Uncategorized

Kalmpjes aan, maar gestaag

Wat een druil kan men daar boven verzinnen als grote schoonmaak voor de kerst. Met bakken kwam het gisteren naar beneden. De kleine blauwe prins blies met de ventilator op de hoogste stand, ternauwernood de ruiten schoon. Binnen in die half mistige cocon leidde ik hem door de huilende straten. Het zicht werd extra bemoeilijkt door de weerspiegeling van de lampen in de glimmende plassen op de grond. Treurigheid alom. Een passender cachet voor de sombere onheilstijding van die dag was nauwelijks denkbaar.

Voor het pompoenpittenbrood van de warme bakker voor dochterlief en haar gezin was ik te laat, dan maar anderhalf brood zonnebloempitten van de supermarkt. zwaaiende kinderhandjes aan de deur. Het voordeel van de quarantaine? Nauwelijks was omdat de ganse familie in huispak rondliep. Blij met de verse aanvoer van boodschappen wierpen ze dankbaar kushandjes toe.

Berichten van zoonlief net, bevestigden wat gisteren al doorsijpelde. Positief. Alleen de vrouw des huizes liep nog gesterkt door haar net gezette vaccin, moederend rond. De Benjamin had het zwaar te pakken, hoge koorts, geen stem meer, keelpijn. Bij grote broer leek het meer op griep. Er was een open lijntje met het ziekenhuis voor de kleine. Maar zowel zoonlief als hij zagen er vanmorgen op een filmpje alweer stukken beter uit.

Ze lieten de boodschappen bezorgen. Dus daar hoefde ik niet achter aan. In de spits dan maar op weg naar het tuincentrum, waar zijn tweelingbroer stond te wachten. Hij wilde plantjes voor op het balkon. Voor de veiligheid eigen auto’s, afstand en mondkapjes. Midden in de winter kom je al gauw uit bij de skimmia’s, ze waren er in rood en wit. Ook hadden we twee mooie grote helleborussen uitgezocht. Maar een van de tuindames riep ons terug en informeerde naar de pot, waar de plant in zou gaan. Die was niet diep, dus raadde ze het af, omdat ze geheid dood zouden vriezen. Lief en eerlijk advies. We vonden nog een bijpassende Leucothoe met haar frisrode blad en wat heideachtig spul. Een mooi geheel voor de bakken. Een grote zak aarde erbij en binnen was de buit. Lucht-kusjes en een tot gauw, toch fijn om hem even te zien. Met een skimmia, drie voor de prijs van twee, trok ik met de kleine blauwe huiswaarts, nog een keer storm en regen trotserend.

De nieuwe Mensenkinderen lag in de bus met een ode aan de pas overleden nestor van het Jenaplanonderwijs Kees Both. Bij de boekenrubriek was ik uitgegaan van het thema ‘Helden’. Altijd weer piezelde er een spoortje trots naar binnen bij het zien van mijn werk. Wat fijn om mijn opgedane kennis zo te mogen delen in dit mooie blad vol zinnige filosofie, ethiek, mijmeringen en de verhalen over die bijzondere man, die zijn sporen ruim heeft achtergelaten binnen het Jenaplan.

Ook De Tuinliefhebber en de snoepwinkel Art Supplies waren binnen. Direct was er de verleiding om bloeiende winterstruiken, de hamamelis, de hazelaar, de gele kornoelje of de struikkamperfoelie aan te schaffen. De winterjasmijn was al langer in het vizier. Maar vooral de hamamelis zou het goed doen tegen die donkere haag van de buurman.

Bij het kunstwinkel magazine worden ogen steevast groter dan de portemonnee. Het mag wat kosten zo’n hobby. Heerlijke grote potloodkisten of prachtig en verleidelijk linnen, olieverfkisten in luxueuze uitvoeringen, handige hebbedingetjes en hulpmiddelen, het is er allemaal.

Erasmus is vanuit Engeland inmiddels weer terug in Parijs. Niet dat hij dat verkiest boven de luxe van zijn leven bij de graaf van Mountjoy en zijn sparringpartner Colet, maar hij moet nog altijd zijn bull halen en daarbij heeft hij een nieuwe geldschieter nodig. of het hem lukt zal blijken uit dit traag vorderende verhaal. Traag in de zin van: Langzaam tot je te nemen, want na een bladzijde of twintig zit het hoofd weer vol met de boeiende materie. Kalmpjes aan, maar gestaag.

