Vanmorgen om negen uur waren we allebei klaar voor de reis. De Verkadeplaatjes gingen nog even op de post, huis aan kant, beide gepikt en gesteven én ‘en route’. Tussen een en twee konden we terecht bij de Hollandse ambassade. Budapest heeft een soort periferique en het is derhalve betrekkelijk eenvoudig om verschillende wijken van het centrum te bereiken. Het Hotel lag aan dezelfde kant als de ambassade, en bleek er maar 8 minuten vandaan. Agaath kon gestald worden op Privé-terrein. Die zouden we niet meer gebruiken. Het OV geeft geen centje pijn in Budapest omdat het, zeker voor senioren, uitstekend geregeld is. Wij zijn ‘Nyugdiás’, wat ‘gepensioneerd’ betekent. Op naar de ambassade en vervolgens naar het hotel.
Dankzij vriendlief die zaterdag even aanwipte, wisten we dat er een gratis parkeerplaats voor een uur bij de Lidl was, anders hadden we een bekeuring moeten riskeren. De parkeermeters zijn zo oud, dat ze welhaast onleesbaar zijn en je kan ermee betalen door de QR te scannen, maar dan moet je een van die vreemde betaalwijzen op je telefoon installeren. Dit bleek een stuk makkelijker.
De ambassade hield pauze, maar het meisje wat ons te woord stond liet ons maar een paar minuten wachten en hielp ons toen toch. Ze had Nederlands gestudeerd. Dat was te merken en een verademing. ‘Tot over tien jaar’, zei het meisje optimistisch. Haha, ze gunt ons veel. Lief kan weer gelimiteerd overal naar toe reizen. Aan de kale muren een staatsieportret van Willem en Maxima, mocht je je eens afvragen of je goed zat, en een plaquette met ‘Je Maintiendrai’, Hollandse gevelhuisjes als wandversiering achter de balie. Gezellig.

Vervolgens waren we natuurlijk twee uur te vroeg bij het hotel. Geen probleem volgens de baliemedewerker, die ons allerhartelijkst ontving. De piano achter in de bar had een pingelaar gevonden, die er lustig op los hamerde en ik moest één oor spitsen om de beste man achter zijn computer te kunnen volgen. Het schijnt dat ik een reservering heb gemaakt, waardoor we de soft drinks, tapbier en huiswijn en de sappen onbeperkt mogen gebruiken. Boffen. Dat was niet bewust gegaan, maar wel zo plezierig. Ontbijt ook besteld en ondertussen bleek de kamer klaar voor gebruik. Wat een genoegen. De entree van het ruim opgezette hotel had een heerlijk ouderwetse grandeur met parket en tegels, Een mooie lichtkoepel, houten lambrisering en pilaren ervoor en overal zitjes.
Onze kamer op de tweede etage heeft een erker met een zitje en kijkt gedeeltelijk uit op een kerktoren en een wandelparkje. Het meubilair is een beetje aangedaan door de tand des tijds maar derhalve wel gemoedelijk. Alles is keurig schoon. We voelen ons thuis.
Voordat we hier naar toe gingen hadden we al uitgestippeld dat de eerste dag in en rond het hotel vertoefd werd en dat we alle energie zouden opladen om morgen het Margit Sziget, het beroemde eiland in de Donau, te gaan bekijken. Al wandelend, want de Hongaarse infrastructuur van de stad munt uit in vele bankjes om te rusten onderweg. Overal waar je komt, zijn die er. Het is een zegen voor mensen zoals ik. Even op adem komen en doorrrrr…Op een dergelijke manier kan ik de wereld aan.
Straks ga ik een stukje lezen. Het boek van Melissa da Costa ‘Als dromen fluisteren’ kan me maar niet bekoren. Ik mis de diepgang. Tijd voor Cécile en Elsa, strijdbare freules, de autobiografie van Elisabeth Leijnse, die allang op de plank ligt te verstoffen. Ze was de winnaar van de Libris Geschiedenis Prijs in 2016. Een ouwetje dus, maar met lovende kritieken, dus dat belooft wat.


















Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.