Uncategorized

En nu schapen tellen

De woelmuizen zijn er weer. Ze knagen gaten in de deuren van het verleden , zodat herinneringen en gedachten er door naar buiten stromen het vrije veld in en onbelemmerd in elkaar overvloeien. Zo zit ik samen met de Wijze in Leiden, driehoog in ons torenkamertje en dan weer brul ik tussen Beatlegordijnen overtuigend mee met Adamo en zijn Tombe la Neige. Het eerste singeltje wat ik destijds kocht. Daarna zie ik een plant vallen juist boven op hetzelfde plaatje en breekt er een stuk uit. Geen nood. Ik kende het al uit mijn hoofd in die tien jaar tijd die er tussen de Beatlegordijnen en de gevallen plant lagen.

Dan ben ik bezig met de make-up voor het optreden met de volksdansgroep en vallen we in een lachstuip bij het draaien van de pony-rol niet van buiten naar binnen maar andersom, die straks onder de Arnemuidens kap uit zal pieken.

Wandelen over het strand met zus en turen naar de zee die een wordt met de lucht. We wachten tot de varende boot samenvalt met de schitteringen van de zon, gevangen in mijn lens neem ik hem voor eeuwig mee, op het netvlies en op een foto. Zus zoekt krabbetjes of daaromtrent en ik schets haar met stramme vingers van de kou, terwijl ik het penseeltje in het zilte water doop, eerder geschept in een schelp en geef vorm door kleur binnen de lijnen.

We lopen door het bos en langszij tussen die hoge verticalen strekt zich een zacht tapijt uit. ‘kom lekker liggen’, roepen ze, ‘het is hier zacht en groen en aangenaam toeven’. Maar we struinen door, de zussen voorop en ik als altijd iets daarachter. Dan verschijnt ineens die zwartkopspecht, dat is een ander bos met donker loofhout, maar onmiskenbaar dat zeldzame paar, vlak bij elkaar waarbij ik er net nog een op de foto heb gevangen.

Ik woel en draai en voel het aangedane been. Het is warm en ik open het raam op een kier. Geen vleermuis te bekennen. Ze winterslapen in de spouwmuren. Af en toe scheurt er een auto door de nacht. Licht in de duisternis.

‘De liefde van de man gaat door de maag’ vertelde men ons vroeger en ik kreeg het grote Libelle-kookboek mee toen ik ging samenwonen. Koken hadden we allang geleerd, van jongs af aan meehelpen in de keuken. Anders dan het meisje dat een kamer lager woonde in dat nieuwe huis en niet wist wat ze met een blik doperwten aan moest. Met ogen als schoteltjes heb ik haar aangestaard. Ze meende het.

De jongen met het haar tot op zijn borst, stroblond, zat in de henna en viel in slaap. Peentjesoranje schrok hij wakker en vloog ik door naar de volgende tijdsspanne. Luxemburg met de rugzakken, ook oranje, daarom misschien. Het kleine tentje, de lange indiajurk, de indiaslippers, de rinkelende banden om enkel en om pols, de vrijheid van het reizen en de vrijheid van het zijn. Aan de oever van de beek de hitte temmen met het waden door de koelte, kleine zilveren visjes schoten uiteen lang voordat het knabbelen aan tenen tot schoonheidswonder was uitgeroepen.

Het mediteren gebeurde vroeger onder de bomen, aan het strand, in een museum, waar de Grauballe-man, zwart van leerlooien huid zijn opgetrokken knie vasthield, het hoofd afgewend, opgeduikeld uit het veen bij Aarhus. ‘Soppa’ was geen soep maar saus. We ondervonden het, terwijl we voor de kleine legertent zonder grondzeil probeerden te overleven. Zeeën vol kwallen en verhalende kastelen.

Dolend in de keuken van het grote huis, waar de oudste op de zolder lag en het in de de winter zo koud was, dat we naar één kamer moesten verkassen met een elektrisch kacheltje, terwijl de luiers als stijve staketsels treurigheid uitstraalden aan het rek aan het Franse balkon. Maar het denken flitst zonder pauze door naar de aankondiging dat het een tweeling was, waarop we het met moorkoppen gingen vieren, terwijl Carole King trouwe vriendschap bezong.

Vriendelijk maar beleefd verzoek ik de kleine knaagvraten weer terug te gaan naar hun eigen krochten, ik wil slapen. Gehoorzaam zijn ze pas als ik beloof het op te schrijven, waarvan akte. En nu schapen tellen.

Uncategorized

Een pleister op de wonde

Het werd een tweede dag van koest houden en lanterfanten. Het Ajaxlogo op Kluivert zijn borst was niet naar het zin. Dankbare verf die het euvel laat verdwijnen. Zodra het droog is een nieuwe poging, maar eerst even droog oefenen op het logo zelf met stift op zwart papier. Ingenieus lijnenspel om de hellebaard te verkrijgen.