Uncategorized

Daarna is hij aan de beurt

Wie zich brandt, moet op de blaren zitten. De opgelopen blaren van vandaag vallen reuze mee. Een gat in de dag, een halve ochtend naar de vergallemise en een gebutst brein, dat is alles. Gisteren was ik pas om half elf thuis, na een gewaagde ensemble-avond op zeer gepaste afstand. Verder dan anderhalve meter, om rondvliegende aerosolen niet de kans te geven door de kat op het spek te binden. De grote afzuigers, drie in totaal in het hoge plafond, deden hun werk optimaal. Een koude stroom lucht wapperde langs en nam alles wat onbetamelijk was, mee naar boven, door de ventilatoren naar buiten. Maar dan nog. Gewaagd was het wel. Een opmaat naar de grote winterstilte die vanaf vandaag zal volgen.

Eerst was er de fysiotherapie geweest, waarbij de arme verlegen stagiair zo weinig initiatieven durfde te nemen, dat mij plaatsvervangend het schaamrood naar de kaken steeg om het ontbreken aan de kennis, die ze eigenlijk in vier jaar opgedaan zou moeten hebben. De oefeningen bleken wel de graadmeter van mijn conditie. En knie speelde die ochtend na een jaar weer op, daar moest ze rekening mee houden. Knie, pols, heup waren weerspannige obstakels bij alles wat ze me voorschotelde, terwijl bij het planken het lijf, stijf als een massief stuk hout, niet te liften was.

Bij zus bogen we ons over een Ruhetal van Mendelsohn en de andere pittige stukken, die in grote getale werden toegezonden door de juf. Piano erbij en noot voor noot ontcijferen, de kruizen van de herstellingstekens onderscheiden was lastig met de wat kippige blik, de krieuwelende kluwen aan noten in onvaste stemmen een plek geven, zwoegen en zweten, maar we kwamen best ver.

Achteraf vroegen we of er niet eerst en liever wat eerder toegezonden werk beter uitgespit kon worden. Als antwoord bleek dat onze juf alle koorleden, het merendeel echte leken, tevreden wilde stellen, dus ook die ene sopraan met heel veel ervaring. Ons bescheiden protest is in gang gezet. Ze heeft waarschijnlijk weken de tijd om erover na te denken.

Thuis wachtte de bank en de rondtollende gedachten, die ik met het aanbod op tv even het hoofd boog. Matthijs van Nieuwkerk bij Jinek om over het eclatante succes van ‘Chansons!’ te praten, die voor een herbeleving van dit prachtige genre heeft gezorgd en weg’zappend’ uit politieke praat viel ik midden in de film ‘I don’t wanna dance’. Een film van Flynn von Kleist. Een hartverscheurend verhaal over een jongen en zijn jongere broer, die na twee jaar bij een oom en tante te hebben gewoond, er alles aan doet om zijn moeder de liefde en de waardigheid te gunnen, die ze met de eerdere uithuisplaatsing kwijt was geraakt. Intriest is het om te zien dat de jongen met al zijn liefde toch tenslotte kiest voor een ander bestaan en broerlief met zich meeneemt. Het drama is de hoofdrolspeler, Yfendo van Praag, helaas niet onbekend. Het helpt hem wel om een realistisch beeld te scheppen dat niet in de koude kleren gaat zitten. Het duurde naderhand lang eer de slaap vat kon krijgen op de woelende emoties van het gemoed.

Familie appt, er zijn verwikkelingen met griepachtige verschijnselen, een positieve zelftest en overvolle teststraten. Dat betekent op z’n minst stand-by zijn voor hand en spandiensten als boodschappen aan deurknoppen hangen en dergelijke. Ergens doemt alweer een plan op om het Oma-journaal op te schudden, dat misschien zou kunnen dienen als afleidingsmanoeuvre.

Erasmus ligt me nu al uren lang aan te kijken. Even wachten nog en de boel laten bezinken. Nu weer. En het gemiste begin van de film terugkijken om het hele beeld compleet te krijgen. Daarna is hij aan de beurt.

Uncategorized

Zolang als het duurt

In de tijdgeest van Trouw van 30 oktober staat een artikel van Nicole Lucas over de journalist Dick Wittenberg, die een jaar lang de kinderen van een overleden moeder volgt bij het leeghalen van haar huis en daarover het boek ‘Wat doen we met de spullen’ heeft geschreven.

Het huis blijft achter met haar stille getuigen van een persoonlijk leven. Zonder woorden vertellen ze verhalen, vormen de beeltenis, ademen de moeder, nu ze er niet meer is. In de klerenkast hangt haar odeur tussen de kleding, die tegelijkertijd een oordeel vormt. Welke geur doortrekt de gerangschikte blouses en japonnen, in strak gelid op eenduidige hangers, of slordig, soms binnenstebuiten, soms half afgegleden, of op een hoop over de stoel gegooid. Zijn ze heel, gewassen en gestreken, of hangen ze er compleet met torn en versleten boorden, de mottengaten in de kamizooltjes. Puilt de kast uit. Kousen en ondergoed in een la, de sjaals in een kast. Gepropt of keurig gevouwen of opgerold in handige manden met een stukje zeep ertussen.

