Uncategorized

Prima zonder veel

Dankzij een blog over kringloopwinkels stapte ik weer even terug naar mijn eigen kringlooptijd. Secondhand-Rose in eigen persoon. Eerst werkte ik bij de boeken en later ging ik over naar de kleding. De kinderen speelden tussen de oude rommel en de jongste werd er opgevoed. Het kon allemaal. Er was niet veel geld dus het betekende ook overleven. ‘Geld hebben we niet maar spullen…!’ was een gevleugelde uitspraak, die ik te pas en te onpas deed. De vader van de kinderen was een echte nachtvlinder. Hij reed langs het grofvuil met zijn oude transportfiets en sleepte alles mee wat hem aanstond. Daar waren ook altijd karkassen van fietsen bij, die hij dan in zijn schuurtje uit elkaar sleutelde om van een combinatie aan onderdelen een nieuwe fiets te maken.

Op een dag zagen we de buurman aan de zijkant van de straat dozen uit het huis naar de grofvuilplek verslepen. Hij ging er zichtbaar onder gebukt. Het was nog licht, dus geen haar op ons hoofd die er aan dacht om te gaan neuzen tussen zijn afval, maar dat het de moeite waard kon zijn, hadden de voelsprieten allang ontdekt. Toen de avond viel wachtten we gelaten tot de lichten in zijn woonkamer waren uitgeknipt. Buurman torende boven ons uit in zijn drive-in-woning en keek vanuit zijn huis recht op het onze en op de stortplaats. Als een dief in de nacht slopen we richting dozen. Het waren boeken, dozen vol boeken. We hoefden ons niet te bedenken. Manlief sleepte de karrenvracht de kamer in. Veel literatuur en wetenschappelijke boeken, maar ook Baudelaire en Justus van Maurik en een dundruk van Dada en de Stijl. Alles voorzien van een zwierige handtekening voorin. Ik was in mijn nopjes. Wat een vangst. De eerlijkheid gebied me te zeggen dat de tijd om een en ander door te spitten ontbrak. Ze hebben jaren als dubbele rijen op de planken gestaan en staafden mijn latere principe. Zet geen boek in de kast die nog niet gelezen is. Jaren later en een drietal verhuizingen verder belandden ze uiteindelijk toch bij de kringloop, waarbij ik hoopte dat iemand, die de waarde ervan inzag, met vreugde zich zou verheugen over de nieuw verworven schat.

Door te werken bij de kringloop zorgde een en ander er wel voor dat de drang om te zwichten voor van alles en nog wat, langzaamaan verdween. Niets is zo vergankelijk als materie. Iets wat eerst van oneindig belang had geleken, kon later zomaar aan betekenis inboeten. Zodra ik me af ging vragen of het belangrijk was voor ons, of het uit zou maken als het er niet was, of ik er blij van werd uitsluitend om de heb of ook omdat het werkelijk verschil zou maken, werden dat belangrijke criteria. Mijn collega bij de kringloop had kasten vol met kleding en zelf was ik ook aardig op weg, tot ik erachter kwam dat ik van sommige kledingstukken het bestaan niet eens meer wist en steeds meer moeite had om in de chaos het juiste te vinden.

Nu kan ik de kringloop inlopen en met lege handen even zo vrolijk weer naar buiten stappen. Dat was vroeger ondenkbaar. Alleen als het me regelrecht raakt, zoals het boek van Shaun Tan: ‘ De Aankomst’, dat prachtige getekende verhaal, of dat ene kleine bescheiden schilderijtje van een Javaanse danseres, gesigneerd door een zekere F van Bemmel. Meer is het niet en zelfs de kleding heb ik in grote getale uit de kasten verbannen en ze teruggebracht naar een kringloop. Alleen mijn sjalenzwak en mijn boekenkasten voed ik zo nu en dan nog. Verder kan het leven prima zonder veel.

Uncategorized

Waar licht is, is hoop

De lijst met te bestellen boeken is weer rond. Straks begint de reis door de kinderboeken, die meer dan eens niet te versmaden zijn voor volwassenen. Het thema ‘Burgerschap’ leent zich daar uitstekend voor. Wie eenmaal aan het grasduinen slaat, opzoek naar passende onderwerpen, trekt al snel een bodemloos blik open. Wat is er veel op dat gebied. Met eeen beetje vernuft valt er natuurlijk praktisch alles aan op te hangen. Kritisch speuren is geboden.

Af en toe sta ik op de weegschaal van zoonlief. Maar de laatste weken is het niet langer mijn grootste vriend. Ingegendeel, vaker nog, kijkt hij me licht verwijtend aan. De impasse begint op te spelen, letterlijk en figuurlijk. Nu de stroom aan bezigheden langzaam is opgedroogd en de knie voor nog meer belemmeringen zorgt, nestelt het lijf zich graag op de bank. Ergo: Te weinig beweging, te veel aanwas. Dat moet anders. In het begin van de eerste sessie binnenzitten liep ik mijn befaamde kamerrondes. Iedere dag minimaal 2 kilometer. Daar moet ik toch weer aan gaan beginnen. Een zuilentred van 2 km iedere dag is een loffelijk streven. En toch eens kijken naar een hometrainer. Een mens moet wat.