Een mens moet wat als ze veroordeeld is tot de bank. Fysio vertelde maandag dat er meer rust nodig was om het vocht uit de knapknie te krijgen. Verantwoord bewegen. Geen wandelingetje naar de winkel, want vier trappen af, auto in, gassen en remmen, winkel doorstrompelen en daarna weer vier trappen op, was teveel van het goede. Tuin al helemaal een ontoegankelijk gebied. Dan maar genieten van het allerkleinste om me heen.

Die nacht had de Amaryllis van zuslief stiekem haar rokken extra opgeschud. Aan de korte stelen ontsprongen maar liefst vijf bloemen. Ze was een beetje gedeformeerd door haar gedrongenheid, maar in de zon een vlammende vreugde, een echte aandachttrekster.

Natuur dacht: ‘Wat binnen kan, kan buiten beter’ en schoof over het blauwe veld een watten wolkendek. Alsof de hemel om haar as naar beneden was geschoven. ‘Ik vlieg op mijn kop boven de wolken’ bedacht ik me en glimlachte bij dat beeld op het netvlies. Je hoeft niet ver te reizen om tot existentiële vragen te komen. De kleine Prins was dichterbij dan men denken zou. De amaryllis schudde haar blad en snoefde: ‘Uitslover’.

Tijd voor een rondje koken dwars door de kast. Eigenlijk was januari bij uitstek geschikt om daar mee bezig te zijn. Gisteren had ik de gekregen artisjok van zoonlief soldaat gemaakt. Waarachtig genieten, want luxe op het bord. Maar vandaag had ik de koelkast beloofd een eind te maken aan de volle groentenla, verzameld in de tijd dat zoonlief hier in huis bivakkeerde. Dat werd een uiensoep uit de krant van dinsdag en een prutje met de overgebleven Zaalouk, waar ui, champignon, tomaat en doperwt voor extra smaak zorgden.

Het stond nog op een laag vuur te pruttelen toen de bel ging. Daar kwam over de galerij de kleine dribbel aangerend, ‘Oma’, dikke knuffel om de knieën. Dochterlief er bedaard achter aan. Heerlijke Rooibos met honing, goud in de theeglazen en babbelen, terwijl Dribbel probeerde zicht te vermaken met de doos autootjes en tegelijkertijd er alles aan deed om de aandacht te trekken van die twee koutende vrouwen. Crackers leidden even af, maar het werd hem toch te bar. Dan maar, ondeugende blik in de ogen, met de autootjes gooien. Op een vermanende blik kwam protest. Twee armpjes over elkaar, boze wenkbrauwen en een rondje om de zuil in de kamer. Om vervolgens weer enthousiast thee mee te slempen. Lief en leed in hoog tempo, maar ook hier was het ‘Aandacht, aandacht, geef mij aandacht’. Duidelijk. Vandaag was het ‘De dag van de Aandacht’. Voor mij graag, want een beetje zielig, voor de schone kunsten van de natuur, voor vergeten groenten en voor Dribbel en zijn moeder. Een beetje aandacht laat alles groeien.

Een lieve email van een blogvriendin met een uitnodiging om gastblogger te zijn. Geen beter moment dan dit. Het voelde als een warme deken en het hart maakte een sprongetje. Benjamin deed mijn boodschappen en ik zette zijn aardappelen op en verwarmde de oven voor. Om half acht kwam er een verlossende bel. De post had een pakje. Of ik het kon komen halen. Natuurlijk had ik nee moeten zeggen, maar ik was zo blij dat het er eindelijk was. Het zou tussen twee en half vijf komen, maar met deze gekte was het bikkelen voor die arme jongens. De buuf snelde ook naar beneden. Toen hij me zag strompelen, werden zijn wangen rood van schaamte en mompelde hij een excuus. Ik lachte zijn schaamte weg, blij als ik was met de weinige beweging van die dag en met mijn aanwinst. Een nieuwe jas en sjaal, een sjiek geval. Misschien wel te sjiek, maar mooi en lekker wijd, geschikt voor dikke truien. In dagen met minieme aandacht is extra verwennerij een pleister op de wonde.

Uncategorized

Straks, als het leven weer voluit kan gaan

En toen kwam de vraag. In de vooraankondiging dat het nogal impact zou hebben, schoof het laadje met duizend gedachten open en vlogen ze in een razend tempo langs me heen. Maar geen raakte aan de inhoud van de vraag zelf. Die luidde: ‘Zou je…..nog willen invallen???‘ Op het zelfde moment sprong de schuif met de ontelbare schoolparels los en tolden al die heerlijke momenten van voorheen als een draaikolk in mijn hoofd. Het koste geen moeite om de passende beelden erbij te halen.

Een picknick op het rode en blauwe kleed op een zonnige zomerdag in de schaduw van de lindeboom . Het vreedzame gekeuvel en de verhalen om me heen.

De zee onder de trap waar tante kwal woonde, tussen de tropische vissen, die door de kinderen waren gemaakt en die Tralala-tralali de paradijsvogel met een bezoek zou vereren. Moeiteloos schakelen tussen bos, lucht en zee.

