binnen kwam sluipen, er iets mee te maken. Gek genoeg waren we aan die jonge merel gewend geraakt. We missen hem nu. Poezen horen niet in dit vogelparadijs. Dat vinden ook de twee Turkse tortels die heftig misbaar maken als zo’n indringer zich meldt.

Lief wist een mooi natuurgebied, daar wilden we heen. Eerst de boodschappen bij de vertrouwde supermarkt met Belgische dure biertjes in het schap. Dat feest wilde hij zich niet ontnemen. Duur is relatief hier, alles is goedkoper. Benzine is helemaal een feest.

Met een volle tank reden we naar Terecsenye en kwamen eerst terecht in het dorp, maar huizen, ook al zijn ze nog zo vrolijk en uitbundig gekleurd, wilde ik niet zien. Een klein onooglijk weggetje verderop bleek de juiste. Daar reden we een groot natuurgebied in met een wildpark vol edelherten, damherten en vooral everzwijnen. Maar rechts stond om het hele gebied schrikdraad. Er was sprake van de een of andere infectieziekte, zo stond op een bord te lezen, die vooral bij de zwijnen voor bleek te komen en door isolatie probeerden ze erger te voorkomen. We konden wel de prachtige sfeer proeven en opsnuiven. De immens hoge eeuwenoude dennen gaven het laaggebergte een imposante aanblik. Er tussendoor konden we dalen en volgende hoge heuvels zien. Opmerkelijk was de zuiverheid en de stilte in die oerbossen.

De woudreuzen hadden kennelijk hun potloden geslepen, daar lag een hele stapel puntig en wel te wachten op de verwerking. In míjn verbeelding bewogen ze zich traag met grote stappen als de gelaarsde kat, door het gebied heen en schreven hun boodschappen in de wolken.

Een vogel liet een waarschuwende kreet horen en nog een paar keer, daarna vloog hij verstoord op, een enorm beest, die we niet goed konden zien maar in de buurt van een adelaar of visarend kwam, qua grootte. Het gebied heette adelaarsweide.

We konden niet anders dan haast met eerbied over het begaanbare pad te lopen, in de wetenschap dat er een wereld vol leven om ons heen ritselde, waar wij geen deel van uitmaakten. Woudleven, puur en ongerept. Wat een prachtige ontmoeting.

Met de auto reden we even later de enige weg die er was aangelegd af en kwamen aan de voet van een van de heuvels over een spoorbaantje heen bij een hotel-restaurant en reden door naar de Bosbouwschool, waar een groepje mensen zaten te picknicken en er een grappige dennenhouten au naturel speelplek was aangelegd.

Daar ging het asfalt over in een bergweggetje die we, wijselijk door de eerder opgedane ervaringen, links lieten liggen. We besloten bij het restaurant wat te gaan drinken. In de kalmte en met nog twee hotelgasten op het terras, een gerant die Engels sprak en vier bierviltjes bij ons aperitief gaf tegen het gevleugelde grut, ontdekten we hoe handig het was als je je glas er mee afsloot. Een wesp had zich al dronken gezwommen in het bier van lief. Die had hem omzichtig gered en ze lag bij te komen tussen de blaadjes van de groene klaver in.

De weidsheid van de natuur bracht zoveel rust. De stilte omarmde ons.

Overpeinzingen

Zoals het een nieuw jaar betaamt

Arbeidsvitaminen krijgen we vandaag mee, terwijl we beiden aan het schrijven zijn op het overdekte terras. Rob de Nijs zijn zolderraam komt voorbij en de regen die er zachtjes op tikt, maar hier is het opgehouden met zachtjes regenen. Het klettert tegen het stalen dak en het klinkt ons als muziek in de oren. Na de droogte van de afgelopen weken en de smachtende natuur naar een druppel, de els, hier vooraan, is al bijna in herfsttooi, is dit een welkome afwisseling. Lief heeft er zelfs een warme bloes bij aangetrokken. Koffie onder handbereik, laptop en de ipad opengeklapt, wie doet ons wat.

Eergisteren was de rondgang in de nabijheid figuurlijk in het water gevallen. Het kasteel dat we wilden bezoeken was een resort van rijke senioren geworden en afgesloten met een dik smeedijzeren hek en het meer dat er achter lag, bleek alleen voorzien te zijn van particuliere tuinen die er aan grensden. Met geen mogelijkheid kwamen we dichterbij. Gelukkig zagen we nog wel een rij bonte kraaien op een electriciteitskabel boven een oude pipowagen zitten. Ze krasten onheilspellend een Hitchkock-tune bij onze komst en vlogen klapwiekend van de ene naar de andere plek. Prachtig desolaat land met die fantastische wagen. Soms vangt een enkel iets al de schoonheid van de dag.

De regen zorgt ervoor dat de wilde cichorei en de akkerwinde in grote getale hun kopjes opsteken en ook het gras doet haar best om de dorheid af te leggen. Hier en daar ligt er een groene waas over het land. De kruiwagen heeft vannacht de rest van het regenwater opgevangen zodat een en ander te peilen was. Het zijn pittige buien die alles goed maken.

Het schilderen wilde niet echt lukken zoals ik het wilde, dus in het teken van ‘kill your darlings’ overnieuw begonnen en eerst maar eens de tussenruimten gaan zoeken. Na de tocht van zondag en een slechte, lees ‘benauwde’, nacht, besloten we een langzaam-aan-dag te houden en die te vullen met tuinwerkzaamheden, voornamelijk door lief, en het tekenen van de lieve vier van het doek om een en ander in de vingers te krijgen. Met grafiet, gum, keukenrol en schetsboek in de aanslag en het uitzicht op de tuin werkte alles naar believen mee. Heerlijk rustig en genieten, iets wat iedereen ons de hele tijd aanraadt. ‘Werk niet te hard, vergeet niet te genieten’, maar dat gebeurt hier naar hartelust.

In het weekend lange gesprekken met de dochters. Heerlijk om de vertrouwde stemmen te horen. Dochter Frankrijk was aan het face-timen dus vloog ik in enkele seconden van hier naar een achtertuin in een Kleine Parijse voorstad, een waar kinderparadijs met het enorme plastic zwembad erin, waar de jongens naar hartelust verkoeling konden zoeken. Alles zal binnenkort gewoon weer een aanvang nemen. Het werk, de verplichtingen, school bijna. Ze moet volgende week de hele week voorbereiden op school en ik weet nog hoe dubbel dat voelde na de vakantie. Aan de ene kant had je geen zin om opnieuw in het gareel te lopen en aan de andere kant was het heerlijk om de groep en het lokaal op te frissen met een lik verf, nieuwe materialen, geslepen potloden, schone kasten en werkplekken en verrassingen voor de eerste week. Altijd namen we ons voor niet langer dan een paar dagen bezig te zijn, maar even zo vaak mondde het uit in een week met lange dagen tot ruim zeven uur. Nog even dit en nog even dat tot het allemaal in de puntjes was. En dan een fris begin, zoals het een nieuw jaar betaamt.