Uncategorized

Een wijze raad om niet in de wind te slaan

Na bijna twaalf maanden tegen zijn ondoorgrondelijke kop(excusez le mot)aan te hebben gekeken, mocht B.I.G.eindelijk ingelijst en wel, met gouden kettingen en al naar het huis van zoonlief. Hij was er net zo verguld mee als de sieraden om de nek van de rapper. Het doek met Kluivert en zijn beker stond al langer bij hem binnen tegen de nog maagdelijke muur, maar nu waren de twee weer herenigd. Met de lijsten erom was het een mooi cadeau voor het nieuwe huis. Afstandsknuffie en zoonlief kon een van de muren gaan verven. Missie geslaagd.

Inmiddels was de mist verdwenen en de zon al paraat als opwarmer deze middag. De tafel met het houten blad, die buiten voor het atelier stond, was gaan bladderen. Acrylverf genoeg in de kast, een mooie gelegenheid om daarmee aan de slag te gaan. Binnen een mum van tijd was het hetzelfde appetijtelijke tafeltje van vorig jaar. Het kon er weer even tegen.

Daarna waren de overgebleven wilgentakken aan de beurt. Aan de andere kant van de nieuw gevlochten schutting was er nog een open plek. Een van de stammen van de vlier was mooi van hoogte en precies de goeie maat om er tussen te zetten. Geen hamer in de buurt maar geen nood. Van neeflief had ik na zijn overlijden wat gereedschap van onze opa geërfd en daar zat een houten mal op voet bij, dik en massief, houtig genoeg om mee te hameren. Dus timmerde ik de vliertak de grond in. Dat klinkt makkelijker dan het aan energie kostte, maar het lukte. Met moed, geduld en beleid vlocht ik de takken in. Een bescheiden opstaande rand was het resultaat. In het najaar konden er nieuwe wilgentakken aan worden toegevoegd. Roodborst kwam nieuwsgierig kijken en bleef een wijle hangen ter goedkeuring van de onderneming.

Er bleef verder niets anders over dan wat dood hout te verknippen en over het verse groen te leggen als bescherming tegen de frisse dagen die straks zullen volgen. Het allerlaatste restje dunne twijgen wilg vlocht ik in de oude afscheiding achter in de tuin. De zon scheen gefilterd door de brede haag van de Oude en zette het licht aan van de kleine lantaarntjes van de nachtschade.Wat een prachtig gezicht. Het dode hout daarvan nog maar even sparen, want dit was weer zo’n onnavolgbaar stukje schoonheid van moeder aarde in combinatie met de bijzondere lichtval, die dan ineens in het oog springt. Kleine lantaarntjes, lieflijk maar niet zonder gevaar.

Daarna was de koek op. De achterbuuf was er inmiddels en om vijf uur troffen we elkaar in ‘klein Italië’, haar terras pal op de zon voor haar huisje. Een Pinot Grigio en wat brusschetta met toost als mediterrane elementen en gespreksstof genoeg. De kou trok gestaag op. Tijd om op te breken. We liepen samen terug langs de sloot, huiverend in de laatste zonnestralen. Er stond één auto op de kleine parkeerplaats naast de kleine blauwe prins, dus het hek ging, volgens afspraak, op slot.

Als alles goed gaat, staat er een kleine wandeling gepland met een van mijn lieve vriendinnen. Er is nog steeds te weinig lucht, de knie barrelt haar bewegingen bij elkaar, maar de conditie is nul en het is fijn om een en ander aan beweging weer op te pakken. Kijken of de longinhoud daar ook blij van wordt en anders weer een stap terug. Ach ja, het is net schaken, dat leven. Een zet vooruit, twee zetten terug, schaakmat of alleen mat, paardensprongen zijn af te raden. Een wijze raad om niet in de wind te slaan.

Uncategorized

Eenwording binnen handbereik

Gisteren lag er een dikkere enveloppe in de brievenbus. Het bleek van vriendinlief te zijn. Een eeuwigheid geleden liepen we vier jaar samen op tijdens de opleiding voor kleuterleidster. Een innig groepje van vier ziet elkaar nog steeds elk jaar. Soms kon er wat meer tijd tussen zitten, dan weer werd er vaker een dag ingelast, maar altijd waren de gesprekken op zo’n dag allesbehalve prietpraat. Diepgang over de wijze van in het leven staan, het ware geluk. De boodschap die mijn vriendin nu bracht was haar concept voor de zin van het leven met de prachtige kleurrijke vloeiende doeken als afbeelding erbij. Woord en penseel ineen gevloeid. Het had als titel: ‘Leven is… Opgedragen aan iedereen waar ze van hield, die ze een warm hart toedroeg of waar ze fijne herinneringen mee heeft gemaakt. Een alternatief voor een groot ‘jubileum’feest, een feest in boekvorm waarbij iedereen in het licht werd gezet door vriendin zelf. Ze kwam binnen, zweefde uit de bladzijden omhoog en raakte rechtstreeks de ziel aan. Ware deelzaamheid.

