Uncategorized

Wonderschone volksmuziek

Ellen van Damme kan het. Ze dook in de tijd en vond in ‘Negen koffers’ de rijkdom van het vroegere LiLaLo-theater terug, om die met een volharding om te smeden tot haar nieuwe repertoire. Daarbij vroeg ze zich wel regelmatig af of er nog mensen zouden zitten te wachten op deze Jiddishe muziek.

De documentaire van de EO gisteren was prachtig. Er waren fragmenten van het Jiddisch Huiskamertheater van Jacques en Jossy Halland te zien onder andere op hun reizen als rondtrekkende nomaden en kleinkunstenaars. Ellen zien we ook ronddolen. In Parijs met prachtige beelden van deze kleurrijke vrouw door de stille straten van Parijs. Haar moeizame veroveringen om zich de schwung van het Jiddish eigen te maken, met haar vriend, met het orkest en met een vriend die zelf als tweede taal met het Jiddish was opgegroeid. De documentaire heet ‘Negen Koffers’ en toont de vorderingen van Ellen in haar zoektocht naar dit wonderschone repertoire vanaf een heel pril stadium. Daarin is ze kwetsbaar en zoekend, heel anders dan hoe ze overkomt op een podium. Maar al ontdekkend wordt ze steeds meer één met de muziek van deze twee theatermakers, waarbij ze zich alleszins herkent in hun levensfilosofie: ‘Verbroederen, mooie dingen maken, niet oordelen’. Zo probeert ze ook in het leven te staan.

Zoals bij alles wat ze onder handen krijgt, lukt het dit keer weer om de ziel van het Jiddishe lied in de vingers te krijgen en ze maakt er een prachtige vertolking van. Niet hetzelfde als Jossy, dat wil ze niet, maar als Ellen die dat prachtige doorleefde repertoire durft te zingen.

Hongaars

Het mijmerde door, over het Volksdansfestival in Vierhouten in de jaren tachtig, waar altijd wel een Klezmerorkest te vinden was met die wonderlijke mengeling van wonderschoon, weemoed en droevenis, maar ook van losbarstende vreugde, onbekommerde blijdschap en verbondenheid onderling. Altijd deelden ze de beleving met hun publiek. Er werd spontaan meegezongen, gedanst en gefeest op de galmende zangerige toon van de klarinet, die luid oorkonde deed van haar zielenroerselen, versterkt door de echo die terug spatte van het tentdoek hoog boven ons. Verbroedering was er zeker te vinden, zoals bij welke vorm van dans en muziek uit al die omringende landen dan ook.

Soms werden we op onze wei in alle vroegte gewekt door het snerpende geluid van de Zurla en de doffe ritmische dreunen van de Tapan. Dan lag je te stuiteren in je slaapzak en was er niet meer voor nodig dan je kaplaarzen of je schoenen om in pyjama met de nog kreukelige slaapgezichten, wakker te worden bij de eerste schreden op een Turkse Hora, die dan weer Horon heette en recht te trekken.

Vele jaren achter elkaar was dit iets om naar uit te kijken en helemaal los te gaan. Later ook met de kinderen erbij, die een volstrekt eigen programma kregen voorgeschoteld en vaak ook met ons meededen. Het had in het geheel niet de sfeer van dansen onder de meiboom. Bulgaars, Grieks, Roemeens, Macedonisch waren toch wel mijn lievelingsdansen en wel zo moeilijk en snel mogelijk, we waren gevorderden. Dat was overdag, maar ‘s avonds danste weer alles door elkaar, jong, oud, langzaam, snel, moeilijk, eenvoudig, als er maar grenzeloos veel plezier gemaakt kon worden. Het feest duurde tot in de kleine uurtjes en tot de damp van de tent kil optrok in de koude nacht.

Met weemoed denk ik er aan terug, maar ook met warmte en ik voel nog steeds dezelfde passie bij het horen van de klanken van een Klezmerklarinet, het geschetter van de Zurla of de Bulgaarse Tamboura. Muziek is. De balsem voor je oren, zeker deze wonderschone volksmuziek.

jeugdliteratuur

Het verdwenen zwaard

Pluis bedelt om aandacht. Ze wrijft met haar kopje tegen de iPad aan en drukt mij met de neus op de letters. Daarna nestelt ze zich genoegzaam als lessenaartje. Handig. Het eerste boek is uit, de tweede op de helft nog twee en een half te gaan, want de allereerste van de vijf, een graphic novel, was al verslonden bij binnenkomst. Dat zegt veel over het verhaal.

Een van de korte verhalen die ik na de zomervakantie schreef voor de basisscholen in Nieuwegein voor groep 7 en 8, was die van het verdwenen zwaard. Hier in Nieuwegein was voor de vakantie een Middeleeuws zwaard gevonden op bedrijventerrein Het Klooster. Met die gedachte rollen en buitelen de zinnen al door mijn hoofd. Nu het gepubliceerd is, neem ik jullie mee in het verhaal van:

Het Verdwenen Zwaard

‘Er was eens, lang geleden, een edelman die op weg was van Traiectum naar Dorestad. Halverwege zocht hij een smederij op om zijn paard te laten verzorgen. Daar overkwam hem het volgende:

Uit de oude smederij klonken de hamerslagen op het aambeeld en maakten hun eigen lied. Er bovenuit zong een knecht uit volle borst mee, terwijl hij buiten de smidse het paard van een edelman onder zijn hoede had genomen, de hoeven schoon schraapte en van nieuwe hoefijzers voorzag. Het was een lied van verlangen. ‘Je had troubadour moeten worden’, lachte de edelman. ‘Bespeel je de luit?’ ‘Haha, nee Heer’, antwoordde de knecht. ‘Ik ken alleen mijn eigen stem op het ritme van het slagen van de smid’. ‘Er moet wel iets heel moois op het aambeeld liggen als de slagen dit prachtige lied omhoog laten borrelen’ zei de edelman. Trots krulde de mondhoeken van de knecht omhoog en veegde een rode blos over zijn wangen. ‘Mijn meester maakt de mooiste zwaarden uit de hele omtrek, Heer. Men spreekt van onverwoestbaar en van toverkracht. ‘Een goed zwaard overwint zichzelf en strijdt voor rechtvaardigheid’, zegt mijn meester altijd’.  De edelman keek hem peinzend aan. ‘Dat zijn wijze woorden voor een smid’, merkte hij op. ‘Ik zou graag eens kennis met hem maken’. ‘Als hij een zwaard aan het smeden is kunnen we hem niet storen, Heer. Een zwaard, ononderbroken uit een stuk gesmeed geeft het onoverwinnelijke kracht’. 

De Edelman keek om zich heen. De abd uit het klooster had hem voor de nacht een veilige slaapplaats aangeboden. De volgende dag zou hij zijn tocht pas voortzetten, maar vanavond had hij, voordat de maaltijd in de refter zou worden opgediend, tijd om een praatje met deze smid te gaan maken. De woorden van de knecht hadden zijn nieuwsgierigheid gewekt. Zo’n bijzonder zwaard moest hij met eigen ogen aanschouwen. In de avond wandelde hij naar de smederij, waar de smid op het bankje voor zijn werkplaats zat, met een verhit gezicht en zijn leren voorschoot nog voor. De knecht was nergens te bekennen. 

‘Beste smid’, zei de edelman. ‘Uw knecht vertelde mij uw bijzondere gave’. ‘Knechten en dienstmaagden kunnen beter de oren spitsen en de lippen sluiten’ bromde de smid en streek over zijn grijze baard. ‘Hij was trots op zijn meester’, zei de edelman, ‘en hij had denk ik gelijk. Het zwaard dat U smeedde, was dat in opdracht of is het te koop’. De smid had de edelman al gewikt en gewogen. ‘Vertel me eens, als U het zwaard in handen had, wat zou U ermee gaan doen, Heer’. ‘Ik zou het met eerbied dragen en alleen uit de schede halen als daar directe aanleiding voor was. ik gebruik het zwaard zodat het recht zal zegevieren straks op mijn kruisvaarders tochten. Een goed zwaard zou me zeer ten dienste zijn’. De smid stond op, beende naar binnen en kwam met het zwaard naar buiten. Terwijl hij het zwaard bij het gevest uit de schede trok, orakelde hij met luide stem: ‘Wie mij lief heeft, bescherm ik, wie mij onachtzaam gebruikt voor dood en verderf krijgt met mijn kracht te maken en zal zijn kruis moeten dragen’. Waarna hij het zwaard ophief, zodat het blikkerde in de laatste zonnestralen. De edelman was onder de indruk en boog eerbiedig zijn hoofd bij het zien van dit prachtige kunstwerk. De smid overhandigde hem het zwaard en vroeg hem hoe hij er zeker van kon zijn dat de edelman te vertrouwen was. ‘Met de hand op mijn hart bezweer ik U, ‘Een man een man, een woord een woord’ en het woord van een edelman is meer dan ik U geven kan’. Toch diepte hij nog een leren buideltje op waar tien zilveren munten in zaten. Dit moet genoeg zijn om uw aambeeld en de hamer opnieuw te laten zingen’. ‘Ruim voldoende, Heer’ antwoordde de smid. ‘Gebruik het zwaard met ziel en zaligheid’.

De edelman stak het zwaard weg en liep peinzend terug naar de abdij, net op tijd voor een eenvoudig maal in de refter, dat door hem en de monniken zwijgend werd genuttigd. Alleen in de stilte op zijn brits legde hij het zwaard naast hem neer en viel, met een hand op het gevest, in slaap.  De volgende morgen nog voor de zon helemaal op was, nam de abd afscheid van hem en zegende de edelman en zijn zwaard. Daarop gaf deze zijn paard de sporen.  

Jaren verstreken en de vrome edelman werd een dapper kruisvaarder, die onoverwinnelijk scheen. Het zwaard had menig keer het recht laten zegevieren, precies zoals de meestersmid voorspeld had. Toen zijn zoon hem op zou volgen en eveneens ging strijden in de kruistochten, besloot de edelman nog eenmaal de meestersmid te bezoeken om een zwaard voor zijn zoon aan  te schaffen. Bij een groot meer vlakbij de kleine nederzetting waar de smidse was, besloot hij even te rusten en viel van vermoeidheid in slaap. 

In de bossen rond het meer joegen brutale groepen roofridders  op geld en goederen. Een van hen had de edelman al van verre aan zien komen en zijn vrienden gewaarschuwd. Hun leider wist dat hij behoedzaam te werk moest gaan, omdat de man een kruisvaarder was getuige het geborduurde kruis op zijn borst. Hij gebaarde zijn vrienden stil te zijn en sloop op de slapende edelman af. Voordat hij ook maar iets kon doen had de roofridder het zwaard uit de schede getrokken en stond met de punt van het zwaard recht boven het hart van zijn slachtoffer. ‘Je geld of je leven’, dreigde zijn belager, maar hij had de woorden nog niet uitgesproken of er klonken slagen van een hamer op een aambeeld en daar bovenuit zong een sonore stem een lied van verlangen. 