Een heen en weerloop op de speelplaats een rechte lange lijn in het midden, verticaal om ze te leren wat een tegenligger was. Eerst had ik met de groep eindeloos langs de weg gestaan op de hoek om tegenliggers te bestuderen en spontaan toe te juichen. Daarna onder grote hilariteit de bevindingen in de praktijk gebracht.

Een stok in de emmer op het plein vlak bij het hek met de struiken. Bovenop het topje zat een gevangen kruisspin. Een verlengsnoer was uitgerold, de ventilator werd aangesloten en de harde wind, zo verkregen, zorgde voor het weven van een lange draad. De kinderen met de loep erom heen om alles goed te kunnen observeren. een vernuftigd staaltje natuur

Een hoofdstuk lezen uit de Gorgels, alle rode konen van de spanning in de ogen op mij gericht. Dat spannende avontuur, die rare wezentjes en dan die enge griezelige Groenlandse Brutelaars. Ze werden allemaal stuk voor stuk Melle of zijn gorgel. Het werd vastgelegd in de tekeningen daarna in de portfolio’s, de teksten die ze erbij verzonnen naarstig door mij eronder geschreven.

Het liedje van de Gruffalo, dat zo spannend was omdat we er zware bassen en rollende ogen onderlegden. Geen genoeg konden ze ervan krijgen. ‘Nog-eens-en-weer-gebedel’. Of de tranen die vloeiden bij het lied van de muis:‘Ik ben zo grijs ik ben zo grauw, hoe kan dat nou’. roerend gezongen door Hakim.

Met de hele groep de gang door van de school op zoek naar rioolbuizen en afvoerpijpen. Op de tenen langs de groepen van de midden en bovenbouw en in iedere wc gesmoord gejuich, weer een gevonden, zelfs de grote buizen van de verwarmingsketel mochten meedoen.

Liesje Herfstbriesje

Het maken van de film van het afscheid van Liesje Herfstbriesje na een groot avontuur die terug zou vliegen in een luchtballon naar de grote wolk waar ze woonde bij haar broers de Noorder-, Zuider- Ooster- en-Westenwind, met Sjaan Orkaan. Ik balancerend op het bankje onder de Lindeboom, terwijl de stagiaire filmde, zwaaiend met de ene hand denkbeeldig naar boven. In de andere hand de stok waaraan een papieren luchtballon hing met in het mandje Liesje Herfstbriesje. ‘Dag kinderen, dag lieverds’.Ademloos bekeken ze de film en niemand zag dat stukje stok, dat per ongeluk meegefilmd was. Het geheim van de kracht van het verhaal zat hem in het meespelen. Iets wat ze haarfijn in de vingers hadden, stuk voor stuk.

Zonder de wisselwerking tussen de kinderen en ons zou het nooit tot die grote beleving komen. Zij waren de voeding voor het maken van nieuwe parels, telkens weer. Niet zelden vloeide uit het ene project een ander voort door vraagstellingen en nieuwe ideeën. Ze waren altijd in voor een experiment, een onderzoek of een nieuwe uitdaging. Wat we ook deden het werd een succes, niet op de laatste plaats door hun inzet en het enthousiasme, hun individuele eigenschappen die elkaar zo goed aanvulden. Dat was de kracht waarmee de groep haar saamhorigheid smeedde, maar ook door elkaar te accepteren zoals men was, zodat ieder zichzelf mocht zijn. School komt regelmatig terug, verweven in de dromen en in mijn mijmeringen.

Het laadje kon dicht, het was even goed toeven. Vriendinlief die de vraag had gesteld kwam ook al gauw met het vermeende antwoord. ‘Of is dat echt veuls te risicovol, ik vermoed dat laatste…’ Inderdaad, dat laatste. Hoe graag ik het ook zou willen en de verleiding in deze stilgevallen tijd groot is, maar ook en vooral omdat ze op een school werkt waar de sfeer van mijn oude school voelbaar is. Met pijn in het hart was het antwoord ‘Nee’. Straks als de inentingen er zijn, dan kan ik wel weer gastlessen geven, opleven, nieuwe inspiratie opdoen. De famtasie moet geprikkeld blijven worden, de verwondering gevoed. Straks, als het leven weer voluit kan gaan.

Uncategorized

Een azuurblauwe hemel

Gisteren bij het programma ‘Kruispunt’ kwam het begrip ‘Blubberbrei’ langszij. Francien Oomen, de schrijfster, gaf aan dat dat vooral op haar van toepassing was in de periode van de overgang. Ze vergat dingen, ze was heel twijfelachtig,en heel erg verstrooid. Ze dacht dat ze of een vervroegde Alzheimer of misschien zelfs een herseninfarct had gehad. Ze kwam ook niet meer toe aan schrijven. Ze liep er maandenlang mee rond. Waarop haar door de interviewster de vraag werd gesteld of ze dit dan wel gedeeld had met de mensen in haar omgeving. Daarop vertelde ze dat het een soort overlevingsmechanisme in haar was, om dat niet te doen. Je moest doorbikkelen, groot en sterk blijven en stoer zijn, vooral niet willen toegeven dat je iets niet aankon. Na maanden van paniek en twijfels viel het kwartje. Het was de overgang.