Die middag voor deze ontdekking was ik op mijn dooie akkertje naar de tuin gewandeld. Om de schutting te bewonderen, de buurtjes de hemel in te prijzen en de dunste takken van de vlier fijn te knippen, zittend op de regenton, waar ik een late middagzon kon vangen. In mijn simpele gelukzaligheid mijmerde ik over een gesprek dat ik voerde met mijn leesmaatje schuinachter. Ze vertelde over de wonderlijke vierdelige romancyclus van Wessel te Gussinklo’s met Ewout Meyster als hoofdpersoon. Daar kwamen we op naar aanleiding van het boek van Jeroen Brouwers ‘Cliënt E. Busken’, dat ik aan het lezen was. De overeenkomst was, dat je bij beide boeken in het hoofd van de hoofdpersoon kroop, een niet altijd eenvoudige symbiose. Zeker niet als het denken zo verschilde. Het vergt opperste concentratie. Daarnaast was het boeiend te beseffen, dat schijnbaar suffende ouderen in de conversatiezalen en de gangen van verpleegtehuizen konden leven in een compleet andere denkwereld, in een eigen tijd.

In al die jaren dat ik in dergelijke verpleegtehuizen heb rondgelopen heb ik me vaak afgevraagd, wat er toch in de hoofden van de zwijgende medemens omging, maar ik heb er nooit naar gevraagd en ik heb het ook nooit besproken of bespreekbaar gemaakt. Wel bedacht waar al dat gesuf en gestaar, het lijdzame ondergaan, aan gedachten op kon leveren. In zijn laatste jaren voegde onze vader zich bij die zwijgende massa, behalve als hij het spuugzat was. Dan haalde hij zijn gram in zwak verzet tegen de geldende regels door woest met de arm te maaien. Nu, zo oud als hij, moet ik er niet aandenken op die manier afhankelijk te zijn van anderen, laat staan de dag door te brengen in dat schamele bestaan ter grote van een bed en een nachtkastje, met een uitloop naar de conversatiezaal, waar anderen mede bepaalden wat er aan informatie via tv of radio binnenkwam. Ontdaan van vrije wil blijft er niet veel anders over dan je terug te trekken in je eigen hoofd. .

https://www.npostart.nl/de-wereld-van-de-chinezen/21-02-2021/VPWON_1314551

Het laatste deel van Ruben Terlou: ‘De wereld van de Chinezen’ heb ik vanmorgen teruggekeken. Het meest onder de indruk was ik van de ervaringen die de in Nederland geadopteerde Chinese vrouwen deelden. Het geplaag en de scheldwoorden, die ze naar hun hoofd geslingerd kregen en hoe de een zich hier volkomen thuis voelde en de anderen altijd een hang naar China bleven houden. Diepgewortelde genen. Wat zorgt er toch voor dat je mensen moet uitschelden, wat maakt toch, dat je op die manier naar mensen kijkt. Er zullen nog veel grenzen geslecht moeten worden om te kunnen accepteren dat ieder mens van vlees en bloed onder het lapje huid in niets verschilt van elkaar. Vriendin weet het. Op onze gezegende leeftijd omvatten hoofd, hart en handen elkaar en ligt eenwording binnen handbereik.

Uncategorized

Een kunstwerk op zich

Het Schreihuisje in Schiedam roept associaties op met de klaagmuur. Mensen die biddend en buigend het wel en wee bespreken ten overstaan van de dat harde gesteente. Verzoeken en gebeden vinden hun weg in de vele spleten. Klagen in de ruimste zin van het woord. Stel je voor dat er een plek was waar je naar hartelust mocht jeremiëren en foeteren over alles wat fout was of dreigde te gaan. Wat een opluchting als je het gram als pakketje ergens neer kon leggen. En dan voor het verdriet nog een Schreihuisje ernaast. In werkelijkheid was het een simpele wachtruimte om te schuilen bij striemende regen en lang daarvoor een wachtruimte voor de vrouwen en kinderen die achterbleven als het schip met hun mannen de haven uitvoer. Wat een prachtig woord en wat een aangename manier van verdriet verwerken als je luid krijtend het hart kan luchten en het gemoed verschonen door een aanhoudelijke stroom. Verdriet gevangen in tranen.