De roofridder stond als aan de grond genageld net als zijn makkers en hij liet van schrik het gevest los. Het zwaard bleef echter trillend staan in de lucht, draaide zich vliegensvlug om en de punt wees nu naar de overvaller. Een galmende stem klonk’ ‘Wie mij lief heeft bescherm ik, wie mij onachtzaam voor dood en verderf gebruikt, krijgt  met mijn kracht te maken en zal zijn kruis moeten dragen’. De mannen wendden zich angstig af, overtuigd dat het zwaard behekst moest zijn en sloegen snel een kruis. Op dat moment vloog het zwaard met drie grote omwentelingen richting het meer, bleef even boven het drabbige water hangen en dook de diepte in. De overvallers vlogen hals over kop en sidderend van angst terug naar de bossen. De edelman, nauwelijks bekomen van de wrede verstoring en het wonderlijke voorval, zette spoorslags zijn tocht voort. Hij had een dringende vraag voor de meestersmid. 

Deze zat op zijn vertrouwde plek voor de hut en streek over zijn baard. ‘Ik wist dat U komen zou, Heer. Het zwaard voor Uw zoon is klaar en heeft dezelfde eigenschappen als het Uwe’. De edelman was niet verbaasd over de voorkennis van de smid. ‘Slechts een vraag nog, Meester. Waarom verdween het zwaard zo plotseling? ‘Daar had hij een goede reden voor. Zodra dit onoverwinnelijke zwaard in handen zou komen van gespuis kon het nooit meer onfeilbaar het recht laten zegevieren. Ter  bescherming hief het zichzelf op’. ‘En de rovers’? ‘Die zullen gestraft worden van hogerhand’, zei de smid en wees naar boven. Peinzend reed de edelman richting de abdij en keek omhoog. ‘’s Heren wegen zijn ondoorgrondelijk’. wist hij. 

Uncategorized

De deadline is in zicht

Zoonlief heeft me gisteren gewoon ontvoerd. Hij vroeg of ik over tien minuten klaar kon staan om me te nestelen in zijn luxe leren stoel van de auto. Limousine-achtingen associatie. ‘Wat gaan we doen’. ‘Wandelen en even gezellig samen zijn ergens in de buurt van Arnhem’. Knie mag geen inspanning deze week, maar dat was geen punt, want anders bleef ik gewoon zitten waar ik zat. Het miezerde en met angst en beven bedacht ik me, dat het voor een wandeling pittig heuvelig was. In mijn optiek waren het bergen, onbegaanbare bergen. Wat een schoonheid zag ik vanuit mijn luxe zetel voorbij trekken. Wat doen we toch in de randstad, vroeg ik me nogmaals hardop af.

Onderweg vroeg hij het hemd van mijn lijf over vroeger. Het verkeer. Ach jongen, de auto’s in de straat waren te tellen, buiten de karren van de handelaren. De groenteboer met paard en wagen, de melkboer met zijn container vol melk achterop de kar, waaruit we een halve of een hele liter konden tappen, de bakker met zijn glimmende kar, die wedijverde met het verse brood erop, de visboer met zijn zure bommen en hom en kuit, de kolenboer met zijn vegen in het gezicht en de linnen witte zak op zijn hoofd om de kolen te sjouwen. Mijn vader had een auto, omdat hij er zelf aan sleutelde, gewoon op straat of in de garage van zijn beste vriend. ‘ Werkte oma ook’, was de wedervraag. In huis, lieverd. De was nam al een hele dag in beslag, eten koken, sokken stoppen, kousen mazen, strijken, enorme hoeveelheden groenten voor dertien personen klaar maken, de kachel brandend houden en de bedden opmaken, kinderen in bad doen, eerst in de teil en later in de douchebak en in het weekend soep maken voor de jongens van het eerste elftal, waar mijn vader voorzitter van was. Daarna zoomden we in op mijn broers. Wat een fijn samenzijn zo met de zoemende verwarming en de bijna geruisloze motor. Buiten was het guur, hier binnen de nostalgie, de overlevering en de herinneringen.

De daad van zoonlief was een bliksemafleider van de eerste soort onder het mom van ‘ Even wat anders’ en een hernieuwde kennismaking met zijn schoonfamilie. Alles op veilige afstand met scan. Grote tafel in een ruim oord. Hoge plafonds, aangename industriële uitstraling met vleugjes oud weleer. Kleindochter had een domino in het Moluks bij zich. De rondjes uitgespreid op de tafel, ‘Doe je mee, Oma’. Bedelende blik. Tuurlijk doe ik mee en kom alle namen van lang geleden tegen, toen de Tong-Tongfair nog tot de jaarlijkse vaste bezoeken behoorden. Bintang, Mata Hari, Bulan….wat een leuk spel is dit. Kleindochter draaide wel erg veel rondjes om per keer en won glansrijk. Daarna kwamen de Jenga-blokjes op tafel en kreeg ze het voor elkaar dat iedereen mee ging spelen.

Wat een lieve familie, wat een mooie klik tussen ons en wat een goede daad van zoonlief. Gewandeld werd er niet meer en knie veerde op van pure blijdschap. Op de terugweg was er een app van de hoofdredacteur van ons blad met een prachtig compliment over een van mijn recensies. Een stimulans om vooral zo door te gaan.

Zuslief had ondertussen op de piano alle altpartijen uitgewerkt en opgestuurd. Vandaag ben ik er niet bij als het ensemble bij elkaar komt. Volgende week wil ik de boosterprik. Daarna zal ik me weer vrij en onbekommerd voelen. De oude Sint laat ik aan me voorbij gaan. Dat komt later wel weer.

Nu snel aan de kinderboeken en de uitwerking ervan. De deadline is in zicht.

Uncategorized

Winteren ten voeten uit

Ja, Toon Tellegen in de brievenbus. Het lijkt een pakje gebakken lucht, zo klein is het formaat van deze gedichtenbundel in het grote beschermende karton, maar het zijn kleine juweeltjes om over na te denken. Soms somber en ironisch van toon, soms lieflijk en zacht. Maar altijd herkenbaar en invoelbaar, altijd woorden die meer zeggen dan hun uitgesproken samenstelling en meer nog, wordt er tussen de zinnen oneindig veel verteld.

Gisteren was ik, bij het zien van dochterlief, zomaar ineens verdrietig. De allenigheid drukte zwaar tegen mijn slapen. De moeilijke keuzes die de hele tijd gemaakt moesten worden, de afwegingen over wat nou wel of niet verstandig was, de blije maar gemiste gezichten van zoon en schoondochterlief en de kinderen op het scherm van de pc, de somberte in het stille huis, de pijn in knie en pols en nog wat niet waardige feiten die, opgeteld, net een paar druppels teveel in de emmer van de vrije gedachte werden.

Ze had me gevonden in elkaar gedoken in een hazenslaapje in de bijna donkere kamer ondanks de brandende waxinelichtjes en bracht warmte en haar ongerustheid met zich mee. Het zijn de zeldzame momenten dat ik behoefte voel om even te leunen, even een schouder om op te rusten. Dat zijn de momenten dat ik met Toon kan zeggen:

Kleine demonen bijten zachtjes in mijn oor/kriebelen in mijn nek,fluisteren wat ze anders willen dan ik,/ bedenken woorden, zinnen die ik niet moet zeggen/laten me onthouden wat ik niet wil onthouden,/lachen me stilletjes en met de beste bedoelingen uit,/gaan overal met mij mee naartoe./. grote demonen zijn te oud daarvoor/hebben hun eigen kleine demonen/ komen af en toe nog langs/ voor een klein, verwoestend bezoek.

‘Tot de winter er op volgt’ is een gedichtenbundel van een man die ouder, onmiskenbaar ouder, wordt en met verlies, verlangen en berusting de eeuwenoude gang van zaken het hoofd biedt, maar ook ruimte laat voor twijfel. Nee, het is nog niet gedaan. ‘We worden oud, het oud van de eeuwige jeugd en de verbeelding’ schrijft Toon.

Zo overvallen die kleine demonen je en leiden de gedachtengangen in eigen banen. Het kan niet altijd rozengeur en maneschijn, een onwaarachtig leven, zijn. Er zijn altijd bergen geweest om te slechten, wegen om te wankelen, het volgen van het verkeerde pad, tot de dwaling, rechtgebogen door omstandigheden, aarzelende schreden zette, nieuwe keuzes maakte. Steeds opnieuw het vallen en opstaan en een rotsvast vertrouwen, dat het goed komt. Ook in het uur van verdriet. Verdriet mag er zijn, eenzaam voelen aan het eind van een lege dag mag, vooruitzichten op een lange winter dragen haastig wat haken en ogen aan, waarachter je bij tijd en wijle mag blijven hangen. Heel even somberen om straks, morgen, vandaag, verder te kunnen gaan.

Dochterlief kwam precies op het juiste moment met de troost van de warme thee, medeleven, afleiding en het luisterend oor. Het zet aan het denken. Heb ik mijn moeder ooit zo aangetroffen. Tijdens de wandelingen, hoe heerlijk te ventileren als je loopt, gingen we vaker de diepte in, maar diepste emoties werden toch altijd en herkenbaar verpakt in een wolk van optimisme of een vleug van gedecideerd wegwuiven. Leen Jongewaard zong in die dagen: ‘Kom Kees, het is maar tijdelijk, het zal wel weer overgaan…’

Precies dat onverwoestbare droeg ze uit. Niet bij de pakken neerzitten, maar er overheen stappen en daarmee de scherpe kanten er af schaven. Er is heel wat geschaafd en gebeiteld, destijds en later, een leven lang. Pleng een traan, duik er diep in, om daarna verder te kunnen gaan. De gedachten even flink husselen en schudden, nieuwe daden stellen en balans zoeken. Winteren ten voeten uit.

Uncategorized

Alles kan altijd erger

Lezen, lezen, lezen, aan een stuk door. Zodra de ogen open zijn, glijdt het boek op schoot en vliegen de letters langs mijn nauwelijks geopende spieders. Ze doen het werk wel. Dit dient aandacht, dat kan gescand, hier dient over nagedacht te worden, hé, dit is opmerkelijk. Schrijven, lezen, krabbelen, lezen, schemaatje maken, lezen. Waarom zijn we niet allemaal humanist geworden, bekruipt me, bij de heldere uitleg van deze Erasmus. Respect voor deze vorser en wetenschapper, deze onafhankelijke denker. Wat een taallievende aardbewoner.

