Lief is veilig in Boedapest aangekomen en heeft er tot vandaag een hotelkamer gehuurd, waar vriend hem op zal pikken om samen alvast een voorstudie op keukens te doen. Erg fijn voor het gemoed, kan ik jullie verzekeren, deze wetenschap van een gunstig verlopen reis. Ik kan me op een nieuwe taak richten. De rakkertjes zijn aan de beurt. Zoonlief stelde voor om Pizza’s te maken. Dat gaan we vanmiddag doen. De voorspelde sneeuw blijft gelukkig uit, dus een ritje naar de Keistad moet te doen zijn.
Op dag 173 van de schrijfcursus was de schrijfingang ‘Het wasmiddel van je moeder’. Al sinds ik het me kan heugen heb ik een hekel aan was in de kamer. Zelfs toen Lief en ik op kamers in Leiden woonden, vond ik was aan een rek aan de deur verschrikkelijk. Toen ik nog thuis woonde en ik heel jong was, zette mijn moeder op de winterdagen steevast een houten rek om de zwarte buikkachel. Daar hing de was dan aan te drogen, midden in de kamer eigenlijk. Naar alle waarschijnlijkheid kwam de ergernis daar vandaan, want wij zaten er tussen om onze winterhanden en wintertenen te laten ontdooien. Het is nooit meer over gegaan. In mijn eigen gezin hing het in het trappengat, omdat het dan sneller droog was.

Gek genoeg vind ik wapperende stralende witte lakens aan een lijntje tussen twee palen op een boerenerf of in het groene gras weer wel van een bekoorlijke schoonheid.
Dit waren mijn herinneringen aan vroeger:
Mijn moeder hield de maandag en de dinsdag als wasdag en strijkdag in ere. Vroeger was het wasmiddel een blokje Sunlightzeep dat in een speciale klopper door ons kinderen in een emmer tot schuim geklopt werd. Een werkje wat altijd leuk was om te doen. In die opgeklopte zeep werd het wasgoed gewassen. De witte was kreeg daarnaast ook de hulp van het zakje blauw van Reckitt, dat in het zeepsop werd gestrooid. Blauwsel maakte het witgoed optisch witter. De was werd eerst geboend op het wasbord en dan in een grote zinken ketel op het fornuis gekookt en er was een grote stok om erin te roeren. Er stond in de Amandelstraat iets later een houten Miele met wringer, waarin het wasgoed ronddraaide door de schoepen in het midden. Bij het wringen moesten we helpen. Punt van het kletsnatte laken erdoor en draaien maar, zwaar werk hoor als je zo klein bent, ook toen was het Sunlight en het zakje blauw.
Later had mijn vader gezorgd voor een ‘moderne’ Miele wasmachine met een losse centrifuge, die soms, bij een verkeerde lading aan het wandelen ging. Toen kwam er Persil om de hoek kijken. Ze had er een dagtaak aan of soms zelf wel twee dagen, toen het er elf waren. Het wasgoed rook heerlijk fris. Milieutechnisch gezien dacht men nog nergens aan. Het was toch om ‘schoon’ te wassen.
Iets later kwam daar de Biotex bij en werd de Persil vervangen door Dreft. Dat rook zo mogelijk nog lekkerder. De was werd buiten aan de lijnen gehangen die van het huis naar de schuur liepen, waartussen wij het spel van de schaduwen speelden als de zon scheen.
Het hele huis ademde in die dagen was en strijk. De droge was werd door Jannie gestreken, een meisje uit de buurt. Haar sterk geurende oksel vermengde zich dan met de frisruikende was. Dat was minder prettig, maar voor mijn moeder was het fijn dat er een hulpje bij kwam, al kon Jannie de was niet strijken zonder valse vouwen. Je kwam overal stapeltjes gestreken en gevouwen was tegen. Wassen slokte een groot deel van het huishouden op.
Mijn moeder was er trots op, tenminste dat geloof ik nu nog. Heel de kamer lag bezaaid met opgevouwen stapeltjes. Later nam ze de was van broer er ook bij. Mijn moeder en de was waren onlosmakelijk verbonden.


















Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.