Overpeinzingen

Leve het jeugdsentiment

Het was goed dat we de fotosessie op vrijdag hadden en het etentje op zaterdag, want alles achter elkaar was veel te vermoeiend geweest voor de kleintjes. Dochterlief had gereserveerd bij Blik en Burgers, waarvan de naam al deed vermoeden welke kant het op zou gaan met de dinerkeuze. Er was binnen een hele hoek gereserveerd, maar in het lage gebouwtje, dat sfeervol was ingericht, was het warm. Een van de dames beloofde een terrastafel buiten vrij te maken, zodra de drukte wat was weggeëbd. Dat was aangenaam met een verkoelende bries erbij en onder een grote parasol. Een voor een kwamen de gezinnen binnendruppelen, alleen de tweeling zou er wat later zijn, want die kwamen terug van het voetbal. Nacho-cheese-schotel met breekbrood was het voorafje en dat verdween gezwind. Het goudgele krakende gedeelte met de kaas in hongerige kindermonden en het breekbrood met de smeersels was voldoende entree voor ons.

Het buitenleven van het restaurant speelde zich af tussen hockeyvelden, zand en speeltuinattributen en na een kwartier hadden de allerkleinsten bruine in plaats van roze of zalmkleurige speelpakjes aan. De grote broer had gelukkig een houten brandweerwagen ontdekt, waar eindeloos mee gereden kon worden over de banken en de schagentafels of op de grond. De kleine dribbel had binnen de kortste keren een ‘vriendin’ ontdekt en de grote jongens dolden afwisselend met elkaar, met de kleintjes, om tussendoor een spelletje te spelen op de telefoon. Dochter van zoonlief was te ziek en was wijselijk met haar lieve mams thuis gebleven om krachten op te doen.

Er was een overvloed aan beeldvuling. Op een gegeven moment stopte er zelfs een ambulance op het terrein. Minder leuk voor de man die onwel geworden was, maar spectaculaire afwisseling voor de grote broer. Niet alleen een brandweerauto van hout, maar ook nog eens zo’n heuse, glimmende, echte hulpdienstwagen. Mooier kon het leven niet worden. De voetballers waren net op tijd bij het uitserveren van de bestellingen. Een overdaad aan classic, vega, en friet, pannenkoek, een kleine salade voor mij, ijs met stuiterballen toe. Met dat laatste was het ‘Lang leve de lol op het grote veld’. Cadeaus waren er ook. Een heerlijke fles witte wijn met een gouden steen en een ceramische heksenbol voor in de tuin, die in de mooiste blauw-en-goudtinten fonkelde, beiden vergezeld door lieflijke boodschappen.

Terwijl het grut zich kostelijk vermaakte, bespraken wij de week vakantie in de Franse Ardennen in het enorme huis met de zeven badkamers. Onder mijn bed, dat straks geruimd wordt, bevinden zich nog de twee bakken met onuitgezochte foto’s. Al geruime tijd speurde ik naar een manier om ze te verdelen. Oudste dochterlief had het lumineuze idee om ze mee te nemen en in de avonden uit te zoeken, als we moe en rozig van de dag waren en het tijd werd voor rustiger vermaak. Goed plan. Buiten het opruimen komt er dan ook een stroom aan herinneringen voorbij die waardevol genoeg zijn om met elkaar te delen. We doken er al even in met de glorieuze aanpak van mij om als het tijd werd voor een standje een langdurige preek af te steken. Zoonlief zei ‘Het ene oor in en het andere oor uit, alleen de lengte kon roet in het eten gooien’. Het werd door de zussen ruim beaamd. Daar gaat je goeie gedrag als opvoeder. Haha.

Vanmorgen bekeken we de mogelijkheden van een treinreis naar Budapest en moesten we terugdenken aan onze trektochten in de jaren zeventig naar Spanje en naar Scandinavië. Lange trein-en bootreizen met nostalgische herinneringen aan slapen in een aardappelveld, de eerste keer olijven, knoflook en paprika als salade en soppa uit een pakje dat saus bleek te zijn en geen soep.

Zoet en zacht aandenken omdat de tijd alle scherpe kantjes er vanaf had geschaafd en opnieuw ruimte bood voor een herhaling. Dat gaan we ervaren. Leve het jeugdsentiment.

Overpeinzingen

Nu de verwerking

In de ochtend hielden we ons koest, want het was immers niet bekend of er veel of weinig activiteit zou zijn in de middag. We kregen de lokatie door en reden er met de kleine blauwe prins naar toe. Onderweg zagen we de hei. Volgende week moeten we nog een keer erheen, spraken we af. Wat een toeval de lokatie was in de buurt van de heide op een plek waar ik in de omgeving ooit had gewandeld met de zussen, maar dit stuk ongerept natuur kende ik niet. We keken elkaar aan en besloten in de auto te wachten omdat we een kwartier te vroeg waren en niet wilden dat de verrassing al bekend zou zijn voordat iedereen er was.

We zwaaiden naar een wildvreemde hybride, omdat we dachten dat het dochterlief met haar gezin was en de meneer, die er in zat, besloot om extra zorgvuldig de auto af te sluiten eer hij ging wandelen met zijn vrouw.

Daar kwamen de eersten en weldra volgden er meer. Omhelzen en knuffelen, want ik had de meesten al veel te lang niet meer gezien. De dochter van zoonlief was ziekies, maar ging toch mee, een lief bleek betje met een smal snoetje. Iedereen was in het zwart gekleed en het zag er stijlvol uit. Het werd een blote-voeten-parade en spitsroeden lopen want tussen de hei groeiden lage bramenplantjes met stekels. Er was een fotografe meegekomen en zoonlief legde uit dat het cadeau een echte fotoshoot behelsde op de hei. Boffen, twee vliegen in een klap. Hadden we toch nog de laatste bloeiende hei gezien en alle kinderen en kleinkinderen bij elkaar. Gelukkiger kan een mens niet zijn.

Kinderwilletjes speelden hier en daar op als het een en ander wat langer duurde en de kleine voetballer koos een hazenpad, toen hij er genoeg van had. Zoonlief ging er naarstig achteraan, maar de kleine onwillige dribbelde zijn beentjes bijna voorbij, zo snel kwam ie vooruit.

De kleine ondernemer had een mooi exemplaar dood hout gevonden. Het leek op een -x- vond hij, maar het leek ook op een vrouwenfiguur die dramatisch de armen ter hemel hief, vond ik. Hij maakte het nog mooier door de schilfers die er op zaten ook weg te trekken. Heerlijk om hem er zo intens en aandachtig mee bezig te zien. Daarna droeg hij zijn schat als een trofee boven zijn hoofd mee naar de parkeerplaats om het ‘kunstwerk au naturel’ daar weer achter te laten.

Het was gelukkig net niet te warm en de zon verdween af en toe op het juiste moment achter de wolken. Mams met de kinderen, oma met de kleinkinderen, mams met de schoonkinderen, moeder alleen met dochter tweedubbel, moeder alleen met zoon driedubbel, moeder met lief, iedereen apart met eigen gezin, iedereen met eigen lief en toen was de koek wel op. Aan alle kanten werd er met smartphones gezwaaid met als resultaat oneindig veel foto’s, maar de fotografe was tevreden. Ziezo, de buit was binnen en nu de verwerking.

Overpeinzingen

We gaan het zien en beleven

Mijn lieve kleinkinderen begonnen mijn dag op filmpjes opgewekt met het zingen van ‘wel-gefeliciteerd’ lief, schel, schalks, rennen, kruipend of verlegen en dan weet je het. Je bent jarig en je bent oma en je bent op een leeftijd dat oma’s oma’s kunnen zijn. De dag was goed begonnen en natuurlijk kreeg ik met liefde als ontbijt koffie op bed. Geen lanterfanterij want de kamer had een stofzuigbeurt nodig en het balkon wilde geherschikt worden. Tussendoor begon een stroom aan felicitaties en mooie wensen. De sjeu zat erin en het ging voorspoedig. Lief maakte zich op voor de dag en ik was beneden al bijna klaar. De woningbouw stuurde twee mannen met een katrol slangen en water om de galerij schoon te spuiten en de ramen te wassen. Goede planning.

Ik begon vast aan het balkon. Door het voeren van onze gevederde vrienden in de late lente was er een groot deel van het kleine zaad naast gevallen, soms in de potten, wat een overmaat aan grassen en kleine zonnebloemen had gebracht, en veel op de grond. Stoelen aan de kant, tuinkleed uitgeklopt, en lief nam het vegen over. Samen werkten we gestaag, herschikten de potten en het resultaat was overzichtelijk. Weer ruimte om kalm te kunnen zitten tussen het groen.

Er werd gebeld. Beneden stond vriendin te wachten in de scootmobiel. Knuffelen voor de flat, want we hadden elkaar al zolang niet gezien. Alleen dat al was een cadeau. We praatten de maanden zonder contact stuk en daarna kreeg ik een grote bos gladiolen in de handen met een heerlijke foto van ons tweeën. De pakketbezorger had het tafereel lachend aangezien en gaf er nog twee pakketjes bij. Daarna zoefde ze weg, op naar haar pipa in het bejaardenhuis achter onze wijk. In een van de pakken zat het eerste kinderboek en wat voor een. Een kloek formaat en wonderschoon geïllustreerd. In het andere zat een dik boek dat ik niet kende met de intrigerende titel ‘Het lied van ooievaar en dromedaris’ van Anjet Daanje en een lieve felicitatie van schoonzus en haar eega erbij, dat ze zo van dit verhaal genoten had. Een totale verrassing.

Wat een heerlijk begin van een dag die niet meer stuk kon. Zuslief kwam met een orchidee. ‘Nu moet je er toch aan geloven, zus’, zei onze orchideeënkoningin. ‘Haha, graag’. Deze was heel vernuftig van bloem en prachtig van kleur. Met hart en ziel zal ik mijn zorg als een warme deken er overheen spreiden. Ze had ook nog een lekkere dikke stenen kikker, die sprekend op pad van ‘Kikker en Pad’ van Arnold Lobel leek, een van mijn kinderboekenbijbels.