Waarom is zijn leer niet eerder van stal gehaald, hier had de moderne mens, de wetenschapper zo mee uit de voeten gekund. Binnen een week heeft zich een tijdperk ontsloten waar ik alleen de oppervlakkige kant van ken. Die heerlijke katholieke riten, ook die vervelende regeltjes, die te allen tijde doorgingen, ongeacht de omstandigheden. De humanisten, wat is hun verhaal eigenlijk. Nader onderzoek leert vijf vormen kennen. Mijn bewondering voor deze man, die zo trouw is aan zijn eigen denkbeelden, vrijheid zo hoog in het vaandel heeft en, tegen elke stroom in, ook onderwijsprincipes hanteerde, die je blind op het vernieuwende onderwijs van nu zou durven plakken, heeft een soort openbaring geleverd, die mijn inziens in alles getuigt van een moderne en vrije geest. Als we bijeen zijn met het groepje biografie-lezers zijn we het roerend eens. Dit boek heeft ons verrijkt. Geschiedkundig, taalkundig en op het gebied van het geloof in de breedste zin van het woord. Er is grote bewondering voor de schrijfster, Sandra Langereis, die met hetzelfde doorvorsen als Erasmus deed, zich zijn leven heeft verdiept en die dat met ons, soms breedsprakig maar nooit vervelend, heeft gedeeld.

Ook de bijeenkomst was gemoedelijk middenin Amsterdam in een bovenhuis dat geurde naar boeken en kunst, de kamers met krakende vloeren, de hoge plafonds, de smalle gang, de uitgesleten trap, de spiegelende ruiten boven de winkelstraat. Op de terugweg in de auto bespraken we nog wat na, vriendin en ik. Eer we het wisten waren we alweer bijna thuis. Gezelligheid kent geen tijd. Op de weg terug brandde een lampje met een Engelse sleutel, dat ook weer verdween. Spannend, omdat je nooit weet wat er gebeuren gaat. De eerste gang vandaag is langs de garage. Dat staat buiten kijf.

Bij de volgende bijeenkomst bespreken we de biografie van de kunstenaar Jeanne Biersma Oosting, die door Jolande Withuis is geschreven. De titel is: ‘Geen tijd verliezen’. Ik kende het werk van deze krasse dame niet, dus eerst een beetje research.

Nu is er ruimte voor wat ontspannen lezen en de kinderboeken. Buiten is het somber en er viel zowaar al een verdwaalde sneeuwvlok. Soms trekt de lucht wat open. Het aantal schakeringen in grijs is opzienbarend, van vaal grijs tot paynes grey, soms mooier en somberder dan ik op het palet kan maken.

Dat is wel een idee. In deze zelfopgelegde solitude (George Moustaki) atelier maken in de kamer en lekker schilderen. Er ligt nog een hele rol linnen. Vlassen wat ik daarmee zal doen. Even in reeksen denken, vermoed ik en afwijkende vormen. Langgerekt aan hout, zoals mijn die piepkleine paneeltjes in inkt. Een drieluik, nu het hoofd uit de middeleeuwen is. O, dachten we trouwens dat het nu heftig was met ons virus, destijds hadden ze ook gemiddeld elke winter de builenpest en bleef iedereen binnen of vluchtte weg. Ik zal jullie de beschrijving van de symptomen besparen, maar iets werd me duidelijk. Misère komt in golven en alles kan altijd erger.

Literatuur.

Het kan allemaal

Het verkeer ruist voorbij in de glinsterend natte straat. Vroeger ruisten de rokken, vooral die met een petticoat eronder. Ze knisperden ook, als je ging zitten. Ze waren altijd in gesprek. Wat voelde dat koket, zo’n wijde rok en zeker als er passende glimmend gewreven lakschoentjes bij hoorden.

Straks komt Dribbel een uurtje. Hij snottert niet, dus het kan. Gezellig. Ik zal zoonlief vragen de doos met autootjes onder de bank uit te halen. Daarmee kan hij urenlang zoet zijn. Pluis was narrig vanmorgen. Ze verkocht me bijna een haal. Ze wilde perse onder de hoes van het dekbed kruipen. Daar stak ik een stokje voor. Onder de sprei kan wel, daar had ze de hele nacht al gelegen. Waarom zoeken poezen toch altijd dat soort verstop-plekjes.

Ondanks de stapel wachtende en smachtende boeken mag Toon Tellegen en zijn ‘Tot de Winter er op volgt’ er nog bij. Daarin kijkt hij recht in de muil van de ouderdom, soms te vuur en te zwaard bestreden of dan om haar achteloos achter zich te laten en alleen maar heden te zien, zonder loodzware voeten.

Het leek me een welkome aanvulling op ‘Winteren’ van Katherine May, dat boordevol mooie passages zit en in wonderschone zinnen uiteen valt, ook al lijken ze zo gewoon. Na een periode van overstrekte draf door het leven te zijn gerend, komt ze moe thuis te zitten en schept genoegen in het bakken van bagels, het fabriceren van een stoofpotje of het kneden van peperkoekmannetjes met de volle aandacht. Ze schrijft: ‘Ik buig me over dat wat niet meer is, begraaf zachtjes een aantal waarden die ik niet meer nodig heb‘.

Toon dicht: ‘Het verleden slaat op de vlucht /het is bang voor mij/ ik zou het wat aan kunnen doen/ het laten stikken bijvoorbeeld, of vergeten/en dan alleen verder gaan, met alleen heden voor mij, achter mij/ik zou niets meer wegen/ nooit meer loodzware voeten, die rug die bezwijkt/die plotselinge steen in mij/ en nooit meer schrijven, doorkrassen, verfrommelen, verdoezelen.

Dit gedicht staat op de achterkant van het boek. Dat laatste zou ik persoonlijk erg spijtig vinden, al heeft hij voor een leven lang stof aan denken geboden met zijn oeuvre tot nu toe. Gisteren schreef een geliefde blogger op mijn oude wijze vriend zijn beleving van het moment: ‘Ook ik tracht aan de wereld te ontsnappen, zoals jouw vriendlief. Maar ik zie het licht en de wolken nog.’

Oud worden in de geest is eigenlijk zo mooi. Nee, veel is er niet meer nodig. We hebben alles al. Inderdaad. Een dak boven ons hoofd, een bed om in te slapen en voldoende in de koelkast voor de miezemuishapjes op een dag. Het heden voor en achter je. Toch mag ik graag afdalen naar het verleden, daar wat ronddwalen, ideeën opdoen, weg fantaseren, dromen over een sfeer, een geur, een bijna tastbaar beeld. Ooit schreef ik een verhaal over een kist, waarin je de trap kon afdalen naar het verleden, het heden en de toekomst, Stairway to Heaven was er in mijn gedachten, iets dat ik een prachtige metafoor vond. Niet voortdurend maar mijmerend. Niet als de twee oudjes met de tikkende klok, die hun tijd verbeiden met wachten op de eindigheid, maar meer als een uitstapje of, beter nog, een opstap naar een volgend moment.

…Van de schoonheid van de kleine dingen.
Zij die belastingvrij zijn maar met een hoog rendement.
aan ingetogen vreugde’
schreef de schrijversvriend. Die momenten zijn er in overvloed. Afdalen, opstijgen of blijven hangen in de tijd, het kan allemaal.

Uncategorized

Op slag ziet het er vriendelijker uit

In het nachtblauw trok een dikke witten watten deken over, zachtjes wiegend boven de wereld. Af en toe brak er, als extra troost, een wolk open en toonde een stralende ster. Met een lodderoog nam ik het waar, weggekropen onder het dekbed, veilig, geborgen en vertrouwd. Zoveel schoonheid in de stille nacht.

Ondertussen is er achter een andere deur in het hoofd een nieuwe wereld opengegaan. Die was summier bekend, enkele namen, wat spreekwoorden en een paar verhalen en romantische films van ridders en veldslagen. De literaire kant was volslagen onbekend. Met Erasmus mee een duik nemen in de Latijnse en Griekse klassiekers, de filosofen en de wijsgeren ontmoeten, de sofisten en de humoristen leren kennen. Te lezen over die laatste vermakelijke schrijvers, die er niet voor terug deinsden om in hun komedies scabreuze teksten te verwerken of om hun voordrachten te verluchtigen met grootse en soms obscene kostuums.

Daar tussendoor spoedt de tijdmachine zich naar de middeleeuwen rond de eeuwwisseling van 1500. Frankrijk, Engeland, Italië met zijn gewelddadige paus, die zijn macht aan het vergroten was met het leger Zwitserse huurlingen. De opkomst van de boekdrukkunst en de rol van het geloof daarin, het onderwijs, de pedagogen, monniken, priesters en bisschoppen, edelen vormden samen die roerige wereld.

Het leest langzaam, zoveel informatie vind je terug op elke bladzijde. Bovendien vallen er aantekeningen te maken, wil je niet over de belangrijke keerpunten in het leven van deze schrijver heen lezen. Het erudiete klimaat in Engeland doet weldadig aan, omdat hij daar in een bloeiende gemeenschap verkeert van kennis, cultuur en muziek, waar ook de vrouwen aan deelnamen. Zijn vrienden blijken al even belezen als hijzelf.

Hij heeft zojuist ‘Het lof der Zotheid’ geschreven, waarin Vrouwe Dwaasheid orakelt tegen haar publiek. Haar vader is ‘Kapitaal’, haar moeder is ‘Jeugd’. Uit zo’n verbond tussen geld en frivoliteit kan alleen maar dwaasheid ontstaan. Ik beleid mijn eigen zotheid. Nog 300 bladzijden te gaan in een tijdsbestek van twee en een halve dag, dat is geen sinecure.

Vriendlief schreef over zijn bezwaard gemoed in deze wereld van onrust en het roerige bestaan, van macht en geld. Met zo’n terugkijken in de geschiedenis wordt zelfs dat betrekkelijk. Is er ooit serene en volmaakte rust geweest in dat dagelijkse leven. Vroeger lijkt kabbelender, maar natuurlijk is niets minder waar. Natuur brengt rust, meditatie, contemplatie, een teruggetrokken bestaan. Daar heeft hij genoeg van om hem heen, maar nu spelen zijn ouderdomskwalen op en benemen hem de rust, omdat het lijf onwillig en grillig haar eigen voortgang uitstippelt. Een bijkomstigheid is het zwarte, dat boven komt drijven onder die omstandigheden. Niet bij machte zijn om nog de zon te zien als stralend baken, die ster die door het wolkendek prikt en een belofte pinkelt, een groeiende eenzaamheid.