In de trouw van gisteren stond naast de column van Eva Meijer ook een interview van Roek Lips met Pim van Lommel, een cardioloog. Het begint met de intrigerende kop: ‘Je kijk op de dood bepaalt je levenshouding’. Pim van Lommel is de auteur van het boek: Eindeloos bewustzijn. Hij deed ruim 34 jaar onderzoek naar mensen met een Bijna Dood Ervaring(MBD). Als je zoiets hebt ondergaan, dan verandert dat je inzicht op de dood. Het is niet langer het einde waardoor je dichter bij de essentie van het leven komt. Als je gelooft dat het leven tijdelijk en eindig is dan ga je voor het uiterlijk, geld en de macht, maar de essentie is heel wat anders. Voordat hij het onderzoek begon, ging hij er vanuit dat het bewustzijn een product was van de hersenen. Bleef de vraag hem bezighouden hoe het kwam dat mensen zich zoveel weten te herinneren van een BVD, terwijl de hersenfunctie een rechte lijn vertoonde. De cardioloog is door al die onderzochte ervaringen met BDE-ers inmiddels van overtuigd dat het bewustzijn eindeloos is en vergelijkt het met een cloud. ‘De hersenen en het lichaam maken de ontvangst van dat eindeloze bewustzijn mogelijk, maar het wordt niet door de hersenen geproduceerd’. Hij haalt Plato aan, die het lichaam als de tijdelijke drager van de ziel die blijft, zag. Iets om even goed voor te gaan zitten en het boek dat me zeer de moeite waard lijkt.

Een mooie ondersteuning bij de zoektocht naar de zingeving van het bestaan. In deze dagen waarbij we zoveel meer op ons zelf zijn teruggeworpen, komt meer dan eens de vraag naar de zin boven drijven. Mijn ervaring met mensen die dood gaan zijn met regelmaat de bevestiging dat er meer is dan alleen de stofmantel die achter blijft. Een heldere blik vlak voor het sluiten van de ogen seint in dat de overgang bewust wordt meegemaakt, net als de koude windvlaag die langs je heen kan trekken. Niet uit te leggen hoe dat voelt, maar onmiskenbaar daar.

Het nieuwste inzicht is dat bewustzijn fundamenteel is en dat alles in het universum voortkomt uit bewustzijn. Ook materie‘ zegt hij aan het eind van het interview. Ik zoek in Wiki bewustzijn op:Bewustzijn is het geestesvermogen dat het individu in staat stelt de buitenwereld waar te nemen en te verwerken, oftewel een beleving of besef te hebben van het eigen ik, ingebed in zijn omgeving’.

De essentie van het zijn, zou ik denken en inderdaad de basis voor de wijze waarop wij de wereld om ons heen ervaren. Zijn conclusie is : ‘Ik ben optimiistisch. Ik denk dat die verandering de komende jaren snel gaat en dat is ook nodig. Want als we ons bewustizijn niet veranderen, zullen we het als mensheid niet overleven’. Het klinkt als een waarschuwing. In dat geval kunnen we alleen maar hopen dat de theorie klopt en zijn optimistische kijk op het geheel de overhand zal nemen. Waar licht is, is hoop.

Later vond ik de film over het boek, een aanrader.

Uncategorized

Rekbare ruimte

Het was een wonderlijk begin van de dag. Alle ochtendrituelen schoven met de opening mee op. De huisartsenpost meldde dat ik om kwart voor tien bij de huisarts langs mocht. Een invalarts. In versnelling gaan als je er niet op had gerekend, betekende dat niet alleen het lijf maar ook de geest mee moest. Een prettige bijzonderheid was de frisheid van een ochtend in de praktijk. Nog niet veel geziene patienten, dat bracht tijd en rust en een heldere diagnose. Het vege lijf, dubbel geleefd door al mijn bezige buien, liet de zekerheid voor wat het was en begon wat te kraken en te piepen. ‘Ouderdom komt met gebreken’ wist Oma Driehuis, die krom liep en hief haar zwarte stok op als grote waarschuwende vinger. ‘Krakende wagens, piepen het langs’ wist ik er tegenin te brengen. Maar zover was ik nog niet, natuurlijk. ‘Jawel, meisjes van 68 zijn ook oud’, fluisterde de tijd in mijn oor. ‘Dat kan je me toch wel op een andere manier wijs maken’, protesteerde ik zwakjes. ‘Ik dacht dat we de kwalen eerlijk zouden verdelen onder de jongsten en nu heb ik er al drie te pakken.’ Dubbel geleefd, dubbel gelachen, dubbel gesleten. Annie. M. G. neuriede plagerig haar liedje voor oude meisjes. ‘Maar ik ben nog fantastisch zo op het oog’. Vriendinlief appte de spijker op de kop: ‘Ge wor ’n bietje krakkemikkuggg’. Schuddebuikend nam ik de krant door, terwijl een andere lieverd belde om even een oppeppertje door te geven met flink veel humor.