En zo vulde de dag zich, met zoonlief en een prachtige Amsterdamse veldboeket, met schoondochter en schoonzus op haar nieuwe fiets, die ze niet onbewaakt wilde laten staan en, terwijl zoonlief op wacht stond, bracht ze mij een knuffel en een patchouly-zeepje, dronk snel een glas water tot haar hartslag weer normaal was, en ging er vandoor. Ze had eindeloos lopen zoeken, terwijl het van haar huis uit gezien eigenlijk een rechte weg was.

Boodschappen tussendoor en lieve zoon uit Amersfoort ‘s avonds, ook met een prachtige bos bloemen. De goede wensen waren fantastisch. Van gefeliciteerd tot de tijd staat je goed, mooie woorden van een geliefde schrijversvriend en 70 is het nieuwe vijftig. Maar een hele grappige was die van mijn dierbare lieve vriendin, die een hoedje met hartjes opstuurde en een mooie bewerkte foto. Koningin van de 70, zo heb ik me de hele dag gevoeld. Vandaag volgt nog een staartje, de verrassing van de kinderen en morgen een etentje met de de hele bubs. Om met mijn lijfspreuk te eindigen ‘We gaan het zien en beleven’.

Overpeinzingen

‘Voor altijd jong‘

Gistermorgen tegen koffietijd werd er gebeld. ‘Het beloofde boek’ was de eerste gedachte. Lief stond de beste bezorger te woord. Ik zat in de henna met een tulband om het hoofd, geloof me, daar wil je geen getuige van zijn.

Hij kwam binnen met een enorme doos, waar normaal een ballon met helium in huist. Maar deze was zwaarder, zag ik al aan de manier van lopen. Een allerliefst kaartje bovenop van vriendinlief, die alvast de verjaardag op spectaculaire wijze inluidde, want uit de doos kwam een enorme bos zonnebloemen en een prachtige glazen vaas. Het werd allemaal vereeuwigd. Wat een verrassing.

Tijd voor de tuin. Dochterlief zou wat meenemen voor de lunch en wij hadden gisteren wat babaganoush en brie, alcoholvrij bier en crackers gekocht. In die lange periode dat we weg waren, had alles aan groen en bloemen zich redelijk staande gehouden, grassen en brandnetels incluis. Dat betekende dat er werk aan de winkel was, maar vandaag niet. Deze week was het feest. De Oost-Indische kers tierde welig, evenals de geranium, de dahlia, de winde en nog wat verdwaalde floxen.

Heerlijk om dochterlief en kleindochter in de armen te kunnen sluiten. Een voordeel van ver weg geweest zijn, is dat weerzien zo liefdevol en heerlijk voelt. Dochter had de kussentjes al gepakt, kleedjes op tafel gelegd en een sfeer gemaakt. Alles smaakt beter buiten. Broodjes, notenbrood, kaas, avocado, salade, en onze smeerseltjes. driedubbeldik beleggen maakte het extra feestelijk. Kleindochter wilde schilderen. Ze had het heel zacht in het oor van haar moeder gefluisterd. Een paneel en de verf was zo gepakt, een extra groot penseel erbij, want alles verft beter met grote-mensen-kwasten. Met overtuiging ging ze aan de slag. Ze bestelde de kleur en dochter zorgde ervoor dat het aan de kwast kwam. Zuivere kunst op de graad, recht vanuit het hart geschilderd. Alleen al die trotse blik van haar, iedere keer als ze ernaar keek, was goud waard. Op tijd vertrokken ze om de kleine filosoof op te halen en wij zouden het schilderij, dat lag te drogen in de zon, nabrengen. Daar moesten we wel de halve stad voor door, door allerlei omleggingen.

Dochterlief had onderweg een oude gereedschapsdoos voor schroeven en dergelijke gevonden. De kleine/grote filosoof had daar een goede bestemming voor. Hij wilde alle loom-elastiekjes op kleur sorteren en in de diverse vakjes doen. Dat ging gepaard met een nauwgezetheid en een concentratie waar menigeen jaloers op kon zijn. Zijn vraag of we mee wilden gaan naar de voetbaltraining aan het eind van de middag liet ik onbeantwoord, maar toen ik hem vroeg of hij het leuk zou vinden als ik een keer bij een voetbalwedstrijd kwam kijken, zei hij vanuit de grond van zijn hart; ‘Superleuk’.

Ze aten vega shoarma en wij beloofden dat thuis ook te eten, dan konden we aan elkaar denken. Tijdens de boodschappen draalde lief. Hij wilde naar een bloemenwinkel met mij. ‘Verras me’, was het antwoord van mijn kant. Ik hou daar zo van. Hij kreeg de sleutels mee van de kleine blauwe en terwijl ik de boodschappen haalde, voerde hij zijn plan uit. Natuurlijk had ik ingefluisterd dat ik heel veel van pluk-en-veldboeketten hield.

Nadat alle boodschappen naar huis waren gesleept, kwam hij binnen met een plukboeket in prachtige paarse, roze en blauwtinten met een bijpassende vaas. Mijn lievelingskleuren. Liefde in bloemen. Zuslief belde alvast even en mijn ene schone dochter ook, die zich vergiste in de datum. Ze dacht dat het al de eerste was. Nee, maar jarig voelde ik me zeker al. Nog een nacht slapen en dan, in variatie op een thema, ‘Voor altijd jong’.

Overpeinzingen

Verandering van spijs doet eten

De dag begint met het einde van een droom, waar alle realiteit in verwerkt is, want ik moest mijn haar in de henna zetten. We sliepen in een caravan, vriendinlief en ik, in een kingsize bed, zij aan het voeteneind en ik aan het hoofdeind. het was een aangename sfeer. De lichte paniek die ontstond toen het al kwart over tien bleek te zijn en ik nog de henna moest opbrengen, resulteerde in berusting. Om half twaalf moest ik al naar dochterlief. Henna moet twee uur intrekken, dus ik zou het nooit meer redden. Bij het wakker worden vroeg ik lief hoe laat het was. Zeven uur pas. Adem in, adem uit. Nog ruimschoots op tijd want om half twaalf hadden we echt afgesproken met dochterlief op de tuin. Twee vliegen in een klap. Wonderlijk hoe zo’n hoofd toch werkt en de beelden zich met elkaar verweven.

Gisteren gingen we koelkasten bekijken en vonden vooral E, F, D exemplaren en een enkele C als energiebesparend. We wilden eigenlijk voor A of B gaan. Ze zijn dan wel twee keer zo duur. Terwijl we door zo’n grote hebbewinkel liepen en allerlei flitsende nieuwe gadgets zagen, viel vooral de luxe van Nederland ten volle op. Wat een overvloed aan alles. Maar de koelkast die we zochten zat er niet bij. Eerst maar eens goed doornemen wat het issue is, wat betreft energieverbruik en waarom ze nauwelijks te vinden zijn. Bij de snelle besteller op internet zijn ze bijna altijd uitverkocht of binnenkort leverbaar, die A of B types. Even puzzelen leert dat de richtlijnen in 2021 zijn aangescherpt en dat een A+++ van weleer nu ook een D zou kunnen zijn. B en C zijn ook oké. Wel letten op decibellen en de ruimte.

Ziezo, haar in de henna en nu geduld betrachten. Van twee kinderboeken heb ik toezeggingen gekregen, die zijn onderweg. Dat is een mooi begin. Ik zit op het oude bed bij de boom voor het raam. Die is vol en donkergroen behalve waar de zon haar kruin beroerd. Pluis ziet haar kans schoon en komt kopjes geven. Ze ligt nu tevreden te spinnen en af en toe gaat een pootje omhoog om goed te kunnen wassen. Vertrouwd beeld en al een tijd niet gezien.

Ik denk terug aan de jaren, die achter me liggen. Roerige jaren vol leven. Vreugde en verdriet wisselden zich af, nooit een verveelmoment maar altijd reuring. Er is zoveel bijgeleerd en minstens zoveel afgeleerd. Nu vallen verleden en heden weer samen en dat is op zich al bijzonder. Samen kunnen zijn en delen in de vreugde zorgt ervoor dat de dagen zorgelozer voorbij gaan. Zo’n klein ding als de aanschaf van de koelkast en daar met elkaar over kunnen wikken en wegen voelt bijzonder aangenaam. Samen verantwoording dragen kleurt het leven lichter.

Wat snelt de tijd voorbij. Vroeger was 70 oud en leek het vooral ver weg. Het idee van bejaard te zijn kreeg destijds in mijn beleving mijn oma’s uiterlijk. Bij mijn moeder was het al anders, die was lang kwiek. En nu ik zelf zo oud ben, zijn de ouderdomsverschijnselen bleke betjes en te dragen en zijn wij allesbehalve sepia. Door mijn ogen gezien, dan, hoe ziet de lieve jeugd ons? De oudste kleinzoon schatte in hoe oud ik zou worden. 69? 68? 45? Haha. ‘Charmeur’, lachte ik hem toe.

Een groot voordeel is het opnieuw maken van plannen. Fantaseren over de stappen die we nog gaan zetten als het ons gegeven is. Te zijner tijd een nieuw appartement, naar ons beider zin ingericht, hoe de tijd te verdelen tussen hier en Verweggistan, hoe ruimte te geven aan de kinderen en kleinkinderen, hoe vriendinnen en vrienden, zussen en familie te blijven ontmoeten. Het is veel maar met een berg inventiviteit komen we een eind.

Genoeg gemijmerd. Het wordt tijd voor actie. Dit bed waar ik nu nog even op zit, gaat eruit. Dan wordt het een werkplek met een groot bureau, waar we beiden aan kunnen werken met uitzicht op de geliefde boom voor het raam en het parkje aan de overkant. Verandering van spijs doet eten.

Overpeinzingen

Gereviseerd en wel

Bij thuiskomst lagen de kranten netjes opgetast op een grote stapel en daarnaast de tijdschriften waar ik op geabonneerd ben. Het wereldnieuws vloog me in grote koppen om de oren bij het doorspitten. Een van de voordelen van Verweggistan is dat alles wat zich buiten die oase van rust afspeelt slechts mondjesmaat binnen kwam sijpelen. Het nodigde niet uit om die grote wereld binnen te laten. Wat gebeurd is, is gebeurd. Cruijfiaanse wijsheid van eigen hand. De puzzeltjes, de boekenbijlagen en de magazines bleven bewaard, de rest mocht in de papierbak.