Ik kende dit Schreihuisje uit Schiedam niet, maar Sarah van Binsbergen schreef er gisteren in het VK over in de rubriek: ‘Kunstwerk v/d week’ en ik keek mee over haar schouder, getriggerd door het woord, dat het werk vergezelde. ‘Oevers’ van de kunstenaar Tobias Lengkeek. De lokale stichting Mooi Werk had aan jonge Kunstenaars gevraagd, werk te maken voor deze beperkte ruimte, zodat het te allen tijde, ook in deze lockdown, te bewonderen viel. Het werk van Lengkeek ‘is een schilderij en een sculptuur ineen‘. Een van hout gemaakte twaalfvlaksvorm, waarbij elk paneel is beschilderd met oevers, waarbij je jezelf op het water waant. Dat is niet het enige opmerkelijke. Het werk kan er niet uit. Iedereen die het schreihuisje binnengaat mag het object als een grote twaalfkantige dobbelsteen om en om rollen. De vergankelijkheid is geen bezwaar, integendeel. Het doet Sarah denken aan het werk van de Amerikaanse kunstenaar Sam Gilliam met zijn ‘drape paintings’. Evenals Lengkeek zoekt hij ook de grenzen op tussen schilderkunst en sculptuur. Hij haalt ze uit de sponningen en hangt ze in draperiën op en waar de doeken elkaar raken ontstaat de ware schoonheid, net als bij de raakvlakken van het werk van Lengkeek.

Met dat verhaal werd ik teruggeworpen in de tijd toen de kinderen uit mijn groep op een groot eindfeest gewapend met speelgoedauto’s in alle soorten en maten kleurrijke acrylverf over een groot wit laken uitreden. Alleen had ik nooit het idee gehad om het te draperen. Kunst was het, dat stond buiten kijf en de kinderen waren maar wat trots op hun abstracte schilderij. Toch een beetje in de stijl van Gilliam. ‘Wheeler-Art’ in optima forma. Een heerlijke bijkomstigheid was, dat iedereen, niemand uitgezonderd, mee kon doen. Kunst verbindt. Toch eens naar Schiedam afzakken om dat Schreihuisje met eigen ogen te aanschouwen. Wie weet wat het los zou maken.

Het stond haaks op de bezigheid van die vrijdag, want rapper B.I.G. werd juist gekaderd in zijn zwarte lijst. Dochterlief transformeerde even in een ware moederchimpansee, toen dochter van twee haar niet los wilde laten en ze, op de grond, met de twee klemmende armpjes strak om haar heen, zittend de lijst vastschroefde. Aandoenlijk beeld, maar vooral het gemak waarmee ze het ‘ongemak’ accepteerde en rustig doorging met haar bezigheden.

We pakten het in in het enige papier dat ik in huis had. Fleurige sinterklazen kondigden cadeautjes aan. Klaar voor zoonlief, voor zijn nieuwe lege muur. Vandaar mag B.I.G. straks uitkijken over de tuin en het kleine park achter het huis.

Toen de karavaan weer vertrokken was, maakte ik een noedelsoep klaar. Krachtvoer, want ik was de hele ochtend al niet lekker en benauwd. Vermoedelijk toch teveel hooi op de vork genomen in de afgelopen week. Achterbuuf van de tuin appte, zij en buurman waren vast begonnen met de schutting en ze stuurde een foto mee. het zag er prachtig en krachtig uit. Buurman had de rest van mijn vlier en wilg ook nog omgezaagd. Daarvoor heb je vrienden, denk ik dan. Wat een lieve geste. Een kunstwerk op zich.

Uncategorized

Haar dagelijkse ochtenddutje

De zon opent glorieus haar gordijnen voor deze nieuwe dag. Opnieuw vroeg uit de veren omdat vandaag het tweede doek voor zoonlief, die van B.I.G. de rapper, ingelijst wordt. Dat betekent de kleine filosoof, kleindochter en dochterlief om tien uur voor de deur. Het etentje gisteren was in goede aarde gevallen. Zoonlief zat te smullen en de Benjamin maakte alles schoon op wat nog restte. Fles Sauvignon en een zak met kraak voor mij. Lief. Ajax won met 2-1 van Lille. Zijn avond kon niet meer stuk en de mijne natuurlijk ook niet.

Daar zijn de twee wiedkrukjes

Het dagje rust heeft goed gedaan. De knie heeft inderdaad mijn geplof op het wied-krukje moeten bezuren. Dat zijn dus de kleine dingen, waar vanaf nu zorgvuldiger op gelet zal worden. Zo leren we vanzelf bij. Iedere handeling op de automatische piloot bijgeschreven als leerpunt.

https://www.npostart.nl/de-geknipte-gast/24-02-2021/BV_101404725

Vanmorgen vroeg heb ik voor de ochtend-hazenslaap ‘De geknipte gast’ teruggekeken. Özcan Akyol in gesprek met Frénk van der Linden. Een indringend verhaal dat begon met het voorlezen van een passage uit zijn boek: ‘En altijd maar Verlangen’ met als ondertitel ‘De liefdesoorlog van mijn ouders’.