Versleten tot bijna op het bot, ik weet het, het zit nu eenmaal in de familie. De krant brengt de nodige afleiding met een fantastische nieuwe ontdekking, waar ik nog heel wat uren kijkplezier aan kan beleven. In de column van Eva Meijer met de kop ‘Waar zijn mensen voor’ refereert de schrijfster aan de kunstenaar Laurie Anderson. Het gaat over de film ‘Heart of the dog’, waarin Laurie zich afvraagt waar de dagen voor zijn:’Om ons wakker te maken, om tussen eindeloze nachten te zetten’. Iemand die dergelijke taal vindt heeft meer in haar mars, dacht ik en zocht als een haas de trailer van de film op. Soms is verdere aanvulling totaal overbodig. Als je deze trailer ziet, dan weet je dat er een juweel op een gouden dienblad ligt.

Alleen de start al, een getekende Laurie Anderson spreekt uit wie zij is: ‘This is my dreambody. the one I use to walk around’

‘In het beeld zien we een blauwe lucht met boomtoppen’ schrijft Eva. ‘Waar zijn de nachten voor‘ peinst Laurie Anderson verder. ‘Om door de tijd in een ander wereld te vallen’. Dat kan zeker als je een droomlijf hebt, degene die met je wegwandelt als je in slaap valt, mijmert of peinst. Degene die mijn gedachten draagt, denk ik er achteraan.

Eva vraagt zich op een gegeven moment af, door vraagstellingen van mensen in de media over de meest uiteenlopende zaken: ‘Waar zijn woorden voor’ en geeft vervolgens zelf het antwoord: Het lijkt als je de politiek volgt soms alsof woorden stokken zijn om tussen de spaken van de werkelijkheid te steken en zo je punt te maken’. Jaloersmakende vondst. Alles kent een eigen taal. Die veelvormigheid vind je terug in romans. ‘Waar zijn romans voor‘. ‘Ze willen het leven vangen door de tijd te vangen’ vind Eva. Dat kan. De roman vangt vooral het beeld met haar woorden, omsluit een wereld met haar letters, creëert een droombeeld.

‘En mensen dan’, is de laatste vraag. daar komt het antwoord van Laurie weer om de hoek kijken in de slotsom van Eva: ‘Om lief te hebben zoals honden met hun hele hart. Om opnieuw te beginnen, het beter te willen doen. Om na te denken over dit alles en erom te lachen. Om wakker te worden, om door de tijd in een andere wereld te vallen. In de dagen, de nachten, de boeken, door een opening die je eerder niet zag’.

Voor mij was dit de opening die ik nog niet had gezien. De wereld van Laurie Anderson(en dat wordt smullen) en die van Eva Meijer. Ik laat me tuimelen dwars door het gat heen en zwem door de trailers, zie hun beelden gemaakt uit gedachten, goed voor verfrissend en nieuw elan. Het lijf mag dan slijten, het hoofd nog geenszins. Daar is nog veel rekbare ruimte.

Uncategorized

De moeite meer dan waard

Dankzij de inspiratie door een van de afleveringen van BinnensteBuiten had ik van de week, met vooruitziende blik, al gist gehaald. Gisteren was zo’n dag van de kleine vreugde. Het was de hoogste tijd voor een Focaccia, een heerlijk Italiaans brood, dat in een handomdraai op tafel staat. Ooit in het grijze verleden bakte ik bijna elke dag een brood maar langzamerhand, door drukte in het gezin en op het werk, kwam daar het slop in. Met al dat rusten op de lauweren werd het weer de hoogste tijd voor lekker, voedzaam en gezond.

Pluis hield de wacht bij het rijzen.

Bloem, gist, zout, suiker en water is alles wat nodig is voor het brood zelf en voor de aankleding, olijven en knoflook, tijm, oregano, parmezaanse kaas en zeezout. Voor de broodnodige vitaminen zou ik een aangepaste versie van de tomatensalsa maken. Het werd een feestje daar in die kleine keuken van mij. Het scheelde niet veel of ik had ‘La Traviata’ van Verdi opgezet. Het mooie deeg was goed gerezen en daarna duwde ik de vulling er met de vingertoppen in. De salsa was een eitje om te maken en samen bleek het een voedzame en zeer smakelijke maaltijd. Ik heb nog veel meer gist. De kok in mij, die diep lag te sluimeren als een soort Doornroosje, is wakker gekust door de kookprogramma’s. Heerlijk tijdverdrijf op lange dagen.