Kinderen herkennen haar wel, maar de wereld achter de vele prullaria, bewaardozen, sieradenkistjes, blikken en manden is vaak een ongekende wereld. Daar zitten de kleinoden, die een eigen verhaal vertellen, maar die, als moeder het niet zelf heeft benoemd, nooit meer boven water komen. Of een oude foto tilt een slip op van de herinnering en laat ons mee gluren in aannames, die een eigen vlucht nemen.

Verhalen zweven door de ruimte uit haar dagboeken omhoog. Dagboeken zijn heilig. Daar lees je niet in. Het zijn de diepste gedachten van iemand, toevertrouwd aan het geduldige papier, dat uitnodigend oogt en geborgenheid belooft. ‘Hier ben je veilig’, roepen ze, ‘Zolang je leeft.’ In dit speciale geval kwamen uit haar dagboeken geen echte geheimen of gênante gebeurtenissen. Wat natuurlijk altijd een mogelijkheid zou kunnen zijn, iets wat je niet van te voren weet, hooguit misschien een beetje kan inschatten.

De foto’s geven wel een voyeuristisch gevoel, nu ik kijk naar het ouderwetse plastic mandje dat aan een kastplank kan hangen en nu verweesd op het afgehaalde bed staat. Er zijn opgerolde panties in verzameld. Of de andere afbeeldingen, de schelpen-en stenenverzameling, het plastic over de wintermantel of de ladenkasten met oude voorwerpen uit lang vervlogen tijd, gekoesterd, een stukje verleden bewaard.

Op zolder is een heus altaartje gemaakt met een wiegensluier en een tafel met een bidstoel ervoor. Op de tafel een ouderwets geborduurd kleed met een heilig hartbeeld, twee foto’s van de paus, plastic bloemetjes ervoor in het vaasje en een guirlande van roze zijden roosjes tegen de binten. Ik denk aan mijn oude bidstoel die hier boven wat verweesd staat te zijn tussen andere attributen, een vergaarzolder waardig en voel me plaatsvervangend schuldig. Ooit heeft daar mijn oma op geknield. Moeder gaat in zeven tastbare aandenkens mee met de kinderen en ook van de langer overleden vader gaat iets mee naar huis. In de kale gangen en de lege kamers is er enkel nog het behang op de muur dat na echoot.

In de bejaardentehuizen waar ik ooit werkte, was dat onderdeel altijd een moeizaam iets, juist omdat er snelheid geboden was en de boel leeg moest. De kamer ging naar nieuwe cliënt. Wat neem je mee, wat laat je ophalen door de kringloop. Twee kamers zijn te overzien, maar een heel huis kent zoveel herinneringen, en evenveel hoeken en gaten waarin ze weg kunnen kruipen, zich stil zullen houden. ‘Vergeet mij maar. Ik had het goed hier’.

Er komen er nieuwe bewoners die genadeloos korte metten met ze maken. Behang gaat eraf, muren worden geslecht, puien vervangen, vloeren gelegd, badkamers vernieuwd en het huis krijgt een rigoureuze opknapbeurt. De volgende bewoners zullen zich de ruimte eigen maken met laden en laatjes, blikken, kisten, bewaardozen onder het bed…Een leven lang, of zolang als het duurt.

Uncategorized

Nog 484 bladzijden te gaan

Het eerste deel van de nacht in diepe rust om met een ruk halverwege te ontwaken. Het hoofd nog in de Middeleeuwen was Erasmus en zijn deadline mij vooruit gesneld. Wat een enorme tentakels had dat geloof in zijn tijd toch, dat onderwijs er vooral afhankelijk van was en wat een plezierige bijkomstigheid dat er destijds ook verzet kwam en een hang naar vooruitgang en ontwikkeling in dat doffe woud van regels en gewoonten. Humanisten als Hegius en Valla die een nieuw licht lieten schijnen op de wenselijkheid van het doorbreken van de ‘gewoonte’. Erasmus gaat mee in die nieuwe stroming en richt zich tegen de ‘barbaren’ met hun volkslatijn en Gregoriaanse gezangen, met hun ondoordachte navolging van de kerkelijke riten binnen de Kloostermuren. Hij ontsnapt eraan en trekt als secretaris van de bisschop het wereldse leven in. Daar ben ik gebleven en ik kan niet wachten op de ontwikkelingen, die zich zullen aanbieden.