De regen klettert ondertussen weer tegen de ruit. Aan de ene kant is dat een geruststelling. Geen weer om naar de tuin te gaan. Je zou er stranden op het modderpad en voorzichtigheid is geboden. De knie is aan het opspelen, misschien door verandering van het weer. De omslag, die zich vertaalt in de oude krakende botten en spieren. Het gezin van dochterlief is coronavrij verklaard. Bij zoonlief slaan ze zich er dapper doorheen.

Alsof de duvel ermee speelt, breekt ineens de zon door het grijs en vallen de varende wolken open om grote stukken hemelsblauw door te laten. Op slag ziet het er vriendelijker uit.

Uncategorized

Een tuin vol

De kauwtjes zijn samen op het nest geland na een conferentie in de boom. Er komen verder geen geluid uit de dakgoot.

Waaknacht van uren zorgde voor een ochtendslaap met dromen over de kringloop. Het was er razend druk. De plastic zakken en dozen met spullen werden in de winkel afgeleverd met het gevolg dat het onder mijn handen uit werd getrokken. De kassa werkte niet goed en het geld van mijn vorige collega was achteloos in een la gepropt.

Heerlijk om even aan mijn oude vrijwilligerswerk te kunnen snuffelen. Zakken met kleding heb ik uitgezocht. Veel containers per dag, een tafel die vol lag met uit te sorteren goed. Het heeft me weliswaar de COPD opgeleverd, maar ook heel veel vreugde. De prijs is hoog voor 22 jaar hard werken. Het enige dat ik zou willen is dat ze goede afzuigventilatoren inbouwen in dergelijke magazijnen, zodat al het stof niet in de longen van haar medewerkers verdwijnt. Als ik stiekem een kijkje neem in de ‘alleen te betreden voor werknemers’ ruimten, dan ontbreekt het daar nog wel eens aan.

In de eerste kringloop ging het ongeveer zoals in de droom. Overtollige prullaria en spullen werden door de mensen in zakken of dozen in de winkel afgeleverd. Het handjevol werknemers stortte zich er vervolgens op als op een zak met cadeautjes van Sinterklaas. Elke donatie was een feest om uit te pakken. Daarna ging het opgepoetst en wel, ook eventueel gestreken, de winkel in, dat niet meer dan een bescheiden pijpenla was. Het allermooist haalde ik in een combinatie eruit en hing het voor de ruit naast de deur, de geïmproviseerde etalage.

Als mensen iets gevonden hadden, zochten we er nog wat accessoires gratis en voor niets bij. Een sjaaltje, een tas of een grappige ketting. Alles kon en alles mocht. Daarom was het vooral heerlijk om er mee bezig. Te zijn. Langzaamaan kwamen er regeltjes. Ze waren nodig om een en ander in goede banen te leiden maar het haalde ook het spontane eruit. De spullen moesten achter aangeleverd worden, daar werden ze gesorteerd. Ieder kreeg een werkveld toegewezen. De prijzen werden aangepast, hoger en hoger. Het aankleden met gratis hebbedingetjes bij de outfit mocht niet meer. Groei is vooruitgang zegt men, maar het haalt vooral ook het spontane karakter onderuit.

Soms kwamen er zakken binnen met prachtige kamerjassen van Chinese makkelijk of schitterende bloesjes uit de tijd van Couperus of damesschoenen maat 45. Dan begon zo’n bijzondere verzameling te leven. Ze vertelden hun eigen persoonlijke verhalen, soms door de kleine aanvullingen die je vond, een sepia foto of een stapeltje vergeelde brieven, wat oude sieraden of Turkse muiltjes.

Vooral in die begin jaren tachtig kon je een heel leven lezen in die vuilniszak. Achtergebleven juwelen van een bestaan. Niet alleen de regels maar ook de hoeveelheid spullen namen toe. Er werd omgezien naar een groter pand, en daarna naar nog een groter, beiden op het industrieterrein. De zakken werden onpersoonlijker, vol synthetisch spul, wegwerpkwaliteit. De klandizie was groot. Een verscheidenheid aan noden. Mensen met een uitkering, koopjesjagers, mensen met een hang naar oude spullen, mensen met een milieubewuste inslag, of zij die er een sport van maakten om op dergelijke wijze een originele outfit bij elkaar te sprokkelen.

Secondhand Rose’ zong Barbra Streisand ons allen toe en dat waren we inderdaad, een tuin vol.

Overpeinzingen

Kalmpjes aan, maar gestaag

Wat een druil kan men daar boven verzinnen als grote schoonmaak voor de kerst. Met bakken kwam het gisteren naar beneden. De kleine blauwe prins blies met de ventilator op de hoogste stand, ternauwernood de ruiten schoon. Binnen in die half mistige cocon leidde ik hem door de huilende straten. Het zicht werd extra bemoeilijkt door de weerspiegeling van de lampen in de glimmende plassen op de grond. Treurigheid alom. Een passender cachet voor de sombere onheilstijding van die dag was nauwelijks denkbaar.

Voor het pompoenpittenbrood van de warme bakker voor dochterlief en haar gezin was ik te laat, dan maar anderhalf brood zonnebloempitten van de supermarkt. Zwaaiende kinderhandjes aan de deur. Het voordeel van de quarantaine? Nauwelijks was, omdat de ganse familie in huispak rondliep. Blij met de verse aanvoer van boodschappen wierpen ze dankbaar kushandjes toe.

Berichten van zoonlief zojuist bevestigden wat gisteren al doorsijpelde. Positief. Alleen de vrouw des huizes liep nog gesterkt door haar net gezette vaccin, moederend rond. De Benjamin had het zwaar te pakken, hoge koorts, geen stem meer, keelpijn. Bij grote broer leek het meer op griep. Er was een open lijntje met het ziekenhuis voor de kleine. Maar zowel zoonlief als hij zagen er vanmorgen op een filmpje alweer stukken beter uit.

Ze lieten de boodschappen bezorgen. Dus daar hoefde ik niet achter aan. In de spits dan maar op weg naar het tuincentrum, waar zijn tweelingbroer stond te wachten. Hij wilde plantjes voor op het balkon. Voor de veiligheid eigen auto’s, afstand en mondkapjes. Midden in de winter kom je al gauw uit bij de skimmia’s, ze waren er in rood en wit. Ook hadden we twee mooie grote helleborussen uitgezocht. Maar een van de tuindames riep ons terug en informeerde naar de pot, waar de plant in zou gaan. Die was niet diep, dus raadde ze het af, omdat ze geheid dood zouden vriezen. Lief en eerlijk advies. We vonden nog een bijpassende Leucothoe met haar frisrode blad en wat heideachtig spul. Een mooi geheel voor de bakken. Een grote zak aarde erbij en binnen was de buit. Lucht-kusjes en een tot gauw, toch fijn om hem even te zien. Met een skimmia, drie voor de prijs van twee, trok ik met de kleine blauwe huiswaarts, nog een keer storm en regen trotserend.

De nieuwe Mensenkinderen lag in de bus met een ode aan de pas overleden nestor van het Jenaplanonderwijs Kees Both. Bij de boekenrubriek was ik uitgegaan van het thema ‘Helden’. Altijd weer piezelde er een spoortje trots naar binnen bij het zien van mijn werk. Wat fijn om mijn opgedane kennis zo te mogen delen in dit mooie blad vol zinnige filosofie, ethiek, mijmeringen en de verhalen over die bijzondere man, die zijn sporen ruim heeft achtergelaten binnen het Jenaplan.

Ook De Tuinliefhebber en de snoepwinkel Art Supplies waren binnen. Direct was er de verleiding om bloeiende winterstruiken, de hamamelis, de hazelaar, de gele kornoelje of de struikkamperfoelie aan te schaffen. De winterjasmijn was al langer in het vizier. Maar vooral de hamamelis zou het goed doen tegen die donkere haag van de buurman.

Bij het kunstwinkel magazine worden ogen steevast groter dan de portemonnee. Het mag wat kosten zo’n hobby. Heerlijke grote potloodkisten of prachtig en verleidelijk linnen, olieverfkisten in luxueuze uitvoeringen, handige hebbedingetjes en hulpmiddelen, het is er allemaal.

Erasmus is vanuit Engeland inmiddels weer terug in Parijs. Niet dat hij dat verkiest boven de luxe van zijn leven bij de graaf van Mountjoy en zijn sparringpartner Colet, maar hij moet nog altijd zijn bull halen en daarbij heeft hij een nieuwe geldschieter nodig. Of het hem lukt zal blijken uit dit traag vorderende verhaal. Traag in de zin van: Langzaam tot je te nemen, want na een bladzijde of twintig zit het hoofd weer vol met de boeiende materie. Kalmpjes aan, maar gestaag.

Uncategorized

Daarna is hij aan de beurt

Wie zich brandt, moet op de blaren zitten. De opgelopen blaren van vandaag vallen reuze mee. Een gat in de dag, een halve ochtend naar de vergallemise en een gebutst brein, dat is alles. Gisteren was ik pas om half elf thuis, na een gewaagde ensemble-avond op zeer gepaste afstand. Verder dan anderhalve meter, om rondvliegende aerosolen niet de kans te geven door de kat op het spek te binden. De grote afzuigers, drie in totaal in het hoge plafond, deden hun werk optimaal. Een koude stroom lucht wapperde langs en nam alles wat onbetamelijk was, mee naar boven, door de ventilatoren naar buiten. Maar dan nog. Gewaagd was het wel. Een opmaat naar de grote winterstilte die vanaf vandaag zal volgen.

Eerst was er de fysiotherapie geweest, waarbij de arme verlegen stagiair zo weinig initiatieven durfde te nemen, dat mij plaatsvervangend het schaamrood naar de kaken steeg om het ontbreken aan de kennis, die ze eigenlijk in vier jaar opgedaan zou moeten hebben. De oefeningen bleken wel de graadmeter van mijn conditie. En knie speelde die ochtend na een jaar weer op, daar moest ze rekening mee houden. Knie, pols, heup waren weerspannige obstakels bij alles wat ze me voorschotelde, terwijl bij het planken het lijf, stijf als een massief stuk hout, niet te liften was.

Bij zus bogen we ons over een Ruhetal van Mendelsohn en de andere pittige stukken, die in grote getale werden toegezonden door de juf. Piano erbij en noot voor noot ontcijferen, de kruizen van de herstellingstekens onderscheiden was lastig met de wat kippige blik, de krieuwelende kluwen aan noten in onvaste stemmen een plek geven, zwoegen en zweten, maar we kwamen best ver.

