Door het open raam waait een zwoel windje. De sering ervoor ritselt met haar bladeren de zoete lente. De jonge pup van twee huizen verder blaft zijn kleine longen uit zijn lijfje en de haan krijgt geen genoeg van zijn eigen gekraai dat prompt beantwoord wordt door een haan ergens achter in de straat. Het geluid draagt ver. Lief heeft net koffie gebracht en verhaalt opgetogen van de kraagroos die hij heeft gevonden achter op het veld. Er groeien veel wonderen op onverwachte plekken. Om te koesteren, dit soort momenten.
In afwachting van het nieuwe bed, dat maar niet komt, hebben we gisteren op de opklapbedjes de dikke matras van boven gelegd en ik heb als een prinses geslapen. Nee, niet op de erwt, integendeel. Eindelijk geen ongemakkelijke spiralen in mijn vel. Zo hou ik het nog wel een tijdje uit.
Vandaag is dochterlief jarig. Het toeval wil dat in deze heuglijke herinnering mijn lieve vriend, hier op bezoek op het moment, ook een rol speelde. Hij was erbij toen ik weeën kreeg en hij en zijn vrouw zouden samen blijven slapen om de oudste op te vangen, indien nodig. We draaiden Carole King en zongen hard mee om de pijn maar te overschreeuwen. ‘You’ve got a friend’, niets was minder waar op dat ogenblik. Maar moeder natuur zette een streep door de rekening van de thuisbevalling, want dankzij het stilvallen van de weeen moest ik toch naar het ziekenhuis. Daardoor waren we nog blijer met onze lieve oppassers. In de middag op een zonnige Zon- en Pinksterdag werd ons tweede kleine moppie geboren. 30 Mei 1982. Ik zal hem zo gaan vertellen welke heuglijke dag ik gedenk.
Gisteren hadden we nog een wandeltocht in petto voor Lief en de vrienden, de bergen in, iets waar ik absoluut niet aan zou beginnen als bekend ‘blok aan het been’. Bovendien zou ik de top niet eens halen, maar ik had een verkorte versie op vlak terrein in gedachten. Het zou helemaal goed komen. We reden door de immense bossen vlakbij het dorpje Terencsy en kwamen uit bij een instituut voor de bosbouw, waar we aan de voorkant van het weggetje nog een restaurantje wisten temidden van de natuur. Er tegenover stond een klein houten speeltuin van natuurmateriaal. Puberstemmen klaterden echoënd tegen de heuvels op. Er was een of andere kinderopvang neergestreken. We reden iets door tot bij een klein meertje met wat troebel water en ik zwaaide mijn kompanen uit. ‘Dag schatjes, ik overleef het wel en blijf hier wachten’.

Even later zat ik in mijn eentje aan het water en dacht aan wat ik niet meer kon. Maar er was natuurlijk nog veel wat wel kon. Met mijn zware bepakking op de rug in het rode rugzakje, ik had mijn tekenspullen en het hele dikke boek bij me, liep ik richting de andere kant van het meertje over de verlaten begraste weg. Vlinders vlogen me om de oren. Nou, iets lager dan, richting grond en bloemen. Er waren heel veel akkerviooltjes, zo’n lieflijk gebaand pad, tot aan een vervallen gemaal. Daar stapte ik langs en liep door hoge grassen in het oude voetspoor van een tractor richting de spoorlijnbaan van het kleine stoomtreintje dat langs het meer aan de andere kant liep. Als ik die volgde kwam ik helemaal voor aan de grote weg uit, wist ik. Het was prachtig weer, de natuur hield zich stil op het krassen van schorre kikkers na. Het woud aan de overkant lonkte,maar dan moest ik via een smal krakkemikkig houten trappetje er overheen en dan wist ik niet of ik er ook weer uit kon. Even op veilig spelen en de spoorbaan blijven volgen.
Zo liep ik het rondje met gemak en naar volle tevredenheid. Toch bijna drie kilometer. Na op het inmiddels verlaten speelterrein een tekeningetje van de omgeving te hebben gemaakt, reed ik de goegemeente een stukje tegemoet. Maar ze wilden nog even wat kilometers scoren tot aan het restaurant, waar de vriendelijke resolute gerant ons naar binnen dirigeerde en we afsloten met een heerlijke Hongaarse vegetarische gnocchi-schotel en een griesmeelpuddinkje. De juiste beloning op een heerlijke dag.



















Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.