De ankers van tape mochten van de knie af en het wonder was geschied. Ze was eindelijk geslonken, leek me. Of het was een vurige hoop die het me liet geloven. Het kwam goed uit, want langzamerhand droogde de inspiratie een beetje op tussen de vier muren, ook al bleef ik er naarstig naar zoeken.

https://www.npostart.nl/avro-close-up-lennaert-nijgh-tip-van-de-sluier/24-11-2012/AVRO_1565467

Gelukkig zijn er tussen het aanbod van de programma’s doorgaans een aantal parels te vinden. Een die me regelrecht terugbracht naar mijn puberjeugd was die van Lennaert Nijgh uit de Close-up serie van de Avro. Het beeld uit mijn jeugd, Nederland vlak voor provo haar intrede deed, werd vooral gevoed door singer-songwriters en het cabaret van dat moment. Boudewijn de Groot zong de teksten van Lennaert met verve en wij zongen ze met liefde mee. Het waren onze wapens om mee te schermen tegen de dogma’s van de jaren vijftig en zestig, de vooroordelen, de minzaamheid en de benepen burgerlijkheid, de oorlogsdreiging, de kernwapens, de onderdrukking van de vrouw en meer van dat werelds ongenoegen. Het leven was een achtbaan waar niet uit te ontsnappen viel anders dan met onze eigen gecreëerde wereld. Met woorden zeg je zoveel meer dan met wapens. Ze beten zich een weg naar het echte leven, de liefde, de vrijheid. De documentaire ‘Tip van de sluier’ probeert inzicht te geven in het leven van deze grote dichter, die de wereld teksten bracht van een krachtige en tegelijk breekbare taal, een lied van pijnlijk verlangen naar de onbereikbare liefde, in de meest ruime zin van het woord.

Zijn vrouwen zijn het er allemaal over eens, dat niemand echt helemaal tot in de kern door kon dringen. ‘Een mysterieuze man’ zo omschreef Astrid Nijgh hem. Er komen prachtige verhalen los als ze hem uittekenen in het interview. Over wat zijn teksten met de zangers deden. Iemand zei daarover: ‘Je zit er middenin. Je bent de camera van zijn verhaal’, ‘De werkelijkheid en de droom liepen paralel’. Hij vroeg zich tegenover Boudewijn ooit af: ‘Heb ik mijn teksten beleefd of leid ik mijn leven’. Het is geen opbeurend verhaal, triest om te zien hoe moeizaam een periode het schrijven ging en wat dat met hem deed. Hij werd onzeker, keek met ontzag naar andere schrijvers, terwijl hij de beste Nederlandse tekstschrijver was. Vooral in het laatste stuk kwam steeds dezelfde vraag in mijn hoofd op. Kan je leeg geschreven zijn? Boudewijn zegt: ‘Voordat hij dood was, miste ik zijn teksten al’. Aan de andere kant heeft het gemis aan zijn teksten ervoor gezorgd dat de zanger zelf in de wereld van het tekstschrijven is gedoken. Zo werkt dat dus.

Lennaert Nijgh is voor mij de man van mijn jeugd, de jaren zeventig, de poezie van het leven, zijn leven. De moeite meer dan waard.

Uncategorized

Het helpt echt

In de krant de column over de cynische pen van Jeroen van Merwijk door Matthijs van Nieuwkerk. Daar noemde hij een uitdrukking, waar ik de betekenis niet van kende. ‘Des Poedels kern’. En pardoes vloog ik Goethe’s Faust binnen om met de professor mee op te wandelen en zodoende de ware gedaante te leren kennen van de poedel die achter ons aan liep. Het was Mephisto in hoogst eigen persoon. Daar komt de uitdrukking vandaan. Mooi. Dus als je het over ‘des poedels kern’ hebt zeg je in feite dat de ware aard van de zaak boven tafel komt.

Op dit ogenblik is code geel verandert in zonneklaar. Ze staat uitbundig te schijnen en het kleine restje sneeuw vanmorgen, dat nog op de daken en in de goten lag, smolt letterlijk als de gebruikelijke sneeuw voor de zon,, een inkoppertje. Arme lieden die een stormloop veroorzaakt hebben onder de postbezorgers, die allen nog op tijd een arretje voor het kroost moesten brengen.

Het mooist van de sneeuw is wat het losmaakt in de ogen van een kind die het voor het eerst kan aanschouwen. Als het een andere tijd was geweest hadden we vast gisteren in de namiddag een wandeling met het stel gemaakt en dat wonder met eigen ogen kunnen vaststellen. Niets is heerlijker dan een kind te zien die voorzichtig de eerste keer een vlokje laat smelten op het tongetje.

Ik bedenk nu dat ik verzuimd heb om Pluis naar buiten te laten gisterenavond. Twee jaar geleden stapte ze voor het eerst omzichtig met haar pootjes in de witte laag om daarna behoedzaam hoog op de poten haar afdrukken achter zich te laten. Niets aandoenlijker dan kleine voetstappen of de afdruk van poezelige kussentjes in de ongerepte sneeuw. Dat had dit jaar zeker mogelijk geweest. Door de ongereptheid was het best een laagje geworden. Vandaag dan toch de sneuiigheid door de snelheid waarmee dat winterse tafereel was opgelost als een voorbijgegleden droom, een kortstondig geluk. Maar ze kon weer bijgeschreven in de analen. Natuur met haar schilderijenschoon.