Slapen met Erasmus en er mee wakker worden, toeven in de middeleeuwen en fysiek in deze roerige tijden staan, heeft een vervreemdend effect en brengt tegelijk de gedachte dat alle onrust nieuw elan met zich mee zal brengen. Dat er een omslag plaats zal vinden en er nieuwe wegen geboden zullen worden. Of is de wens de moeder van mijn gedachte. Waarom speelt ‘Het land van Maas en Waal’ zo nadrukkelijk door mijn hoofd. Boudewijn de Groot zong het jubelend. ‘Het leed is geleden, de horizon schijnt/ wanneer de doden dronken zijn en Pierlala verdwijnt/dan steken we de loftrompet en ook de dikke draak/en eten ‘s avonds zandgebak op het feestje bij Klaas Vaak.’ Als de werkelijkheid de onwerkelijkheid nabij komt, wordt het tijd voor een lied als Maas en Waal, waar een mens zijn eigen positieve energie bij kan opladen om zich schrap te zetten voor wat er nog komen gaat. Vooral die dikke draak klopt er lucht in. Fantasie, het voorstellingsvermogen is in staat om alles op een hoger plan te tillen.

Als antwoord op vele vragen naar aanleiding van de zeeën van tijd om stil te staan, de halve lockdown, het gemis van de fysieke aanwezigheid van de familie, was gisteren al een razendsnelle bezorging van mijn bestelde boeken. ‘Winteren’ van Katherine May en ‘Ik ga leven’ van Lale Gul.

Winteren is een kleinood met haar pakket aan overlevingsstrategieën in de donkere dagen. De omschrijving achterop het boek zegt genoeg: ‘Het proces leren herkennen, begrijpen en zelfs koesteren’. Leren winteren. Leren verdriet toe te laten, leren te aanvaarden, om negatieve energie kwijt te raken en klaar te zijn om opnieuw te zaaien. Het was allemaal alweer geen toeval, dat ik eergisteren uit de vele blogs juist deze ene gekozen had, die er voor zorgde, dat dit specifieke boek nu naast me op de sprei ligt. Ze was nodig om licht te brengen in een vraagstuk dat, via omwegen, een van de laatste dagen binnen was gekomen en waar de nodige wijsheid voor nodig is om het antwoord te kunnen geven. Winteren staat in haar eenvoud boordevol wijsheid en is een boek vol troost en zorgzaamheid voor de lezer. Tijdens zo’n proces, lees de tijd nemen voor jezelf en je verdriet, leg je de oude huid af en maak je je op voor nieuw.

Ik hou ervan te winteren en vooral deze tijd heeft me geleerd er aan toe te geven. Juist omdat het iedereen ergens op je pad, wel eens ten deel valt en we allemaal op een dergelijk punt komen te staan van acceptatie of negeren en doorhollen. De juiste keuze te maken door jezelf de liefde van het helen te gunnen en daar de tijd voor te nemen, kan daarbij dienen als verlichting. Winter overvalt je, maar winteren geeft er handvaten aan en is te leren. Dat alleen al biedt troost.

In deze zelfgekozen stilte zoek ik de roerige Middeleeuwen op. Terug naar het Hof en met Erasmus mee naar zijn groei en loutering om te zien wat hem de toekomst brengen moge. Nog 484 bladzijden te gaan.

Uncategorized

De voortgang en een nieuw begin

De bomen voor het raam hebben de allerlaatste bladeren, dansende vaantjes in de wind, eindelijk losgelaten. Zon zet de boom in een gouden gloed. De groengrijze takken verrijkt. Daar zijn ze weer, de boomklever en de boomkruiper, de mezen en altijd de kauwen, al dan niet alleen het paar. De vergaderingen en bijeenkomsten vinden plaats in de eerste boom, waar de hal van de flat zich bevindt. ‘Mijn’ boom is er vooral voor de onderonsjes, een ontmoetingsplek voor echtparen, koerende houtduiven, verliefde tortels, het wijsgerige kauwenpaar uit de dakgoot. Ze maken er toilet en turen koket naar de gedragingen van de ander. In de winter is het feest in de boom, onbeschaamd valt het te bespieden. De elzenproppen zijn goed voor de aanvullingen op de tuinheerlijkheden en de balkonversnaperingen. Een extra winterse aanvulling. Een beetje kerst al, luxe ten top.

‘Winteren’ heet het boek van Katherine May en ze kwam op mijn pad in juli 2020 door een column van Asha ten Broeke. Zoals vaak had ik notie genomen van dit juweel over het omarmen van de winter als meditatief gegeven, als familiewarmte, als pas op de plaats, als de basis voor het ontkiemen in de lente. Daarna, met een meer dan warme eenzame zomer, was het boek weggezakt naar de vergetelheid, daar waar in de diepte met haar nog veel meer wijsheden en boeken opgeslagen liggen om ooit eens aangeschaft te worden. Vandaag, bij het doorbladeren van mijn blogs, kwam ik de titel nog eens tegen. Samen met het boek van Lale Gül, dat als nieuw te lezen opdracht vanuit ons literatuurclubje op de nominatie staat, heb ik het nu direct besteld. Dat laatste boek had ik zelf nooit uitgekozen, omdat ik huiverig ben voor de schrijfstijl, maar je kunt geen oordeel vellen als je het onderwerp niet kent van binnenuit.