De vragen die Özcan stelde waren recht op de man af en beiden, zowel bij de vraag als het antwoord, keken lang en indringend elkaar aan bij elke zinsnede. Ook stilte kan veelzeggend zijn. Het was een verhaal van verliezers. Geen van de hoofdpersonen uit dit gezin waren als overwinnaars uit de strijd gekomen. De moeder koos op een gegeven moment eieren voor haar geld en verliet haar kinderen en de man, van wie ze zei: ‘dat hij nog liever onder zijn vrachtwagen lag dan onder haar’. Deze relatie werd gekenmerkt door leed, er was een minnaar in het spel, de vader kon niet op tegen de geestelijke mishandeling van de moeder, een scheefgegroeid gezin. De kinderen waren door de verdwijning van hun moeder kwaad op haar en wilden geen contact. Tien jaar lang had haar zoon haar in de ban gedaan, maar achteraf spijt gehad als haren op het hoofd. Moeder, vader en kinderen hadden een flinke knauw gekregen door alle gebeurtenissen en zo erg dat alles wat met ‘voelen’ of ‘huilen’ te maken had, naar een verre uithoek was gegleden.

Zijn gevoel raakte zodanig geblokkeerd dat zijn twee eerdere relaties mislukten en wat nog belangrijker was, het bleek onmogelijk om zichzelf te omarmen. Heftig om te horen. Het contact met de moeder herstelde zich wel en resulteerde elke maandag per week in een etentje bij de Chinees. Op de terugweg van een van die avonden zei zijn moeder tegen hem: ‘Ik denk dat jij er altijd al was, allang voordat jij in mijn schoot viel en ik noemde dat verlangen’. Frénk vond dat pure Poëzie.het betekende dat ze altijd van hem gehouden had. Totale onvoorwaardelijke liefde. Özcan vroeg zich af of hij daar dan niet nog somberder van werd, maar Frénk was er veel positiever over. Een indringend interview. Twee mannen op anderhalve meter tegenover elkaar in die prachtige ouderwetse barbier-stoelen van wit en rood skai, het glimmende chroom, alles in tweevoud gespiegeld. Indrukwekkende manier van filmen met de zwart/wit beelden in detail er tussendoor.

Het is zo spijtig, dat er door een onervarenheid, een onbewust besef van wat het kind wordt aangedaan, dergelijke stappen worden gezet. Het broddellapje met een hoge prijs, de kans verkeken om het ooit weer over te doen. De boosheid om het weggaan van de moeder gevoed door het grote verdriet van de vader met ten leste de wetenschap dat de keuze weg te gaan eigenlijk het allerbeste was en dat het verdriet omgezet in woede niet nodig was geweest. Door de jaren heen verzachtte alles wat een vlucht genomen had en was er een verzoening die resulteerde in een hersteld contact met allen.

Daar zou een mens toch best wel eens een toverstokje voor willen gebruiken. Om de pijnpunten uit het verleden weg te nemen en de harmonie voor allen, ook al ben je niet meer samen, recht te breien. Er zat een ‘eind goed al goed’ aan het verhaal, maar dat bleef hangen in een opmerking, die en passant gemaakt werd door Frénk. In de droom die volgde kwamen de schrijnende items in vlagen terug.

Een van de vele ochtenddutjes

Pluis kwam me wekken, nestelde zich op de sprei ter hoogte van de knieën en vleide haar kopje tegen het bergje. Warm en uitgebreid begon ze aan haar dagelijkse ochtenddutje.

Uncategorized

Afwachten maar

Een opsekopse donderdag door het telefoontje van zoonlief. ‘Ik kom er over een half uurtje aan’. Dat betekende in stroomversnelling de ochtendrituelen, kamer inspecteren, zwabberen, ruimen. Ziezo, puf puf, klaar voor de ontvangst. Weer een telefoontje. ‘ Zullen we gaan wandelen’. De zon scheen uitbundig, alles tjilpte lente en de coronaveiligheid was gewaarborgd in de frisse buitenlucht met deze fysio-zoon. De kleine zat in een oogverblindend neon-oranje in zijn wagen en hield de bal vast alsof hij ’s werelds grootste diamant in de vingers had. Heerlijk zonnig speeltuinweer en bij de vakantievrije scholen schommelde de wind zachtjes heen en weer en hing de basketbalkorf er doelloos bij. De bal mocht los en de kleine voetballer erachter aan. Zijn taalrepertoire bestond uit bal, goal en papapapa, soms zei hij iets wat verdacht veel op mijn naam leek. Het dorre gras op de tegels in plukken, een slappe variant van het tumbleweed in een verlaten Texasdorp, was het ook waard om nauwkeurig bekeken te worden. In de mond steken ging toch een brug te ver. Zand erover. Om twaalf uur waren we uitgespeeld en slenterden weer op huis aan. Luchtkushanden en een luchtomhelzing, tot gauw, tot later, een gestolen zoen op de krulletjes. Dag lieverds.

