Overpeinzingen

Dat zal zoet smaken

De dag begon als altijd stralend. De laatste keer in Verweggistan voor een tijdje betekende in het hart afscheid nemen van wat zo’n geliefde plek is geworden. Ik dacht aan Wieteke van Dort. ‘Dag huis, dag tuin, dag opbergschuur‘. Zo’n lief simpel zinnetje uit een kinderprogramma, ooit ook te horen bij het radioprogramma ‘Lawaaipapegaai’ en het loopt al vanaf het prille begin dat ik het hoorde met me mee.

Het is bijna vier uur ‘s nachts en de reis zit nog in mijn benen en in mijn hoofd. Wat een lange rit was het. Acht uur en drie kwartier en nog 45 minuten extra door een lange file in Oostenrijk. Stapvoets de tunnel door. Slechts door wegwerkzaamheden, maar dan nog. We reden pardoes, dankzij Truusje Tomtom een nieuwe route en slopen Slovenie op kousenvoeten binnen, zo onverwacht, dat we het vignet niet hadden gekocht bij de grens omdat we de hele grensovergang niet hadden meegekregen. Risico van de bovenste plank, maar we waren al halverwege dus zijn toch maar zonder verder gereden. Wie zich brandt, moet op de blaren zitten. Het risico is voor ons.

Hongarije is mooi, ongerept, puur en bij tijd en wijle ruig. Ik hou van de vervallen huisjes, die her en der verlaten tussen de opgeknapte nieuwe staan, ik hou van de kleuren die ze er aan geven. Geen pasteltjes maar fel oranje, geel, rood en zelfs paars. Ik hou van de ruige puszta’s en het grote wild, dat vrij rondloopt en de vlinder-en vogelsoorten, die je er treft. Slovenie is lieflijk. Het lijkt alsof een grote hand af en toe een dorpje de heuvels in heeft gevleid en dat ze zich daar koesteren in dat gazonne-groen.

Voor we het wisten was Oostenrijk in beeld, dit keer over de weg naar Salzburg/Linz. De tunnels speelden een spel met ons. Lang, langer, langst en onttrokken een eindeloos stuk landschap aan het oog. Goed verlicht en ruim, behalve die ene tweebaans waar we in de file stonden. Lange rijen auto’s, met handen of armen uit de raampjes en blote voeten tegen de ruit naast de bestuurder om het lange wachten en de warmte te doorbreken. De bergen strekten zich uit, imposant en hoog. Hier en daar, waar regen broeide, hadden de woudreuzen hun lange grijze baarden uitgewaaierd over de dennenbossen. Grijsblauwe tinten erboven, kleurrijk schouwspel.

Zodra Duitsland zich aandiende veranderde het landschap mee. Er zijn wel bergen, die van het Beierse woud, maar ze zijn als een schaduw. De auto zoeft zich een weg tussen alles door, bij het klimmen op benzine, bij de afdaling op de eco. Wat een luxe.

Internet lag er uit, maar die hadden we nauwelijks nodig. Het betekende wel dat we zonder muziek zaten. Dan maar zelf wat liedjes neuriën aan de hand van te binnen geschoten zinnen. Strakjes, na nog wat uurtjes slapen, is er een korte rit van ongeveer vijf uur. Een eitje voor de echte langrijders. Lief haalde de ene herinnering na de andere op met de andere doorreizen naar Verweggistan. Reizen met vier honden betekende wel dat je veel meer stops moest maken. Als het even kan, rijden wij door. De wegrestaurants waren vooral in Slovenie en Oostenrijk als echte doorgangslanden heel druk en voor het eerst zagen we weer echte toeristen op de weg. Italianen, Tsjechen, Kroaten, Engelse en Nederlanders met af en toe een Roemeen.

Nu is er weer de stilte van de kamer in een uitstekend hotel en de reis in mijn hoofd die, nu het allemaal geschreven is, langzaamaan vervaagt en verdwijnt. Klaas Vaak heeft vast nog wat extra zand om te strooien. Dromenland met bergen, woudreuzen en geheimzinnige lange grijze baarden, witte wieven over de bergen. Dat zal zoet smaken.