Winteren is in de oorspronkelijke titel ‘Wintering’. Dat is oneindig veel meer dan winteren alleen. Er ligt mijmering, bezinning , inkeer en meditatie aan ten grondslag. ‘Wintering’ is letterlijk vertaald ‘ Overwintering’. Door de toevoeging ‘over’ schiet het in betekenis tekort. Dan neemt winterslaap bezit van het woord en overleven. Omarmen is zoveel meer. Het is ruimte bieden. De deur open zetten en gastvrij de winter met al haar eigenschappen uitnodigen binnen te komen, zich te koesteren aan de warmte, nu het buiten koud en guur is. Het is een invitatie om de avonden te delen met een goed boek, een wijs gedicht, kaarslicht, overpeinzing, contemplatie, te delen met inkeren en tijd bedden.

De quote uit de blog van juli 2020 is uitgesproken en een soort van protest tegen de uitspraak van de columniste, die ons vertelt dat we het niet meer onder de knie hebben, dat inkeren. Met verve hou ik een pleidooi voor ieder in mijn omgeving, die dat juist wel goed kan en zeker ten tijde van de eerste lockdown: ‘Er zijn vrienden en vriendinnen onder de mijne en ikzelf, die juist wel aan zichzelf denken en voor zichzelf zorgen. We weten dat de winterperiode een moment is van zelfzorg en onderduiken. We cocoonen de winter door en zijn zielstevreden. Even geen mensen, even geen meningen, even helemaal niets. Het virus zorgde dit jaar voor een soort kunstmatige winter vind Asha, maar ik heb zo intens de lente beleefd, dat ik die gedachte niet met haar kan delen. Het was de basis voor een flinke zelfreflectie en ik weet zeker dat dat anderen ook overkomen is, doordat de hectiek van het dagelijkse leven letterlijk stil viel. Angst waarde rond, cijfers en feiten, gissingen en meningen werden uitgewrongen in de kranten, maar de lucht was blauw en schoon, de rust weldadig, de vogels alom aanwezig en de bloemen en het groen weliger. De eenzaamheid zorgde juist voor een intense beleving van dit alles. Verdriet, angst, verlangen kregen een plek door er over te schrijven en te mijmeren, geen gaten in mijn wereld, maar een weefsel van draden om het verlies en het treuren om al die mensen die het zwaar hadden, in te bedden en op te vangen.‘ Het bleek een gechargeerde opvatting in een moeilijke periode van haar leven, waarbij ze het gevoel had door de gaten van de wereld te vallen. Het was geen wonder zich zo te voelen.

Ook May heeft een reden om de winter op die manier door te brengen.  ‘Laat mij alleen maar even mijn wortels zijn, dan kom ik later wel weer bloeien’. Dat en niets minder is de natuur ten voeten uit. Dichterbij kunnen we niet komen. Winterliefde, het leven onder het verdorde land, een deken van warmte door de verblindende sneeuw en straks, zoals altijd, de zekerheid van het ontwaken, de voortgang en een nieuw begin.

Uncategorized

Pas dan weet je waarover te klagen valt

Plukken blauw in de lucht, afgewisseld met slierten wit en grijs. De vraag van mij aan de quarantaineliefjes, is er nog behoefte aan aanvullende voorraad. Prompt volgt er een lijstje met een aantal ‘O ja’s’ er achteraan. O ja, ook nog kaas en O ja, ook nog…Als het dat is, ga ik eerst op pad om alles te verzamelen. Het brengt getalm en gedub met zich mee. Nee, deze kaas lijkt me klein voor een gezin toch, voor mij alleen is het groot genoeg. De biologische eieren waarschijnlijk. Speculaaskruiden. Waar zijn die te vinden. Bij de kruiden of bij het meel en de vanillesuiker. De wereld van de supermarkt weer als ontginnend terrein. Prijzen zien, waar je nooit op let, omdat je die middelen zelf niet gebruikt. Dochterlief en de kleine filosoof staan al aan de deur, met een vinger op de lippen. Stttt, de kleine meid slaapt. Boodschappen op het bankje voor het raam gezet, zwaaien naar de bleke betjes bij de deur. Dag lieverds.

Op de tuin spreek ik een van de tuinders van over de sloot. Hij heeft net een infarct achter de rug en twee stents gekregen. Het werd ontdekt dankzij zijn eigen vasthoudendheid. Een zeer herkenbare situatie. Het schept een band. Er hangt een sombere lucht boven de sloot. Af en toe miezert het fijne motregen. Als een milde schoonheidsdouche voor de huid van het gelaat. Bril in de mist, want ze beslaat.