Gisteren waren de drie van dochterlief al op de tuin geweest. Ook buiten, ook op afstand, schoonzoon achter in de tuin, want hij was heen en weer geweest voor zaken naar Frankrijk. De knikkers van de Plus lagen in hun papier op tafel, een stapeltje gespaard, dankzij een oudleerlinge die bij de Plus een en ander regelde. Als je knikkers hebt schreeuwen ze om een knikkerbaan. Het was echter gras, gras en nog eens gras, wat de klok sloeg. Dat schoot niet op. Zelfs het straatje had een wintervacht gespaard. Dochterlief begon enthousiast te trekken aan wat pollen. De kleine ondernemer schoot direct bij. Vond het leuk werk en wilde een lange baan, vooral toen er een tegelsteker en een schepeltje(niet over de tegels, jongens) aan te pas kwam.

Klaar voor ontvangst

Dribbel functioneerde als stoorzender en als kleine dwingeland. Zijn ‘ Nee’ werd kracht bijgezet met een stokstijf nagelen op de plaats, armen voor de buik over elkaar gevouwen en hoofd tussen de schouders, de mondhoeken omlaag en een diepe frons boven de ogen. Nee dus. Met een stoffer, die tussen de weerbarstige armen werd geduwd was hij even afgeleid, maar daarna moesten er toch weer wat grenzen worden onderzocht. Tot hoe ver kan je gaan als kleine dribbel. Zodra hij een muziek op de telefoon van zijn moeder mocht luisteren en het leven een dansante wending nam, was het leed voor een poosje geleden. Tevreden wiegend maakte hij pas op de plaats.

Onder alle grassen kwamen de oude klinkertjes terug en in volle glorie. Waar een knikkerbaan al niet goed voor is. Het knikkeren was leuk. De oudste was er klaar mee na een potje, maar toen dochterlief mee ging doen, de Knikkerkampioen, werd zijn broer steeds enthousiaster en zelfs bij het verlies van een potje blonk er slechts bewondering voor de kunsten van zijn moeder in de ogen.

Het laatste stuk van het straatje hadden we laten zitten, maar na het uitzwaaien raapte ik de moed bij elkaar en ging zelf aan de slag. Helaas koos ik onnadenkend het wiedkrukje uit, dicht bij de grond en handig, maar niet voor het doorbuigen van de knieën. Wie zich brandt, moet op de blaren zitten. Zo snel gaat dat dus.

Het is vandaag de dag van de zonen. Straks komt de andere helft van de tweeling eten, vroeg want voordat de wedstrijd van Ajax zou aanvangen. Een lievelingsgerecht. Simpele groene groenten, rijst en een kippendij. Niet teveel saus, maar de pure smaken. Hij weet wel wat lekker is. Vandaag is verder dus een verdiende rustdag. Tijd om ‘Het geheim van de Meester’ en ‘Ruben Terlou zijn zoektocht naar de Chinezen in Nederland’ te bekijken. Wie wat bewaart die heeft wat. De lucht trekt al iets dicht, maar nog steeds is het lekker warm. Het huis ademt gretig de schone lucht in die door de open balkondeuren stroomt. Buiten ontmoette ik ramen-zemende buurvrouwen onafhankelijk van elkaar. De schoonmaak begint te kriebelen.

De knusse wintersfeer mag oplossen in de lentewarmte en de eerste bloeiende narcissen in de potten op het balkon. Alsof het zo moest zijn, verloor de Amaryllis een voor een haar laatste bloemen. Al is er nog een zijscheut, goed voor het laatste staartje winter dat nog ongetwijfeld zal komen. Afwachten maar.

Uncategorized

Nieuwe dadendrang

Het kon er niet meer bij gisteren, de twee demissionaire vertegenwoordigers. De tuin is het dankbare toevluchtsoord, mijn eigen stek in deze dagen, een echte ‘plek onder de zon’. De aangekondigde mondjesmaat maatregelen met grenzen die volstrekt willekeurig lijken te zijn getrokken, vormen een grillig bergje naast me. Ik blijf in mijn eigen lockdown en hoef voorlopig niets. Daar was deze periode goed voor. Loslaten, ontbinden, minimalisme en verder niets, wat mij betreft. ‘De Wilde Stilte’, het tweede boek van Raynor Winn is uitgelezen. Als je wat van het leven wilt begrijpen zijn deze twee juweeltjes echte aanraders. Leven met de natuur, ontdekken dat tijd niet bestaat, maar dat het verandering heet. Tijd is een begrip door onszelf bepaald, ‘een constuctie door mensen bedacht om veranderingen aan te geven’ en de natuur, vooral de IJslandse ruige natuur, overgeleverd aan haar kracht en de beweging diep in de aarde, de lucht, het water, bracht juist dat in beeld en het komt binnen via dit prachtige verhaal.