Vriendin kon gisteren niet wachten om te jubelen over de op handen zijnde weersverandering. Ze had het bijna naar beneden gekeken en toen het zover was, lukte het van het kleine dunne laagje toch nog een betamelijke sneeuwpop te boetseren met de buurkinderen. Zelfs de heuvel afglijden was bewaarheid geworden. Tijdens het bellen werd haar een potje pindasoep gebracht door een buuf van even verderop. Het voordeel van een kleine en betrokken buurtgemeenschap. Ik kon het ruiken door de telefoon heen en moest denken aan de Leidse Groenoordstraat, de kleien volkswijk achter de Groenoordhallen, waar we in een oud huisje de benedenverdieping wisten te bemachtigen. Toen ik ziek was, werd er ook schuchter aangebeld door een van mijn buurvrouwen, die in onvervalst Leids vertelde dat soep de beste remedie was in geval van nood, waarna ze me achterliet liet met het pannetje en bergen onversneden liefde voor de mensheid. ‘Wie goed doet, goed ontmoet’, vertelde ik vriendinlief met veel meer woorden, maar dat aanvaardde ze tenslotte net als het compliment.

Vanmorgen, met de knie en een stijve schouder, zeker verkeerd gelegen, keek ik Brigitte Kaandorp terug. Wat ik razendknap vind van haar is dat ze met doodnormale gewone ‘voorvalletjes uit een mensenleven’ oeverlooslang kan breien en uitweiden. Vermakelijk, ontroerend, hilarisch soms. Het was een aangenaam verpozen nu de sneeuw onder mijn ogen wegsiepelde en Pluis weliswaar buiten was geweest, maar het nakijken had gehad. De krant belooft nog veel lekkers, dat vandaag genuttigd kan worden. De zwelling is bijna weg, dus het anker, de rust en de zalvende handen, maar vooral die liefde, hebben hun werk goed gedaan. Strooi het met bakken rond vandaag. Het helpt echt.

Uncategorized

Doekje voor het bloeden

Hoera. Pakketje van een boekhandel in Leiden lag in de bus. De wereld is vandaag de dag zoveel dichterbij. Ze dient zich aan zonder dat je op reis moet, in de luie stoel kan blijven zitten of in de ontvankelijke kuil, die dit jaar is ontstaan in de bank, een lievelingsplek.

Een zin slechts was nodig om tot aanschaf van haar werk over te gaan. De dichter Jana Beranová. Haar hele oeuvre was eenvoudig verzameld in ‘Werkboek’ met als ondertitel Bloemlezing 1983-2010.

Zo geraakt kunnen worden door een zin, roept een diep respect op voor deze vrouw, die de wereld betekenisvolle taal bracht. De kracht van het woord. ‘Wie een brug legt naar een ander kan altijd heen en terug’. Zo’n troostrijke gedachte en zo waar. Als ik door blader, vallen meer zinnen uit de bundel met een zelfde diepgang. Deze: ‘Ik leg je in mijn oog en zie door jou de wereld’ en deze: ‘Vleugels vertragen de val’. Een gedichtenbundel moet je proeven. Kleine hapjes, niet te overhaast en bij tijd en wijle stilstaan. Neem de tijd zoals ze komt. Alle zintuigen op scherp, taal kan je ruiken, woorden verbeelden, terwijl de weergaloze klanken van de bij elkaar geschreven regels, door de morgen heen breekt. Met Poes Pluis aan mijn zij. Als kacheltje, nu de thermostaat beneden stil staat bij de gewenste temperatuur, terwijl hier door het raam het rooster de winter binnen sluist. Een aangenaam verpozen.

Gisteren kwam de ene zoon de was brengen en de ander zalvende fysiohanden. Even daarvoor had ik de bloemen in de vaas verzorgd. Dor blad eruit, verlepte rozen vormden een stillleven in de prullebak. Vers water staafde de stelen. De delphinium spreidde fier haar paarsblauwe jurkjes en speelde de koningin van het boeket met een bruidstooi van schilderachtig gipskruid. Ze vieren feest om mijnentwille.

Fysiozoon strijkt liefkozend het vocht uit de knie van zijn moeder weg. Zijn lange vingers, pianohanden die nooit het instrument bespeeld hebben, strelen nu de toon van de verzachting, een ouverture der genezing. Als hij daarna ook nog eens een ingewikkeld patroon aan appeltaart-ankers op mijn knie legt, versmelten opa sportmasseur en de kleinzoon. Aandacht en troost luwde de pijn.

De avond verstreek met aangenaam verpozen in mijn eigenhandig gesmede zitkuil, mails met vraag voor een stukje voor een nieuwsbrief en een mail van mij om de vrijwilliger op te schorten tot de tijd weer daar is van mondkapjes-vrije troostende gastvrouw, een beslissing met pijn in het hart genomen, maar voor nu het beste. Er vallen wat loten af in deze dagen, winterwaardig.