Er was toch een soort van overgangsfase. Een beetje doelloos plukte ik hier en daar wat aan de dode stengels van een paar planten en belde met vriendinlief, die behoefte had aan mijn digitale arm om haar schouders. Wat zou ik haar graag even vast willen houden. Het is altijd moeilijk als je tussen twee issues de juiste weg moet kiezen. Ze doet het fantastisch en het helpt om dat te benoemen.

De zwarte broek voor lief hing gewoon aan een knaapje op zijn kledingrek en een zwart t-shirt is ook voorradig en een zwart jasje. Mijn halve kledingrek hangt vol met zwart. Dan zijn we klaar voor vrijdag en de grote verrassing, die mijn eigen belhamels hebben bekokstoofd. Morgen alleen nog even het haar in de henna en dan stap ik om middernacht fris en fruitig die nieuwe levensfase binnen. Het is een mooi rond getal. In de dagboeken van mijn moeder snor ik de vooravond van haar zeventigste verjaardag op. Grappig. Op die dag hebben we met z’n allen haar verjaardag gevierd in de pannenkoekenboerderij hier in de stad. Ze schreef: ‘Om half drie kwam Adri ons halen. Meta, Adri, Marcel, Chantal, Pa en ik allemaal in de auto. Niek, Yvon, Roxanne en Jamilla, Wendy, Marga, Djeez, Susanne, Marijke, Maarten, Sander, André, Naomi, Ruth, Michiel, Daan.De pannenkoek ging er grif in, ’n lekker sorbetje toe. f 213,00 was ik kwijt, f 20,00 fooi. En wat het belangrijkst is:’Ze hebben elkaar weer eens gezien.’Ik vind een familie belangrijk en geld niet, daarom geen waardevol spul hier. Of goud aan mijn lijf. Half vijf waren we thuis. Ik vloog onder de douche. Om zeven uur moet mijn haar droog zijn. Naar de kerk.

Heerlijk en helemaal zo als het was. Familie(lees ‘de kinderen en hun gezinnen’)was het allerbelangrijkste en om materie of geld heeft ze nooit gegeven. Broerlief dacht laatst dat hij het sieradenkistje van onze moeder van zuslief had gekregen. Het bleek echter het kistje van de toneelvereniging te zijn. Jammer, want er zat een trouwring bij met een andere voorletter dan die van mijn vader. We hadden al een verborgen minnaar verzonnen. Helaas, er schuilde geen stof voor een spannende detective in. Klatergoud en nep-juwelen.

Het verhaal van het rampjaar is klaar en verzonden. Ben benieuwd of er nu nog andere aanmerkingen zijn. De kinderboeken komen maar niet binnen. Ik denk maar dat ik ga bellen. Anders haal ik de deadline niet. Ik heb dochterlief om een foto van de jongste gevraagd. De oudste twee schilderde ik in zee. Dit moet ook een waterfoto worden. Dat ik zin heb in het schilderen is een goed teken. Verf en penselen en een stuk of wat geprepareerde vellen heb ik mee teruggenomen. De rest is in de Datsja gebleven. De grote hybride is weer keurig gepikt en gesteven afgeleverd bij schoonzoon. De kleine blauwe Prins liet eerst drie keer hogelijk beledigd de motor hoesten in plaats van starten. Daarna sloeg hij gelukkig toch aan. Maar bij het schakelen liet hij zich pruttelend horen. Of kwam dat omdat ik niets meer heb hoeven doen met die linkervoet en de rechter slechts met lichte druk. In ieder geval zal ik hem nu trouw gebruiken, gereviseerd en wel.

Overpeinzingen

Aan de slag

Van zondagsrust hadden ze in Duitsland nog niet gehoord, of was het het tijdstip dat iedereen zich op de weg begaf om bijvoorbeeld huiswaarts te keren na een vakantie, of omdat ze een familiebezoek moesten afleggen, of terug wilden keren naar het het studentenoptrekje of anderszins. De vrachtwagenchauffeurs respecteerden het duidelijk wel en stonden in grote getale als containers opgesteld op de parkeergelegenheden bij de wegrestaurants. Ze bleven braaf wachten op de maandag, als het grote handelsverkeer weer in actie zou komen.

Het weer was ons gunstig gestemd. Nergens een spatje regen te bekennen, wel een stralende zon. Het land is enorm, het kippestukje dat we in Nederland voor het laatste eindje moesten rijden, was zo gepiept, maar de rit door de oneindigheid duurde en duurde. Er waren enkele langdurige opstoppingen te doorstaan en tientallen wegwerkzaamheden te passeren met langzaam rijdend of stilstaand verkeer. Het wende. We hadden de hele dag de tijd en hoefden niet te haasten, al roken we het thuisfront ook en wilden we, zo snel als mogelijk, de eindstreep halen.

Het ontbijt was gemoedelijk en rustig tot drie hele luidruchtige mannen in roze t-shirt met een mercedes-logo erop, binnenvielen. Hun roze auto, de Pink Benz, met een grote fallus op de voorplecht stond vlak bij het raam en trok aardig wat bekijks. Zo opzichtig als de auto om aandacht schreeuwde, zo haalden ze met de decibellen hetzelfde niveau.

De stop deden we vlak voor de grens bij een autohof, waar een verkwikkend soepje wachtte en een groot glas alcoholvrij wit bier. Om kwart voor zeven waren we thuis. De mannen sjouwden de bagage naar boven en ik probeerde een plek te vinden voor de auto. Dat lukte moeizaam. De mannen, zoonlief had ons opgewacht om mee te helpen sjouwen, zaten al aan de patat.

Pluis draaide mauwend om mijn benen heen en bedelde om kopjes en aandacht. De grote tafel stond aan de andere kant en daarmee een tikkie onhandig. Zoonlief liet zijn ingenieuze bewatering van de galerij-planten zien. Die kregen drupsgewijs water via stroom en een klein computertje.

De kranten en de tijdschriften lagen keurig opgestapeld, er was nauwelijks papieren post, goed zo, dat ging de goede kant op. De rest van de avond werd gevuld met een stukje VPRO en haar zomergasten, dit keer de psycholoog en traumaspecialist Bessel van der Kolk, een omstreden psycholoog om zijn gedachtengoed omtrent het verdringen van traumatische gebeurtenissen, dat zich zou uiten in allerlei andere lichamelijke klachten. ‘The body keep the score’. We waren te moe om alert te zijn, de stukjes film die waren boeiend, maar zijn theatrale uitstraling en zijn potsierlijke uitspraak van het Nederlands, als een Barry Stevens in de dop, deden wonderlijk aan. Zijn gesticulaties waren veelvuldig aanwezig. Of Abbring kanttekeningen heeft geplaatst bij zijn ideeën weten we niet meer. Toen was de koek op.

De ochtend begon vanmorgen vertrouwd. Duiven koeren in elk land in dezelfde taal. De pluk bomen uit ons venster op de wereld, het dakraam, en de kinderstemmetjes die tegen de daken op schalden bij het naar school gaan waren als vanouds. vandaag gaat de voiture door de wasstraat en begint het werkzame leven weer. Het verhaal van het rampjaar herschrijven en de kinderboeken uit de brievenbus kijken. Maar vooral af en toe even terug mijmeren naar Verweggistan, de mooie herinneringen ophalen, die in het hart besloten liggen en ons samenzijn vieren. En nu eerst aan de slag.

Overpeinzingen

Dat zal zoet smaken

De dag begon als altijd stralend. De laatste keer in Verweggistan voor een tijdje betekende in het hart afscheid nemen van wat zo’n geliefde plek is geworden. Ik dacht aan Wieteke van Dort. ‘Dag huis, dag tuin, dag opbergschuur‘. Zo’n lief simpel zinnetje uit een kinderprogramma, ooit ook te horen bij het radioprogramma ‘Lawaaipapegaai’ en het loopt al vanaf het prille begin dat ik het hoorde met me mee.

Het is bijna vier uur ‘s nachts en de reis zit nog in mijn benen en in mijn hoofd. Wat een lange rit was het. Acht uur en drie kwartier en nog 45 minuten extra door een lange file in Oostenrijk. Stapvoets de tunnel door. Slechts door wegwerkzaamheden, maar dan nog. We reden pardoes, dankzij Truusje Tomtom een nieuwe route en slopen Slovenie op kousenvoeten binnen, zo onverwacht, dat we het vignet niet hadden gekocht bij de grens omdat we de hele grensovergang niet hadden meegekregen. Risico van de bovenste plank, maar we waren al halverwege dus zijn toch maar zonder verder gereden. Wie zich brandt, moet op de blaren zitten. Het risico is voor ons.

Hongarije is mooi, ongerept, puur en bij tijd en wijle ruig. Ik hou van de vervallen huisjes, die her en der verlaten tussen de opgeknapte nieuwe staan, ik hou van de kleuren die ze er aan geven. Geen pasteltjes maar fel oranje, geel, rood en zelfs paars. Ik hou van de ruige puszta’s en het grote wild, dat vrij rondloopt en de vlinder-en vogelsoorten, die je er treft. Slovenie is lieflijk. Het lijkt alsof een grote hand af en toe een dorpje de heuvels in heeft gevleid en dat ze zich daar koesteren in dat gazonne-groen.

Voor we het wisten was Oostenrijk in beeld, dit keer over de weg naar Salzburg/Linz. De tunnels speelden een spel met ons. Lang, langer, langst en onttrokken een eindeloos stuk landschap aan het oog. Goed verlicht en ruim, behalve die ene tweebaans waar we in de file stonden. Lange rijen auto’s, met handen of armen uit de raampjes en blote voeten tegen de ruit naast de bestuurder om het lange wachten en de warmte te doorbreken. De bergen strekten zich uit, imposant en hoog. Hier en daar, waar regen broeide, hadden de woudreuzen hun lange grijze baarden uitgewaaierd over de dennenbossen. Grijsblauwe tinten erboven, kleurrijk schouwspel.

Zodra Duitsland zich aandiende veranderde het landschap mee. Er zijn wel bergen, die van het Beierse woud, maar ze zijn als een schaduw. De auto zoeft zich een weg tussen alles door, bij het klimmen op benzine, bij de afdaling op de eco. Wat een luxe.