Achteraf vroegen we of er niet eerst en liever wat eerder toegezonden werk beter uitgespit kon worden. Als antwoord bleek dat onze juf alle koorleden, het merendeel echte leken, tevreden wilde stellen, dus ook die ene sopraan met heel veel ervaring. Ons bescheiden protest is in gang gezet. Ze heeft waarschijnlijk weken de tijd om erover na te denken.

Thuis wachtte de bank en de rondtollende gedachten, die ik met het aanbod op tv even het hoofd boog. Matthijs van Nieuwkerk bij Jinek om over het eclatante succes van ‘Chansons!’ te praten, die voor een herbeleving van dit prachtige genre heeft gezorgd en weg’zappend’ uit politieke praat viel ik midden in de film ‘I don’t wanna dance’. Een film van Flynn von Kleist. Een hartverscheurend verhaal over een jongen en zijn jongere broer, die na twee jaar bij een oom en tante te hebben gewoond, er alles aan doet om zijn moeder de liefde en de waardigheid te gunnen, die ze met de eerdere uithuisplaatsing kwijt was geraakt. Intriest is het om te zien dat de jongen met al zijn liefde toch tenslotte kiest voor een ander bestaan en broerlief met zich meeneemt. Het drama is de hoofdrolspeler, Yfendo van Praag, helaas niet onbekend. Het helpt hem wel om een realistisch beeld te scheppen dat niet in de koude kleren gaat zitten. Het duurde naderhand lang eer de slaap vat kon krijgen op de woelende emoties van het gemoed.

Familie appt, er zijn verwikkelingen met griepachtige verschijnselen, een positieve zelftest en overvolle teststraten. Dat betekent op z’n minst stand-by zijn voor hand en spandiensten als boodschappen aan deurknoppen hangen en dergelijke. Ergens doemt alweer een plan op om het Oma-journaal op te schudden, dat misschien zou kunnen dienen als afleidingsmanoeuvre.

Erasmus ligt me nu al uren lang aan te kijken. Even wachten nog en de boel laten bezinken. Nu weer. En het gemiste begin van de film terugkijken om het hele beeld compleet te krijgen. Daarna is hij aan de beurt.

Uncategorized

Zolang als het duurt

In de tijdgeest van Trouw van 30 oktober staat een artikel van Nicole Lucas over de journalist Dick Wittenberg, die een jaar lang de kinderen van een overleden moeder volgt bij het leeghalen van haar huis en daarover het boek ‘Wat doen we met de spullen’ heeft geschreven.

Het huis blijft achter met haar stille getuigen van een persoonlijk leven. Zonder woorden vertellen ze verhalen, vormen de beeltenis, ademen de moeder, nu ze er niet meer is. In de klerenkast hangt haar odeur tussen de kleding, die tegelijkertijd een oordeel vormt. Welke geur doortrekt de gerangschikte blouses en japonnen, in strak gelid op eenduidige hangers, of slordig, soms binnenstebuiten, soms half afgegleden, of op een hoop over de stoel gegooid. Zijn ze heel, gewassen en gestreken, of hangen ze er compleet met torn en versleten boorden, de mottengaten in de kamizooltjes. Puilt de kast uit. Kousen en ondergoed in een la, de sjaals in een kast. Gepropt of keurig gevouwen of opgerold in handige manden met een stukje zeep ertussen.

Kinderen herkennen haar wel, maar de wereld achter de vele prullaria, bewaardozen, sieradenkistjes, blikken en manden is vaak een ongekende wereld. Daar zitten de kleinoden, die een eigen verhaal vertellen, maar die, als moeder het niet zelf heeft benoemd, nooit meer boven water komen. Of een oude foto tilt een slip op van de herinnering en laat ons mee gluren in aannames, die een eigen vlucht nemen.

Verhalen zweven door de ruimte uit haar dagboeken omhoog. Dagboeken zijn heilig. Daar lees je niet in. Het zijn de diepste gedachten van iemand, toevertrouwd aan het geduldige papier, dat uitnodigend oogt en geborgenheid belooft. ‘Hier ben je veilig’, roepen ze, ‘Zolang je leeft.’ In dit speciale geval kwamen uit haar dagboeken geen echte geheimen of gênante gebeurtenissen. Wat natuurlijk altijd een mogelijkheid zou kunnen zijn, iets wat je niet van te voren weet, hooguit misschien een beetje kan inschatten.

De foto’s geven wel een voyeuristisch gevoel, nu ik kijk naar het ouderwetse plastic mandje dat aan een kastplank kan hangen en nu verweesd op het afgehaalde bed staat. Er zijn opgerolde panties in verzameld. Of de andere afbeeldingen, de schelpen-en stenenverzameling, het plastic over de wintermantel of de ladenkasten met oude voorwerpen uit lang vervlogen tijd, gekoesterd, een stukje verleden bewaard.

Op zolder is een heus altaartje gemaakt met een wiegensluier en een tafel met een bidstoel ervoor. Op de tafel een ouderwets geborduurd kleed met een heilig hartbeeld, twee foto’s van de paus, plastic bloemetjes ervoor in het vaasje en een guirlande van roze zijden roosjes tegen de binten. Ik denk aan mijn oude bidstoel die hier boven wat verweesd staat te zijn tussen andere attributen, een vergaarzolder waardig en voel me plaatsvervangend schuldig. Ooit heeft daar mijn oma op geknield. Moeder gaat in zeven tastbare aandenkens mee met de kinderen en ook van de langer overleden vader gaat iets mee naar huis. In de kale gangen en de lege kamers is er enkel nog het behang op de muur dat na echoot.

In de bejaardentehuizen waar ik ooit werkte, was dat onderdeel altijd een moeizaam iets, juist omdat er snelheid geboden was en de boel leeg moest. De kamer ging naar nieuwe cliënt. Wat neem je mee, wat laat je ophalen door de kringloop. Twee kamers zijn te overzien, maar een heel huis kent zoveel herinneringen, en evenveel hoeken en gaten waarin ze weg kunnen kruipen, zich stil zullen houden. ‘Vergeet mij maar. Ik had het goed hier’.

Er komen er nieuwe bewoners die genadeloos korte metten met ze maken. Behang gaat eraf, muren worden geslecht, puien vervangen, vloeren gelegd, badkamers vernieuwd en het huis krijgt een rigoureuze opknapbeurt. De volgende bewoners zullen zich de ruimte eigen maken met laden en laatjes, blikken, kisten, bewaardozen onder het bed…Een leven lang, of zolang als het duurt.

Uncategorized

Nog 484 bladzijden te gaan

Het eerste deel van de nacht in diepe rust om met een ruk halverwege te ontwaken. Het hoofd nog in de Middeleeuwen was Erasmus en zijn deadline mij vooruit gesneld. Wat een enorme tentakels had dat geloof in zijn tijd toch, dat onderwijs er vooral afhankelijk van was en wat een plezierige bijkomstigheid dat er destijds ook verzet kwam en een hang naar vooruitgang en ontwikkeling in dat doffe woud van regels en gewoonten. Humanisten als Hegius en Valla die een nieuw licht lieten schijnen op de wenselijkheid van het doorbreken van de ‘gewoonte’. Erasmus gaat mee in die nieuwe stroming en richt zich tegen de ‘barbaren’ met hun volkslatijn en Gregoriaanse gezangen, met hun ondoordachte navolging van de kerkelijke riten binnen de Kloostermuren. Hij ontsnapt eraan en trekt als secretaris van de bisschop het wereldse leven in. Daar ben ik gebleven en ik kan niet wachten op de ontwikkelingen, die zich zullen aanbieden.

Slapen met Erasmus en er mee wakker worden, toeven in de middeleeuwen en fysiek in deze roerige tijden staan, heeft een vervreemdend effect en brengt tegelijk de gedachte dat alle onrust nieuw elan met zich mee zal brengen. Dat er een omslag plaats zal vinden en er nieuwe wegen geboden zullen worden. Of is de wens de moeder van mijn gedachte. Waarom speelt ‘Het land van Maas en Waal’ zo nadrukkelijk door mijn hoofd. Boudewijn de Groot zong het jubelend. ‘Het leed is geleden, de horizon schijnt/ wanneer de doden dronken zijn en Pierlala verdwijnt/dan steken we de loftrompet en ook de dikke draak/en eten ‘s avonds zandgebak op het feestje bij Klaas Vaak.’ Als de werkelijkheid de onwerkelijkheid nabij komt, wordt het tijd voor een lied als Maas en Waal, waar een mens zijn eigen positieve energie bij kan opladen om zich schrap te zetten voor wat er nog komen gaat. Vooral die dikke draak klopt er lucht in. Fantasie, het voorstellingsvermogen is in staat om alles op een hoger plan te tillen.

Als antwoord op vele vragen naar aanleiding van de zeeën van tijd om stil te staan, de halve lockdown, het gemis van de fysieke aanwezigheid van de familie, was gisteren al een razendsnelle bezorging van mijn bestelde boeken. ‘Winteren’ van Katherine May en ‘Ik ga leven’ van Lale Gul.

Winteren is een kleinood met haar pakket aan overlevingsstrategieën in de donkere dagen. De omschrijving achterop het boek zegt genoeg: ‘Het proces leren herkennen, begrijpen en zelfs koesteren’. Leren winteren. Leren verdriet toe te laten, leren te aanvaarden, om negatieve energie kwijt te raken en klaar te zijn om opnieuw te zaaien. Het was allemaal alweer geen toeval, dat ik eergisteren uit de vele blogs juist deze ene gekozen had, die er voor zorgde, dat dit specifieke boek nu naast me op de sprei ligt. Ze was nodig om licht te brengen in een vraagstuk dat, via omwegen, een van de laatste dagen binnen was gekomen en waar de nodige wijsheid voor nodig is om het antwoord te kunnen geven. Winteren staat in haar eenvoud boordevol wijsheid en is een boek vol troost en zorgzaamheid voor de lezer. Tijdens zo’n proces, lees de tijd nemen voor jezelf en je verdriet, leg je de oude huid af en maak je je op voor nieuw.

Ik hou ervan te winteren en vooral deze tijd heeft me geleerd er aan toe te geven. Juist omdat het iedereen ergens op je pad, wel eens ten deel valt en we allemaal op een dergelijk punt komen te staan van acceptatie of negeren en doorhollen. De juiste keuze te maken door jezelf de liefde van het helen te gunnen en daar de tijd voor te nemen, kan daarbij dienen als verlichting. Winter overvalt je, maar winteren geeft er handvaten aan en is te leren. Dat alleen al biedt troost.

In deze zelfgekozen stilte zoek ik de roerige Middeleeuwen op. Terug naar het Hof en met Erasmus mee naar zijn groei en loutering om te zien wat hem de toekomst brengen moge. Nog 484 bladzijden te gaan.