Het nieuwe thema voor de te recenseren boeken is bekend. Ik verklap het nog niet, maar het haakt aan deze tijd waarbij identiteit voorop staat, waarbij leerlingen hun eigen leerontwikkeling beheren, sturen en voeden. Waarin elke leerling zichzelf mag blijven en altijd voeding is voor het teamverband. Iets waar ik een groot voorstander van was en ben. Het is me nooit gelukt om alle leerkrachten zover te krijgen, maar eigenaarschap is nog steeds het hoogste goed als je de persoonlijke ontwikkeling, onderwijs en de vooruitgang tot een succes wil maken. Hetzelfde geldt voor de politiek. Geef er ruimte aan. Regeer eens van onderaf in plaats van het dogmatische ‘Mijn wil is wet’, ook al verbloem je het in zwabberbeleid en een grote grijns of een afgepast antwoord, waar geen speld meer tussen te krijgen is. De sneeuw zal straks vallen, zo zacht en minzaam als dit kabinet gevallen is. Ongerepte sneeuw is een plaatje wat je je een levenlang de winters wenst. Elk gebrek wordt bedekt, zoals poedersuiker de krenten in de oliebol of erger nog. Zelfs de sucade wordt niet tijdig genoeg herkend. Het strijkt glad wat krom is. De sneeuw zo maagdelijk. Een heerlijke kortdurende pret als doekje voor het bloeden.

Uncategorized

En nu schapen tellen

De woelmuizen zijn er weer. Ze knagen gaten in de deuren van het verleden , zodat herinneringen en gedachten er door naar buiten stromen het vrije veld in en onbelemmerd in elkaar overvloeien. Zo zit ik samen met de Wijze in Leiden, driehoog in ons torenkamertje en dan weer brul ik tussen Beatlegordijnen overtuigend mee met Adamo en zijn Tombe la Neige. Het eerste singeltje wat ik destijds kocht. Daarna zie ik een plant vallen juist boven op hetzelfde plaatje en breekt er een stuk uit. Geen nood. Ik kende het al uit mijn hoofd in die tien jaar tijd die er tussen de Beatlegordijnen en de gevallen plant lagen.

Dan ben ik bezig met de make-up voor het optreden met de volksdansgroep en vallen we in een lachstuip bij het draaien van de pony-rol niet van buiten naar binnen maar andersom, die straks onder de Arnemuidens kap uit zal pieken.

Wandelen over het strand met zus en turen naar de zee die een wordt met de lucht. We wachten tot de varende boot samenvalt met de schitteringen van de zon, gevangen in mijn lens neem ik hem voor eeuwig mee, op het netvlies en op een foto. Zus zoekt krabbetjes of daaromtrent en ik schets haar met stramme vingers van de kou, terwijl ik het penseeltje in het zilte water doop, eerder geschept in een schelp en geef vorm door kleur binnen de lijnen.

We lopen door het bos en langszij tussen die hoge verticalen strekt zich een zacht tapijt uit. ‘kom lekker liggen’, roepen ze, ‘het is hier zacht en groen en aangenaam toeven’. Maar we struinen door, de zussen voorop en ik als altijd iets daarachter. Dan verschijnt ineens die zwartkopspecht, dat is een ander bos met donker loofhout, maar onmiskenbaar dat zeldzame paar, vlak bij elkaar waarbij ik er net nog een op de foto heb gevangen.

Ik woel en draai en voel het aangedane been. Het is warm en ik open het raam op een kier. Geen vleermuis te bekennen. Ze winterslapen in de spouwmuren. Af en toe scheurt er een auto door de nacht. Licht in de duisternis.

‘De liefde van de man gaat door de maag’ vertelde men ons vroeger en ik kreeg het grote Libelle-kookboek mee toen ik ging samenwonen. Koken hadden we allang geleerd, van jongs af aan meehelpen in de keuken. Anders dan het meisje dat een kamer lager woonde in dat nieuwe huis en niet wist wat ze met een blik doperwten aan moest. Met ogen als schoteltjes heb ik haar aangestaard. Ze meende het.

De jongen met het haar tot op zijn borst, stroblond, zat in de henna en viel in slaap. Peentjesoranje schrok hij wakker en vloog ik door naar de volgende tijdsspanne. Luxemburg met de rugzakken, ook oranje, daarom misschien. Het kleine tentje, de lange indiajurk, de indiaslippers, de rinkelende banden om enkel en om pols, de vrijheid van het reizen en de vrijheid van het zijn. Aan de oever van de beek de hitte temmen met het waden door de koelte, kleine zilveren visjes schoten uiteen lang voordat het knabbelen aan tenen tot schoonheidswonder was uitgeroepen.

Het mediteren gebeurde vroeger onder de bomen, aan het strand, in een museum, waar de Grauballe-man, zwart van leerlooien huid zijn opgetrokken knie vasthield, het hoofd afgewend, opgeduikeld uit het veen bij Aarhus. ‘Soppa’ was geen soep maar saus. We ondervonden het, terwijl we voor de kleine legertent zonder grondzeil probeerden te overleven. Zeeën vol kwallen en verhalende kastelen.

Dolend in de keuken van het grote huis, waar de oudste op de zolder lag en het in de de winter zo koud was, dat we naar één kamer moesten verkassen met een elektrisch kacheltje, terwijl de luiers als stijve staketsels treurigheid uitstraalden aan het rek aan het Franse balkon. Maar het denken flitst zonder pauze door naar de aankondiging dat het een tweeling was, waarop we het met moorkoppen gingen vieren, terwijl Carole King trouwe vriendschap bezong.

