Natuur op de tuin·Overpeinzingen

Morgen is er weer een dag

Vroeger dan anders, de dakgootkauwtjes zijn meester in hun wekkerfunctie, togen we naar de tuin. Vooraf wat lekkernijen voor na de noeste arbeid gehaald en twee grote zakken tuinaarde die lief met de kruiwagen op kon halen uit de kleine Blauwe.

De tuinen ademen groei en vooruitgang. Overal is men druk bezig met het opschonen en zaaien, schoffelen en maaien. Het broedseizoen is in volle gang en het gekwinkeleer van de vogels ligt als een deken van vrede over alles heen. De merels fluiten hun hoogste lied. Midden in de sloot zit de meerkoet op haar nest. Ze houdt elke voorbijganger nauwgezet in de gaten, maar voelt zich daar volkomen veilig, want ze blijft zitten waar ze zit. Een prachtig nest, dit keer, volledig uit natuurlijk materiaal van takken en twijgen. Een betere reclame voor ons natuurtuinencomplex is er niet.

Op weg naar de tuin doen we die van dochterlief aan. Ze zijn op een heerlijke manier, stukje bij beetje, hun woeste grond aan het ontginnen. Eerst hebben ze een grote bomenkap gehouden omdat de grond vol stond met veel te grote wilgen. Nu kan de Gingko haar takken breed spreiden en vormt steeds meer een natuurlijke parasol boven het zitje. De spiraalvormige kruidentuin begint zich van lieverlee te vullen met geurige gewassen. Ze hebben een groentebed gemaakt, die schoonzoon op een hele inventieve manier heeft omzoomd met een lage afscheiding van wilgentenen, superleuk gedaan. Er is bij hen nog een tweede zithoek/zonvanger bijgekomen en omdat nu al het groen gaat bloeien en groter wordt, worden de zichtlijnen steeds duidelijker. Een heerlijk plekje zo naast het weiland. Alleen de dames zwartkopschaap tegenover je, wat een rust.

Ons toekomstige kruidenbed was nu aan de beurt. Eerst maar eens ontgrassen. Lief ging aan zijn eigen project verder, het opschonen van de doorgang achter het atelier. Zo hebben we een mooi achterom en een prettige bijkomstigheid is, dat de achterbuuf haar maaimachine makkelijk uit de schuur kan halen, nu ze niet meer struikelt over takken en brandnetels. Het is naarstig speuren geblazen tussen de gewassen die al in dit bed staan. De klimgeraniums, die ieder jaar weer een zee aan bloemen geven, de citroenmelisse, de kleine witte bloemen waar ik de naam steeds van vergeet en warempel, ik ontwaar er zelfs de wilde marjolein, die dapper heeft stand gehouden tussen de moerasandoorn en de boterbloemen. De framboos gaat alle perken te buiten en wordt rigoureus teruggedrongen tot een heggefunctie. Vort jij. De grote pollen grassen vergen veel kracht om ze te verwijderen. Van sommige soorten vind ik het zonde om ze op de composthoop te gooien en ik zoek naarstig naar een vaas om ze samen met de dagkoekoeksbloemen in wat slootwater als versiering te gebruiken. Een oude laars blijkt een prima vervanger voor dit doel. Parmantig staat ze met haar natuurpruik voor de oude potten.

Er komt een klein bont zandoogje aangefladdert die zich uitgebreid laat bewonderen als ze zich koestert in de zon. Vleugels open en vleugels dicht. Wat een mooitje.

In de sloot verderop zien we tot onze vreugde, naast de plompenbladeren en bloemen, de waterlelies in hun volle pracht. Die heerlijke feeërieke bloemen, waarbij zoveel te fantaseren valt. Ze staan nu ton sur ton met het bloeiende fluitenkruid vol schoonheid te zijn.

Het is toch allemaal net iets te zwaar geweest. Om vier uur gooi ik mijn handdoek in de ring. De koek is op. Tijd voor wat gemijmer, ontspanning en nagenieten met koek en zopie. Morgen is er weer een dag.