Er is een passage die moed geeft. Iets wat we allemaal weten, maar zeggen en doen is twee. Dat je ouderdom kan hendelen, als je de angst voor eventuele gebreken neerslaat. Stramme gewrichten roepen voorzichtigheid op. Vergeet de angst om iets te overkomen. Beweging kan zoveel meer brengen. De concentratie op een hoger doel kan die vrees doen vergeten, waardoor er veel meer mogelijk blijkt. De ziekte van haar echtgenoot sluimert voort, maar door de barre tocht in het onherbergzame IJslandse gebied wordt het lijf voortdurend uitgedaagd en zet de aandoening op een verkeerd spoor. Niet alleen de elementen en hun grillig verloop zijn er debet aan, maar ook de wilskracht en het temmen van de weerstand, die de natuur, haar stromingen, het grommen der aarde, hen oplevert. Voortdurend ziet ze in zijn ‘oude’ gestalte de jonge verschijnen. Mooier valt die eenwording van tijd niet te verwoorden. Een worden met alle veranderingen die een mens kan ondergaan door het leven heen. Het raakt me diep.

Een van de lieve vriendinnen schrijft dat mijn tempo van boeken lezen hoog is, maar ik weet dat het komt door het verhaal, dat me volledig heeft ingepakt en dat veel verder gaat dan een ruige tocht, het overleven, of het doorzettensvermogen en hun alles sturende innige liefde. Het is met name de ontdekking deel van het geheel te zijn, die hen op een hoger niveau brengt. Het leven omarmen. Iets om naar te verlangen als het niet binnen je bereik ligt.

Het maakt dat de vraag, of je dat aan zou kunnen, blijft zweven. Het zorgt ervoor dat ik de tijd met de Wijze in de binnenlanden van Spanje en de tocht door Skandinavië nog eens over had willen doen. Toen 18 lentes jong en nu zoveel wijzer, minder verwend, meer kunnen afzien, imperfectie weten weg te breien tot aanvaardbare lapjes. In ieder geval had het anders uitgepakt, als ik niet de vermoeidheid, de hitte, de droogte, het stoffige of juist de regen en de kilte allesbepalend had laten zijn. Zo leren we nog eens wat bij. Trotseren en daarmee rijker voortgaan.

‘Natuur beleven’

Doorzetten is iets wat steeds meer in mijn bagage is gaan zitten en valt met alle ouderdomskwalen vandien goed te gebruiken. Op kleine schaal, op microniveau zeg maar, beleef ik dat wat beschreven wordt. Elke overwinning wordt aan de balk van (minieme)zegetochten bijgespijkerd en is goed voor de bijbehorende trots, stimulans tot nieuwe dadendrang.

Uncategorized

Over relativeren gesproken

Saharastof dat de zon sprookjesachtig versluiert. Iets voor een duizend-en-een-nachtsprookje. Na mijn aardse wilgetakkenknipperij en met twee vuilniszakken vol afval in de hand nam deze Assepoes dat bijzondere verschijnsel waar, omfloerst door een palet aan grijstinten, een sliert ervoor en later eromheen. Adembenemend prachtig.

Net geprobeerd contact te maken met de digitale asssistente van een bepaald Zweeds warenhuis. Geen zinnig woord uit te krijgen als je het monotone riedeltje van vragen met multiple choise niet op dergelijke manier kan beantwoorden. Straks maar eens bellen. Bij de bestelservice staat dat het drie dagen geleden is bezorgd, maar dan kennelijk niet op dit adres. Waar is mijn plantentafeltje? In het kader van ‘groen moet je doen’ had ik alle grote planten naar beneden gehaald. Terug naar mijn nostalgische kamers vol planten van vroeger. Een etagère leek me handig. Even het gesprek afwachten. ‘De soep wordt nooit zo heet gegeten, als hij wordt opgediend’, fluistert het verleden in mijn oor. Geduld, geduld, geduld. Nog een geluk dat het geen Zweedse balletjes gehakt waren. Het was vorige maand al besteld.

De handen zijn wat stijf van het knipwerk. ‘Het knipvrouwtje’ zei achterbuurvrouw. Het was wel meditatief. Het laatste staartje moet vandaag. Dan is het daarna tijd voor de schutting. Morgen haalt buurman de palen op, waartussen gevlochten kan worden. geen wilgestaken want die lopen steeds uit en als je even niet oplet heb je er weer een wilg bij.

laatste staartje

Er stond een mooie quote in de Tijdsgeest van Maame Joses, over het belang van aanraken. Ze struikelt over de polarisatie. Iets dat je bijna belemmert om een normaal gesprek te kunnen voeren en wijt dat aan het gemis aan aanraken. ‘Probeer maar eens ruzie te maken met iemand van wie je de hand vasthoudt-dat lukt je niet’. Mooie gedachte. Daaráan vooraf haalt ze aan: Ik zei wel eens tegen mijn dochter als ik kwaad of chagrijnig ben, kom dichterbij. want als je dichterbij bent is het moeilijker kwaad op je te zijn‘.

In aanraken verbinden. Een mooie gedachte. Het is wat ik het meeste mis. Daarnaast is er een interview met een meneer, die helemaal opleeft in deze tijd, juist omdat hij niemand hoeft aan te raken of tegen te komen. Hij is autistisch en voelt zich eindelijk thuis in de wereld. Grotere tegenstelling bestaat natuurlijk niet, maar het is wel goed om erover na te denken. Wat voor de een de heilstaat is, hoeft dat voor een ander niet te zijn. Met dat idee voor ogen is het allemaal weer betrekkelijk. Want wat weegt onze tweejarige isolatie op tegen een levenslange kwelling van deze man. Dan gun je hem bijna die twee jaar van thuiskomen.

Alles is maar betrekkelijk’. Bij het speuren naar de betekenis hiervan, stuitte ik op iemand die de juistheid van deze spreuk in twijfel trok, omdat het ook de spreuk zelf zou gelden. Het draait echter om de betekenis, die men aan het woord ‘betrekkellijk’ geeft. Ik weet zeker dat mijn moeder het gebruikte in de context, dat alles ook weer voorbij zou gaan. Zo snijdt het hout. Alles is vergankelijk, zelfs iets dat we qua duur en lengte niet kunnen overzien. En dat is op zichzelf een geruststellende gedachte. Net als het idee dat er op dit moment een aantal mensen rond lopen met het prettige gevoel eindelijk zichzelf te kunnen zijn. Over relativeren gesproken.

Uncategorized

Tijd te over

De kleine filosoof bleek ineens een stoere sterke man van zes, zoals hij stond te goochelen met de takkenschaar, die half zo groot was als hijzelf. Dochterlief hield de wankele trap en de knipbewegingen van de schaar nauwlettend in de gaten. Waar gisteren voor mijn voeten slechts lege stilte te vinden was, stroomde het nu over van de nieuwe aanvoer aan wilgenhout. In gestaag tempo knipte ik door. Alle zijtakken eraf, mooie grote staken om mee te vlechten bleven over. Dochter zette haar beste beentje voor onder het motto: ‘Als je ergens aan begint, gaan we door tot het gaatje’. Waar kende ik dat ook alweer van. Schoonzoon kwam om een uur of drie met kleindochter en zaagde de laatste grote takken af. Nu stonden er weer zes kale knotten op het erf, zeven eigenlijk, maar de middelste had ik aan het begin van de winter al te grazen genomen.

Lafenissen tussendoor met water en crackers en aan het eind met een fijne Chardonnay in de laatste zonnestralen. De kleinste beentjes dribbelden hun gangetje, trokken aan de bel, wandelden over de takken, en ineens was het plons. Waar plons is is water en in dit geval was ons schatje in de kleine vijver gestapt. In recordtempo werden de natte bullen uitgetrokken, oma had een lekkere warme grote sjaal en van een oude trui fabriceerden we een broek. Het kwam vermoedelijk door het winterwier, dat er bedriegelijk groenig had uitgezien voor twee-jarige ogen. Wat een avontuur. Daar moesten we allemaal van bijkomen, gelukkig was er én de auto én de fiets. Voordat ik van de tuin weg was, had ze veilig en wel thuis al heerlijk gebadderd en lekker gegeten en vanmorgen meldde dochter dat ze zalig had geslapen. Geen centje pijn, maar o, was dat schrikken.

Het bracht me bij die keer dat mijn hart me in de schoenen zonk en je even niet meer weet, hoe je het hebt. Er was een verjaardag van broer. Hij en zijn vrouw woonden achter de melkboer op de grens van het polderland, lieflijk huisje in het groen. De tweelingbroers waren kleine stappertjes van rond de vier jaar. Ondernemende onderzoekers, die altijd achter de dingen wilden kijken. Zo ook, had ik kunnen weten, bij de sloot. Maar ach, hoe vaak had ik zelf niet aan de slootkant gelegen op zoek naar salamanders en torretjes, Dwars door al het borrelgelach en feestgedruis heen hoorden we ook plons, of kwam er iemand naar binnen gerend. Dat is me ontschoten in het tumult en de ophef van het ogenblik. De grootste van de twee was ondersteboven op zijn kop in de sloot beland. Natte bullen, verwonderde ogen en lichte hectiek. Vroeger dan voorgenomen, gingen we richting huis, met het drijfsijsje achterin, zijn geschrokken broer ernaast en smeuiïge verhalen voor andere verjaardagsfeesten tot in lengten der dagen.

Het was fijn, dat er geen sloottrauma uit voort kwam. Nu maar afwachten of vijverangst is geboren. Een van de eerste klussen wordt in ieder geval, het groene alg eruit scheppen. Als het alerte moederhart, zoals het mijne, is ingesluimerd, dan zie je het gevaar minder scherp. Het was trouwens echt in een ‘split second’. Hoe ging dat dan vroeger met elf, vroeg ik me af. Dan waren er de oudste broers of enkele buurmeisjes, die werden ingeschakeld. Eigenlijk een enorme verantwoordelijkheid, want zij waren meestal pas een jaar of twaalf. Er waren twee Aggie’s, die ons zelfs mee namen naar het Julianapark, een respectabel eind van het ouderlijk huis en de drukke Amsterdamse straatweg over.