Internet lag er uit, maar die hadden we nauwelijks nodig. Het betekende wel dat we zonder muziek zaten. Dan maar zelf wat liedjes neuriën aan de hand van te binnen geschoten zinnen. Strakjes, na nog wat uurtjes slapen, is er een korte rit van ongeveer vijf uur. Een eitje voor de echte langrijders. Lief haalde de ene herinnering na de andere op met de andere doorreizen naar Verweggistan. Reizen met vier honden betekende wel dat je veel meer stops moest maken. Als het even kan, rijden wij door. De wegrestaurants waren vooral in Slovenie en Oostenrijk als echte doorgangslanden heel druk en voor het eerst zagen we weer echte toeristen op de weg. Italianen, Tsjechen, Kroaten, Engelse en Nederlanders met af en toe een Roemeen.

Nu is er weer de stilte van de kamer in een uitstekend hotel en de reis in mijn hoofd die, nu het allemaal geschreven is, langzaamaan vervaagt en verdwijnt. Klaas Vaak heeft vast nog wat extra zand om te strooien. Dromenland met bergen, woudreuzen en geheimzinnige lange grijze baarden, witte wieven over de bergen. Dat zal zoet smaken.

Overpeinzingen

We gaan het zien en beleven

Als je het op de heupen krijgt dan moet je maar doorpakken. Zonde om die gelegenheid voorbij te laten gaan. Bij de boodschappen van de vorige dag zat een grote fles glassex, een trekkertje vond ik terug in de badkamer en een zemenlap in een la in de keuken. Het raam in de keuken, met uitzicht op het prieel, een lievelingsplekje, was al een tijdje doffig en stoffig. De bovenramen waren mijns inziens nog nooit gedaan.

Lief was ondertussen de oude troep op zolder, dat op de nominatie stond om naar de vaalt te brengen, aan het verzamelen. Af en toe een grote bonk, maar steeds weer een teken van leven, dus het ging voorspoedig. Als je met een ruit begint, dan kan de rest niet achterblijven. Heerlijk om even zo huishoudelijk bezig te zijn. Verstand op nul en gaan. Het huis friste ervan op en natuurlijk werd het grondig aangepakt. Alles wat maar spiegelde werd meegenomen. Aan het eind van de middag waren we ongeveer tegelijkertijd klaar. Moe maar voldaan. Op de enorme zolder had lief alle spullen op één plek gelegd. Overzichtelijk en duidelijk. Nu wisten we weer wat er huisde in de vergeethoeken.

Gisteren hoorde lief de Wielewaal en even later zag ik hem in de vijgenboom. Dat is kennelijk zijn kostje, want vanmorgen vloog hij er weer uit op. Wat een mooi vogeltje is dat. In de datsja was ik vanmorgen bezig aan het grote doek van de zussen, maar het werd te warm, buitien op de veranda woei een lichte bries. Bij het uitpuffen op de veranda hoorde ik ineens het gehamer van een specht in de kleine bomen naast de rozebottelstruik. Dat is wat het hier zo bijzonder maakt. Die heerlijke levende have kunnen spotten in de vrije natuur. Steeds weer ontdekken we iets nieuws.

Bij het ramen zemen zat de kleine groene veldkrekel versuft tegen het hout van de sponning. Hier was een reddingsoperatie noodzakelijk. Ze was danig verzwakt en het duurde even voor ze uit het blik, op waarmee ik haar gevangen had, op de munt kroop om daar snel onder te verdwijnen. Daarna was het de beurt aan een vliegende wants, die op zijn rug terecht was gekomen. ‘Buiten spelen maatje’, was mijn advies. Daar gaf hij grif gehoor aan.

Lief maait het gras en is tot op de draad nat van het zweet dat in straaltjes van hem afloopt. Zijn dikke haardos heb ik met een klem van mij omhoog gewerkt. de oude maaier kent wat gebreken, maar nu gaat het gesmeerd. Hij ziet eruit als een wijze oude indo en lijkt heel veel op zijn vader.

De vijgen zijn rijp. Met alle restjes uit de koelkast: Biet, vegetarische mozzarella, tijm uit de tuin, honing, verse basilicum, wat citroenrasp en balsamico maak ik straks een heerlijke salade.

Met het verhaal van opa voor de kinderen van groep vijf en zes van de basisschool was ik door een bron op het verkeerde spoor gezet. Gelukkig kon iemand me per mail influisteren wat er aan een en ander in dat rampjaar 1672 in Vreeswijk heeft plaatsgevonden. Er valt in ieder geval bij terugkomst een hele historische tocht te maken in de omgeving tot aan Jutphaas en de Henkel aan toe. Een ding is zeker. Check en dubbelcheck je bronnen. Voor je het weet, verschrijf je de geschiedenis.

Het lezen vordert niet echt. Er is zoveel te zien en te doen. De dagen vliegen voorbij. Volgende week dan maar weer even flink bijlezen. Het hotel is er gekomen, dankzij zoonlief, met een flinke korting. Weliswaar wat verder weg van hier, maar dat betekent dat de terugreis op de tweede dag veel korter zal zijn en dat is mooi meegenomen.

Van de kinderen kreeg ik een app om 2 september samen met lief klaar te staan in het zwart, met de opmerking dat ik toch niet dacht dat ze mijn 70 jaar zomaar voorbij zouden laten gaan. ‘Oops’, dacht ik ‘O jeetje’. Lief belooft plechtig me te steunen in de verrassing. Kijk, dan durf ik het wel aan. We gaan het zien en beleven.

Overpeinzingen

Alle geluk van de wereld

Een van de dingen die we hier ‘s morgens vroeg het liefste doen, zijn plannetjes maken voor de invulling van de dag. Om de dag trekken we er op uit. Er is zoveel te zien. Op de te-doen lijst was er één grote wens van verlangen, de hertenfarm stond met stip bovenaan. Het weer liet zich een beetje onbestendig aanzien. Een uitgelezen dag om iets te ondernemen. Prima doel, het Bőszénfa Deer Farm. We reden ongeveer rond half twaalf weg. Vooraf even tanken en de weg naar Kaposvar op. Wat een prachtige route is dat toch.

Groot is de overgang van de drukke weg naar de oase van stilte waar je in terecht komt als je de parkeergelegenheid op draait. Aan alle kanten strekken de heuvels zich uit. De huizen hebben een markante bouw en het is er groots, weids en prachtig. Er staan wel borden dat je kaartjes moet kopen, maar het is onduidelijk waar. Dus lopen we het park in en worden knorrend begroet door een klein hangbuikzwijn. De twee lama’s die erbij staan, bekijken ons een tikje hooghartig en alert door de zijdezachte wimpers. Voor de herten moeten we een stukje de heuvel op en daar ontvouwt zich een lieflijk glooiend landschap. Aan de kant van de farm, afgescheiden door hekken, en aan de linkerkant een adembenemend uitzicht over het hele dal. Er is een soort uitkijk gemaakt waar je op kunt via een trap en waar het uitzicht helemaal wonderschoon is en waar de twee kuddes herten aan weerskanten goed te zien zijn.

Er lopen drie verschillende soorten. Damherten met hun lieve Bambie spikkels, grote reeen en een kleinere donkere soort. De mannetjes met hun grote geweien steken er trots en imposant bovenuit. Middenin bevindt zich er een met een opvallende rode hoofdtooi, breed en onmiskenbaar. Er zijn lieflijke taferelen bij van zorg voor de kleintjes tot liefde voor elkaar. Het bos van dunne sparren erachter zorgen voor een mogelijkheid om van hun steppe af te dwalen naar een beschutter gebied. Zoveel mogelijk is gelet op een natuurlijke habitat. Wat een prachtig park.

Twee emoes komen nieuwsgierig kijken wat voor vlees ze in de kuip hebben. Met hun imposante grote poten stappen ze waardig rond, steken de blauwgrijze koppen op als we tegen ze praten en kijken ons onderzoekend aan. Ze lijken op de grote loopvogel uit mijn groep, de marionet waar de kinderen vreselijk om moesten lachen, als ik hem tot leven liet komen.

Als we alles uitgebreid bekeken hebben en in het wildrestaurant een Hongaarse goulashsoep hebben gegeten, die gek genoeg waterig en zonder uien of paprika’s was, maar wel smakelijk genoeg, gaan we niet linksaf naar de weg maar proberen het weggetje rechts. Dat bleek een beste keuze. Daar kwamen we pardoes een kudde waterbuffels tegen samen met een kudde puszta-runderen, de lichtgrijze soort, een fel contrast met het inktzwart van de buffels. Verderop een kudde paarden, twee hertenkuddes en ten leste nog een kudde ezels. Weliswaar achter hekken maar met de weidsheid van de heuvelige vlakten waar ze op konden draven en volop de ruimte hadden. We reden tot we niet meer verder mochten. Een groot bord achter een slagboom met een rode streep door de auto kon niet duidelijker zijn.

Op de terugweg hadden we de smaak te pakken van het ‘je buiten de gebaande wegen begeven’ en zochten we een spoortreintje op, dat in Almamellek zou starten. De geruchten waren er dat deze straks weer in de running zou zijn en dan door een groot deel van de bossen zou rijden. Alleen al de tocht erheen met de auto was een bezienswaardigheid op zich. We reden door tot aan Ibufa en vingen een glimp op van witte zilverreigers en een roofvogel, waarschijnlijk een dwergarend of een buizerdarend, die voor de auto op een paal dook, maar opschrok voor ik een foto kon maken. Pech, maar dat pas na alle geluk van de wereld.

Overpeinzingen

Wie weet hoe een koe een haas vangt

Klokken die beieren om zes uur op maandagmorgen. Misschien is er een katholieke feestdag vandaag. Straks eens navragen. Vooralsnog kwam de slaap met grote tussenpozen, waarin ik de erfhonden tekeer hoorde gaan als huilende wolven, hier en daar wat kraakgeluiden niet kon plaatsen, een rammelbak hoorde, die langs reed over de hobbelige weg en de kalme serene ademhaling van lief. Te allen tijde rustgevend baken.

Gisteren bleven de beloofde stortbuien uit. In de ochtend was het werkochtend op het terras. Wat schrijven, wat lezen, uitwijken naar de keuken als de verbinding slecht was en daarna de gebruikelijke ochtendrituelen met het ontbijt tot besluit.