Natuur op de tuin·Overpeinzingen

Om te koesteren

De tuin lag er vertrouwd bij, alsof ze lag te wachten op een volgende stap in de ontwikkeling naar een bloeiend herleven. Lief had er zin in en ging eerst met de kleine snoeischaar aan de slag om als een volleerd kapper de kleine twijgen weg te knippen uit de wilg haar pruik. Daarna was het tijd voor het grovere werk met handzaag en takkenschaar. Met lede ogen zag ik zijn grote voeten stappen op de plek waaronder ik de grote akelei van mijn moeder lag te rusten en suste mijn ongerustheid weg met vertrouwen.

Ik keek eens naar het halfronde bankje, dat in deplorabele staat zijn laatste jaren beleefde en besloot te ruimen. Een grote blauwe zak voor de kleine houtjes die al los zaten, voor de rest had ik de spierballen en de trapkunst van Lief nodig. Dan maar eerst aandacht voor de oude stoelen, die achter de hut stonden. Het was een beetje prietpraat met dat gebrek aan zuurstof. Geen grote daden maar het kleine werk. Rotan vlechtwerk, dat verteerd was, ging in de zak, de rest moest wachten. Dan maar een beetje schuren aan het rode tafeltje, met een opmerkelijk resultaat en in de wetenschap dat de bovenkant zometeen alleen een laklaagje nodig had. Met het schuren had ik zicht op de dichtbegroeide vlonder eronder, waar grassen en dovenetel, hier en daar een bosaardbei, welig tierden. Een logisch gevolg in de werkzaamheden was het vrijwaren van de vlonder. Verstand op nul, pulken en trekken en resultaat zien. Een werkje van niks, maar met voldoening uitgevoerd.

De lijst van het krijtbord met de naam van de hut erop haalde ik er voorzichtig vanaf. Een volgende stap was het insmeren van de hele achterkant en het opplakken. Daarna zou het nooit meer ten prooi vallen aan de wind. Kleine optelsommen die allen meehielpen aan de fitheid van het paradijs, druppeltjes op de gloeiende plaat, maar van groot belang en heerlijke bezigheden om gedachten te laten stromen of juist te vergeten.

Lief had de wilg geknot en was bezig met het ont-twijgen van de te vlechten grote takken, bracht de ril met de kleinere twijgen beter in model. De deugen van de ronde bank zouden weer kunnen dienen als stutten voor het geheel.

Dochterlief kwam precies op het goed moment langs met haar kleine roze nimf in het voorzitje van de fiets. Er moest water worden gegeven in haar kas en daarna konden de zware zakken overtollig bankhout op de fiets naar voren gesleept worden. Klaar voor de volgende wilgen en het slechten van de stoelen bij de volgende keer.

In de overdadige rust van hun huis, wijntje bij de hand, heerlijke wraps als maaltijd, gezellig gekeuvel van de kleine filosoof en zijn zus, was het natafelen, waar de kinderen hun digitale uurtje hadden, een aangenaam verpozen voor ons. De plannen voor straks, het uitwisselen van meningen en gevoelens, de warme aandacht, alles was voorhanden. Toekomstmuziek klonk door ondanks al het wereldleed. Het kleine geluk, hielden we elkaar voor, vooral dat.

Wel plannen voor hoe te helpen met al die vluchtelingen en wat je als eenling daarmee uit de voeten zou kunnen. Een buurthuis met de wijk confisqueren en in gereedheid brengen, dacht dochterlief, of zoiets dergelijks. Overhaast in huis nemen heeft minder zin, als de ruimte niet toereikend is. Dubbel vluchten mag niet aan de orde zijn. Een degelijke en langer houdbare veilige plek lijkt de meest ideale oplossing. Zo brainstormen we wat, terwijl Lief nog eens benadrukt hoe ontheemd een mens kan zijn door weggeplukt vanuit een vertrouwde omgeving door omstandigheden in een nieuwe situatie te worden geplaatst. Hij beseft maar al te goed dat het leed van hen vele malen groter is, maar dat gevoel van nergens meer thuis te horen is universeel, of je nu uit welk belegerd land dan ook of uit een onverkwikkelijke situatie komt.

Dankbaar zijn we voor alles wat ons overkwam, de liefde, de bijzondere wegen die er voor ons uitgestippeld lijken te zijn en dat een hechtheid smeed, die dieper gaat dan we ooit hadden kunnen bevroeden. Een leven en liefde om te koesteren.

Natuur op de tuin·Overpeinzingen

Een kunst op zich

Een gat in de, anders zo productieve, ochtend geslapen. Daarna overviel me een filosofische vraag waarop een vrije gedachte als antwoord van iemand anders. Daar moest ik over peinzen, terwijl Lief weer terug in dromenland dook. ‘Hoe ga je om met tegenslag’. Een antwoord hierop was, dat het vooral de kunst was om de juiste vraag te stellen. Het is waar. Als je de eerste als stelling neemt, geeft ze mogelijkheden tot antwoorden van onjuist tot juist. Dat is niet wat je eigenlijk wil. Hoe verwerken we tegenslag is een betere vraag. Geen oordeel, maar slechts constatering van feiten.

Wat je bezig houdt, bepaalt wat je opvalt, lees ik ergens anders op haar site. Aan het eind van een sessie geeft ze een vraag mee naar huis, niet om het antwoord te vinden, maar om gedachten te leiden naar iets anders dan wat normaliter de aandacht gevangen houdt, indachtig het spreekwoord ‘Alles komt in drieën’. De zwangere vrouwen die je ziet als je zelf zwanger bent, de piano’s die langs komen omdat je er zelf een wil kopen. Dit speelde zich al af lang voor algoritmen je in de schoenen werden geschoven. Er was nog geen bereikbaar internet voor iedereen in die dagen en toch vlogen de algoritmen je om de oren, omdat je er zelf door geleid werd.

Tegenslagen vallen om te buigen, iets in de orde van grootte als ‘tel je zegeningen’, nog zo’n wijsheid uit de oude doos, die de laatste tijd heel vaak opengaat. Opmerken wat je niet hebt, blokkeert, zien wat er wel is opent mogelijkheden en daarmee misschien wel een weg. Soms is de overmacht te groot, dan heb je maar te volgen, maar zelfs daarin kan een eigen keuze besloten liggen. Ik blijf nog even verder peinzen zeker in het licht van een oorlog, die weinig ruimte biedt voor het persoonlijke denken.

Gisteren na een ochtend van lezen en een betrekkelijke rust, was de tuin toch weer aan de beurt. Een literaire aanpak dit keer van ‘The three Willows’ op het grensgebied aan de rechterkant. Wat opviel was de stilte alom. Geen mens te zien terwijl er toch diverse auto’s aan het begin op het parkeerterrein stonden. Er werd gestookt, dat roken we dwars door de frisse lentelucht heen. Hoentjes in de sloot en een woerd en zijn vrouwtje maakten zich op voor een lentelang samenzijn.

Lief had zijn spieren gestaald na de vorige sessie en was er klaar voor met handzaag en takkenschaar. Ik zou de tenen van de zijtakken ontdoen en ruimen. De kale tenen achter onze hut en de kleine takken op de ril aan de linkerkant, als scheidslijn tussen mij en buuf. Geen trapje in de buurt dus een extra moeilijk obstakel om de vrij hoge knoesten van hun takken te ontdoen.

Hoe was dat verhaal ook al weer, mijmerde ik intussen, terwijl de handen rustig door gingen met hun werk. Met dat ik het dacht, wist ik dat ik me vergist had. Het boek droeg niet de titel The three Willows, maar ‘The wind in the Willows’ met rat, mol, das en pad, iets wat in het Engels vanzelf al literaire aspiraties met zich mee zou brengen, al was het maar op het geluid van het suizen en fluiten van de wind door de wilgentakken heen. De dieren hadden allemaal een herkenbare karaktereigenschap; de verstandige intellectueel Rat, de bangerd Mole, de narrige oude Badger en de rijke, onvolwassen, maar immer vrolijke en sociale Toad. Met zulke karakters heb je binnen een mum van tijd een verhaal. Kenneth Grahame wist er in ieder geval in 1908 wel raad mee.

