Uncategorized

De slimmeriken

Er zijn van die dagen dat er hooi op een vork genomen moet worden. Met het naar beneden gaan, wist ik het onmiddellijk. Vandaag was de boekenkast in de woonkamer aan de beurt. Daar zou ik beginnen met wat garant stond voor een grote opruimbeurt door het hele huis heen. In deze kast plaats maken voor de boeken uit de kast aan het voeteneind van het bed boven, met de recente leeswerken, die allen naar beneden mochten verhuizen. Ook daar moest de bezem door.

Maar het begin lag beneden. Twee grote boodschappentassen stonden klaar om gevuld te worden. Alles wat er in de kast stond en ongelezen was gebleven of dat wat niet van een geliefde schrijver was, mocht naar de kringloop. Lang leve de tweedehansjes. Een werkje van niks natuurlijk, maar snel er door heen was er niet bij. Hier en daar moest het boek ter keuring even ingezien worden, tegelijkertijd werden ze chronologisch gesorteerd. De Multatuli’s, de Beetsen en van Lenneps bij elkaar, de Sartre’s, Beauvoirs en Camu’s bij elkaar, de Couperussen, de Schendels, de Coenen en de van Van Bruggens bij elkaar. O ja, daar moest Israel de Haan nog tussen. Boeken neerzetten, verschuiven, doorschuiven. Gedichtenbundels op een plank, de biografieën en de autobiografieën gezusterlijk samen en de gelezen boeken van de club op een rijtje. Het vorderde gestaag. Hele rissen verdwenen in de grote plastic tassen.

De energie was terug. Het verblijf gisteren, in die rustige omgeving van de kromme Rijn, lieflijk stromend water, had wonderen gedaan. Aan het eind van de ochtend had ik twee boodschappentassen vol en zeker drie planken leeg.

Er stond een afspraak met de fysio tussendoor. Weer was er die leuke stagiaire met zijn verfrissende nieuwe ideeën. We gingen voor het hele scenario. Krachttraining, balans en mobiliteit. Alle spieren tot en met de buikspieren aan toe, werden aangesproken. Een oefening, voor onder andere de pols, bracht de jeugd in me naar boven. Uitgelaten en lachend probeerde ik hem te volgen en warempel, het lukte zowaar. Met een stok in beide handen voor me uit, moest ik de grote zitbal, die hij naar mij gooide, terugkaatsen. Daarbij bleven we niet stil staan maar schoven van links naar rechts. ‘Oefeningen moeten leuk zijn en afwisselend’, was zijn adagio. Daar kon ik me helemaal in vinden.

De pols gaat met de week beter. Tijdens het schrijven probeer ik met tien vingers te typen, dat lukt niet helemaal. Vooral de linker wijsvinger en middelvinger doen mee, maar het helpt wel. Steeds vaker wil de rest volgen. Verbazingwekkend hoe langzaam de revalidatie van bepaalde onderdelen gaat. Geduld is zeker nodig.

Straks ga ik met dochterlief en kleindochter naar de voorstelling van Malou van der Sluis. Het heet ‘Vaarwel’ en is geïnspireerd op het boek de kleine walvis van Benji Davies. het is een voorstelling voor 2+. Lief zet ik af bij de tuin, want dan gaat hij zich vast buigen over het zwaardere spitwerk in de kruidentuin. Zo slaan we twee vliegen in een klap. De boekenuitzoekerij bewaren we voor de regenbuien tussendoor. Buiten blijft ons allebei trekken.

Vanmorgen toen ik naar beneden ging om de koffie te maken, was het balkon vol kauwen die elkaar tokkend de weg wezen naar de lekkernijen. Een van de grote zwarte vogels had de weg gevonden naar het vet, dat zoonlief expres in de kooi had gehangen, opdat de koolmezen er dan van konden snoepen. De snoodaard kon met zijn grote snavel door de spijlen heen bij de lekkernij. Niet voor een gat te vangen, de slimmeriken.

Uncategorized

Zo’n onverwacht genoegen

Door een samenloop van omstandigheden, en het was niet eens volle maan, was ik in de avond van de vorige dag wat van slag geweest zonder het te kunnen benoemen. Achteraf bezien was het een combinatie van de onzekere toekomst die een mens heeft op deze leeftijd, de wens van het verlangen zoals een mooi appartement in een oud pand aan de singel of een buiten zoals in Verweggistan, het nooit meer kwijt willen raken wat nu aan geluk deel uit maakte van het leven, maar evengoed het bewustzijn van de begrenzing ervan. Leef nu, leef in het moment, leef de dag.