Het voornemen lag er om het doek met het vrouwtje op de markt in Kaposvar een gezicht te geven en zodra het kon, vertrok ik richting Datsja. Beginnen met de lieflijke klanken van Georg Moustaki, die woordelijk meegezongen konden worden. Ooit, in de periode van de kleuterkweek, leerden we de franse zinnen uit het hoofd, soms zonder te weten waar het geheel over ging. Eenmaal ingeprent zat het wel snor met dat geheugen. Daarna op Stand up van Jethro Tull verder. De lp hebben we samen, lang geleden, grijs gedraaid en er zijn zelfs nog momenten helder voor de geest met de precieze plek, de gelegenheid, waar we waren of wat we aan het doen waren en hoe we samen mee stampten op het ritme van die opzwepende dwarsfluit van Ian.

Kwam het door de muziek of door de goede sfeer die er rond de Datsja hing, maar alles lukte. Soms zijn er van die dagen. Onder dat gelukkige gesternte kwam ze uit mijn penselen vloeien en zat er precies bij zoals we haar gezien hadden. Afwachtend en bescheiden, met een vleugje verlegenheid. De vier zussen waren daarna aan de beurt, maar het voornemen lag er om bij de eerste neiging tot poetsen te stoppen. Dat gebeurde in de eerste opzet bij de vierde zus. Klaar.

Op het menu stond volkoren penne met saus en een caprese met vegetarische mozzarella, basilicum en balsamico. Met het vooruitzicht zaterdag weer terug te moeten, is het deze week vooral dwars door de kast eten. Als toetje hadden we bedacht om wat oude gemeenschappelijke vrienden op te speuren via social media. In de wetenschap dat de meesten afkomstig waren van de Antillen, zochten we in die richting en omdat lief de achternaam van een van hen wist, hadden we er al snel twee te pakken. Praktiserend op Aruba en ze zagen er nog precies hetzelfde uit op de foto. Daar moest snel een berichtje naar toe. Vroeger waren er fijne avonden, met discussie, domino en dansen in die volgorde. Nu maar afwachten wat het vervolg zou kunnen zijn.

Het programma ‘Zomergasten’ was met Raven. Een kijkje in haar leven en het moeilijk begaanbare pad, dat iemand af moet leggen die niet binnen de geijkte kaders past en hoe dat niet anders kan uitmonden dan het trappen tegen de ‘schijn’heilige schenen. De fragmenten die ze liet zien wil ik vandaag nog eens terugzien. Het nadeel van het programma is met name de lengte en om het dan nog geconcentreerd te kunnen blijven volgen. Leve uitzending gemist. Alles in eigen tijd en op eigen uur, zodat het beter beklijven kan.

Hotels proberen te boeken die om de haverklap van prijs wisselen of een aanlokkelijk aanbod doen, maar op de gegeven data geen plek hebben. Het is een ‘irritatiefactortje’’, waarbij Jochem Myjer steeds weer opnieuw in mijn oren klinkt met dit grandioze lied. Precies. Meer is het niet, maar lastig bij het boeken is dat wel. We blijven het proberen. We hebben nog tot zaterdag te gaan. Wie weet hoe een koe een haas vangt.

Overpeinzingen

Op het leven en elkaar

De dag opende met een lauwe douche voor de grasmat, dat zich later uitbreidde tot flinke stortbuien. Het groen sidderde van genot. Eindelijk na weer ruim twee weken temperaturen van om en nabij de 35 graden.

In de vroege ochtend de boodschappen, omdat het in de middag heftig zou gaan onweren. Dat was het plan. Dat onweer hadden we die nacht ook al gehad en als het eenmaal begint, dan houdt het hier niet meer op, omdat de bergen de buien vasthouden. Een eb en vloed aan rollende donder en flitsende bliksem.

Het was kalm op de weg. Welhaast een zondagse rust. Bij de Tesco en de Lidl waren de parkeerplaatsen verlaten. Huh. Hadden we ons vergist en was het zondagmorgen. Ineens begon het ergens in het achterhoofd van lief te dagen dat het de twintigste was. Sinds Orban was dat een nieuwe feestdag. Daarom hingen al de vlaggen uit in de kleine dorpen naar de supermarkten toe. Alles was dicht. Beteuterd verzonnen we een list. De wijn was op en dat was ongeveer de voornaamste reden waarom we naar de winkel wilden. De benzinepomp leek ons niet de aangewezen plek, omdat er niet met alcohol op gereden mocht worden.

Lief groef in zijn geheugen en kwam uit bij de wijnstreek in de buurt van Pecs. Dat stond al langer op het lijstje van bezienswaardigheden, omdat de kleine wijnkelders in de heuvel onder en boven elkaar waren gebouwd en men van daaruit de wijn verkocht. Richting Vilany dus. Opgewekt en met oog voor dat prachtige landschap, waar boven de zwarte schaduwen van de bergen de toppen in witte nevels waren gehuld, lange slierten witte wieven, speurden we naar de wijnranken die zich in deze streken wel moesten uitstrekken. Maar al wat we zagen waren de goudgeel verdorde maisplanten, klaar voor de oogst en de nu bruine zonnebloemvelden.

Het was zo’n inmiddels bekende tocht. Een deel over de snelweg en al ras een vervolg door de vele lintdorpen richting het doel. De omgeving ademde rust, verlaten dorpen, oud verval afgewisseld met prachtig opgeknapte panden, die door hun uiterlijk al snel sierlijk en kleurrijk het landschap overnamen. De vrolijkheid van de groene, zacht oranje, gele en soms knallende tinten gaven de dorpen een speelse aanblik. De borden gaven in het Hongaars en in het Duits de bewegwijzering aan. Het verraadde de aanwezigheid van de Schwaben, herinnering uit een ver verleden. De oude industriële, vervallen resten van een vorig leven, bijvoorbeeld de grote steenbakkerij waar we langs reden, vertelden een ander deel van de geschiedenis. Zo had alles een eigen verhaal.

In een dorpje voor de grote wijnstad stopten we omdat daar de authentieke wijnkeldertjes met hun prachtige deuren zich tegen de voet van de berg hadden genesteld en het park er tegenover een ruime parkeerplek bood. We wandelden de berg een stukje op en genoten van de aanblik, de gebouwtjes, sommige kreunend onder de tand des tijds met verweerde oude deuren in allerlei tinten of vernieuwd en opgeschilderd met wijnranken langs de posten, zitjes op lange schagen en houten banken ervoor, uitzicht over het dorp, hier en daar oleanders in grote wijnkuipen en geraniums. Lieflijk, anders, en heel bijzonder om daar te lopen.

In een van de uitnodigende wijnkelders beneden namen we koffie en vroegen om een proeve van hun eigen wijn, de regina, een droge witte, kregen er sodawater bij en een slok in een mooi glas. Bovendien knoopte de jonge gerant een praatje aan in het Hongaars met lief en vroeg of we uit Holland kwamen want hij herkende de klanken. Een aanwaaihondje van de buren spoot hij met hetzelfde gemak, als waarmee hij ons te woord stond, nat met de sodafles, en legde omstandig uit, dat het diertje niet van hem was. Zijn eigen keffertje was de straat opgelopen en teruggehaald door zijn vrouw. Ach ja. Zo blijft er leven in de brouwerij.

We namen twee arrangementen af en vertrokken opnieuw op de bonnefooi, omdat dat ons toch op de mooiste plekjes had gebracht tot nu toe. zo kwamen we er achter dat de wijnranken aan de andere kant van de stad te vinden waren. Volmaakt gelukkig en voldaan kwamen we zonder de heftige onweersbuien thuis en proosten met de nieuw aangekochte rose, gekoeld in het vriesvak, op het leven en op elkaar.

Overpeinzingen

Daarna lijkt alles mooier

Het zijn pittige temperaturen en het blijft een kwestie van vroeg in de ochtend wat activiteit ondernemen. Toch ging ik gistermorgen naar de Datsja om te schilderen. De dag ervoor had ik een goeie opzet gemaakt en ik had zin om verder te gaan ondanks de warmte. Heerlijk zo’n drijfveer.

Soms kan het gebeuren dat de flow goed is. Met een Braziliaanse fado als ondertoon bleek het goed werken en vloeide het penseel op dat heerlijke ritme als vanzelf. Zuslief kreeg vorm. Steeds even bijschaven, zoeken naar de mogelijkheden, duwen en trekken. Het mocht. Er was tijd genoeg. Aan het eind van mijn zwoegen voelde het goed. Morgen de puntjes op de -i- en door naar een nieuwe opzet. Het marktvrouwtje met de paar schamele bosjes Guldenroede. We hadden haar ontdekt in Kaposvar bij een overdekte markt. Temidden van de enorme uitstalling aan waar op de andere kramen, zat ze bescheiden achter een tafeltje bij de ingang van de grote hal en wachtte af. Haar mimiek was ondoorgrondelijk maar met een ondertoon van verlegen. Ze was het toonbeeld van eenvoud.

De hele week was ik vol verwachting naar de post. Op de hoek, twee huizen verder, zit het postkantoor. Zoonlief had op mijn verzoek twee puzzelboekjes opgestuurd. Gisteren ontdekten we dat de straatnaam niet helemaal klopte. Inmiddels was het verzenden al een week geleden gebeurd. Met zo’n verkeerd woord in het adres begon ik ‘m toch te knijpen. Na een eerste vergeefse poging, het postkantoor was net gesloten, ondernam lief er later op de middag nog een en kwam na een half uurtje triomfantelijk met de enveloppe binnen. Zoonlief had geadresseerd aan mama met achternaam. Daar waren ze niet helemaal uitgekomen. Zekerheid voor alles.

In de avond kwam vriend langs. Na lange werkdagen was het goed toeven in de schaduw van de tuin. Alcoholvrije biertjes hadden we speciaal gekocht om te gebruiken voor dit soort gelegenheden. Het promillage dat is toegestaan tijdens het rijden is nul en daar zijn ze behoorlijk streng op. Vriend vertelde hoe zijn vriendin, die hier geboren en getogen is, eigenlijk nog bijna niets van de omgeving heeft gezien. Na mijn enthousiaste verhalen over wat we tot nu toe hebben meegemaakt en hoe mooi het hier allemaal is, besloot hij om nog eens een poging te wagen haar uit haar vertrouwde omgeving te pellen.