Natuur op de tuin

De ideale oplossing

De tuinder voor aan het pad langs de sloot ging gretig in op mijn opmerking, dat het eigenlijk wel erg hink-stap-sprong was naar onbemodderde grasplaggen. Hij verzuchtte dat het onkruid uit de grond was geschoten als vloeken bij een heldere hemel. Dat laatste benoemde hij niet letterlijk zo, maar tussen de regels door filterde ik dat eruit. Direct er achteraan kwam de opmerking dat hij al een half jaar niet geweest was. Hij liep naar het hek en legde een arm erop, de houding van ‘Heb je even’.

Zeeën van tijd op anderhalve meter. Zeker wel. Er volgde het kleine leed, goed omlijst met een treurige blik, berustende, wat afhangende schouders en het machteloze wijzen naar wat er nog allemaal gebeuren moest. De litanie bestond uit knie, schouder, handen, de kou, stijfheid, pijn en een lijdzaam geschokschouder. ‘Ouderdom komt met gebreken’, reciteerde mijn moeder in mijn oor. Hij had aan zijn vrouw gevraagd of ze zijn schouder wilde masseren, maar ze had geweigerd. Daarom was hij naar de tuin gekomen. Mistroostig merkte hij op dat vrouwen lief moesten zijn. Mannen ook wel, maar vrouwen liever en zijn hele mediterrane uiterlijk onderstreepte de herkomst van die gedachte. ‘Samen even lief’, lachte ik. ‘Dat was ook goed’, wuifde hij. ‘Fijne dag, buurvrouw’. Je bent altijd een buur op de tuin, ook al ligt je tuin een kilometer verder.

Het was zalig, koud en schoon weer. Als cadeau kregen we de schitterende luchten er gratis bij met de spiegelingen in de sloot als bonus. De dames schaap graasden onvermoeid het weiland af en soms keek er een wat lodderig om zich heen. De reiger vloog, beledigd door de verstoring, met een schelle kreet de boom in. In de sloot rimpelde een vis of een ringslang in de diepte in het verder zo gladde water, maar liet zich niet zien.

Met verve knipte ik hier en daar dunne takken tussen de knoesten uit. Voor de drie wilgen moest ik de snoeischaar op de langste stand zetten. Eer ik het wist was er een uur verstreken. Rustig maar gestaag ging het door. Knippen, takken verzamelen, vlechten en de rest op de ril. Roodborstje volgde de bewegingen op veilige afstand en hipte daarbij tak op, tak af. De bladeren op het terras harkte ik bij elkaar en gooide ze als extra bescherming in het middenperk.

De tijd vloog voorbij. De lucht werd ijler en kouder. Vorst op komst. Tijd om de warmte op te zoeken. De kleine blauwe liet haar kacheltje snorren. Op de terugweg de cadeautjes van de familie afgeleverd bij kleindochter. Nee, ik kwam niet binnen. Met al die schoolgaande kinderen weet je het maar nooit. Als cadeautje kreeg ik een bosje vers geraapte mooie bladeren.

Thuis wachtte een lange mail van de Wijze met veel stof tot nadenken. Ook lag de bevestiging voor het toesturen van het laatste recensie-exemplaar er. Fijn, dan kon ik door. Erasmus bleef me met zijn geleerde hoofd star aanstaren vanaf de omslag. Een klein rekensommetje had geleerd dat ik tachtig bladzijden per dag moest lezen om het in zeven dagen uit te krijgen. Die uitslag viel me reuze mee en ineens werd de dikke pil een te behappen bundel. Ergens tegen aanhikken zet geen zoden aan de dijk. In hapklare brokken verdelen bleek de ideale oplossing.

Uncategorized

De voortgang en een nieuw begin

De bomen voor het raam hebben de allerlaatste bladeren, dansende vaantjes in de wind, eindelijk losgelaten. Zon zet de boom in een gouden gloed. De groengrijze takken verrijkt. Daar zijn ze weer, de boomklever en de boomkruiper, de mezen en altijd de kauwen, al dan niet alleen het paar. De vergaderingen en bijeenkomsten vinden plaats in de eerste boom, waar de hal van de flat zich bevindt. ‘Mijn’ boom is er vooral voor de onderonsjes, een ontmoetingsplek voor echtparen, koerende houtduiven, verliefde tortels, het wijsgerige kauwenpaar uit de dakgoot. Ze maken er toilet en turen koket naar de gedragingen van de ander. In de winter is het feest in de boom, onbeschaamd valt het te bespieden. De elzenproppen zijn goed voor de aanvullingen op de tuinheerlijkheden en de balkonversnaperingen. Een extra winterse aanvulling. Een beetje kerst al, luxe ten top.

‘Winteren’ heet het boek van Katherine May en ze kwam op mijn pad in juli 2020 door een column van Asha ten Broeke. Zoals vaak had ik notie genomen van dit juweel over het omarmen van de winter als meditatief gegeven, als familiewarmte, als pas op de plaats, als de basis voor het ontkiemen in de lente. Daarna, met een meer dan warme eenzame zomer, was het boek weggezakt naar de vergetelheid, daar waar in de diepte met haar nog veel meer wijsheden en boeken opgeslagen liggen om ooit eens aangeschaft te worden. Vandaag, bij het doorbladeren van mijn blogs, kwam ik de titel nog eens tegen. Samen met het boek van Lale Gül, dat als nieuw te lezen opdracht vanuit ons literatuurclubje op de nominatie staat, heb ik het nu direct besteld. Dat laatste boek had ik zelf nooit uitgekozen, omdat ik huiverig ben voor de schrijfstijl, maar je kunt geen oordeel vellen als je het onderwerp niet kent van binnenuit.

Winteren is in de oorspronkelijke titel ‘Wintering’. Dat is oneindig veel meer dan winteren alleen. Er ligt mijmering, bezinning , inkeer en meditatie aan ten grondslag. ‘Wintering’ is letterlijk vertaald ‘ Overwintering’. Door de toevoeging ‘over’ schiet het in betekenis tekort. Dan neemt winterslaap bezit van het woord en overleven. Omarmen is zoveel meer. Het is ruimte bieden. De deur open zetten en gastvrij de winter met al haar eigenschappen uitnodigen binnen te komen, zich te koesteren aan de warmte, nu het buiten koud en guur is. Het is een invitatie om de avonden te delen met een goed boek, een wijs gedicht, kaarslicht, overpeinzing, contemplatie, te delen met inkeren en tijd bedden.

De quote uit de blog van juli 2020 is uitgesproken en een soort van protest tegen de uitspraak van de columniste, die ons vertelt dat we het niet meer onder de knie hebben, dat inkeren. Met verve hou ik een pleidooi voor ieder in mijn omgeving, die dat juist wel goed kan en zeker ten tijde van de eerste lockdown: ‘Er zijn vrienden en vriendinnen onder de mijne en ikzelf, die juist wel aan zichzelf denken en voor zichzelf zorgen. We weten dat de winterperiode een moment is van zelfzorg en onderduiken. We cocoonen de winter door en zijn zielstevreden. Even geen mensen, even geen meningen, even helemaal niets. Het virus zorgde dit jaar voor een soort kunstmatige winter vind Asha, maar ik heb zo intens de lente beleefd, dat ik die gedachte niet met haar kan delen. Het was de basis voor een flinke zelfreflectie en ik weet zeker dat dat anderen ook overkomen is, doordat de hectiek van het dagelijkse leven letterlijk stil viel. Angst waarde rond, cijfers en feiten, gissingen en meningen werden uitgewrongen in de kranten, maar de lucht was blauw en schoon, de rust weldadig, de vogels alom aanwezig en de bloemen en het groen weliger. De eenzaamheid zorgde juist voor een intense beleving van dit alles. Verdriet, angst, verlangen kregen een plek door er over te schrijven en te mijmeren, geen gaten in mijn wereld, maar een weefsel van draden om het verlies en het treuren om al die mensen die het zwaar hadden, in te bedden en op te vangen.‘ Het bleek een gechargeerde opvatting in een moeilijke periode van haar leven, waarbij ze het gevoel had door de gaten van de wereld te vallen. Het was geen wonder zich zo te voelen.

Ook May heeft een reden om de winter op die manier door te brengen.  ‘Laat mij alleen maar even mijn wortels zijn, dan kom ik later wel weer bloeien’. Dat en niets minder is de natuur ten voeten uit. Dichterbij kunnen we niet komen. Winterliefde, het leven onder het verdorde land, een deken van warmte door de verblindende sneeuw en straks, zoals altijd, de zekerheid van het ontwaken, de voortgang en een nieuw begin.

Uncategorized

Pas dan weet je waarover te klagen valt

Plukken blauw in de lucht, afgewisseld met slierten wit en grijs. De vraag van mij aan de quarantaineliefjes, is er nog behoefte aan aanvullende voorraad. Prompt volgt er een lijstje met een aantal ‘O ja’s’ er achteraan. O ja, ook nog kaas en O ja, ook nog…Als het dat is, ga ik eerst op pad om alles te verzamelen. Het brengt getalm en gedub met zich mee. Nee, deze kaas lijkt me klein voor een gezin toch, voor mij alleen is het groot genoeg. De biologische eieren waarschijnlijk. Speculaaskruiden. Waar zijn die te vinden. Bij de kruiden of bij het meel en de vanillesuiker. De wereld van de supermarkt weer als ontginnend terrein. Prijzen zien, waar je nooit op let, omdat je die middelen zelf niet gebruikt. Dochterlief en de kleine filosoof staan al aan de deur, met een vinger op de lippen. Stttt, de kleine meid slaapt. Boodschappen op het bankje voor het raam gezet, zwaaien naar de bleke betjes bij de deur. Dag lieverds.

Op de tuin spreek ik een van de tuinders van over de sloot. Hij heeft net een infarct achter de rug en twee stents gekregen. Het werd ontdekt dankzij zijn eigen vasthoudendheid. Een zeer herkenbare situatie. Het schept een band. Er hangt een sombere lucht boven de sloot. Af en toe miezert het fijne motregen. Als een milde schoonheidsdouche voor de huid van het gelaat. Bril in de mist, want ze beslaat.

Langs de tuin van dochterlief en langs de achterkant van het complex door naar mijn tuin. Mijn lieve trouwe atelier staat kaal en fier te wachten, veel bloei is al in winterslaap, maar toch zijn er altijd de dappere laatbloeiers, die onverdroten door bikkelen. Volgende week wordt het kouder en verwacht men de eerste vorst. Maar de helleborus staat fier in knop. De grote tros met bloemen opgeheven. Het is de eerste keer dat ze weelderig de winter inzet.