De goede raad zweefde er natuurlijk op alle fronten doorheen, maar de sluizen stonden open en de gedachtengang was niet meer te stoppen. Het had zijn invloed op de stemming de volgende dag. Niet naar de tuin in dit geval, dus haalde lief zelf even de accu van de grasmaaier op die we gisteren vergeten waren, terwijl ik wachtte in de kleine blauwe. We stonden al in de richting van Eemnes, dus de kringloop dan maar. Het doel: een kort spijkerjasje. Iedere keer weer is bij zo’n kringloop de verbazing van lief over de hoeveelheid van overtollige huisraad van zijn gezicht af te scheppen.

Met een jasje dat iets te donker van kleur was, maar paste als een handschoen, stonden we na een half uur buiten. Het tuincentrum was een logisch vervolg, omdat we de regentonnen wilden bekijken. In De Bilt was een grote en ook daar waren we in de buurt. We vonden wat we zochten, maar lieten ze staan, om nog een keer een vergelijkend prijsonderzoek uit te voeren.

De onrust bleef. Ik wilde naar het water, het hoofd leeg maken. Voor de zee was het veel te laat. Rhijnauwen was een goede vervanging en met de regen in aantocht ook een mooie schuilplaats bij te heftige buien. We reden door tot de grote parkeerplaats op het terrein, iets wat ik nooit doe, omdat je er een stuk voor door het bos moet, maar in dit geval leek het wijsheid want de weerapp voorspelde stortbuien. We wandelden naar de vertrouwde picknickplaats waar we als gezin, met mijn vader en moeder, dikwijl waren geweest. Hetzelfde gold voor lief en zijn ouders. Een pleisterplaats uit het verleden, omringd met zoete herinneringen. Er was nog niets veranderd. Zelfs de grote zandbak, opgetrokken uit oude zwerfkeien was nog geheel in tact. Een van de drie oud bomen was omgezaagd en er stond nu wel, vlakbij de oever van de Kromme Rijn, een picknicktafel.

Het kabbelende water, de grazende koeien aan de overkant met een bronstige stier, de scherende zwaluwen met hun witte buikjes boven het water, de twee futen die passeerden en de blatende bonte schapen achter ons, brachten het stille genieten. De rust keerde weer. Een vredig tafereel en wij er middenin. Samen, dicht tegen elkaar, met de handen ineengestrengeld. We zagen de wandelaars aan de overkant, een kano die in gestaag tempo voorbij gleed en rimpels trok in het gladde water, de stier die eindelijk een willig vrouwtje vond en samen met haar optrok, tot ze er tochtig genoeg voor was. Natuur om en in ons.

Toen de eerste druppels vielen liepen we naar het restaurant en zochten een tafeltje op de veranda met zicht op het water zonder dat het inregende. We genoten van een kleine maaltijd, stoofpotje voor lief en een soep voor mij. Het hanengedrag en de schelle waarschuwingskreten van de slanke waterhoen beneden ons, naast een rotspartij met een blauwe regen, trok de aandacht. Het was gericht op een meerkoet met jongen die de doorgang zocht naar het open water. Hoen liet niemand door en beiden probeerden ze zich zo groot mogelijk te maken. Macho mannetje tegenover moederkloek. ‘Alsof hij de Zwarte Zee aan het bewaken was’, vond lief.

Twee stellen achter ons streken luidruchtig neer, rondvliegende schelle tonen, bulderende lach, geschuif van metalen poten, maar het had geen invloed op onze innerlijke rust die was neergedaald. De middag was meer dan heilzaam gebleken. Om lang op te teren, zo’n onverwacht genoegen.

Natuur op de tuin·Overpeinzingen

Morgen is er weer een dag

Vroeger dan anders, de dakgootkauwtjes zijn meester in hun wekkerfunctie, togen we naar de tuin. Vooraf wat lekkernijen voor na de noeste arbeid gehaald en twee grote zakken tuinaarde die lief met de kruiwagen op kon halen uit de kleine Blauwe.

De tuinen ademen groei en vooruitgang. Overal is men druk bezig met het opschonen en zaaien, schoffelen en maaien. Het broedseizoen is in volle gang en het gekwinkeleer van de vogels ligt als een deken van vrede over alles heen. De merels fluiten hun hoogste lied. Midden in de sloot zit de meerkoet op haar nest. Ze houdt elke voorbijganger nauwgezet in de gaten, maar voelt zich daar volkomen veilig, want ze blijft zitten waar ze zit. Een prachtig nest, dit keer, volledig uit natuurlijk materiaal van takken en twijgen. Een betere reclame voor ons natuurtuinencomplex is er niet.