Enfin, de wilgen zijn kaal, maar goed ook, want vriendinlief, die niet gisteren maar vandaag besloot te helpen, in het kader ‘drie is teveel’, liep te snotteren en bleef thuis. Grote opluchting dat het zwaarste deel van de klus geklaard was. Niet getreurd. De achterbuuf heeft de ingestorte oude schutting geruimd en nu kunnen we de nieuwe op gaan bouwen. De takken blijven geduldig wachten. Van de week komen er nog een paar mooie dagen. Tijd te over.

Uncategorized

Uitsluitend vrouwenhanden

Voor het atelier woei een zwoel windje. Voorjaar in de lucht. De takkenbos, die gisteren was achtergelaten, lag er nog onaangeroerd bij. Terwijl de zon warmte koesterde met zijn stralende opening van de dag wist ik wat me te doen stond. De hele week zou het dit weer blijven en het was een uitstekende gelegenheid om alle wilgen verder te knotten, maar dan moest eerst dit restant iep en wilg geruimd zijn. Daarna boom voor boom, knotten, knippen, ruimen. In die volgorde. Zodat de moed niet in de schoenen zou zinken bij het zien van een haast onbergzame stapel.

Zo’n werkje hoort tot de mijmerrijke bezigheden, net als breien, wieden, fietsen, wandelen. Handelingen die gebeuren terwijl, ondertussen, de geest de vrije loop neemt. Honderdduizendeneen dingen die te binnen schieten, om te bestuderen, uit elkaar te rafelen en weer in een nieuwe jas te steken.

Met de achterburen had ik afgesproken aan het eind van de middag het tuinseizoen in te luiden. Zij zorgden voor een flesje en ik voor de lekkere hapjes erbij. Zuurdesem met heerlijke pesto, dadels met roomkaas. Terwijl de handen onverdroten door knipten, wilgentak na wilgentak, dobberde ik weg naar andere oorden en genoot ondertussen van het buitenleven na de maandenlange binnenzit. De tuinders van de hoek kwamen aangefietst, altijd belangstellend, lieve woorden en dadendrang. Omzichtig werd hun tuin uitgepakt, de Perzik, die zich de hele winter had mogen koesteren in een biezen mat, plastic en touwen kon haar takken weer laven aan de toch al warme zonnestralen. Het zagen van de berk van achterbuurman gaf de maat aan van het lentelied, dat de druk vliegende koolmezen en vinken hadden ingezet.

Twee doorgesneden appels met wat zaad had ik meegebracht voor deze blakende tuinbewoners. Ze bungelden aan een ijzerdraad in de appelboom. Terug naar de moederschoot. Steeds dunner werd de houtstapel voor me en bij de iepentakken besloot ik de takkenschaar te gebruiken en ze in stukken te knippen, handzaam genoeg om te verbranden op een stille ochtend als de wind goed stond. Het koste wat moeite, maar uiteindelijk lukte het wel en na een middag hard doorpezen was de klus geklaard. Met de geleende bezem van buuf veegde ik het straatje schoon. Ziezo. Opgeruimd staat netjes. Vandaag valt er weer met een schone lei te beginnen.

Vriendin appte een aflevering van het Uur van de Wolf uit 2018 door. Bethe Moriset, de meest impressionistische van het opkomende impressionisme van die tijd en tegelijkertijd een goede afspiegeling van de impasse waarin vrouwen leefden in die tijd. Een eigen atelier was ondenkbaar voor een vrouw alleen. Er werd erg aan haar getrokken om toch vooral in het huwelijk te treden. Ook haar twijfels kwamen aan bod en ze schreef in haar dagboek hoe de moed haar soms in de schoenen zakte. Maar ze werkte gestaag door met de haar zo kenmerkende losse toets. Haar leven werd in de docu gelinkt aan een vrouwelijke rapper, Cayenne, die zichzelf vergeleek met Berthe en haar prees voor haar dadendrang, moed en onafhankelijkheid ondanks alle kritiek. De wereld van de rap is er vooral een van mannen. De documentaire begon met een ‘gevonden’ portret van een vrouw met achterop een datum en de naam van Berthe Moriset. De kleinzoon van de dochter van Berthe ontmantelde het doek, de haardracht zou nooit de stijl van Berthe zijn geweest.

https://www.npostart.nl/het-uur-van-de-wolf/28-06-2018/VPWON_1249727

Mooi om de tijdgeesten naast elkaar te zetten en te beschouwen. Een fijn begin van de ochtend en een mooi vooruitzicht nu een aantal helpende handen zich hebben aangeboden. En hoe kan het ook anders na dit glorieuze begin, het zijn die van de kleine filosoof en verder uitsluitend vrouwenhanden.