Oké, daarmee blijft het nog steeds een literaire tuin, al zijn de appelboompjes van Vasalis in wezen een scheefgezakte eeneiige tweeling, maar die krikken we wel weer op. Een trapje is geen overbodige luxe, want uiteindelijk is Lief faliekant door de stoel, weliswaar in slecht verkerende conditie, gezakt, zonder echter zijn evenwicht te verliezen. En dat was al een kunst op zich.

Natuur op de tuin·Overpeinzingen

Strassstress in de tank

De nacht is bezaaid met sterren en even duik ik weer terug in mijn jeugd. Hoe graag keek ik niet door ons raam naar buiten, starend naar al die hemelpracht, waar ik een mannetje van de maan wist, die we ook wel Klaas vaak noemden en die vergeten was langs te komen op het moment dat ik naar de sterren keek. Natuurlijk waren er oneindig veel ijldunne elfen, die hem lieflijk bijstonden en die verhalen schreven tussen al die lichtpuntjes in. Nu is elke ster een herinnering. Mijn moeder, de opa van de kleinkinderen, een lieve vriendin of drie. Troostrijke sterretjes. Ooit zag in Bulgarije op de top van een berg de oneindige val van de sterren. Duizenden wensen in het verschiet.

Het lied van Ellie en Rikkert Zuiderveld komt boven. Jaar en dag gezongen voor de kinderen op school, om de magie vast te houden van die wonderlijk sfeervolle wereld, waar dingen kunnen gebeuren die je voor onmogelijk hield, zoals ‘Een scheepje met een mast’ of ‘Een oog waar je alles door ziet’. Je kunt zoveel wensen en alleen dat schenkt al voldoening. Op dit ogenblik weet ik precies welke boodschap ik naar boven stuur en hoop met dezelfde kinderlijke vurigheid dat ze bewaarheid mag worden.

Gisteren was dan eindelijk de tuin aan de beurt. Het modderpad was enigszins begaanbaar en we kozen de lange weg, om de tuin van dochterlief te bewonderen die samen met het hele gezin en vereende krachten een nieuw terras voor in haar tuin had gemaakt, waar de zon in het voorjaar nog te koesteren zou zijn. Ze hadden het ‘Het oog’ genoemd, omdat de vorm daaraan deed denken. Zo krijgen de dingen vorm.

Het was geruststellend hoe vertrouwd onze tuin erbij stond. Een paar krokussen hadden hun dappere kopjes al opgestoken ondanks de vrieskou. De engel was gevallen, zoals bij elke windvlaag die langs komt. De wilgen, die ik kennelijk in het najaar toch al danig uitgedund had, hielden nog steeds de wacht. De appelboom stond zoals verwacht zo scheef als immer. Alleen het bord van de Bernagie was ervan afgewaaid. In de Bernagie zelf kwam vooral de vredige sfeer goed tot haar recht. De schilderijen, de tafel vol met krijt, inkt en penselen die lagen te wachten om in gebruik genomen te worden na zo’n lange overwintering, ik was vergeten hoe aangenaam het er was.

Buiten voor de wagen zaten we op de verweerde stoelen en droomden van een fikse opknapbeurt, maar eerst maar eens een wilg aan de zijkant van de tuin aanpakken om te kijken of het luie winterzweet het aankon. Lief nam de grote takkenschaar en was verbazend behendig met de snoei van de allerdikste takken. Ik zat erbij en knipte de kleine takken eraf of maande hem een knoest weg te knippen, zodat er met de takken te vlechten was.

Het werd een idyllisch plaatje daar op dat kleine stukje grond in de steeds warmer wordende lentezon. Het was er zo kalm als je je maar wensen kon. Kleine mezen dartelden hun lente bij elkaar. Verderop in het veld klonk de kievit, zwaan koos koers en het winterkoninkje scharrelde in het struweel. Natuur onder handbereik. De noeste arbeid werkte verheffend en bracht nieuwe energie.