Op weg naar de tuin doen we die van dochterlief aan. Ze zijn op een heerlijke manier, stukje bij beetje, hun woeste grond aan het ontginnen. Eerst hebben ze een grote bomenkap gehouden omdat de grond vol stond met veel te grote wilgen. Nu kan de Gingko haar takken breed spreiden en vormt steeds meer een natuurlijke parasol boven het zitje. De spiraalvormige kruidentuin begint zich van lieverlee te vullen met geurige gewassen. Ze hebben een groentebed gemaakt, die schoonzoon op een hele inventieve manier heeft omzoomd met een lage afscheiding van wilgentenen, superleuk gedaan. Er is bij hen nog een tweede zithoek/zonvanger bijgekomen en omdat nu al het groen gaat bloeien en groter wordt, worden de zichtlijnen steeds duidelijker. Een heerlijk plekje zo naast het weiland. Alleen de dames zwartkopschaap tegenover je, wat een rust.

Ons toekomstige kruidenbed was nu aan de beurt. Eerst maar eens ontgrassen. Lief ging aan zijn eigen project verder, het opschonen van de doorgang achter het atelier. Zo hebben we een mooi achterom en een prettige bijkomstigheid is, dat de achterbuuf haar maaimachine makkelijk uit de schuur kan halen, nu ze niet meer struikelt over takken en brandnetels. Het is naarstig speuren geblazen tussen de gewassen die al in dit bed staan. De klimgeraniums, die ieder jaar weer een zee aan bloemen geven, de citroenmelisse, de kleine witte bloemen waar ik de naam steeds van vergeet en warempel, ik ontwaar er zelfs de wilde marjolein, die dapper heeft stand gehouden tussen de moerasandoorn en de boterbloemen. De framboos gaat alle perken te buiten en wordt rigoureus teruggedrongen tot een heggefunctie. Vort jij. De grote pollen grassen vergen veel kracht om ze te verwijderen. Van sommige soorten vind ik het zonde om ze op de composthoop te gooien en ik zoek naarstig naar een vaas om ze samen met de dagkoekoeksbloemen in wat slootwater als versiering te gebruiken. Een oude laars blijkt een prima vervanger voor dit doel. Parmantig staat ze met haar natuurpruik voor de oude potten.

Er komt een klein bont zandoogje aangefladdert die zich uitgebreid laat bewonderen als ze zich koestert in de zon. Vleugels open en vleugels dicht. Wat een mooitje.

In de sloot verderop zien we tot onze vreugde, naast de plompenbladeren en bloemen, de waterlelies in hun volle pracht. Die heerlijke feeërieke bloemen, waarbij zoveel te fantaseren valt. Ze staan nu ton sur ton met het bloeiende fluitenkruid vol schoonheid te zijn.

Het is toch allemaal net iets te zwaar geweest. Om vier uur gooi ik mijn handdoek in de ring. De koek is op. Tijd voor wat gemijmer, ontspanning en nagenieten met koek en zopie. Morgen is er weer een dag.

Overpeinzingen

De dag kon niet meer stuk

Vroeg begonnen, tijd gewonnen. Dat ging gisteren op, omdat we besloten hadden een bezoek te brengen aan de plantenmarkt op het JansKerkhof in de stad. De kleine blauwe kreeg een zonnige parkeerplek aan het begin van de Biltstraat. Die afstand zou te lopen zijn, ook met de armen vol plantjes voor de bakken op de galerij.

Utrecht op haar best. Een zonnetje, blauwe lucht, de kraampjes aan de voet van de beschuttende kerk. De vroege ochtendrust hing nog tussen de straten en het langzaam opkomende verkeer was daar een belangrijke factor in. Op de markt zelf was het al een en al bedrijvigheid. De kooplui hadden hun waar zo voordelig mogelijk uitgestald. In de bloemenkramen lagen de pioenrozen te kust en te keur uitnodigend opgestapeld. Het roze, rood, paars en wit aan vrolijke bolletjes als een zee van bloemen in een regenboog aan kleur.

We struinden de kramen langs op zoek naar de geschikte bloeiers en zagen eigenlijk te veel. De uiteindelijke keuze viel op een combinatie van langbloeiers en een ouderwetse boerengeranium er tussen. Daarna wandelden we terug door de Nobelstraat en hadden een keur aan herinneringen. Het werd een trip door Memory Lane. Naast de bloemenmarkt zelf stond een groep studenten met slaaphoofden hun eerste koffie te lurken voor Wooloomooloo, al in onze tijd, nu ruim vijftig jaar geleden, een befaamde danstent, waar menig biertje naar binnen werd gehesen. In de Nobelstraat kwamen we nog zo’n klassiek oudje tegen. