Uncategorized

Om te omarmen

Mijn fototoestel heeft de kuierlatten genomen. Nergens te vinden. Ik heb een vermoeden waar ze is weggekropen. Op een fantastische plek, die ik gisteren nota bene zelf had bedacht. In de bovenste plooi van de kap van de kinderwagen van kleinzoon 6. Omdat spullen die verdwenen zijn de gemoederen tot op hoog niveau gevangen kunnen houden, appte ik zoonlief met een ontkenning als gevolg. Niet gezien. Het malen in de bovenkamer begon weer. Daar zit ie klem, dat toestel. Pas als de kap geopend wordt, rolt ze eruit.

Buiten zingt een elektrische zaag met een aanhoudend gehuil dat door merg en been dringt. Een passende serenade voor het gepijnigd hoofd. ‘Kalmte zal U redden’, zoemt oma door de verscheurende klanken. ‘Geen zorgen voor de dag van morgen’, neuriet mijn moeder er dwars doorheen. ‘Heilige Antonius, beste vrind, zorg dat ik mijn fototoestel vind’, diep ik op uit mijn jeugdherinneringen. En Antonius helpt altijd, maar nu nog even niet. We zijn immers niet op de plaats van het delict. Ik besluit alle raad op te volgen. Nu eindelijk die straatmuziek verstomd is, is er ineens ruimte voor andere dingen.

Het woord voor #inktober2020, dag 19 is ‘Dizzy’. Ik zag zweefmolens voorbij komen, rondtollende kinderen met de armen wijd en grote ronde kermislollies met een spiraal, maar ook de ogen van Dagobert Duck als hij een duik neemt in het goud. Er kwam nog niets uit handen. Ik bewaar de ideeën voor vandaag.

In het fototoestel zitten de prachtige beelden van mijn wandeling met kleinzoon 6 langs het kanaal en door het julianapark. Dat zelfde Julianapark waar mijn dribbelvoetjes ooit nog eens hebben rondgelopen.

213

Om te dichten, dat belangrijke deel van onze natuurbeleving in de jaren vijftig. Beer: Niet ouder dan een jaar of vijf/een warme dag, een knarsend hek/de wandeling door knerpend grint/oneindig opgetogen hem te zien/de Beer met water uit zijn bek/het gladde ronde steen/onze kleine armen erom heen/ze kletsen hem liefkozend in zijn nek/Julianapark/Kinderplek.

Uit het archief: Herfst in het Julianapark

Vandaag kwam er geen water uit de bek van de beer en stond hij roerloos middenin de oude speeltuin, nog steeds vertrouwd. Op een bankje bij het hertenpark kon ik in alle rust kleinzoon van brood voorzien. Ik waagde een keer niet het vorkje te gebruiken en daar beet hij met zijn vlijmscherpe melktandjes in mijn vinger. Eigengereide oma’s krijgen hun trekken vanzelf thuis.

Daarvoor waren we over het industrieterrein gewandeld, langs het kanaal. Er gleden imposante vrachtschepen statig voorbij. Het klotsen en walsen van het water ontlokte gebrabbel, evenals de hoentjes die al klokkend vrij liepen. Het schelle gekukel van de haan vlakbij, leverde een schrikreactie op. Het huis van dochterlief, aan een verbouwing onderhevig, was aan de voorkant dichtgetimmerd. Een glimp had wel leuk geweest, maar des te groter wordt de verrassing. Na een stief uur waren we weer thuis met 5,6 kilometer in de benen en onderweg geen onvertogen protest. Al met al een gemoedelijk ritje.

Terug naar huis nog even wat nieuwe tekenpennen bemachtigen. Gezegend zijn zij die voor het geluk geboren zijn. Bij de boekhandel waren alle artikelen van het bepaalde merk in de aanbieding. Twee pakjes Micron fineliners en voor het uitgespaarde geld een zwart schetsboek en witte gelpennen. Je mag jezelf af en toe kietelen.

Even wennen

Op de bank met een voldaan gevoel. Nieuw experiment, er is niets leuker. Een schetsje van kleinzoon in zijn wagentje. Wel even wennen met het andersom denken, net als bij het etsen, maar gezellig om uit te proberen terwijl Frank Boeijen langs komt fietsen: ‘Denk niet wit, denk niet zwart, denk niet zwart/wit, maar in de kleur van je hart’. Om te omarmen.

Uncategorized

Toen was de koek op

Herfst vangen aan de Singel, dat leek me een goed plan. De ochtend was van zondagsrust, zoals het betaamt. Serene stilte hing onder de daken. De lucht was helder, de zon scheen en de bomen die zich opmaakten voor het seizoen, filterden het ochtendlicht. Ze viel in spikkels naar beneden, een vrije vertaling van het Lied van Acda en De Munnik. ‘En het regent , regent zonnestralen’. Dus bleef dat lied de hele weg lang in mijn hoofd verankerd zitten en was voorlopig niet van plan om de woorden weer te laten gaan.

Gratis en voor niets liet ik de kleine blauwe achter in de Pasteurstraat. Door de nieuwbouwflat heen waren vensters van roodbruin blad te zien, als natuurlijke schilderijen ingekaderd. Prachtige doorkijkjes. Hier lagen mijn voetstappen van lang geleden op het oude Azu-terrein rechts van me. Vanaf het loopbruggetje over de Singel heen liet het markante gebouw zich bewonderen. Ze herbergde nu luxueuze appartementen voor een onbetaalbare prijs. Schuin tegenover dat kippebruggetje bevond zich de tweede steeg van de zeven steegies. Piepkleine huizen, vroeger van de armenzorg en nu grotendeels jong en oud door elkaar.

De Geertehof had onder het gebeier van haar kerkklokken een zondagskleed aangetrokken en strooide lustig met haar roodbruine confetti, waardoor de grond knisperde onder de voeten. Heerlijk spel. Alle bladeren op een hoop en er dan door heen dwarrelen, al schoppend met je schoenpunten, zodat het loof voor je uit stoof in een golvende beweging. Een zee van bladeren.

De straten waren een stuk stiller hier. Af en toe schoot een fietser voorbij. Bij het Andreashofje stond de tijd stil, aan de ene kant aangepaste nieuwbouw, aan de overkant de oude gepleisterde huisjes en een weelderige hof in het midden.Een perfecte entourage voor deze mooie dag. Tussen de uitbundige herfstbloei ontwaarde ik twee aandoenlijke vogeltjes van keramiek. Een van koningklijke bloede, aan haar kroontje te zien.

een klein konininnetje van keramiek

Op de hoek van een huis waren twee vrouwen de kozijnen aan het verven. Mijn verlangen naar wonen in de binnenstad deelde zich met hen. Nauwelijks verloop, dus weinig kans op zo’n plekje binnenstad. De ingang van het hofje lag aan de Andreasstraat en de uitgang kwam weer op de Singel uit. Daar werd het steeds drukker.Restaurants en café’s waren dicht, dan de natuur maar, leek de tendens.

In het gras streken een man en een vrouw neer, ontrolden een yogamatje en begonnen met een warming-up. De gelegenheid bij uitstek voor een paar snelle schetsen. Hele snelle, want ze wisselden om de tien tellen van houding. Iets verderop zaten twee jonge mensen op een bankje te roken. Een derde stond ernaast, ze hadden muziek op, niet luid, maar toch een stoorzender. Ik bleef op het wandelpaadje dat boven de singelrand uittorende. Een goed overzicht om onbespied te tekenen.

De weg terug was nagenoeg gelijk. Het wandelpad langs het water was veel te druk. Liever de luwte van de oude stad. Ik spotte een nog bloeiende kamperfoelie en de laatste passiebloem in een stadstuintje. Tegel eruit, plant erin.

Thuis #inktoberde ik nog even door. Storm en Trap/val waren de twee opdrachten. Onder het tekenen luisterde ik naar Arjen Lubach, keek een filmp en toen was de koek op.

Storm
Trap
Uncategorized

Een waardig besluit

De dames schaap aan de overkant van de sloot zwegen in alle talen, toen ik langs kwam stiefelen om de moeten in het gras te ontwijken die zich met water hadden gevuld. Nieuwsgierig keken ze naar mijn potsierlijke verrichtingen en de een na de ander schoof dichterbij. Hun blikken leken bedachtzaam. De tuinen achteraan waren allen verlaten. Er hing een herfstige stilte over het weiland. Nadat ik de ijdele moed had opgevat toch voor het kortwieken van de vlier te gaan, voelde het nu als een overwinning op mijn passiviteit van de laatste dagen.

Al snel had ik drie grote takken eruit gezaagd en het viel wonderwel mee. Ze lagen naast het atelier. Eerst ruimen voor ik aan een volgende begin, dacht ik. Kort knippen en zakken vullen, dat was het idee. Die zou ik volgende week pas meenemen als de stort weer open was, dan kon het op de groenhoop. Het was fijn om zo bezig te zijn. Het weer was ideaal, niet te warm, niet te koud. De grote kniptang was een uitkomst. Voorheen had ik alles met de kleine snoeischaar gedaan, maar dit was het grovere werk.

Achterbuuf was er met haar dochter. Tijd voor een praatje over de heg. Wederwaardigheden uitgewisseld, virusbevindingen gedeeld en kleinkinderen in woorden gevangen. Daarna was het tijd om het gras voor de laatste keer te maaien. Moeizaam werk, want het veen was zompig en het gras net iets te hoog. Tussendoor dook ik op mijn stoelen her en der om uit te puffen. Een adembenemend werkje. Roodborst en winterkoning kwamen nieuwsgierig kijken.

Tussendoor spotte ik ook de laatbloeiers. Witte en paarse herfstasters, lobularia, verbena, schurftkruid, slaapmuts, geranium, de Japanse anemonen, de fijnstraal madelief, zeepkruid en de prachtige oost-indische kers. Best veel nog, deze dapperen. De achterbuuf en de oude hadden hun tuin vol met dahlia’s staan, die zorgden voor een overdaad aan bloemen. Ik ben niet op alle dahlia’s gek en de knollen die ik in het voorjaar in de grond had gezet, overgebleven van het jaar daarvoor, waren niet uitgekomen. De appelboom had nog wat wormstekige appels voor de liefhebbers onder het vliegvolk. Roodborst en pimpelmees vierden feest met het zoete zachte spul en af en toe ondanks de kou, vloog er ook een verdwaalde wesp.

Na gedane arbeid was het zoet rusten, maar eerst moest de grasmaaier goed schoon het kot in. Het was de laatste maaibeurt van dit seizoen geweest. Met een stok krabde ik de grote plakken gras om en van het mes weg, hees het gevaarte het schuurtje in en gooide het gras tussen de struiken rond de vlier. Met muntwater in de hand zag ik hoe de zon te voorschijn piepte en de tuin van een herfstkleed voorzag, rijker van kleur, vredig ook. Ik tekende het stukje tuin met de engel en de verbena, het blad van de vrouwenmantel, met aquarel in herfsttooi zag het er al gauw gelijkend uit. De foto vergat ik te nemen. Roodborst kon ik door het raam vangen met het toestel. Ze liet zich nog niet zo bewonderen, daar was meer tijd en gewenning voor nodig.

Zoonlief belde een oppasdate door en dochterlief overbrugde de quarantaine in het bospark met een lekker lang gesprek. Kleinzoon 1 en 2 zijn er zeker van dat het verdwenen virusje uit mijn verhaal in Zuid-Holland is. Daar kleurt de landkaart immers dieprood. Dus misschien toch aan zee. Wie zal het zeggen.

Terug ving ik een glimp van zonsondergang in de sloot. Een waardig besluit.

Uncategorized

Ze houden elkaar in evenwicht

Pluis komt eens kijken en bedelen om aandacht. Ze houdt met een lodderoog in de gaten of de kauwtjes nog in de boom zitten. Eerder op de ochtend schetterden ekster en kauw tegen elkaar op. Kennelijk zaten ze in elkaars vaarwater. Nu zit ze vlakbij het toetsenbord en kijkt naar de vingers die over de toetsen dansen.

Het eerste deel van het oma-journaal is eruit. Virus blijkt te zijn weggegaan maar waarheen, dat is het grote mysterie. Addertje onder het gras meldde dat ze de laatste tijd klaagde over hoofdpijn door de vele auto’s die boven haar holletje denderden. De kleinkinderen mogen nu mee bedenken waar ze eventueel zou kunnen uithangen. Het was heerlijk om de stemmen weer te mogen doen, de slepende met een sissende -s- van Addertje onder het gras, de geaffecteerde resolute van Bepperd de Bofferd, de sniffende van Ko Nijn en de deftige bedaarde van Uil. Als ze eenmaal in je hoofd kruipen, gaan ze er nooit meer uit.

Gisterenmiddag was er de zon, maar ik deed alleen een snelle boodschap en terug langs de Lek. Het was prachtig, in duizend glinsterende stukken viel de zon in het water, de grote partijen watervogels stonden of lagen roerloos aan de kant, een buizerd viel boven het weiland een valk aan of andersom. Er was geen stopplaats op de drukkke tweebaansweg. Spijtig genoeg. Thuis stonden dag 15 en 16 van #inktober2020 op het program. ‘Outpost’ werd de vuurtoren van Lampje, de kaft van het boek van Annet Schaap en ‘Rocket’ werd Rocketman van Elton John. Snelle schetsen. De ingrediënten voor de pompoensoep waren nu in huis, maar de restjes van gisteren riepen om het kinderlijk eenvoudige. Opwarmen en nassen, daarna nog zeeën van tijd om een boek te pakken.

‘Niets menselijks is mij vreemd’. Deze zin schiet me te binnen bij het lezen van ‘De avond is Ongemak’van Marieke Lucas Rijneveld. Alles wat aan menselijke ongemakken bestaat, komt voorbij. Ze schrijft alles op en ik begrijp nu waarom sommige recensies het een boek vinden van ‘smerigheid’. Ze beschrijft even plastisch als bijvoorbeeld Wolkers, de dierlijke kanten van het bestaan. Het wonderlijke is dat de schrijfster zelf nog vrij jong is, maar een wereld schept die teruggrijpt op wat ik vijftig jaar geleden bedacht zou hebben, maar gelardeerd is met de bekende negentig-jaren begrippen als Yokidrink en Fristi. De friese doorlopers en groene zeep als middel voor een harde buik op onorthodoxe wijze toegediend door de vader, zijn daar een voorbeeld van en ook zijn belerende Bijbelse spreuken. Er zijn dus mensen die daadwerkelijk nog op deze manier in de wereld staan. Boerderijleven, het geloof, de onorthodoxe aanpak voor de kwalen, de dood van een broer zetten de tijd stil én de aandacht voor de opvoeding van de overgebleven drie kinderen. Tot nu toe een heftig en aangrijpend boek met gedachten die constant op zoek zijn om de situatie, dat liefdeloze koude in het huis, te doorbreken.

De bomen voor het raam beginnen aarzelend met hun eerste gele bladeren. Het zal niet lang meer duren of er zal een overkant te zien zijn. Vandaag is het tuindag, vindt de plannenmaker in mijn hoofd, maar ik moet moed verzamelen om te gaan zagen. De vlier achterin moet eraan. Daarna zou er een buurman van de buuf de abeel komen slechten en dan pas kan de Vijg erin op die plek. De wilgen mogen nog iets later. Het gesleep om alles opgeruimd te krijgen, werkt als mijl op zeven. Misschien moest er maar weer eens gevlochten worden, oude hekken vervangen voor nieuw, wie weet. We gaan het zien en beleven.

Pluis ligt nu weer kalm tegen me aan en speurt af en toe naar vliegbewegingen van kauw, om daarna weer weg te doezelen. Ze houden elkaar in evenwicht.

Uncategorized

Maar dan zonder spekkie

Behaaglijk, dat was het woord, zo voelde ik me nog half in de droom en daarna. Het hele voorval speelde zich af in Hongarije, waar de Wijze woonde. Zijn oude grote huis kende ik van de foto, maar nu was ik daar. Het was fijn. We liepen samen op het achterland naar het grote huis, raapten dennen- en sparappels en verzamelden die in een grote stalen mand. Ze waren voor de tegelkachel in het grote huis, dat dadelijk gemoedelijk haar knappende vuur zou verspreiden. Uit de Datsja iets verderop kringelde rook en ik zag de schommelstoelen met de witwollen schapenvachten uitnodigend staan op de veranda.

Ik vertelde dat het goed was geweest, onze jaren samen en vroeg of we ooit nog bij elkaar zouden zijn. ‘Nee,’ antwoordde hij, ‘maar we zijn wel verbonden en vullen een plek in elkaars hart.’ Iets wat ik volmondig kon beamen en daarom was het een fijne droom, dat dat warme en behaaglijke gevoel leverde. Met een glimlach werd ik wakker. Ik schreef deze woorden uit in een kattenbelletje, die ik per email richting Hongarije zond. Goede gevoelens zijn er om te delen.

Gisteren stond de tandarts op het programma. Ze heeft me ooit geholpen in een zware en donkere periode, waarbij mijn gebit grotendeels naar de filistijnen was gewerkt door een tandarts met bootwerkhanden, die zichzelf een rol had toebedeeld als voortrekker. Hij had jaren op de grote vaart gevaren. Haar conclusie was droogjes dat ie daar had moeten blijven, getuige mijn gebit. Ze is met precisie en geduld aan het werk gegaan en sindsdien ga ik weer breed lachend door het leven. Soms te breed vinden de zussen, maar ik heb een half leven niet kunnen lachen, anders dan met een hand voor mijn mond. Heerlijk vind ik het om onder handen genomen te worden, haar geklotter en gekraak, als ze het kleine beetje tandsteen wegpeutert, alles weer polijst en schoonspoelt en daarna als herboren, weer een gaaf en glad gebit. Te bedenken dat ik heel lang heel bang voor de tandarts ben geweest. Dankzij haar subtiele aanpak en de tegenwoordige techniek ben ik er volledig overheen gegroeid.

Sajoer boontjes

Het was die middag tijd voor wat zieletroost, dus kwam er, dwars door de koelkast, Sajoer boontjes en Ajam pedis op tafel. Voor mij met mie en voor zoonlief met rijst. Emping erbij, bawang goreng en klaar. Amandelstraatvroeg want zoonlief moest wel om acht uur trainen in groepjes van vier. In het ouderlijk huis vroeger aten we strikt om vijf uur warm. Dan had je nog zo’n heerlijke lange avond, vonden ze. Pannen op tafel, versneld weesgegroet en onze vader vooraf, en gaan. Zo snel als we baden, zo snel werd er ook gegeten. Lang natafelen zat er niet in.

Van de week kwam ik de buuf van twee huizen verderop tegen, terwijl ze met twee zware tassen aan het sjouwen was. Ze liet me mededeelzaam de inhoud zien. Grote pompoenen, gele en groene, waren de oorzaak van het zwoegen. ‘Dat wordt pompoenensoep’, lachte ik. ‘Als je wilt kom ik er vanavond een brengen,’ zei ze. Zo’n aanbod valt niet te versmaden. Gisteren stond de pompoen tegen mijn deur, toen ik van de tandarts terugkwam. Breed lachend stak ik twee duimen op voor hun keukenraam en kreeg vier vrolijke duimen terug. Zo heerlijk kan het leven zijn. Vandaag maar eens speuren naar een pompoenen/linzenrecept. Inderdaad, de hoogste tijd voor ‘Dwars door de kast’. Dat heb ik al eens eerder gedaan en nu met het ‘zoveel mogelijk thuis blijven’ is dat een mooi initiatief om de voorraad op te maken. Het levert soms verrassende creaties op. Spekkie voor je bekkie maar dan zonder spekkie.

Uncategorized

Het glas halfvol

Een leuke tip in de Zin van oktober. Museum LAM, te bekijken op Lamlisse.nl en Openkijken.nl. Beide komen uit de tips om te ervaren wat de kracht van de verbinding is. De eerste tip gaat over glimlachen. Uit de jaren ’70 stamt mijn kleine boekje Indische wijsheid met spreuken en gezegden van verlichtende mensen. Een ervan is een overbekende: ‘Elke glimlach keert weer tot U terug’. Eigenlijk staat het boekje vol met voorbeelden hoe we kunnen verbinden. Met onszelf, met een ander, met de natuur om ons heen, met de wereld. In deze dagen waar mensen welhaast eenzaam worden geschreven, omdat men alleen zijn naast de meetlat van de eenzaamheid legt is het goed om om te zien naar andere vormen van verbinden.

Persoonlijk is het voor mij een noodzakelijkheid om een verbinding aan te gaan. Niet alleen met de kinderen en hun gezinnen, familie en vrienden, maar ook met de natuur en de omgeving, het boek, een kunstwerk of architectuur, met de dieren om ons heen. Niet alleen Poes Pluis, maar de vliegers, de kruipers, de zwemmers en noem maar op. Eigenlijk zijn ook mijn mijmeringen mijn manier van verbinden. Het uiten van de beleving, van wat je voelt bij iemand of bij iets, wat je raakt, wat het teweeg brengt. In die zin is het ook een verbinding met jezelf, je gedachten, de bagage, het bewust zijn van het ik.

Opnieuw tikt de tijd thuis verder en staat buiten even stil, maar des te vaker is er de reflectie op eigen bezigheden. Contacten worden beperkt tot digitale uitwisselingen. Deelname aan bijvoorbeeld #inktober zorgt ervoor dat er een gedeelte van het denken wordt bepaald door uit te zoeken wat passend is bij een onderwerp, het lezen van een tijdsschrift geeft een keur aan ideeën en nieuwe ervaringen, het spellen van de krant (er zijn stukken die ik tegenwoordig oversla) blijkt goed te zijn voor overpeinzing en inspiratie als het verhaal voedend is. Met schilderen is het tijdsbegrip volledig weg, met schrijven evenzo. Er blijken zomaar uren te zijn opgelost, tijd weggegeten, een middag weggespoeld bij het concentreren op dat creatieve proces. Wandelen om de beweging in stand te houden levert een keur van verbinding op, met de schoonheid van het jaargetijde, altijd weer een wisselend venster, of met de dieren die er leven. De gemaakte foto’s zorgen voor een nog sterkere beleving.

Het gemis van dierbaren blijft, het gemis aan lijfelijk contact evenzeer, maar de kracht van verbinden hoeft er niet onder te lijden. Ik moet zeggen dat ik natuurlijk wel een ervaringsdeskundige ben met mijn langdurig alleengaan en mijn schare aan kinderen en hun lieve echtgenoten en de kleinkinderen. Bovendien ben ik gezegend met die zussen, familie, vriendinnen en vele bezigheden én ondernemingslust, die met de paplepel is ingegoten. Alleen kunnen zijn zonder eenzaamheid is een voorrecht. Vivek Murthy schreef ‘De kracht van de verbinding’. De kiem voor mijn manier van verbinden is ooit, lang geleden, al gelegd. Door mijn ouders met hun grote sociale leven, door mijn kleine boekjes uit de jaren ’70 met boeddhistische wijsheden, door wijsheden van klassiekers als Poohbear, Alice in wonderland, De kleine Prins, de filosofie van Toon Tellegen, Kikker en Pad en die van grootheden als de tekenaar Charles Mackesy in zijn boek ‘De jongen, de mol, de vos en het paard’. Iedere dag een regel brengt de eerste warmte van de dag en geeft de weg aan, die je kan gaan. ‘Ik ben zo klein,’ zei de mol, ‘Ja, antwoordde de jongen ‘Maar je maakt een groot verschil.’ Dat dus. Het glas halfvol.

Uncategorized

Je daar bewust van zijn…

Verblindend licht als begeleiding richting zuslief. Een opgewonden gevoel zorgde voor vlinders, die spontaan door het lijf heen tintelden. Kunst mogen zien. Dat was lang geleden. Volgens tijdslot en met snoet, maar eenmaal binnen, kon je los. Het was zo’n zeldzaam mooie herfstochtend, met glinsterende draden tussen de aardetinten in een herfstpalet. Roestbruin, oker en sienna kleurde dieper door in het licht. Het Singer lag er compact bij, met staketsels ervoor die we pas na de tentoonstelling beter zouden begrijpen. Drie tentoonstellingen voor de prijs van één museumjaarkaart, tel uit je winst.

Gestuntel bij de, aanvankelijk vriendelijke maar steeds korzeliger wordende suppoost, omdat ik mijn scancode niet paraat had. Zenuwachtig door zijn blikken en boos op mezelf omdat ik ze alvast niet had opgezocht vond ik ze helemaal niet meer en kleurde ik herfstig rood onder mijn zwarte mondkapje. Er zijn voordelen met die dingen. Schilders van het licht, de illuministen. Grootheden die allen onder de indruk waren geweest aan hoe zilverig, omfloerst, uitbundig, ingetogen, verzengend, betoverend het kon zijn. Stralend als Jan Sluyters

Jan Sluyters

of ingetogen als Gestel of van Dongen.

Kees van Dongen

Au naturel, een somberende Dam in Amsterdam van Breitner

Breitner

en een zomerse dame op een Parijs balkon van Isaac Israëls.

Isaac Israëls

Het Singer heeft zo’n vijf zalen en een prachtige tuin. Het hoeft niet veel en vol te zijn, als het maar delicaat is. Dat was het, maar de verrassing zat in het staartje. De beelden van Pépé Gregoire, die dit jaar de Singerprijs had gewonnen. Prachtige beelden in een heerlijke herfsttuin. Storm en tegenwind, handen en voeten, wuivende haren, robuuste en subtiele profielen tot een schouwspel van verbondenheid verweven, kwamen langs.

Er was ook een zaal met werk van Herman van Veen. Grote abstracte doeken, een aantal cello’s en inkttekeningen op papier nodigden vooral zus uit tot het experimenteren met haar kunstenaarsoog. Twee foto’s door elkaar van mij voor het kunstwerk. Door het mondkapje vielen ze wat weg, maar riepen wel geheimzinnigheid op, bij de beelden in de tuin zag ik pas goed, wat ze met het toestel had uitgevogeld. Kunst zien doet kunst maken.

Foto ‘Marijke van der Linden’
Foto: ‘Marijke van der Linden’.

Nog steeds lag er een groot deel van de dag voor ons en we kozen voor het gebruikelijke rondje achter het parkeerterrein langs. Een kleine bibliotheek in de heg koesterde zelfs ‘Een klein leven’ van Hanya Yanagihara, weggezet of de wens tot delen van dat prachtige verhaal.

Herfstbladeren en eikels op de grond. Een oud echtpaar, een roodbruine beuk, twee paarden achter het prikkeldraad met ogen die ons nauwlettend in de gaten hielden. ‘Mag ik je aaien’, vroeg ik de grote bruine, die ton sur ton speelde met de boom erachter. Hij schudde zijn hoofd. Maar met enig aandringen mocht ik een robbertje over zijn bles wrijven. Het grote veld vol Cosmea wuifde de zomer feestelijk uit, hier en daar verhief zich een grote tanende zonnebloem.

Binnendoor reden we de weg terug naar huis. Dagen als deze zijn de cadeau’s, waarop we kunnen teren, zeker als de boodschap ’s avonds die verwachte domper op de feestvreugde zou worden. ’s Middags was er een herhaling van Jinek. Karin Bloemen en Arthur Japin plus een deel van de cast van het verfilmde boek ‘Maar buiten is het feest’. Een boek naar aanleiding van de traumatische jeugd van Karin Bloemen, die te maken kreeg met incenst en ontkenning. Prachtig hoe Japin kon uitleggen wat er voor nodig was geweest om dit boek te kunnen schrijven. Hij besefte na anderhalf jaar weifelen ineens dat in deze vrouw, Karin Bloemen op dat moment op televisie, dat ene kind zat, die die vreselijke ervaring met zich mee droeg. Wat een prachtige ontdekking om te voelen dat die intrinsieke kracht het mogelijk maakt om dat verhaal te schrijven. Het boek had ik een aantal jaar geleden gelezen en het was indringend en buitengewoon goed om te beseffen dat de gevolgen van een lockdown in veel variaties heel ver kunnen reiken. Elk huis heeft zijn kruis, maar er zijn gradaties. Je daar bewust van zijn…

Uncategorized

Dat geeft lucht en ruimte

De nacht valt donker naar binnen als mijn ogen voor de zoveelste keer opengaan. Aan de geluiden buiten te horen kan ik merken dat het tegen vijven loopt. Een eerste scooter knalt voorbij, een paar auto’s ruisen langs. Onrustig was het. Gepieker over keuzes maken en gemis. Dit weekend heb ik de lessen op de school toch gecanceld. Ik dorst het niet aan, of tenminste, met snoet wel, maar dat wil ik de kinderen niet aandoen. Bovendien is het geen werken met zo’n ding op. Zuslief appte. Er staat een bezoek aan het museum vandaag. ‘Zullen we nog wel gaan?’ We zijn vroeg ingedeeld, om tien over tien. Er gaan een gelimiteerd aantal bezoekers naar binnen.Met snoetjes op. Ik durf het in dit kleine museum wel. Het zorgde er wel voor dat ik wakker lag, indommelde, wakker schoot, verder soesde en dat stond in de repeteerstand. Mijn moeder zou zich afvragen: ‘Wat is wijsheid’.

Ik laat het nog even van het gesternte afhangen . Pluis heeft de hele nacht nergens last van gehad. Ze ronkte er tevreden op los en koos af en toe een andere holte om opgekruld verder te dromen. Blijf zitten waar je zit en verroer je niet, was het credo voor mij. De slaap van de onschuld, of van de onwetende. Gisteren maakte de zon goed, wat ze al dagen had laten liggen. De fiets was er klaar voor, het park ook. Het stuk tussen de fietsende schooljeugd door was minder. In slierten van drie of vier op een rij namen ze bezit van de paden en schoven dan net voorlangs opzij. De bomen krulden prachtig oranje op in dit grote park met met haar eiken, beuken, acers en abelen. De wind was fris, maar in de zon veerde de warmte op.

Panta Rhei is nog lang blijven doorstromen. ‘Go with the flow’ is een van mijn basisprincipes. Meebewegen, flexibel zijn, openstaan voor vernieuwing, onontbeerlijk binnen het onderwijs. Maar ook, laat het stromen, geef het ruimte, je moet niet zijn, maar je mag zijn zoals je bent. Dat opent vele perspectieven meer, dan als je je in een keurslijf wringt. Ik denk aan vroeger. Mensen die de eigenaardige gewoonte hadden om zich bij het invallen van de schemering achter de gesloten vitrage op te stellen en kritiek te leveren op wat er vanuit dat standpunt te zien was. Daar was men zelf ook bevreesd voor. ‘Sttt, wat zullen de buren wel niet denken’, werd er dan gesist. Zodra het licht aanging, gingen de gordijnen dicht. Van huis uit was ik dat niet gewend. Het leven in onze wijk lag op straat. De buurt kende haar pappenheimers wel. Je wist precies wie er deugde en wie niet, wie er ‘losse handjes’ hadden, wie op de pof leefde of waar altijd bonje was. Onze ramen waren de vensters van de ziel. Open en ontvankelijk, niets te verbergen. Een valletje bovenin voor het mooi en verder vrij zicht.

Nog altijd ben ik dol op ‘kale’ raampartijen. Een voordeel van het boven wonen is dat je oneindige schoonheid aan lucht voorgeschoteld krijgt. Een ideale entourage om wat te dagdromen en je vrij te voelen als een vogel. Die vrijheid zit van binnen, los van al het andere om je heen en dat geeft lucht en ruimte.