Vriendelijk maar beleefd verzoek ik de kleine knaagvraten weer terug te gaan naar hun eigen krochten, ik wil slapen. Gehoorzaam zijn ze pas als ik beloof het op te schrijven, waarvan akte. En nu schapen tellen.

Uncategorized

Een pleister op de wonde

Het werd een tweede dag van koest houden en lanterfanten. Het Ajaxlogo op Kluivert zijn borst was niet naar het zin. Dankbare verf die het euvel laat verdwijnen. Zodra het droog is een nieuwe poging, maar eerst even droog oefenen op het logo zelf met stift op zwart papier. Ingenieus lijnenspel om de hellebaard te verkrijgen.

Een mens moet wat als ze veroordeeld is tot de bank. Fysio vertelde maandag dat er meer rust nodig was om het vocht uit de knapknie te krijgen. Verantwoord bewegen. Geen wandelingetje naar de winkel, want vier trappen af, auto in, gassen en remmen, winkel doorstrompelen en daarna weer vier trappen op, was teveel van het goede. Tuin al helemaal een ontoegankelijk gebied. Dan maar genieten van het allerkleinste om me heen.

Die nacht had de Amaryllis van zuslief stiekem haar rokken extra opgeschud. Aan de korte stelen ontsprongen maar liefst vijf bloemen. Ze was een beetje gedeformeerd door haar gedrongenheid, maar in de zon een vlammende vreugde, een echte aandachttrekster.

Natuur dacht: ‘Wat binnen kan, kan buiten beter’ en schoof over het blauwe veld een watten wolkendek. Alsof de hemel om haar as naar beneden was geschoven. ‘Ik vlieg op mijn kop boven de wolken’ bedacht ik me en glimlachte bij dat beeld op het netvlies. Je hoeft niet ver te reizen om tot existentiële vragen te komen. De kleine Prins was dichterbij dan men denken zou. De amaryllis schudde haar blad en snoefde: ‘Uitslover’.

Tijd voor een rondje koken dwars door de kast. Eigenlijk was januari bij uitstek geschikt om daar mee bezig te zijn. Gisteren had ik de gekregen artisjok van zoonlief soldaat gemaakt. Waarachtig genieten, want luxe op het bord. Maar vandaag had ik de koelkast beloofd een eind te maken aan de volle groentenla, verzameld in de tijd dat zoonlief hier in huis bivakkeerde. Dat werd een uiensoep uit de krant van dinsdag en een prutje met de overgebleven Zaalouk, waar ui, champignon, tomaat en doperwt voor extra smaak zorgden.

Het stond nog op een laag vuur te pruttelen toen de bel ging. Daar kwam over de galerij de kleine dribbel aangerend, ‘Oma’, dikke knuffel om de knieën. Dochterlief er bedaard achter aan. Heerlijke Rooibos met honing, goud in de theeglazen en babbelen, terwijl Dribbel probeerde zicht te vermaken met de doos autootjes en tegelijkertijd er alles aan deed om de aandacht te trekken van die twee koutende vrouwen. Crackers leidden even af, maar het werd hem toch te bar. Dan maar, ondeugende blik in de ogen, met de autootjes gooien. Op een vermanende blik kwam protest. Twee armpjes over elkaar, boze wenkbrauwen en een rondje om de zuil in de kamer. Om vervolgens weer enthousiast thee mee te slempen. Lief en leed in hoog tempo, maar ook hier was het ‘Aandacht, aandacht, geef mij aandacht’. Duidelijk. Vandaag was het ‘De dag van de Aandacht’. Voor mij graag, want een beetje zielig, voor de schone kunsten van de natuur, voor vergeten groenten en voor Dribbel en zijn moeder. Een beetje aandacht laat alles groeien.

Een lieve email van een blogvriendin met een uitnodiging om gastblogger te zijn. Geen beter moment dan dit. Het voelde als een warme deken en het hart maakte een sprongetje. Benjamin deed mijn boodschappen en ik zette zijn aardappelen op en verwarmde de oven voor. Om half acht kwam er een verlossende bel. De post had een pakje. Of ik het kon komen halen. Natuurlijk had ik nee moeten zeggen, maar ik was zo blij dat het er eindelijk was. Het zou tussen twee en half vijf komen, maar met deze gekte was het bikkelen voor die arme jongens. De buuf snelde ook naar beneden. Toen hij me zag strompelen, werden zijn wangen rood van schaamte en mompelde hij een excuus. Ik lachte zijn schaamte weg, blij als ik was met de weinige beweging van die dag en met mijn aanwinst. Een nieuwe jas en sjaal, een sjiek geval. Misschien wel te sjiek, maar mooi en lekker wijd, geschikt voor dikke truien. In dagen met minieme aandacht is extra verwennerij een pleister op de wonde.