Op het pad terug trok de zon lange schaduwen in het rimpelloze water van de sloot. Voldaan gingen we op huis aan met de belofte om snel weerom te komen omdat de tuin het gemis aan het land in Verweggistan op schaal verving. De lichamelijke arbeid, zoals snoei en wieden als work-out au naturel was heilzaam. Daar kon geen sportschool tegenop.

Bij de benzinepomp vroeg een man of ik ook een bezoekje aan de juwelier kwam brengen. Even schakelen. O ja, duurder dan diamanten, die benzine. Het was waar. Straks wordt een reisje eenvoudigweg onbetaalbaar met zoveel strassstress in de tank.

Natuur op de tuin

De ideale oplossing

De tuinder voor aan het pad langs de sloot ging gretig in op mijn opmerking, dat het eigenlijk wel erg hink-stap-sprong was naar onbemodderde grasplaggen. Hij verzuchtte dat het onkruid uit de grond was geschoten als vloeken bij een heldere hemel. Dat laatste benoemde hij niet letterlijk zo, maar tussen de regels door filterde ik dat eruit. Direct er achteraan kwam de opmerking dat hij al een half jaar niet geweest was. Hij liep naar het hek en legde een arm erop, de houding van ‘Heb je even’.

Zeeën van tijd op anderhalve meter. Zeker wel. Er volgde het kleine leed, goed omlijst met een treurige blik, berustende, wat afhangende schouders en het machteloze wijzen naar wat er nog allemaal gebeuren moest. De litanie bestond uit knie, schouder, handen, de kou, stijfheid, pijn en een lijdzaam geschokschouder. ‘Ouderdom komt met gebreken’, reciteerde mijn moeder in mijn oor. Hij had aan zijn vrouw gevraagd of ze zijn schouder wilde masseren, maar ze had geweigerd. Daarom was hij naar de tuin gekomen. Mistroostig merkte hij op dat vrouwen lief moesten zijn. Mannen ook wel, maar vrouwen liever en zijn hele mediterrane uiterlijk onderstreepte de herkomst van die gedachte. ‘Samen even lief’, lachte ik. ‘Dat was ook goed’, wuifde hij. ‘Fijne dag, buurvrouw’. Je bent altijd een buur op de tuin, ook al ligt je tuin een kilometer verder.

Het was zalig, koud en schoon weer. Als cadeau kregen we de schitterende luchten er gratis bij met de spiegelingen in de sloot als bonus. De dames schaap graasden onvermoeid het weiland af en soms keek er een wat lodderig om zich heen. De reiger vloog, beledigd door de verstoring, met een schelle kreet de boom in. In de sloot rimpelde een vis of een ringslang in de diepte in het verder zo gladde water, maar liet zich niet zien.

Met verve knipte ik hier en daar dunne takken tussen de knoesten uit. Voor de drie wilgen moest ik de snoeischaar op de langste stand zetten. Eer ik het wist was er een uur verstreken. Rustig maar gestaag ging het door. Knippen, takken verzamelen, vlechten en de rest op de ril. Roodborstje volgde de bewegingen op veilige afstand en hipte daarbij tak op, tak af. De bladeren op het terras harkte ik bij elkaar en gooide ze als extra bescherming in het middenperk.

De tijd vloog voorbij. De lucht werd ijler en kouder. Vorst op komst. Tijd om de warmte op te zoeken. De kleine blauwe liet haar kacheltje snorren. Op de terugweg de cadeautjes van de familie afgeleverd bij kleindochter. Nee, ik kwam niet binnen. Met al die schoolgaande kinderen weet je het maar nooit. Als cadeautje kreeg ik een bosje vers geraapte mooie bladeren.