Het werd een aangename lange avond met tsjirpende krekels, waarvan ik er een op beeld gevangen had in de vroege ochtend, omdat ze naar binnen was geslopen en tegen het raam geplakt zat. Deze kleine prachtige beestjes roepen te enenmale de sfeer op van de nacht die Vasalis beschrijft in haar gedicht De krekels. Daarin beseft ze het voortgaan van de tijd en haar eigen vergankelijkheid ‘Ondanks de schijn van eeuwigheid/in enkle stille ogenblikken/hoor ik voortaan een fijn, schor tikken…’ De onrust van de dag werd gesmoord met dit vertrouwde geluid, wat bleef, was schemering en diepe vredige rust.

Het daggedicht van Annie bleek gisteren er een te zijn die ik niet kende. Dat komt zelden voor. Het heeft de opbeurende titel ‘ De Dame sterft uit’. Ik las het voor aan lief en samen moesten we er om gniffelen. Heerlijke onbetaalbare humor. En ik zou iedereen iedere dag een gedicht voor willen schrijven als tegenhang voor het dagelijkse nieuws. Klop er luchtigheid in en een beetje vertrouwen. Daarna lijkt alles mooier.

DAGGEDICHT – Annie M.G. Schmidt (1911-1995) – De dame sterft uit

De dame sterft uit

Vertelt u het verder, maar niet al te luid:
er is iets ontzettends, de dame sterft uit.
O, vrouwen genoeg (veel te veel, Lieve Heer),
maar dames die hebben we bijna niet meer.

De dame sterft uit, we zullen het zien,
precies als het rendier, maar eerder misschien.
Ze droeg een jabootje, ze wist niets van seks,
ze was wel nerveus, maar ze had geen complex,
sprak nooit over buik, want ze noemde het maag,
ze zei met een hele beschaafde stem ‘graag’,
gebruikte nooit poeder of crème op ’t gezicht,
beschouwde het echt’lijk verkeer als een plicht,
bracht kinderen voort in Den Haag en Schiedam,
maar wist nooit precies hoe dat allemaal kwam.
Ze wou ’t ook niet weten, ’t was allemaal vies
en ze waste persoonlijk haar Sèvres servies.

Zo was ze, maar ach in de tijd die nu komt
zeggen de dames voortdurend ‘verdomd’.
De douairières, zij dragen -als norm-
een merry-go-round of een Maidenform.
In plaats van ‘laat mij eens’ zeggen ze ‘lames’.
Waar blijven de echte dames?

Ze zijn er nog wel, een paar, een paar…
maar ze zijn al zo oud en over tien jaar,
dan merken wij plots op een maandag in maart,
dat er geen dames meer leven op aard.
Misschien kan men nu in de komende jaren
de laatste tien dames nog even bewaren,
wat koel, in een dames-natuurreservaat.
Of is het te laat, is het al te laat.

En vinden wij binnenkort nog alleen
een enkel klein opschrift, gebeiteld in steen,
gesierd met wat rozen en witte cyclamen:
‘Hier ligt de laatste dame’?

(Uit: Tot hier toe: gedichten en liedjes voor toneel, radio en televisie 1938-1985. Querido – Beeld: illustratie van Fiep Westendorp bij bovenstaand gedicht uit: En wat dan nog? De Arbeiderspers, 1967)

Overpeinzingen

Een waaier aan kleur

Wat we wilden bereiken in de vroege ochtend lukte wonderwel. Om elf uur zaten we gepikt en gesteven in de auto op weg naar die grote blauwe Donau, die door de stad Mohacs stroomde en een stief uurtje later liepen we over de boulevard, waarlangs druk gebouwd werd en kennelijk in allerijl appartementen werden opgetrokken. De lantaarns, het muurtje en de wandelweg aan de voet ademden allemaal en grandeur van weleer, maar was nu vooral een toonbeeld van oud en nieuw. In de Donau dobberden twee enorme hotelschepen met een zeer steile loopplank waar net twee mannen met hun koffers zeulend omhoog gingen. Iets verderop was een veerboot heen en weer aan het varen. Nader onderzoek verklapte dat de nabije overkant een eiland bleek te zijn. Een uitspanning boven het inrij-haventje zag er uitnodigend uit en was in deze hitte niet ongewenst. Het uitzicht was prachtig.

De Donau zelf strekte en rekte zich imposant en liet het water kabbelen. Een oude tanige vrouw in een kleurrijke hippielange rok van weleer liet haar mottige oude hondje pootje baaien aan de oevers naast het veer, tenminste, dat hoopte ik. Ze pasten wonderwel bij elkaar en bij hun omgeving. Grandeur van weleer dus.

Het jonge meisje serveerde ijskoud alcoholvrij bier en wij en diverse wespen genoten daarvan en van het wonderschone uitzicht, water zover als het oog reiken kon en een schouwspel aan wandelende mensen die naar het eiland wilden of terug kwamen en de auto’s die kris kras hun plekken innamen op het veer of er af reden. Er waren badgasten bij en toeristen, mensen die gewinkeld hadden met plastic tassen en trolleys, de waterpolitie die aan het controleren was, het doordeweekse leven van een stad. De veerman draaide alsof zijn leven er van afhing aan het wiel aan de zijkant van het schip waar kennelijk een kabel aanzat, die een tweede man met zich mee trok de wal op om de lus om de bolder te leggen. Frequent voer hij heen en weer tussen de Rijnaken door die hun weg onverstoorbaar vervolgden.

Natuurlijk wilden we meer Donau en storten ons wederom in het ongewisse door de rivier te volgen, zoals we bij de Drava ook gedaan hadden. Maar we liepen stuk op kleine doodlopende weggetjes en de doorgaande weg leidde ons door bescheiden dorpen, de een nog stiller dan de andere. Tot onze verbazing reden we ineens het grote Duna-Drava Nemzetipark in. Opnieuw waren de goden ons gunstig gezind. Bij een oude arm van de Donau stapten we uit. Heel veel dood hout aan de zijkanten, staketsel van bomen staken uit het bruinige water en voor mijn ogen vloog de blauwe ijsvogel gehaast naar een veiliger plek verderop, onzichtbaar voor de lens. In de diepte trok een grote groene pad de aandacht, terwijl hij zijn kostje bij elkaar scharrelde. De weg was verrassend goed begaanbaar en liep door een dorp dat verlaten oogde. Hier en daar was een huis nog in gebruik, maar opvallend was de leegstand. Ook de school bleek al jaren buiten gebruik. ‘Ex-school’ vertaalde lief het bord ervoor en het scheefgezakte gebouw erachter bevestigde dat met nadruk. Wel zagen we er drie varkens en een biggetje lopen met opvallend lange snuiten in een goed omheind kot. Eindelijk, daar zijn de zwijnen. Iets is beter dan niets. In het ongerepte loofbos erachter zaten ze zeker, maar dan zou je in de vroege avond op pad moeten. In het midden van het park kwamen we weer een enorme vlakte bebouwd met zonnebloemen tegen en aan het eind van de weg een hek. Daar kon je alleen nog lopend verder. Dat was voor een volgende keer.

Op de terugweg zagen we een zwanenfamilie in een tweede oude arm , de Belso Beda, die statig en kalm met kroost heen en weer zwom. Op de terugweg de goudgeel verdorde maisvelden, de bruine stoppel-akkers tegen de blauwgrijze hoogste top van het Mecsekgebergte. Ongerept en een waaier aan kleur.

Overpeinzingen

Als je de tijd aan jezelf hebt

De beuk is weer aan en schittert in haar volle rode gloed. De acer, aan het begin van de tuin, verliest het van diens intense kleur als de zon er op schijnt. Gisteren was het te heet om ver weg te gaan. Het werd een dagje Datsja. Het papier lag klaar. De iPad bracht heerlijke dromerige fado’s, de temperatuur had zich aangepast aan de lome Portugese klanken en er bleef gelukkig een lauwe bries door het struweel waaien. Het was er goed toeven. Lief zat op de veranda in de rieten leunstoel.

Om te zorgen dat de penselen zich weer naar mijn wil zouden buigen, oefende ik op zomaar iets, dat uiteindelijk net zo dromerig werd als de Fado klonk. De uren streken voorbij en voor ik er erg in had, gutste het water letterlijk van mijn lijf. Het werd nu echt te heet. Dit eerste probeersel was af en het tweede stond in de basis erop. Morgen was er weer een dag.

We schoven met ons borreltje, een koud Belgisch biertje en een een even koude witte wijn, naar verschillende schaduwplekken in de tuin. Eerst de fluweelbomen, te weinig wind door de dikke juniperus-struik ervoor. Daarna achter de boeddha met uitzicht op de oude caravan die dienst deed als schuur voor het kleine tuingereedschap en toen zelfs voor de caravan met uitzicht op het beeld van de nimf met de kruik. Dat was eigenlijk een fonteintje, maar helaas had ze dat genoegen nooit mogen smaken. Wat verweerd stond ze er te staan, vertrouwd wit baken in het groen. Ik nam een foto van lief in de stoel, haha, Pa op de camping, zo oogde het. De foto’s appte ik door aan dochterlief. Volgend voorjaar staan ze hier waarschijnlijk een paar weken met hun caravan en wie weet, viel de onze op te knappen tot extra tuinhuisje annex slaapplek.

Ondertussen maakten we plannen voor vandaag. De Donau stond nog steeds bovenaan. Nu besloten we het gedegen aan te pakken en puzzelden de tocht via google Map en vooral ook via google Earth uit, zodat we niet weer voor verrassingen kwamen te staan. Mohacs werd de bestemming. Een wat grotere stad aan de Donau en een uur rijden van hier. Dat was een mooie afstand voor een dagje weg. Waarschijnlijk alleen de ochtend en de vroege namiddag, want later beloofde het 36 graden te worden en dan kon je maar beter op het erf zijn.

Opeens werd de stilte van de middag verbroken door een alarmerend gillende sirene van de ambulance, even later een brandweerwagen en twee politiewagens er achteraan. Niet veel verderop, op de weg naar Szigetvar, was kennelijk een groot ongeluk gebeurd. Het verkeer moest omgeleid worden door onze straat. Dat gebeurde bijna nooit, vertelde lief, maar nu stonden ze op de hoek bij het kruispunt heel druk het verkeer te regelen. Vlak voor het huis stopte een grote vrachtwagen met een trieste lading. Varkens voor de slacht. Ik zag door de spleten heen hun oren wapperen en hun snuitjes snuffen. Er bleken een aantal varkenshouderijen verderop te zijn.