Half achter de moerbei verscholen ontdek ik een gewone witte smeerwortel, prachtig in bloei en laat voor haar doen. Tuin zit vol verrassingen. De Vlaamse Gaai vliegt verschrikt op en verdwijnt in vlucht de sloot over. Merel pikt hier en daar wat in het gras. Op de voederplaats van de ouwe dartelen pimpel-en koolmezen een uitgelaten gebed bij elkaar, dankbaar voor de snoeren pinda’s, een overvloed aan wintervoer.

De eerste wilgknot wordt ingezet. In eigen tempo, met rustpauzes ertussen. Wilg en brandnetel, dat wat nog rest van de laatste, zijn de pineut. Maar verder dan één en een beetje, behalve de dikke takken, die anderen eruit moeten zagen, kom ik niet. Minder moe dan vorige week, minder hoesten ook, daar in het vrije veld op deze rookvrije zaterdag. Mondjesmaat vooruitgang. Het logboek kan bijgeschreven en dan is het tijd om te gaan. Het miezeren zet er inmiddels een tandje bij. De deur gaat dicht, de grendel ervoor, dag lieve tuin.

Thuis mis ik aanvankelijk sterren op het doek, maar kijk het terug. Als ik naar bed wil, start de VPRO een film, ‘Capharnäum’ geregisseerd door Nadine Labaki. Door de aandoenlijke jonge Zaïre blijf ik in starthouding om te gaan, nog even zitten. Gevaarlijk, want ineens grijpt de film me volledig bij de kladden en kan ik me niet meer los scheuren. Als je denkt te moeten klagen, dan is de remedie deze film. Kijk naar de arme Zaïre die zijn ouders aanklaagt, omdat ze hem op de wereld hebben gezet en bezie de rauwe werkelijkheid van de armen in Beiroet. Pas dan weet je waar over te klagen valt.

Uncategorized

De volgende dag

Met een been in wat ooit was en het andere in wat nog komen gaat, banen we ons een weg door alle herinneringen heen. Zo verschrikkelijk veel overtuigend bewijs van de voorbije tijd is te vinden in de afbeeldingen. Bij iedere foto proef ik onmiddellijk de sfeer, de geur, de onzichtbare werkelijkheid er omheen. Het wie, wanneer, waar en hoe stijgt bij elke foto op om moeiteloos gescreend te worden. Wat moeten we ermee.

Mijn schoolverleden, de kinderen, mijn werk in de kringloop, alle vakanties trekken voorbij. Frankrijk, Italië, Portugal, Washington, New York, Bulgarije, Hongarije. Mijn jeugdboeken zijn nog boven, omdat zoonlief vooral de gedeelde tijd met zijn vader zoekt. Zijn eigen jeugd, zijn eigen gedeelde leven. Er worden verhalen uitgewisseld, anekdotes verteld, sommige foto’s krijgen meerwaarde, andere minder. Er wordt gelachen om wat destijds hoog modisch was en nu hopeloos ouderwets, maar overal spreekt liefde uit, een warme band, een hecht gezin. Bijzonder, bedenk ik, en praktisch gezien, bij al die foto’s hield mijn hand de camera vast.

Niet bij een mapje, waar afbeeldingen te zien zijn van het ouderlijk huis van zijn vader, het kind met het ravenzwarte haar en de grote voortanden, de fonkelende kooloogjes, zijn moeder en vader, de broers en zussen in zwijgend zwart/wit of sepia. Documenten van een tijdspanne, die ik moeiteloos kan opdiepen, maar voor de anderen een gissen en een puzzel wordt. Kijk, oma zonder rimpels, opa met een strenge blik en opoe, de oma van zijn vader met het ronde gezicht. De kerk, het oude huis, een John Lennon look-alike (de oudste broer van zijn vader). De locatie is ook aan inspectie onderhevig.

Het is net als met mijn bewaarwoede, er worden dingen tussenuit geplukt, soms foto’s van foto’s genomen om te digitaliseren voor de anderen en veel blijft gewoon op hun oude plek. De babyfoto’s gaan mee en nog wat speldenprikken uit een tijdperk, zodat voor hemzelf een duidelijk beeld ontstaat. We missen nog wat foto’s die vast in de laatste bak zitten, maar verstijfd en vermoeid zijn we en breien een eind aan de sessie. Als de jongste zoon met vriendin erbij komt, bekijkt hij zijn jeugdboek. De enige die ik direct na de geboorte heb bijgehouden. De anderen hebben een fotoboek of anderszins ooit meegekregen, geschoeid op mijn herinneringen.

Hoe waardevol de verhalen zijn, hoe verhelderend soms, hoe wenselijk ook. Ik had Japanse Ramen gepland, maar ze moeten de kleine ophalen. Als ze met een tas vol naar huis zijn en de jongste met mijn schone dochter naar zijn kamers verdwijnt, peuzel ik een ouderwets in elkaar geflanste aardappelsalade op met ei, augurk en knoflookmayonaise passend in het tijdsgewricht waar het hoofd in verkeerd. Laat de tracks van Zjef de ruimte innemen. De warme stem in mijmering verzonken. Verlangen, hunkering, berouw en spijt, liefde en vertrouwen worden moeiteloos door de kleinkunstenaar ingevuld. Ik dein mee en verlang eveneens naar een deel van de geestelijke rust ondanks de kinder-hectiek uit die dagen.

Ik mijmer over het verhaal van opa Sterretje, dat ik vorig jaar schreef en bedenk hoe het bewaarheid is, als zoonlief appt dat de kleine een ballon heeft opgelaten voor haar onzichtbare opa, die echt heeft bestaan. André Hazes sleept in gedachten voorbij. ‘Ik schrijf hier een brief aan mijn moeder, die hoog in de hemel is’. Het ontlokt een glimlach. Er mag nu wel een gros aan brieven achteraan gestuurd worden, zo druk is het er nu. Ik hoop dat ze allemaal kunnen duizelen als opa Sterretje en in de dromen van de kinderen en alle acht kleinkinderen met regelmaat nieuwe levenservaringen door zullen laten sijpelen. Mondjesmaat, behapbaar om bij dageraad iets te herkennen van wat ‘s nachts ingefluisterd is.

De ramen bewaar ik voor de volgende dag.

Overpeinzingen

De zotte morgen

Vandaag is het de dag van de Bossche Bol, de dag van de vader der vaders, de dag van de terriër op het middenveld, de dag van jarig zijn, de dag van de zorgzaamheid, de dag van de liefde. Een zeldzaam mooie dag.

De Bossche Bol is simpel te verklaren. Toen we twintig weken zwanger en wel in het ziekenhuis waren beland voor een echo deelde de desbetreffende gynaecoloog ons mede, dat hij er niet meer van kon maken dan twee. Eerst dreigde deze aankondiging te verzanden in de vreugde om het horen en zien van dat kleine wonder, maar langzaamaan drong het tot ons door. Niet een, maar twee. Er zat maar een ding op. Dat moest gevierd worden. Met Bossche Bollen, het lievelingsgebak. Daarnaast moest er met sneltreinvaart meer ruimte gevonden worden om twee erbij te huisvesten, nog een baby-uitzet worden vergaard en nieuwe meisjesnamen verzonnen worden. We deden alleen in vrouwen, dachten we. Dat het allemaal anders zou lopen en we in de haast toch twee jongensnamen te berde moesten brengen was maar een kleine bijkomstigheid bij de alles overheersende vreugde.

De terriër op het middenveld was de bijnaam om de capriolen op het middenveld. Had hij eenmaal de bal dan ging hij door roeien en ruiten. Klein en sterk, wendbaar en snel. Het doelpunt verzekerd.

De vader der vaders was onvermoeibaar als het om geven van liefde was, van respect voor het leven van zijn kroost, een en al oog en aandacht. De kenmerkende transportfiets en later de bakfiets werden een begrip in de straten van de stad. De zorgzaamheid ging diep. Vandaag is de dag van het verleden, van wat ooit was, maar ook van wat altijd en onuitwisbaar zal zijn. Geen zandgeschreven boodschap , geen aanspoelende golven om het mee te nemen, maar een in gedachte verstuurde blijk van liefde, een luchtgeschreven regel en denkbeeldig houden we elkaar vast, de kinderen en ik.

Vanmiddag komt zoonlief wat foto’s uitzoeken. De twee grote plastic bewaardozen moeten onder het bed uitgerold, afgestoft en daarna kan het grote sorteren beginnen van babyvet tot volwassenheid. Daar zijn we wel een tijdje zoet mee. Er zullen meer dode zielen komen bovendrijven. Een dag van herinneren, herdenken en verbinden met Zjef van Uytsel over de speakers.

Gisteren bij de boekbespreking ontdekten we van elkaar dat praktisch niemand het boek had uitgelezen. Zoals ik al aangaf, was het met name de ingewikkelde zoektocht van de dochter naar haar vader, welk beeld hij had achtergelaten bij zijn vrienden, bij zijn vrouwen. Daar kwamen lange lijsten om de hoek kijken van literatuur, gebeurtenissen, een opeenstapeling aan archieven en namen. Ondoordringbaar haast. Gaandeweg pelt ze het af, dat is misschien de kracht van het boek. Het wordt steeds helderder, alsof het losgeweekt moet worden uit het oordeel van anderen tot alleen de man zelf nog overblijft. Het zal worden uitgelezen maar pas na Erasmus, waar ik nu als de gesmeerde bliksem aan moet beginnen, wil ik het tot een goed einde brengen.

Een tip van een lieve vriend. Bij ‘In het Uur van de Wolf’ de schrijfster Toni Morrison: Black matters. Iets om naar om te zien. Wat een voordeel dat we bij herhaling kunnen leven. Zo is een verzameling aan ‘de moeite waard-gebeurtenissen’ verzekerd van de juiste aandacht op het juiste uur. Na het schrijven pas en, in variatie op het thema, In alle rust en stilte van de zotte morgen.

Uncategorized

De moeder van de porseleinkast

Een webinar over de aanleg van de tuin gisterenavond nodigde uit tot kaarslicht, fonkelbruine rooibos, schetsboek en stiften. De kleurpotloden lagen boven. In de gauwigheid had ik alvast een plattegrond gemaakt van hoe de tuin nu was en opgekrabbeld welke planten en bloemen tot mijn lievelingen behoorden. De tuinontwerpster had een zeer bruikbare tip, tussen alle informatie die eigenlijk al bekend was. Zorg dat je denkt in tuinkamers. Dat zijn de hoekjes, waar je graag lang en knus toeven wil, met de geborgenheid van een afscheiding, geurende bloeiers, een dak boven je hoofd, door middel van de bomen bijvoorbeeld. Verzin een natuurlijk hek, vlecht je onzichtbaar met behulp van de kale wilgentakken en zet er een makkelijke stoel neer.