https://www.npostart.nl/kruispunt/11-01-2021/KN_1716260

Vooral dat overlevingsmechanisme herken ik. In zekere zin zijn we daar vanuit huis mee vergroeid. ‘Niet zeuren’, werd ons vaak gezegd. ‘Gewoon doorgaan’. Kinderen konden niet moe zijn. Toen ik een keer van school naar huis werd gestuurd, overduidelijk groen en geel van ellende en ziek, mocht ik direct meehelpen in het huishouden en werd aan een grote bak met aardappels gezet, schilmesje in de knuisten en gaan. Op het moment dat bleek dat ik wel degelijk koorts had(hand op het voorhoofd en in de nek) en te misselijk was, mocht ik naar bed. ‘Maar dan ook daar blijven’ kwam er als waarschuwing achteraan. Teiltje naast het bed en dat was dat. Zoete broodjes werden niet gebakken. Dat was ook onmogelijk in een gezin met elf kinderen.

Hetzelfde hield ik mijn kinderen voor. Ziek was je pas als iets echt niet meer kon. Ondanks mijn verpleegkundige opleiding was ik geen zalvende heelmeester, integendeel. Bagage die ik mee genomen had van thuis. Het betekende ook dat je niet moest klagen. Ook dat was het credo dat door het ouderlijk huis waarde. Niet klagen, maar dragen.

Er was een ontwrichtende periode in het leven, waarbij ik alles steeds dieper wegdrukte. Als je iets negeert, is het er niet. Het werd doorbikkelen, niets delen met de mensen om je heen, mooi weer spelen. Tot ik tenslotte toch ingehaald werd door de ernst van de zaak. Zo ging dat. De jaren van de overgang die volgden, waren tropenjaren. Ik hyperventileerde, had men vastgesteld. Iets wat mij totaal vreemd voorkwam. Toen dat eenmaal in mijn dossier stond, werd alles wat anders was door de hormonale verschuivingen, onder die noemer geschaard. Zie dan maar eens duidelijkheid te krijgen. Veel en veel later werd uiteindelijk de longaandoening ontdekt, waardoor de ademhaling in een vrije val was geraakt.

Francien kwam aan het woord over de overgang, omdat ze een stripboek heeft gemaakt dat heet ‘Oomen stroomt over’. Een dagboek in tekeningen waarbij alle ongemakken op een zeer plastische manier bleken te zijn uitgewerkt. Het hielp met terugwerkende kracht om haar te horen praten. Met name over dat deel van mij, dat alle gebeurtenissen weliswaar had overwonnen, maar zich nog altijd een beetje schuldig voelde over die labiele periode.

Blubberbrein,een prachtige omschrijving voor een wonderlijke tijd, maar met als kroon op de verkwanselde energie, de boot die nu in kalm vaarwater verder kabbelt, op wat kleine ongemakken na. Een hoofd vol witte Magritte-wolken aan een azuurblauwe hemel.

Uncategorized

Galerij van bezielende boeken

Met liefde naar de uitzending van Ruben Terlou gekeken, die in een antal afleveringen op zoek gaat naar Chinezen in het buitenland. Zijn eerste gang was naar Kenia. Alleen al om die boomlange Ruben Chinees te horen spreken, wil ik kijken. Wat klinkt de taal toch fascinerend als er een zware bas onder ligt. Het verbaasde me hoe ze hun plek daar hebben gevonden zonder zich te verdiepen in de gangbare normen en waarden van de Kenianen. Er was een Keniaanse die vloeiend Chinees sprak en zong. Ze was Chinees gaan studeren om de mooie taal en om de karakters waar ze dol op was. Op het podium werd ze een Chinese, vertelde ze. Tussen de waslijnen zong ze een aandoenlijk licht lied. Het intrigeerde Ruben, die er dezelfde passie in herkende. Vreemde gewaarwording, want toen ze begon te zingen, zag ik de metamorfose die ze onderging. In het laatste interview spaarde een man hard om met zijn gezin weer terug te kunnen gaan naar China. Als laatste redmiddel gokte hij, om het geluk in de kaart te spelen en veel geld te winnen. Ik was benieuwd hoe het bedrag dat hij uitgaf opwoog tegen de 250 euro die hij ten slotte won na het laatste spelletje.

https://www.npostart.nl/de-wereld-van-de-chinezen/10-01-2021/VPWON_1296258

De dag valt sombertjes en met veel lawaai binnen. De buren zijn bezig in hun nieuwe huis en op het geluid van de boor schrik ik wakker voor de tweede keer. Later dan gewend. Dan zal ik de slaap nodig gehad hebben. De boekenclub hebben we een maand uitgesteld. Met de verlenging van het thuisblijven is dat een logisch gevolg. Vanmiddag staat er eindelijk de afspraak met de fysiotherapeut. Ben benieuwd wat hij vindt van de vorderingen, die de knie nauwelijks maakt. In het boek Mrs Degas las ik vannacht dat een beperking ook een verrijking kon opleveren. Zo denk ik zelf ook. Het helpt om iets te aanvaarden of te ondergaan. In het geval van de knie heb ik er een beetje moeite mee. Heb het idee, dat ik weinig verder kom door de pijn en de frictie. Knie heeft voor mijn gevoel een olifantenmaat. Waar de pijn zit, wordt het in de beleving groter.

De doeken zijn klaar, de baklijsten stonden al bij dochterlief, maar ze zijn zwaar en onhandig om te sjouwen. Ik dacht eigenlijk dat ze -in elkaar gezet- geleverd zouden worden. Maar niets is minder waar. Volgende week als de randen wat droger zijn kan ik er mee gaan stoeien. Nu eerst koffie en de krant, terwijl Pluis zich net lekker naast me genesteld heeft.

Wie zich ook meer dan genesteld heeft in Rotterdam is Jana Beranová, een van oorsprong Tjechische dichter. De foto bij het interview met Anton Slotboom in de Trouw van vanmorgen toont de kleine dichter midden tussen haar uitpuilende boekenplanken. Ze is voornemens om het huis na haar dood samen met de inboedel na te laten aan een internationaal netwerk van Vluchtelingen en de Rotterdamse stichting Verhalenhuis Belvédère gaat het huis beheren. Ze wil dat het een vluchthuis voor schrijvers wordt na haar dood. Regeren is vooruitzien. In het hele interview komen een paar zinnen van haar voor, als voorbeeld van de zachtheid in haar werk. Ik kende deze dichter niet maar deze dichtregels vielen regelrecht mijn hart binnen:

“Wie een brug legt naar een ander/ kan altijd heen en terug’

en deze: Waar telkens weer bommen vallen/Zijn schuilplaatsen gedachten/En omgekeerd’.

Tijd om de bakens te verleggen en deze dichter toe te voegen aan mijn eigen galerij van bezielende boeken.

Uncategorized

Spoorslags naar Antwerpen

Het Middelheimmuseum in Antwerpen kende ik nog niet. Het had een brug door Ai Wei Wei laten ontwerpen voor het kunstpark. Mijn belangstelling was gewekt. Een mooie boogvormige brug van een Chinese allure uit gerecycled materiaal uit een al bestaand bruggetje. Via de info op de website zag ik dat er twee werken van Berlinde de Bruyckere waren tentoongesteld. In de bijbehorende focuspresentatie ging de kunstenaar dieper in op haar denkproces bij vormgeving van haar werk. Nu het niet mogelijk was om het museum te bezoeken was er deze virtuele rondleiding gemaakt over de kunstenaar zelf en haar achterliggende visie, een kijkje in haar hoofd, zoals ze het zelf noemde. Iets wat tegelijk ook als heel spannend werd ervaren. Er zat nog een wereld aan verbindingen en verbondenheid onder de lagen, die je zo op het oog zag. Vanuit het samenstellen van verschillende onderdelen werd die nieuwe werkelijkheid gecreeërd en daar was haar wastechniek het meest geschikt voor, meer dan polyethyleen of hars..

https://www.middelheimmuseum.be/nl/content/een-kunstwerk-als-een-streling

Op mij hadden haar mensfiguren een bepaalde aantrekkingskracht omdat ze, net als de gruwelijke sprookjes van vroeger, je kunnen laten huiveren of wenen om leed en verdriet, maar ook imponeren door de vormen, die verschillende emoties uitdrukten. Er kwam geen mimiek aan te pas, vaak zelfs geen hoofd of armen en benen. De suggestie wordt louter gewekt door de houding.

Ooit ontdekte ik die schrijnendheid van haar werk in museum de Pont. Daar stond, in een kast, een mensfiguur die van de kijker afgewend was en in de andere identieke kast twee figuren, die troost zochten bij elkaar. Ondanks dat straalden ze een deerniswekkende eenzaamheid uit en hunkering. Twee emoties die vaker terug kwamen in het werk van deze kunstenaar. Een gevoel van onmacht bekroop me.

Daarna kwam ik haar werk overal tegen. in museum De Fundatie de drie roze sculpturen in een zwijgende kring bijeen rond een cirkel. Rauw en deerniswekkend, de vellen hingen erbij, kwetsbaar met hun schlemiele naakte lijven. Of de figuur op een soort brits, ronde rug, het hoofd weggestopt, diep in het opgerolde dek. Nog veel fragieler en kwetsbaarder door zijn kleur.

Ze vertelde in de film een verhaal van vroeger. Haar vader was een slager, maar ook een jager. Als hij thuis kwam van de jacht moest ze de nog warme konijnen, fazanten en duiven op de koude grond in de kelder leggen. Dan huilde ze om de dode iren terwijl haar vader haar vermaande niet te miepen. Haar machteloosheid werd daar voelbaar voor haar. Niet meer bij machte zijn om de dood ongedaaan te maken. Bij het zoeken naar objecten, bijvoorbeeld takken, kon ze haast een verliefdheid voelen en juist dat gevoel wat iets opriep, wilde ze vertalen, zichtbaar maken in haar werk. Om die beelden op te laden naar het verhaal, naar de betekenis ervan. Daarom werkte ze gelaagd.

De twee werken voor het Middelheimmuseum dragen allebei de titel ‘Onschuld kan een hel zijn’. Het ene werk bestaat uit drie reusachtige ‘Goedendags’, Middeleeuwse knotsen met ijzeren punten eraan, die hier in het ‘onschuldige’ bos liggen, maar wel gemaakt worden uit diezelfde ‘onschuldige’ bomen om mensen mee dood te slaan. Het tweede werk zijn drie droogmolens, die volhangen met ouderwetse wollen dekens, waar de waarschuwing in de randen is geborduurd met dezelfde woorden als de titel. Dekens kunnen warm zijn en bescherming bieden, maar ook verstikken en het beeld oproepen van vluchtelingen en daklozen, oorlog en ellende. Hun betekenis is dubbelzinnig.

Toen ik voor haar beelden stond en de emotie toeliet, maakte het een wereld los aan associaties en gevoel. Dat maakte haar werk zo bijzonder. Dit was een extra cadeau middenin het stilvallen van de tijd. Zomaar op een zondagmorgen uit mijn eigen wereld te mogen stappen om in die van Berlinde de Bruyckere toe te treden. De ultieme aanvulling op de beleving. Zodra het weer kan, gaat het spoorslags naar Antwerpen.

Uncategorized

Een veelbelovend nieuw begin

Eindelijk was het vrijdag. Een uitje sinds lang. Een afspraak met vriendinlief om naar haar vesting te komen, ver weg midden tussen de weilanden, was niet tegen dovemansoren gezegd. Ik had alle dagen geteld en versneld omgekekn. Onderweg in de Kleine Blauwe Prins verscheen, ook sinds lang, de zon en buitelden een vlucht kieviten boven het veld. Lente in mijn hoofd ook al sprak de kou het tegen. We wilden wandelen naar de molen, maar helaas werkte de knie niet mee. Na een heerlijk lunch, kaasstengels, geurende broodjes, oude kaas en een hartverwarmende orange jaypur in een ouderwetse rondbuikige theepot, nestelden we ons op de bank.

In vogelvlucht vlogen de levens voorbij in korte anekdotes, wederwaardigheden, perikelen van deze tijd, de aanpak van de scholen, het ongehoorde nieuws uit Washington. Manlief en de twee dochters zaten aan de tafel te werken. Kort daarvoor hadden we uitgebreid de literatuur laten passeren en de vierdelige serie naar het boek van Connie Palmen, I.M. Heerlijke droomvlucht met gelijkgestemden. De jongste zat er bij en was op een hele andere golflengte bezig. Ze kon totaal niet volgen waar het over ging. Zo werkt dat dus. Ze trok zich, na de maaltijd, terug in een eigen wereld met laptop en muziek. Oortjes in en rust aan de tafel. In het atelier van vriendinlief deelden we de moederharten en alles wat daar beroering in kan brengen. Haar dochters op de doeken met de herkenbare toets keken neer op dat alles, verbondenheid tussen twee vrouwen door alle jaren heen.

Vele koppen thee later was het tijd om op te stappen. Corona-luchtkussen en denkbeeldige omarming, ‘Dag dag, tot gauw en zodra het weer kan een dag naar het museum met z’n tweeën’. En weer die zon op mijn pad, waardoor ik besloot van de snelweg weg te blijven en door de vlakke polders terug te rijden. Te zompige bermen beletteen het stilstaan voor een eventuele foto. Registratie in het hoofd dan maar van twee vliegende buizerds, een uil, hoog in een boom, pluizige schapen als vergeelde bolletjes wol in het groen, de gouden gloed op een bomenrij, het drassige chocoladebruin op de akkers. Holland laagland op z’n best.

Zoonlief appte dat hij langs was geweest. Hij had iets voor me en of ik even langs hem wilde rijden. Het geluid van de schuurmachine door de deur heen, dan maar de telefoon laten waarschuwen dat ik beneden stond. Als een witte geest verscheen hij, potsierlijk stond de stevige mondkap op zijn hoofd. Vanachter een reuzenbos bloemen verscheen een grote grijns. In een tas nog wat lekkers voor het weekend. een prachtige artisjok, een avocado en een heerlijke Zaalouk, een auberginepuree van zijn favoriete marktkraam in Amsterdam. Dan zou je ‘m toch spontaan een dikke smakkerd op dat lieve hoofd willen geven, maar ach. Hij ging weer aan het werk en ik mijn weegs.

Thuis ontving ik een appje dat de Buurtbierwinkel het cadeau voor de iepensneller had afgeleverd bij de buren. Fijn. Afstrepen van een steeds leger wordende korte lijst. Veel viel er niet te doen deze dagen. Kranten spellen, een beetje penselen, wat tekenen, heel veel lezen, en af en toe iets op tv. De Baklijsten zijn binnen. Vaart maken met de laatste hand aan de doeken en dan kan dat ook weer worden weggestreept. Het zal gek zijn zonder die twee ‘koppen’ in de kamer, maar dan is er ruimte om iets nieuws te beginnen en dat is ook heel wat waard..

Er ligt rijp op de daken en het grasveld, op de bomen, een dun en wit beslag dat de wereld toch een beetje een winters aanzien geeft en onmiddellijk duikt er een ouderwets kerstlied omhoog. We staan vooor het stalletje thuis en zingen uit volle borst mee. ‘Het hagelt en het sneeuwde en het was er zo koud, de rijm lag op de daken’. Nu overspoelt de nostalgie. Rijm op de daken en dat prachtige lichte grijs in de lucht erboven, dat ik in mijn kleurenbijbel van Kassia ST Clair terugvind als loodwit. Maagdelijke onschuld op de vroege morgen, een veelbelovend nieuw begin.

Uncategorized

Voor eeuwig bewaard

In het boek Mrs Degas vallen we het leven binnen van de oude schilder, die blind is geworden en in een vervallen huis woont, dat binnenkort onder de slopershamer moet. Met de aantekeningen, brieven, rekeningen en schrijfsels waar ze doorheen lopen, hij en de jonge vrouw, die steeds het woord richt tot een mysterieuze derde persoon. Pas ergens veel verder in het verhaal, wordt er een tip van de sluier opgelicht over de herkomst van deze Nomen Nescio.

Bij blind stel je je duisternis voor, maar de oude Degas legt uit dat er juist een overdaad aan licht is, waardoor hij niets meer ziet, twee witte doeken voor zijn ogen. Ik knip de lamp uit, zie het nachtelijke zwart met hier en daar de lichten van een lantaarnpaal. Dan knijp ik de ogen dicht en word overspoeld door een keur aan grijstinten, die zich een voor een los maken en grillige vormen aannemen. Je zou je voor kunnen stellen dat die donkerte rust brengt, maar een verblindend licht juist het tegenovergestelde.

Arthur Japin beschrijft de wandeling, die de schilder vaak maakt in het 9e arrondissement, dat hij op zijn duimpje kent, zodat de weg blind te gaan is. Hij wandelt er met dezelfde onstuimigheid van het ongedurige karakter en alsof hij alles nog kon zien, zonder blindenstok, zonder begeleider. De beelden in zijn hoofd, de geur van de bakker, het versgebakken brood, het gouden craquelé, de broden in de etalage, het oker, wit en grijs worden moeiteloos opgeroepen door zijn beleving. Tot in elke vezel is hij de schilder achter die nietsziende witte schellen voor zijn ogen.

Ik denk terug aan het verhaal ‘Het Meesterwerk’ van Max Velthuys, dat ooit het verhaal was op een sprokkelhorst-avond. Olifant krijgt van de kunstschilder krook een wit doek mee naar huis, waar alles op te zien was wat je maar wilt, zolang je de ogen sluit. Als olifant merkt dat het niet doekgerelateerd is, maar de aanzet is geweest om zijn verbeelding aan te spreken moet hij wel erkennen dat het een meesterwerk is. Soms lijkt een verhaal zo eenvoudig, maar gaat er nog een wereld van betekenis achter schuil. Een goed verstaander heeft maar een half woord nodig.

De grijze kant is olifant, de alpino/witte jas is krook.

Alles wat de oude Degas oproept in zijn herinneringen, geeft de grandeur weer van die tijd. Als hij met zijn geliefde nichtje voor de hoedenwinkel staat, passeren er voorwerpen, die door mij opgezocht moeten worden om te zien wat hij zag. Japin schildert die kleurrijke wereld met woorden en zorgt ervoor dat ik met mijn neus tegen de etalageruit gedrukt sta, net als het nichtje destijds. Wat een rijkdom aan kleuren en stoffen. Het meesterwerk ten voeten uit.

Omdat de schilder steeds slechter ging zien, werden zijn kleuren helderder en feller en ging hij over op chroom en cadmium en meekrap. Volgens een van de critici versterkte het slechte zicht van Degas diens visie, een opmerking waarvoor de schilder zijn huid vol schold, maar in het hart wist, dat het de waarheid was. Soms is tegenslag ook een verrijking.

De verbeelding van Degas, maakte dat de beelden in zijn hoofd meer tot leven kwamen, nu de ogen de werkelijkheid niet meer konden waarnemen. Zonder Japin hadden we ons die voorstelling nooit kunnen maken. Die gelaagdheid brengt een dubbele rijkdom. Door het hele boek heen verklaart de schrijver zijn wat narrige houding aan de hand van het feit dat het leven niet anders is dan de dozen die zij aan het uitzoeken zijn. Zijn weemoed en die strijd om de acceptatie ervan, verwoordt hij op de oude begraafplaats bij de familietombe. Een leven in dozen en doeken, voorgoed voorbij, maar daardoor onsterfelijk en voor eeuwig bewaard.

Uncategorized

Zo spoedig mogelijk

De beelden stroomden binnen. Het Capitool, bolwerk van de natie, werd overlopen door Trumpianen en ergens hoopte mijn hart dat het surrealistisch bedoeld was, maar niets bleek minder waar. Het zorgde voor een nacht vol hazenslaap en wakkerschrikken, checken en weer verder slapen tot de volgende onderbreking.