Thuis wachtte een lange mail van de Wijze met veel stof tot nadenken. Ook lag de bevestiging voor het toesturen van het laatste recensie-exemplaar er. Fijn, dan kon ik door. Erasmus bleef me met zijn geleerde hoofd star aanstaren vanaf de omslag. Een klein rekensommetje had geleerd dat ik tachtig bladzijden per dag moest lezen om het in zeven dagen uit te krijgen. Die uitslag viel me reuze mee en ineens werd de dikke pil een te behappen bundel. Ergens tegen aanhikken zet geen zoden aan de dijk. In hapklare brokken verdelen bleek de ideale oplossing.

Natuur op de tuin

Ze straalt een late herfst

Het viel niet mee om het moddervrije gras te vinden op het pad naast de sloot van het tuinencomplex. Het werd spitsroeden lopen op de randen en het was de kunst niet een voortijdig modderbad te moeten nemen of de sloot in te duiken door onwillige pollen die stiekem toch te glibberig waren. Bij de tuin van dochter was het vredig stil en verlaten. Verderop was mijn achterbuuf druk bezig met de tuin in winterstelling te brengen. Ze liep met me op om de problemen van stook en rook van mijn altijd aanwezige buurman te bespreken. Dagen dat ik met de aangedane longen er nauwelijks kan zijn. Vermoedelijk worden er om en om stookdagen afgesproken, zodat de tuinen een genot voor eenieder blijven.

Vandaag was het op z’n minst in de ochtend rookvrij, dus kans om het betere snoeiwerk in te zetten. De enige manier om de opgelopen chaos door onvrijwillig achterstallig onderhoud aan te pakken leek me met een onverwoestbaar optimisme de ogen te richten op behapbare delen. Grote snoeischaar en kleine broer in de aanslag en gaan. Lustig liet de kamperfoelie haar wirwar vallen en was net zo opgelucht als mijn gemoed, door de nieuw verkregen ruimte. Haar dorre onderstaken haalden opgelucht adem. Eindelijk bevrijd.

Er was een korte aarzeling. Zou ik de takken kort knippen en in een vuilniszak mee naar de gemeentewerf nemen of liet ik het eerst versterven in mijn takkenril tussen mij en de buur. Dat laatste maar, want met een volle zak in de hand zou het zeker een modderbad worden op de weg terug. De iep moest er ook aan geloven. In de bomenhaag van de buurman zat veel snoeiwerk. Het moest nu, straks zouden de stammen te dik zijn om nog te kunnen snoeien. De wilgen mochten eerst meer blad verliezen.

Na een paar uur was het welletjes. Met wat zwoegen werd alles netjes op de juiste plaatsen geparkeerd. De laatste dappere doorzetters mochten als herinnering vastgelegd op beeld mee naar huis. Het cherubijntje was een gevallen engel geworden en kreeg haar plekje terug, hoog boven alles uit, om de wacht te houden. Met geurende handen van het verse hout streek ik spinrag en de meeliftende dorre takjes uit mijn eigenzinnige haardos. Moe maar voldaan ging ik op pad. Halverwege het modderbad nam ik het zijlaantje naar het laatste pad van het complex. Daar lag nog een groen tapijt. Beter.

Vandaag is voor de voorbereidingen voor het etsweekend. In Bussum is een zaak die etsplaten kant en klaar verkoopt. Bovendien hebben ze ook de plastic platen voor droge naald. De voorbewerkte krasvrije zinkplaten zijn vooral om de stijve, nog steeds bij bepaalde bewegingen, pijnlijke linkerpols te ontzien. Het afslaan van de platen zal al zwaar genoeg zijn. Er is nog een dag of vier om onderwerpen te bedenken. Misschien zijn de negatieven van de Cyonotype wel goed te gebruiken. Een beetje experimenteren kan geen kwaad. Voor thuis is dan de droge naald, daar komt geen zuurbad aan te pas. Krassen, in-inkten en afdrukken, daar komt het op neer.

De zon schijnt, het ochtendritueel van de kauwen is achter de rug. De schoolkinderen zitten in hun groepen, de dag ligt open Geniet, want ze straalt een late herfst.