Het beeld ontspon zich met het grootste gemak. Ik wist het wel. De pierige perenboom moest eruit, de stoelen kon ik opknappen door een rugleuning van nieuwe webbing te voorzien. En ik moest af van de grote bedden, maar kleine hoeken gaan creëren, misschien ook een gedeelte van het gras offeren. Dochterlief had eveneens meegedaan en we zouden er samen eens goed voor gaan zitten. Samen stonden we sterk. Geen speld meer tussen te krijgen.

Een ander, nogal onthutsend bericht. Een van de kleinkinderen heeft COVID. De groep op school was in quarantaine door een besmette juf en bij de test op de laatste dag werd dit de uitslag. Een domper met het gevolg dat het hele gezin in quarantaine is. Op de scholen is het hommeles. Vriendinlief heeft net twee groepen naar huis moeten sturen en op de school van dochterlief vallen ook groepen, kinderen en leerkrachten om.

Vanmorgen zag ik voor het eerst sinds lang weer prachtige zalmkleurige ijle slierten in de lucht. Een van mijn geliefde bloggers refereerde op het ontwaken van gisteren en de beschrijving van het ochtendlicht aan ‘De Zotte Morgen’ van Zjef van Uytsel. Het toeval wil dat manlief en ik deze geliefde Vlaamse zanger grijs gedraaid hebben in het nog grijzere verleden. Morgen viert hij zijn verjaarsfeest op een ster, een wolk of in een adelaarsnest. Normaal zouden we naar het strand getogen zijn, om onze wensen en het gemis in het zand neer te schrijven en mee te laten nemen door de ruisende zee, maar in deze omstandigheden was dat niet mogelijk.

Schoondochter kwam de kleine Blauwe terugbrengen na de fotoshoot en herinnerde mij eraan, dat zij met kleindochter en zoonlief morgen foto’s komen uitzoeken, vanwege het fotoboek dat er voor de oudste zoon, als bijna enige, nog niet van gekomen is. Dan maar met Zjefke, die met zijn omfloerste stem de ruimte zal vullen en meezingen met een lach en een traan. Dan wordt het toch nog een memorabele dag.

Vandaag zal ik scannend het boek uitlezen, dat voor vanavond op de nominatie staat om besproken te worden. Er is niet door te komen. Het ligt kennelijk aan mij, want de recensies zijn stuk voor stuk lovend, maar haar schrijfstijl is niet de mijne. Ellenlange draken van zinnen, die ervoor zorgen, dat ik al zware oogleden krijg na een halve bladzijde. Via zoom volg ik de meeting. Voorzichtigheid is de moeder van de porseleinkast.

Uncategorized

Een ragfijn filigrein

Gisteren schreef ik een paar dijken van fouten in de mijmeringen. Gelukkig is er een bevlogen engel, die me daarover subtiel op de hoogte brengt. De oorzaak? Niet geconcentreerd genoeg, teveel gedachten die zich roeren, of het late tijdstip op de dag, waardoor ik sneller wil schrijven. Dus was er vandaag het voornemen om met het krieken van de dag, zoals het gemijmer eigenlijk is ontstaan, te beginnen. Nu is het nog donker en trekken de auto’s met hun koplampen lange brede lichtstroken op het plafond, die naar achteren flitsen. Het huis ademt diepe rust en dromenland. Pluis is nog niet om brokjes komen bedelen. De stilte is weldadig. Door het terugkijken van programma’s en films was ik dat stukje retraite kwijt. Tijd voor een revisie.

Het streven is om met tien vingers te typen. Het feit dat de pols stijf en pijnlijk blijft, wijt ik aan de berusting. Als ik de pijn niet trotseer, zal het niet vooruit gaan. De onwillige spieren moeten eraan geloven en ik ook. Het lukt wonderwel met wat krachtsinspanning en verbijten.

Het is te hopen, dat de autocorrectie zich koest houdt. Gisteren had ze voor doorstruinen ‘doornstruiken’ ingeklopt en alhoewel ik al een paar keer met een scannende blik alles had bekeken, viel het mij niet op. Een van de lezers vertelde, dat ze er hartelijk om heeft gelachen, omdat het een boek over tuinen betrof en het ergens nog hout sneed ook.

De nacht heb ik voornamelijk doorgebracht op school. Oorzaak was de vergadering, gistermiddag, met de klankbordgroep. Onze teamleider had een kunstenaar op het oog, die voornamelijk werkte met gekleurd tape. Daar liet ze voorbeelden van zien. Het gevolg was, dat ik in de droom aan de slag ging met het bruine tape, dat we de laatste jaren op school prefereerden boven de sterke lijm om iets stevig aan elkaar te plakken. Deze kunstenaar liet op bestelling in allerlei felle kleuren tape maken en plakte daar aandoenlijke figuren mee, die van alles aan emotie konden oproepen. Het lijf leek een beetje op bolbuikige oude mannetjes met daar bovenop vormen van grote trouwe hondenkoppen. Aaibaar in hun hulpeloosheid. Het gevolg was dat ik in de droom in de weer was met het plakken van doosjes. Er stond in het lokaal een oude Piet Hein Eek-tafel. De werken die daarop tentoongesteld werden, kwamen niet tot hun recht op de drukke achtergrond. Daar moest een van mijn befaamde lappen overheen komen, dat was duidelijk. Verbazingwekkend hoe voorwerpen tot in detail terug kunnen komen in dat onbewuste denken.

Vandaag gaat de kleine blauwe Prins zonder mij op stap met mijn lieve schoondochter, die een fotoshoot heeft ergens in het land. Zo komt hij nog eens ergens. Zoonlief wordt wakker en weg vliegen de lichtwieren( Vasalis, ken Uw klassiekers), want hij knipt het licht op de badkamer aan. Het is inmiddels over zevenen. Vanavond is de tuinsessie. Wat zou dat opleveren. Misschien wel een heel nieuw idee voor de tuin. Inspiratie opdoen werkt heilzaam. Zoiets als ‘ een nieuwe lente en een nieuw geluid’. Nog zo’n klassieker. (Gorters ‘Mei’). Het werkt vaak verfrissend als er een verse blik geworpen wordt op een belegen en oude indeling. Het kan, letterlijk en figuurlijk, nieuw vruchten afwerpen.

De nacht maakt zich op voor een drukke dag, beneden in de straat razen steeds meer lichten langs. De dageraad begint te gloren en langzaam veranderen de donkere vlekken voor het raam in een silhouet van takken en takjes, een ragfijn filigrein.

Overpeinzingen

Vrij als een vogel

Net de film afgekeken op NPO, waar ik gisteren voortvarend aan begonnen was, maar die zo spannend werd, dat een pauze op haar plek was. Nu dreunt ze na in alle vezels, waarbij ik dien te vertellen, dat ik een watje ben, als het om spanning gaat. Het was een psychologische thriller, met als titel ‘The Gift’ van Joel Edgerton. Een film die te herleiden valt tot de vraag of pestkoppen door hebben wat ze aanrichten in het leven van een ander. Een echtpaar komt in de stad wonen waar de heer des huizes is opgegroeid en komt een schoolgenoot van vroeger tegen, die door hem gepest werd. Een intrigerend gegeven met een ontknoping die niet een, twee, drie is weg te poetsen.

‘Boontje komt om zijn loontje’, zei men vroeger. En ‘ De waarheid achterhaalt je wel’. Dat laatste betrof de heer des huizes, die verstrikt raakte in zijn eigen leugens. Het pestgedrag had desastreuze gevolgen voor de betreffende schoolgenoot. Hetzelfde geldt voor het bekritiseren van iets. Dat was precies de reden, dat we probeerden in onze groep de nadruk te leggen op de positieve benadering. Kritiek is prima, zolang het handvaten aanreikt om verder te bouwen. De wens om zo te handelen kwam ook voort uit mijn eigen beleving van het ‘dikkerdje’ van vroeger. Tot in lengte der dagen heb ik het zo gevoeld en gezien, terwijl de spiegel een totaal ander beeld toonde.

Een pittig te verteren begin van de dag. Dochterlief klopte er met een mail wat luchtigheid in. Had ik zin om mee te doen aan een gratis online tuinontwerp. Ja, wat een gave manier om de tijd thuis te slechten. Binnen zijn en buiten voelen. Dat gaat morgenavond gebeuren. Potloden slijpen, schetsboek klaar leggen, tuinboeken doorstruinen als voorbereiding. Ook niet verkeerd.

Met de psycholoog die een onderzoek uitvoerde in opdracht via beeldbellen even het verleden ingedoken. Er zijn voordelen aan het binnen zitten. Geen gehaast met auto’s en risicovolle ontmoetingen, maar gewoon vanaf je eigen bank, met thee onder handbereik, de vragen over je heen laten komen. Het werd een boeiend gesprek, met voor mij geen verrassende uitslag.

Vanmiddag zouden we met de klankbordgroep van de culturele instelling alle leuke theaterdagen bespreken en verdelen, net als elk jaar. Ook dat gaat nu via zoom. De gebruikelijke pizza, die er altijd bij besteld wordt, mogen we op hun rekening schrijven. Niet dat ik daar over pieker, want je gunt hen elk dubbeltje. Hetzelfde idee had ik ook bij de vraag of ik de museumjaarkaart wilde verlengen. Ook al is er te weinig bezoek van mijn kant geweest en misschien nog, dan staat het aanschaffen van de kaart buiten kijf. Voor volk en vaderland. Zonder is het leven niet te doen.

Vannacht in mijn droom kon ik vliegen. Eerst horizontaal met een borstcrawl vaart maken en dan gaan. Halverwege kreeg ik het een beetje koud en wilde, net als mijn duo die ook meevloog, mijn jas aantrekken. We landden aan de zoom van de woestijn. Langs de zo typerende zandheuvels liepen mannen in Berberachtige kleren in kamelenpas achter elkaar. Wij verstopten ons bij een schuurtje er tegenover. Ze namen ons toch mee. Later was ik alleen terug en dook weg in een tussenruimte van het hutje voor een motorrijder, die door het kleine raam het pikkedonker in keek. Ik wist dat hij me zag, maar hij sloot het schuifluik met een klap en liet me staan. Of het vliegen daarna nog lukte, weet ik niet, want ik werd wakker met voldoende tijd om de droom te repeteren. Dat zorgde voor dit relaas. Anders waren de beelden net als mijn alter ego allang vervlogen geweest.

Het dromenboek verklaarde met het kunnen vliegen, dat je letterlijk boven iets bent uitgestegen, of misschien in een zaak een nieuw perspectief hebt gevonden. Het gevoel was bijzonder prettig. Dat is me eveneens helder voor de geest gebleven. Vrij als een vogel.