Langs de tuin van dochterlief en langs de achterkant van het complex door naar mijn tuin. Mijn lieve trouwe atelier staat kaal en fier te wachten, veel bloei is al in winterslaap, maar toch zijn er altijd de dappere laatbloeiers, die onverdroten door bikkelen. Volgende week wordt het kouder en verwacht men de eerste vorst. Maar de helleborus staat fier in knop. De grote tros met bloemen opgeheven. Het is de eerste keer dat ze weelderig de winter inzet.

Half achter de moerbei verscholen ontdek ik een gewone witte smeerwortel, prachtig in bloei en laat voor haar doen. Tuin zit vol verrassingen. De Vlaamse Gaai vliegt verschrikt op en verdwijnt in vlucht de sloot over. Merel pikt hier en daar wat in het gras. Op de voederplaats van de ouwe dartelen pimpel-en koolmezen een uitgelaten gebed bij elkaar, dankbaar voor de snoeren pinda’s, een overvloed aan wintervoer.

De eerste wilgknot wordt ingezet. In eigen tempo, met rustpauzes ertussen. Wilg en brandnetel, dat wat nog rest van de laatste, zijn de pineut. Maar verder dan één en een beetje, behalve de dikke takken, die anderen eruit moeten zagen, kom ik niet. Minder moe dan vorige week, minder hoesten ook, daar in het vrije veld op deze rookvrije zaterdag. Mondjesmaat vooruitgang. Het logboek kan bijgeschreven en dan is het tijd om te gaan. Het miezeren zet er inmiddels een tandje bij. De deur gaat dicht, de grendel ervoor, dag lieve tuin.

Thuis mis ik aanvankelijk sterren op het doek, maar kijk het terug. Als ik naar bed wil, start de VPRO een film, ‘Capharnäum’ geregisseerd door Nadine Labaki. Door de aandoenlijke jonge Zaïre blijf ik in starthouding om te gaan, nog even zitten. Gevaarlijk, want ineens grijpt de film me volledig bij de kladden en kan ik me niet meer los scheuren. Als je denkt te moeten klagen, dan is de remedie deze film. Kijk naar de arme Zaïre die zijn ouders aanklaagt, omdat ze hem op de wereld hebben gezet en bezie de rauwe werkelijkheid van de armen in Beiroet. Pas dan weet je waar over te klagen valt.

Uncategorized

De volgende dag

Met een been in wat ooit was en het andere in wat nog komen gaat, banen we ons een weg door alle herinneringen heen. Zo verschrikkelijk veel overtuigend bewijs van de voorbije tijd is te vinden in de afbeeldingen. Bij iedere foto proef ik onmiddellijk de sfeer, de geur, de onzichtbare werkelijkheid er omheen. Het wie, wanneer, waar en hoe stijgt bij elke foto op om moeiteloos gescreend te worden. Wat moeten we ermee.

Mijn schoolverleden, de kinderen, mijn werk in de kringloop, alle vakanties trekken voorbij. Frankrijk, Italië, Portugal, Washington, New York, Bulgarije, Hongarije. Mijn jeugdboeken zijn nog boven, omdat zoonlief vooral de gedeelde tijd met zijn vader zoekt. Zijn eigen jeugd, zijn eigen gedeelde leven. Er worden verhalen uitgewisseld, anekdotes verteld, sommige foto’s krijgen meerwaarde, andere minder. Er wordt gelachen om wat destijds hoog modisch was en nu hopeloos ouderwets, maar overal spreekt liefde uit, een warme band, een hecht gezin. Bijzonder, bedenk ik, en praktisch gezien, bij al die foto’s hield mijn hand de camera vast.

Niet bij een mapje, waar afbeeldingen te zien zijn van het ouderlijk huis van zijn vader, het kind met het ravenzwarte haar en de grote voortanden, de fonkelende kooloogjes, zijn moeder en vader, de broers en zussen in zwijgend zwart/wit of sepia. Documenten van een tijdspanne, die ik moeiteloos kan opdiepen, maar voor de anderen een gissen en een puzzel wordt. Kijk, oma zonder rimpels, opa met een strenge blik en opoe, de oma van zijn vader met het ronde gezicht. De kerk, het oude huis, een John Lennon look-alike (de oudste broer van zijn vader). De locatie is ook aan inspectie onderhevig.

Het is net als met mijn bewaarwoede, er worden dingen tussenuit geplukt, soms foto’s van foto’s genomen om te digitaliseren voor de anderen en veel blijft gewoon op hun oude plek. De babyfoto’s gaan mee en nog wat speldenprikken uit een tijdperk, zodat voor hemzelf een duidelijk beeld ontstaat. We missen nog wat foto’s die vast in de laatste bak zitten, maar verstijfd en vermoeid zijn we en breien een eind aan de sessie. Als de jongste zoon met vriendin erbij komt, bekijkt hij zijn jeugdboek. De enige die ik direct na de geboorte heb bijgehouden. De anderen hebben een fotoboek of anderszins ooit meegekregen, geschoeid op mijn herinneringen.