Wij waren blij dat we hadden ontdekt dat de Penny in Szigetvar de grootste keuze Vega van alle aanwezige winkels in de omtrek had. Ze hadden überhaupt veel meer keuze. Bij de diepvriesgroenten waren sperziebonen en doperwten te krijgen en tussen de blikken vond ik kievitsbonen. Superheerlijk. Daar stond tegenover dat je moest nadenken over het tijdstip van inkoop, want er waren maar twee kassa’s met gemiddeld lange rijen. Geen probleem als je de de tijd aan jezelf hebt.

Overpeinzingen

Op onze lauweren rusten

Gisteren kwam het idee voor een verhaal over het rampjaar letterlijk binnenstormen en bleek niet meer te ontwijken te zijn. De diepte in dan maar. De dood of de gladiolen en wie niet waagt, die niet wint. Dus verdwijn ik naar de meer dan koele keuken, om de dertig graden van buiten te ontvluchtenen verzin al sparrend met Lief de ingang voor het verhaal.

Het lukte wonderwel en mondde uit in een vijf uur durende schrijfsessie. Moe en leeg geschreven en verstijfd van de kou omdat ik had verzuimd een warme trui aan te trekken, plofte ik naast lief neer, die in de schaduw van de fluweelbomen zat op te drogen. Hij had de hele tijd kleine fruitboompjes verwijderd, snoodaards die overal hun kopje opstaken, maar daarbij wel steeds de schaduw opgezocht. De temperatuur bleef moordend en de arbeid koos een eigen route om weg te vloeien.

Opa was de aanzet voor het verhaal en een in elkaar gevouwen krantenartikel in een binnenzak. De rest blijft tot publicatie binnenskamers. Het luchtte op, maar bracht toch een totale vermoeidheid met zich mee, letterlijk leeggeschreven. Geen puf meer voor het verslag van de heerlijke dag ervoor.

Op zondag wilden we de Donau opzoeken en dat leidde ons naar Barcs. Kennelijk hadden we toch iets over het hoofd gezien, want deze stad, die we als ijkpunt hadden genomen, bleek slechts over één rivier te beschikken. Daar slingerde zich de Drava in volle glorie langs. De parkeerplaats grensde aan een wandelpad en dat beloofde veel, maar het leidde ons slechts langs beboste oevers en rietkragen, met aan de andere kant een desolaat en roestig industrieterrein. Hier en daar was er een glimp van de uitgestrektheid van het water op te vangen, maar het meeste bleef te raden. Terug bij de auto besloten we op de bonnefooi langs de rivier te rijden. De weg slingerde zich er een tijdlang braaf naast en week toen af naar het ‘binnenland’. Een, twee, drie in godsnaam en God zegene de greep. Op naar het avontuur. Het werden kleine kronkelwegen, soms met diepe butsen in het geïmproviseerde wegdek, maar het bracht ons wel bij een van de juwelen waar dit land om bekend stond. Haar uitgestrekte poesta’s. Tegenwoordig doorgaans bebouwd, maar hier, in het midden van het grote niets, zaten we ineens tussen het betere werk. Ongerept en nauwelijks bereikbaar via boerenwegen en ooit aangelegde paden voor een enkele electriciteitscentrale, vanwaar uit de grote palen met hun langgerekte snoeren naar dorpen in verste verten werden geleid. Wat een schoonheid, wat een uitgestrektheid en wat een ruimte.

Op ons gelukkig gesternte en Truusje Tomtom zagen we of een weggetje doorgang vond of niet en dat behoedde voor vastlopen. Het overweldigende gevoel van nietigheid in de grootsheid van deze natuur overspoelde elke vezel.

Zo kwamen we wel weer in de bewoonde wereld. Nog even was er de hoop op een knorrend everzwijn, maar die moesten we er zelf bij denken. We bemerkten een rondje te hebben gemaakt, want we stonden weer bij Barcs en nu ontdekten we met het geluk aan onze zijde, het wandel en fietsgebied langs de Drava, dat ‘Amazon of Europe Bike Trail, heette en waar eeuwenoude bomen een parkje aan de oever van de rivier omzoomden, maar wat ook een wandel en fietspad herbergde dat een aardig aantal kilometers lang beloofde te zijn. Aan de zijkant stond een kleine uitspanning. De rivier strekte zich in al haar glorie breed uit tot zover we kijken konden.

We kuierden tussen de enkele badgast door en lief ontdekte een jonge ringslang in het water. Ze had ons, door de trilling waarschijnlijk ook waargenomen en stak parmantig maar alert haar kop boven het water, wachtte even en schoot toen de diepte in.

De aanzet van de bedding was drooggevallen en we konden om de eerste machtige pijler heen lopen. De Drava schijnt een van de schoonste rivieren te zijn. In breedte kon ze wedijveren met de Donau en verderop bleek het Duna-Drava natuurpark te liggen, waar de twee rivieren zouden samenkomen. Dat was voor een volgende keer. Nu wachtte ons een heerlijke koele lafenis met ijs op dat kleine terras en het nagenieten van alles wat we hadden meegemaakt. Na zo’n tocht mochten we eindelijk op onze lauweren rusten.

Overpeinzingen

Van vrucht naar vrucht

Gisteren een app van het thuisfront. Zoonlief had een ingenieus irrigatiesysteem ontwikkeld om op weinig stroom, met een klein zonnepaneel, de planten op de galerij water te geven. Het zag er professioneel en kien uit. Trots op onze uitvinder, die er niet voor terugdeinst om iets heel nieuws te proberen.

Hier was gisteren een overvloed aan vocht. Op een andere manier zijn er ook waterzorgen. Tenminste, de afvoer gaat met een ouderwetse sceptictank. Die moet niet te vol zitten met het gevaar op overlopen. Een bedrijf komt het in dat geval leeg pompen. De finesses zijn me onbekend, want ik heb het nog niet meegemaakt. Ben wel benieuwd. lief vindt het maar drie keer niks dat het op deze manier gaat. Ach ja, iets met de lusten en de lasten denk ik dan. Dat is wellicht tekort door de bocht. We gaan het zien en beleven.

Een thuisdag gisteren, de tweede op rij. Er moest een oud nestje met helaas een dood vogeltje boven op zolder geruimd worden, dat nam lief voor zijn rekening en ik had de kookkriebels. Dwars door de kast koken is een sport geworden. Vooral hier, waar niet teveel eten moet blijven liggen. Rijstnoedels waren voor handen en daar past een gewokte gemengde groente bij met vissaus en oestersaus en bij gebrek aan sambal wat chili. Om in beweging te blijven was ik vroeg begonnen met het gevolg dat we om half vier al aan de dis zaten. Voor mij niets vreemd, omdat ik, toen ik alleen was, nooit andere tijden hanteerde dan de maag aangaf, voor lief even wennen.

In mijn hoofd tollen mogelijkheden door elkaar. Voor het rampjaar heb ik nog geen aanknopingspunt, wel mooie verhalen over het onder water zetten en het verzet van de boeren en de vernietiging van de hervormde kerk. Ik moet eens kijken of er chocola van te maken valt.

Vamdaag gaan we naar Barcs, een dorpje aan de grens met Kroatië en tot mijn grote vreugde zag ik dat de Donau er doorheen stroomde. Als ik ergens ontzag voor heb dan zijn het die enorme brede traag stromende rivieren die zich dwars door een aantal landen slingeren. Het toonbeeld van mooi. Begrijpelijk dat er componisten dichters en schrijvers zich hebben uitgeleefd om hun verrukking voor die prachtige stroom kenbaar te maken. Als je de ogen dicht doet en je mee laat voeren met de klanken van Der Schonen Blauen Donau van Johann Strauss volg je automatisch de meanderende loop van de rivier. Claudio Magris schreef er een levensloop over die net zo meandert als de rivier zelf: Donau. Biografie van een rivier. Van Beieren tot aan de zwarte zee reist hij met hem mee en verhaalt van het ontstaan, voorbije tijden en toekomstige dromen.

‘Het zijn profetische woorden’ schrijft men in een recensie in Trouw. ‘In de verdere loop van zijn carrière is Magris zijn ideaal van open, grens- en taaloverschrijdende culturen steeds hechter gaan verbinden met het idee van een werkelijk verenigd Europa waarin ‘grenzen tussen landen en culturen eerder bruggen dan obstakels vormen’. En echte klassieker en zeer de moeite waard. De Donau, ik zet Strauss op en laat de muziek van het Wiener Philharmonischer golven over de groene oase, waarin de tuin sedert de regendagen veranderd is. Ineens komt de zon door alsof ze zich geroepen voelt. Een sprankje hoop die het land in een oase verandert. De grote witte koningspage deelt in de vreugde en fladdert tevreden met haar mee van vrucht naar vrucht.

Overpeinzingen

Ware vrijheid

Na gisterenavond hier op de veranda de regen te hebben omarmd, werden we verblijd met de muzikale Hongaarse klanken van een feest hier aan de overkant van de grote doorgangsweg. Met het ritme van de regen op het dak van het overdekte terras extra feestelijk en gezellig.

Op Facebook komt er een link langs met daarin een artikel over Liesbeth Woertman. Ik ga naarstig op zoek naar artikelen van haar en kom uit bij de volgende quote: ‘Je voelt je niet op je mooist in de narcistische bewondering, maar juist in het aangeraakt worden. Je wordt gemaakt in de fysieke aanraking, en je voelt je geweldig door de bevestiging en de nabijheid. Mooi zijn heeft te maken met momenten waarop je met jezelf samenvalt. Met uitzinnig dansen, of een zoen op de fiets. Juist als je niet met je uiterlijk bezig bent, ben je op je mooist.’

Het is zo waar wat daar staat. Het is wat ik persoonlijk ondervind nu wij elkaar opnieuw gevonden hebben. Het vertrouwen was er al, blind zelfs wist ik nog van onze eerste acht jaar samen, maar nu sterker dan ooit. Samen oud worden en er voor gaan is een stap, waarin we beiden nauwelijks meer geloofden, maar wat een meerwaarde heeft het ons gebracht. Dat spiegelt zich in alles waar we mee bezig zijn. Mogen zijn wie je bent op alle fronten is om te koesteren, een groot goed. We herkennen het in de rust die over alles heen filtert, de glans in de ogen, het ontspannen gelaat, de groei in het elkaar vinden en de veranderingen die het brengt. We bespreken het en komen tot de conclusie dat het leven goed is voor ons beide, bekroond met dit samenzijn. Zonder sentimenteel te worden overigens, maar wat er is mag benoemd worden.

Gisteren kregen we bezoek. Het echtpaar met hondje, waar Lief, tijdens hun reizen naar Nederland, iedere keer weer op had gepast. Beiden gepensioneerd. Hij had jarenlang in allerlei landen als consul gewerkt en zij ging met hem mee om hem daarin te steunen en vrijwilligerswerk te doen voor organisaties en waar dat nodig was. Ze hadden in verschillende culturen gewerkt en geleefd, het nodige meegemaakt en veel gezien en gehoord.

Het werd een geanimeerd en boeiend gesprek. Heerlijk om mensen te ontmoeten uit een andere leefwereld. Koekjes bij de koffie en over en weer niet uitgepraat raken, dat was zo ongeveer de strekking. Het vriendelijke hondje snuffelde en bedelde zijn behoefte aan aandacht bij elkaar. Beloven elkaar gauw te zien, de volgende keer als we hier zijn en uitwuiven, lekker ouderwets. Aan beide zijden de armen uit het raampje. Dag, dag.

De natuur heeft zich voorgenomen om dit uitgedroogde stuk land eens goed te doordrenken. Er komt geen einde aan. Wij lezen en schrijven ons er doorheen en ervaren het niet als een bezwaar. In tegendeel. In mijn hoofd speelt het rampjaar 1672 op, het verhaal voor de scholen moet gaan over dat stukje geschiedenis. De vraag is wie ik als hoofdpersoon opvoer. Een fictieve molenaarsdochter of een boerenzoon. Het wachten is op die ingeving die altijd en overal komen zal.

Lief leest De Keuze van Edith Eva Eger en is in het vooroorlogse Hongarije. Ik reis met Marten Toonder af naar Amsterdam, waar de belegering een feit is en er allerlei wegen gevonden moeten worden om door te kunnen blijven werken. Verguizen of omarmen daar komt het op neer. Moeilijke keuzes allemaal, maar om met Edith te spreken, die is er wel. Samen bespreken we bepaalde passages en toetsen het aan onze leefwereld. Wat zou jij doen in dezelfde omstandigheden. Die zijn zo verschrikkelijk dat het nauwelijks voor te stellen is. De belangrijkste zin is die van haar moeder aan haar: ‘We weten niet wat er gaat gebeuren. Maar onthou, dat niemand dat wat je in je eigen gedachten hebt van je af kan pakken’. In dat advies huist ware vrijheid

Overpeinzingen

Glazig keken ze op ons neer

Gisteren begon de dag met het prepareren van vier vellen papier met gesso. Dankzij de verhandeling over negatieve ruimten en de oefening erbij uit het boek tekenen met je rechterbrein was ik enthousiast geworden over de bereikte resultaten. Hoe anders kijken we dan. nu zie ik al een tijdje de negatieve ruimten eerder dan het object. Haha. Het moet niet gekker worden.

In verband met de kramp die nogal eens op komt zetten in de benen ‘s nachts, was er de gedachte aan het tekort aan beweging. Normaal gesproken is er in Nederland de dagelijkse gang van vier trappen naar de galerij, op en af, en dan nog het trappengeloop in huis zelf. Hier hoef ik slechts over het landgoed te sloffen en nauwelijks te klimmen. Eerst dacht ik aan het opstapje bij het terras om die vier keer per dag zo’n tien keer te nemen, maar lief herinnerde me aan de trap naar de slaapkamer boven. Natuurlijk. Goeie work-out. Vier keer per dag op en af, en dat natuurlijk minimaal. Meer is altijd beter.

Na een dag van schrijven, lezen, puzzelen en vooral veel tekenen werd het tijd voor een nieuwe verkenningstocht. De omgeving van Orfu stond op het programma. Er was een groot meer met een wandelpad rondom. De weg er naar toe was adembenemend mooi. Wat een kleurenpalet heeft men hier rondgestrooid en dan de uitgestrektheid, iets waar wij in Nederland lyrisch over zouden zijn. Het laatste stuk ging dwars door het Mecsekgebergte en ontvouwde daar een ongerepte schoonheid dat golvend met de auto meereed. Onderweg moest natuurlijk het prachtige dal vastgelegd worden, daar diep beneden ons. Het grote meer met het omliggende dorp, van hieruit huizen argeloos uitgestrooid langs de randen van het water, strekte zich langgerekt en in volle glorie uit. Achter ons de akkervelden, geelgoud gestoppelde tarwevelden, een veelvoud aan groenen in alle tinten die er maar konden zijn, afgewisseld met steppen en toendra’s. Adembenemend mooi.

Het zien ervan is voldoende. Er hoeft niet aangemeerd te worden bij de vele uitspanningen waar badgasten de inwendige mens aan het versterken zijn. Een wandeling over het voetpad leert ook hier de vele visplekken die het meer rijk is, onbereikbaar, afgesloten en particulier, en de hoge rietkragen waar niet overheen te kijken valt. Aan de rechterkant van de parkeerplaats ontdekken we een enorm zwembad, maar kennelijk is het naseizoen al begonnen, want het is dicht. De schamele doorkijkjes die er waren, lieten ons een meer zien, waar jonge kinderen in zeilbootjes, kleine polywoods, aan het oefenen waren met gijpen en overstag gaan. Wendbare witte vlekken in het rimpeloze water. Ergens in het midden zwom een koppel statige zwanen met hun al bijna volgroeide kroost, zes stuks in totaal en boven het hoofd cirkelde opnieuw een visarend of een andere grote roofvogel.

Terug in Szigetvar op het raadhuisplein met de statige gesloten kerk, eveneens ooit een moskee, sloten we de dag af met een aperitief. De ijskoude Rieslinger werd geschonken in een enorme bel met ijs. De bewoners oogden kunstzinnig en modern of gemoedelijk en dorps. De pizzeria waar we zaten was duidelijk een stamkroeg en een ontmoetingsplek.

Er was een kringloop, ontdekte ik. Second-hand shop heette het. In graaibakken ervoor lag de kleding. Daarnaast een goedkope kledingwinkel waar een Aziatische meneer de scepter zwaaide, compleet met mondkapje. Het ging hier vooral om veel. Er was veel van alles. Men kon terecht voor een complete uitrusting, ook voor schoenen, tassen en een hoed. Voor twee of drie euro viel er een linnen jurkje te scoren, die doorgaans op alle markten van Europa te vinden was. Exclusiviteit was er vooral in de verderop gelegen authentieke winkeltjes met de kleine etalages en een hoog jaren vijftig gehalte aan etalagepoppen en uitgestalde jurken. Glazig keken ze op ons neer.

Overpeinzingen

De stilte omarmde ons

Na die heerlijke regen in de ochtend, werd het ‘s middags dampend droog. Het leek alsof de natuur zich had herpakt en levendiger werd dan ooit. Maar tamme merelman, die iedere dag dichterbij kwam hippen en ons voortdurend in ogenschouw nam, was verdwenen. Had de zwarte poes, dat magere scharminkel dat schuw binnen kwam sluipen, er iets mee te maken. Gek genoeg waren we aan die jonge merel gewend geraakt. We missen hem nu. Poezen horen niet in dit vogelparadijs. Dat vinden ook de twee Turkse tortels die heftig misbaar maken als zo’n indringer zich meldt.

Lief wist een mooi natuurgebied, daar wilden we heen. Eerst de boodschappen bij de vertrouwde supermarkt met Belgische dure biertjes in het schap. Dat feest wilde hij zich niet ontnemen. Duur is relatief hier, alles is goedkoper. Benzine is helemaal een feest.

Met een volle tank reden we naar Terecsenye en kwamen eerst terecht in het dorp, maar huizen, ook al zijn ze nog zo vrolijk en uitbundig gekleurd, wilde ik niet zien. Een klein onooglijk weggetje verderop bleek de juiste. Daar reden we een groot natuurgebied in met een wildpark vol edelherten, damherten en vooral everzwijnen. Maar rechts stond om het hele gebied schrikdraad. Er was sprake van de een of andere infectieziekte, zo stond op een bord te lezen, die vooral bij de zwijnen voor bleek te komen en door isolatie probeerden ze erger te voorkomen. We konden wel de prachtige sfeer proeven en opsnuiven. De immens hoge eeuwenoude dennen gaven het laaggebergte een imposante aanblik. Er tussendoor konden we dalen en volgende hoge heuvels zien. Opmerkelijk was de zuiverheid en de stilte in die oerbossen.

De woudreuzen hadden kennelijk hun potloden geslepen, daar lag een hele stapel puntig en wel te wachten op de verwerking. In míjn verbeelding bewogen ze zich traag met grote stappen als de gelaarsde kat, door het gebied heen en schreven hun boodschappen in de wolken.

Een vogel liet een waarschuwende kreet horen en nog een paar keer, daarna vloog hij verstoord op, een enorm beest, die we niet goed konden zien maar in de buurt van een adelaar of visarend kwam, qua grootte. Het gebied heette adelaarsweide.

We konden niet anders dan haast met eerbied over het begaanbare pad te lopen, in de wetenschap dat er een wereld vol leven om ons heen ritselde, waar wij geen deel van uitmaakten. Woudleven, puur en ongerept. Wat een prachtige ontmoeting.

Met de auto reden we even later de enige weg die er was aangelegd af en kwamen aan de voet van een van de heuvels over een spoorbaantje heen bij een hotel-restaurant en reden door naar de Bosbouwschool, waar een groepje mensen zaten te picknicken en er een grappige dennenhouten au naturel speelplek was aangelegd.

Daar ging het asfalt over in een bergweggetje die we, wijselijk door de eerder opgedane ervaringen, links lieten liggen. We besloten bij het restaurant wat te gaan drinken. In de kalmte en met nog twee hotelgasten op het terras, een gerant die Engels sprak en vier bierviltjes bij ons aperitief gaf tegen het gevleugelde grut, ontdekten we hoe handig het was als je je glas er mee afsloot. Een wesp had zich al dronken gezwommen in het bier van lief. Die had hem omzichtig gered en ze lag bij te komen tussen de blaadjes van de groene klaver in.

De weidsheid van de natuur bracht zoveel rust. De stilte omarmde ons.