De nieuwe ‘Zin’, die met de schreeuwende krantenkoppen in de brievenbus lag had als ondertitel ‘De kracht van de hoop en daaronder ‘Alle ballen op 2021’. Wonderlijke aanvulling, al begreep ik wel wat ze ermee bedoelden. Met de gebeurtenissen van gisterenavond was mijn eerste hoop alweer vervlogen, maar dat belemmerde me niet om hoopvol naar het verdere verloop te kijken. Eens moest het toch wel genoeg zijn en was er een reden om in te grijpen, was mijn huis-tuin-en-keuken-theorie. Het somberde buiten. Een mooie lieve brief uit Verweggiestan, die een diepe vriendschap onderstreepte, bracht warmte. Soms zijn het de kleine dingen die het doen.

De kerstboom legde het loodje. Alle versiering liet zich zonder tegenstribbelen in de doos stoppen om weer geduldig te wachten tot het volgend jaar. Ik had net de laatste naalden opgeveegd toen de bel ging en ik stoeien moest om de deur via het nieuwe ingenieuze kastje met verklikker open te krijgen. Kleinzoon grapte dat er een bijzonder pakketje aan de deur stond. Even later was het huis vol met kleinzonen, Dribbeltje voorop in zijn aanstekelijke enthousiasme, zette dochterlief thee en buitelden de kinderen over elkaar heen door het intens vele binnenzitten. Toen de twee zussen op bezoek kwamen, werd vooral de middelste nog baldadiger, alsof hij indruk wilde maken en begon een luidruchtig duw-en-trekspel met Dribbel. Die liet zich niets gezeggen, omdat hij graag zijn eigen bonen dopt.

Steeds wilder werden de schatjes onder de volle aandacht van ons, dus raapte dochterlief de hele mikmak bij elkaar en ging weer op pad. Mijn aha-erlebnis was die van op bezoek gaan met vier kinderen bij deze of gene, wat altijd voor de gebruikelijke reuring zorgde. De zussen wilden voor donker weer thuis zijn en ik bleef achter in een oase van rust met zeeën van tijd. Dan maar een beetje werken aan de doeken voor zoonlief. De kleine klussen, de randen en de achtergrond.

Gisteren kreeg ik in een antwoord op de blog een fijne terugblik op de film ‘Iep!’ naar het boek van Joke van Leeuwen, over het aandoenlijke vogelmeisje Viegeltje. Bij nader onderzoek ontdekte ik vanmorgen dat Viegeltje een Canadees meisje is, Kenadie Jourdin-Bromley, met primordiale dwerggroei, een zeer zeldzame groeistoornis. In de film is ze zeven jaar oud op het moment van opname. Het is een aandoenlijke film. De kleine vliegeltje, een vogel dat lijkt op een meisje, volgens de vinder, en een meisje dat lijkt op een vogel, volgens zijn vrouw, verwezenlijkt de wensen van dit echtpaar en ze beschouwen haar als hun kind. Als Viegeltje de grote trek van de vogels door haar zolderraam ziet, wordt haar eigen verlangen te groot en vliegt ze, na een aantal avonturen, met haar vogelveren-armen met hen mee.

Ik kreeg de link van de trailer opgestuurd om de iep, die er bij mij in de tuin aan moest geloven. In dit verhaal van Joke is Iep! Het geluid dat het wezentje in eerste instantie voortbrengt. Maar het is de liefde voor de natuur, voor de bomen als broedplaats voor de vogels, en het verlangen om al wat groeit te behouden, die er ook in doorklinken. Net als die eigenwijze loot van mijn iep, die ongemerkt was uitgegroeid tot een boom, waar hij niet hoorde te staan. Als enige troost kon ik melden, dat vele andere loten de tuin zouden overnemen zonder optreden, want de iep is een sterke snelgroeier.

Nu zal roodborst op het kale overgebleven stammetje zitten en haar rijk van grillige takkenbossen bezien, waar ze liever in rondhipt dan in de boom zelf. Laag bij de grond, mijn gevederde vriendin, daar is ze het liefst.

Op zoek naar het boek vind ik wel ‘Een handvol taal’, het boek waar ik gister naar zocht en ‘de genezing van de krekel’ van Toon Tellegen, die somber is. Een gevoel wat, na alle goede raad van de dieren in het bos, uiteindelijk vanzelf weer verdwijnt bij de eerste lentezonnestraal. Een van de adviezen brengt een brede glimlach. ‘Je moet je ‘vergissen”, zegt er een. Dat is voor even de oplossing, omdat Somber zich opkrult in het hoofd van de krekel en in slaap valt.

Als ik ze bij elkaar op de foto zie: Het blad, de krant en de Krekel, valt me de samenhang op van iets waar ik naar verlang. De kracht van de hoop in dat verscheurde land, een depressie die zomaar op een dag bij de eerste zonnestralen verdwijnt door een waarachtig leiderschap. Later, straks, zo spoedig mogelijk.