Hoe waardevol de verhalen zijn, hoe verhelderend soms, hoe wenselijk ook. Ik had Japanse Ramen gepland, maar ze moeten de kleine ophalen. Als ze met een tas vol naar huis zijn en de jongste met mijn schone dochter naar zijn kamers verdwijnt, peuzel ik een ouderwets in elkaar geflanste aardappelsalade op met ei, augurk en knoflookmayonaise passend in het tijdsgewricht waar het hoofd in verkeerd. Laat de tracks van Zjef de ruimte innemen. De warme stem in mijmering verzonken. Verlangen, hunkering, berouw en spijt, liefde en vertrouwen worden moeiteloos door de kleinkunstenaar ingevuld. Ik dein mee en verlang eveneens naar een deel van de geestelijke rust ondanks de kinder-hectiek uit die dagen.

Ik mijmer over het verhaal van opa Sterretje, dat ik vorig jaar schreef en bedenk hoe het bewaarheid is, als zoonlief appt dat de kleine een ballon heeft opgelaten voor haar onzichtbare opa, die echt heeft bestaan. André Hazes sleept in gedachten voorbij. ‘Ik schrijf hier een brief aan mijn moeder, die hoog in de hemel is’. Het ontlokt een glimlach. Er mag nu wel een gros aan brieven achteraan gestuurd worden, zo druk is het er nu. Ik hoop dat ze allemaal kunnen duizelen als opa Sterretje en in de dromen van de kinderen en alle acht kleinkinderen met regelmaat nieuwe levenservaringen door zullen laten sijpelen. Mondjesmaat, behapbaar om bij dageraad iets te herkennen van wat ‘s nachts ingefluisterd is.

De ramen bewaar ik voor de volgende dag.

Uncategorized

De moeder van de porseleinkast

Een webinar over de aanleg van de tuin gisterenavond nodigde uit tot kaarslicht, fonkelbruine rooibos, schetsboek en stiften. De kleurpotloden lagen boven. In de gauwigheid had ik alvast een plattegrond gemaakt van hoe de tuin nu was en opgekrabbeld welke planten en bloemen tot mijn lievelingen behoorden. De tuinontwerpster had een zeer bruikbare tip, tussen alle informatie die eigenlijk al bekend was. Zorg dat je denkt in tuinkamers. Dat zijn de hoekjes, waar je graag lang en knus toeven wil, met de geborgenheid van een afscheiding, geurende bloeiers, een dak boven je hoofd, door middel van de bomen bijvoorbeeld. Verzin een natuurlijk hek, vlecht je onzichtbaar met behulp van de kale wilgentakken en zet er een makkelijke stoel neer.

Het beeld ontspon zich met het grootste gemak. Ik wist het wel. De pierige perenboom moest eruit, de stoelen kon ik opknappen door een rugleuning van nieuwe webbing te voorzien. En ik moest af van de grote bedden, maar kleine hoeken gaan creëren, misschien ook een gedeelte van het gras offeren. Dochterlief had eveneens meegedaan en we zouden er samen eens goed voor gaan zitten. Samen stonden we sterk. Geen speld meer tussen te krijgen.

Een ander, nogal onthutsend bericht. Een van de kleinkinderen heeft COVID. De groep op school was in quarantaine door een besmette juf en bij de test op de laatste dag werd dit de uitslag. Een domper met het gevolg dat het hele gezin in quarantaine is. Op de scholen is het hommeles. Vriendinlief heeft net twee groepen naar huis moeten sturen en op de school van dochterlief vallen ook groepen, kinderen en leerkrachten om.

Vanmorgen zag ik voor het eerst sinds lang weer prachtige zalmkleurige ijle slierten in de lucht. Een van mijn geliefde bloggers refereerde op het ontwaken van gisteren en de beschrijving van het ochtendlicht aan ‘De Zotte Morgen’ van Zjef van Uytsel. Het toeval wil dat manlief en ik deze geliefde Vlaamse zanger grijs gedraaid hebben in het nog grijzere verleden. Morgen viert hij zijn verjaarsfeest op een ster, een wolk of in een adelaarsnest. Normaal zouden we naar het strand getogen zijn, om onze wensen en het gemis in het zand neer te schrijven en mee te laten nemen door de ruisende zee, maar in deze omstandigheden was dat niet mogelijk.