Uncategorized

Straks, als het leven weer voluit kan gaan

En toen kwam de vraag. In de vooraankondiging dat het nogal impact zou hebben, schoof het laadje met duizend gedachten open en vlogen ze in een razend tempo langs me heen. Maar geen raakte aan de inhoud van de vraag zelf. Die luidde: ‘Zou je…..nog willen invallen???‘ Op het zelfde moment sprong de schuif met de ontelbare schoolparels los en tolden al die heerlijke momenten van voorheen als een draaikolk in mijn hoofd. Het koste geen moeite om de passende beelden erbij te halen.

Een picknick op het rode en blauwe kleed op een zonnige zomerdag in de schaduw van de lindeboom . Het vreedzame gekeuvel en de verhalen om me heen.

De zee onder de trap waar tante kwal woonde, tussen de tropische vissen, die door de kinderen waren gemaakt en die Tralala-tralali de paradijsvogel met een bezoek zou vereren. Moeiteloos schakelen tussen bos, lucht en zee.

Een heen en weerloop op de speelplaats een rechte lange lijn in het midden, verticaal om ze te leren wat een tegenligger was. Eerst had ik met de groep eindeloos langs de weg gestaan op de hoek om tegenliggers te bestuderen en spontaan toe te juichen. Daarna onder grote hilariteit de bevindingen in de praktijk gebracht.

Een stok in de emmer op het plein vlak bij het hek met de struiken. Bovenop het topje zat een gevangen kruisspin. Een verlengsnoer was uitgerold, de ventilator werd aangesloten en de harde wind, zo verkregen, zorgde voor het weven van een lange draad. De kinderen met de loep erom heen om alles goed te kunnen observeren. een vernuftigd staaltje natuur

Een hoofdstuk lezen uit de Gorgels, alle rode konen van de spanning in de ogen op mij gericht. Dat spannende avontuur, die rare wezentjes en dan die enge griezelige Groenlandse Brutelaars. Ze werden allemaal stuk voor stuk Melle of zijn gorgel. Het werd vastgelegd in de tekeningen daarna in de portfolio’s, de teksten die ze erbij verzonnen naarstig door mij eronder geschreven.

Het liedje van de Gruffalo, dat zo spannend was omdat we er zware bassen en rollende ogen onderlegden. Geen genoeg konden ze ervan krijgen. ‘Nog-eens-en-weer-gebedel’. Of de tranen die vloeiden bij het lied van de muis:‘Ik ben zo grijs ik ben zo grauw, hoe kan dat nou’. roerend gezongen door Hakim.

Met de hele groep de gang door van de school op zoek naar rioolbuizen en afvoerpijpen. Op de tenen langs de groepen van de midden en bovenbouw en in iedere wc gesmoord gejuich, weer een gevonden, zelfs de grote buizen van de verwarmingsketel mochten meedoen.

Liesje Herfstbriesje

Het maken van de film van het afscheid van Liesje Herfstbriesje na een groot avontuur die terug zou vliegen in een luchtballon naar de grote wolk waar ze woonde bij haar broers de Noorder-, Zuider- Ooster- en-Westenwind, met Sjaan Orkaan. Ik balancerend op het bankje onder de Lindeboom, terwijl de stagiaire filmde, zwaaiend met de ene hand denkbeeldig naar boven. In de andere hand de stok waaraan een papieren luchtballon hing met in het mandje Liesje Herfstbriesje. ‘Dag kinderen, dag lieverds’.Ademloos bekeken ze de film en niemand zag dat stukje stok, dat per ongeluk meegefilmd was. Het geheim van de kracht van het verhaal zat hem in het meespelen. Iets wat ze haarfijn in de vingers hadden, stuk voor stuk.

Zonder de wisselwerking tussen de kinderen en ons zou het nooit tot die grote beleving komen. Zij waren de voeding voor het maken van nieuwe parels, telkens weer. Niet zelden vloeide uit het ene project een ander voort door vraagstellingen en nieuwe ideeën. Ze waren altijd in voor een experiment, een onderzoek of een nieuwe uitdaging. Wat we ook deden het werd een succes, niet op de laatste plaats door hun inzet en het enthousiasme, hun individuele eigenschappen die elkaar zo goed aanvulden. Dat was de kracht waarmee de groep haar saamhorigheid smeedde, maar ook door elkaar te accepteren zoals men was, zodat ieder zichzelf mocht zijn. School komt regelmatig terug, verweven in de dromen en in mijn mijmeringen.

Het laadje kon dicht, het was even goed toeven. Vriendinlief die de vraag had gesteld kwam ook al gauw met het vermeende antwoord. ‘Of is dat echt veuls te risicovol, ik vermoed dat laatste…’ Inderdaad, dat laatste. Hoe graag ik het ook zou willen en de verleiding in deze stilgevallen tijd groot is, maar ook en vooral omdat ze op een school werkt waar de sfeer van mijn oude school voelbaar is. Met pijn in het hart was het antwoord ‘Nee’. Straks als de inentingen er zijn, dan kan ik wel weer gastlessen geven, opleven, nieuwe inspiratie opdoen. De famtasie moet geprikkeld blijven worden, de verwondering gevoed. Straks, als het leven weer voluit kan gaan.