Uncategorized

Binnen bleef het stromen

De schrijver en ic-verpleegkundige, Linda de Roos, in de VK in de rubriek ‘Zinvol leven’ noemt Pantha Rhei als uitgangspunt voor het bestaan. Zinvol leven betekent voor haar: ‘Het mirakel dat ik ben en dat ik dit mysterie mag beleven, dat is voor mij genoeg. Ik omarm de Griekse uitdrukking Panta Rhei: Alles stroomt.’

Niets is plezieriger dan een nieuwe week te starten met een filosofische gedachte. ‘En’, voegt ze eraan toe. ‘Wij zijn aan die stroom van het leven onderhevig, sterker, we zijn zelf het leven.’ Heraclitus doelde met deze stelling op het feit dat je nooit twee keer dezelfde rivier over kan steken, omdat de stroming nooit hetzelfde is. Het leven is altijd in beweging. Linda ervaart het feit dat ‘het leven haar beweegt‘ als bevrijdend. Een interssante kijk op het geheel, dat om diepere gedachten vraagt.

Gisteren liepen de gebeurtenissen naadloos in elkaar over, maar dat bedoelde ze er niet mee, denk ik. ’s Morgens was er de dag, dat kleinzoon, die vandaag 1 jaar wordt, zijn feest vierde voor de familie. In shifts van drie, aangepast aan de maatregelen. Geen geknuf, maar in ieder geval dubbel taart en lekkernijen. Hij was helemaal jarig, die kleine en glunderde, trotse ouders, trotse oma, trotse ooms, dochterlief en haar gezin kon er niet bij zijn, want ze zijn solidair in quarantaine met kleinzoon 3, die tien dagen niet bij anderen over de vloer mocht komen, omdat zijn juf het virus had.

Het betekende voor mij de ingeving (in die zin stroomt het) om weer met een Oma-journaal te beginnen. Bij het voorstel over de app kreeg ik een aandoenlijk antwoord terug: ‘Ik wil wel nog een oma-journaal…alsjeblief…dikke kus’. had hij ingesproken met een aandoenlijk stemmetje. Dus halen we virus nog maar eens uit de kast voor nieuwe avonturen met Addertje onder het Gras, Bepperd de Bofferd, Uil en Ko Nijn.

Na de verjaardag spoorslags door naar de kunstroute, om langs te gaan bij een kunstenaar, die met mij heeft geschilderd een paar jaar geleden. Eerst bloemen kopen voor deze eerste keer exposeren. Bij de supermarkt trof ik een over-ijverige jongen, die zowaar van mijn twee bosjes een boeket wilde maken. Het tempo lag laag, maar de liefde voor zijn werk was hoog. Wat een lieverd. Een overload aan bedankjes van mijn kant en met de bos toog ik richting atelier, verscholen achter het huis, in een sprookjesachtige ommuurde tuin en een witgepleisterd schuur. De vorige bewonderaar ging net weg. Wij konden samen lekker aan de thee, snoet op, snoet af. Er was nog een zolder met haar werk en oorbellen die ze ook maakte. Een wankele trap naar een paradijs. Ze maakt prachtig werk. Daarna kwamen er twee nieuwe bezoekers, tijd voor mij om de kuierlatten te nemen.

De zon scheen en ik was vlakbij Amelisweerd, zo’n natuurlijke route was niet te versmaden. Eindelijk het langgedachte bos. Ik liep een route waarvan ik wist dat maar weinigen die zouden volgen, kwam de zilveren wilgen tegen, vond een peer onder een volgeladen perenboom, speurde naar de eekhoorns in de laan van de beukebomen, maar vond ze niet. De heggemussen voor de stal hipten af en aan in de stekedoornige takken en deden hun naam eer aan. Ze zien me wel, ze zien me niet.

Wel koe, die haar hoofd uit de stal piepte met in haar blik een groot verlangen. Haar zussen stampten en snoven in de stal achter haar. De herfst in het bos begon langzaam te komen. In dat drukke deel, weinig paddestoelen, wel al veranderende kleuren in de bomen, spiegelend water, kogeldistels, de gewone engelwortel met haar verdroogde schermen sierlijk aan de waterkant.

Toen ik over de kleine houten brug kloste, vielen de eerste dikke druppels uit de bijbehorende dreigende lucht in het water. Op de valreep spotte ik de elfenbankjes.

Met een voldaan gevoel, kilometers in de benen, voldoende nieuwe zuurstof, een keur aan ideeën, het bos weer uit, de auto in. De ruitenwissers duwden gestaag de kletterende druppels weg. Binnen bleef het stromen.