Schoondochter kwam de kleine Blauwe terugbrengen na de fotoshoot en herinnerde mij eraan, dat zij met kleindochter en zoonlief morgen foto’s komen uitzoeken, vanwege het fotoboek dat er voor de oudste zoon, als bijna enige, nog niet van gekomen is. Dan maar met Zjefke, die met zijn omfloerste stem de ruimte zal vullen en meezingen met een lach en een traan. Dan wordt het toch nog een memorabele dag.

Vandaag zal ik scannend het boek uitlezen, dat voor vanavond op de nominatie staat om besproken te worden. Er is niet door te komen. Het ligt kennelijk aan mij, want de recensies zijn stuk voor stuk lovend, maar haar schrijfstijl is niet de mijne. Ellenlange draken van zinnen, die ervoor zorgen, dat ik al zware oogleden krijg na een halve bladzijde. Via zoom volg ik de meeting. Voorzichtigheid is de moeder van de porseleinkast.

Uncategorized

Een ragfijn filigrein

Gisteren schreef ik een paar dijken van fouten in de mijmeringen. Gelukkig is er een bevlogen engel, die me daarover subtiel op de hoogte brengt. De oorzaak? Niet geconcentreerd genoeg, teveel gedachten die zich roeren, of het late tijdstip op de dag, waardoor ik sneller wil schrijven. Dus was er vandaag het voornemen om met het krieken van de dag, zoals het gemijmer eigenlijk is ontstaan, te beginnen. Nu is het nog donker en trekken de auto’s met hun koplampen lange brede lichtstroken op het plafond, die naar achteren flitsen. Het huis ademt diepe rust en dromenland. Pluis is nog niet om brokjes komen bedelen. De stilte is weldadig. Door het terugkijken van programma’s en films was ik dat stukje retraite kwijt. Tijd voor een revisie.

Het streven is om met tien vingers te typen. Het feit dat de pols stijf en pijnlijk blijft, wijt ik aan de berusting. Als ik de pijn niet trotseer, zal het niet vooruit gaan. De onwillige spieren moeten eraan geloven en ik ook. Het lukt wonderwel met wat krachtsinspanning en verbijten.

Het is te hopen, dat de autocorrectie zich koest houdt. Gisteren had ze voor doorstruinen ‘doornstruiken’ ingeklopt en alhoewel ik al een paar keer met een scannende blik alles had bekeken, viel het mij niet op. Een van de lezers vertelde, dat ze er hartelijk om heeft gelachen, omdat het een boek over tuinen betrof en het ergens nog hout sneed ook.

De nacht heb ik voornamelijk doorgebracht op school. Oorzaak was de vergadering, gistermiddag, met de klankbordgroep. Onze teamleider had een kunstenaar op het oog, die voornamelijk werkte met gekleurd tape. Daar liet ze voorbeelden van zien. Het gevolg was, dat ik in de droom aan de slag ging met het bruine tape, dat we de laatste jaren op school prefereerden boven de sterke lijm om iets stevig aan elkaar te plakken. Deze kunstenaar liet op bestelling in allerlei felle kleuren tape maken en plakte daar aandoenlijke figuren mee, die van alles aan emotie konden oproepen. Het lijf leek een beetje op bolbuikige oude mannetjes met daar bovenop vormen van grote trouwe hondenkoppen. Aaibaar in hun hulpeloosheid. Het gevolg was dat ik in de droom in de weer was met het plakken van doosjes. Er stond in het lokaal een oude Piet Hein Eek-tafel. De werken die daarop tentoongesteld werden, kwamen niet tot hun recht op de drukke achtergrond. Daar moest een van mijn befaamde lappen overheen komen, dat was duidelijk. Verbazingwekkend hoe voorwerpen tot in detail terug kunnen komen in dat onbewuste denken.

Vandaag gaat de kleine blauwe Prins zonder mij op stap met mijn lieve schoondochter, die een fotoshoot heeft ergens in het land. Zo komt hij nog eens ergens. Zoonlief wordt wakker en weg vliegen de lichtwieren( Vasalis, ken Uw klassiekers), want hij knipt het licht op de badkamer aan. Het is inmiddels over zevenen. Vanavond is de tuinsessie. Wat zou dat opleveren. Misschien wel een heel nieuw idee voor de tuin. Inspiratie opdoen werkt heilzaam. Zoiets als ‘ een nieuwe lente en een nieuw geluid’. Nog zo’n klassieker. (Gorters ‘Mei’). Het werkt vaak verfrissend als er een verse blik geworpen wordt op een belegen en oude indeling. Het kan, letterlijk en figuurlijk, nieuw vruchten afwerpen.

De nacht maakt zich op voor een drukke dag, beneden in de straat razen steeds meer lichten langs. De dageraad begint te gloren en langzaam veranderen de donkere vlekken voor het raam in een silhouet van takken en takjes, een ragfijn filigrein.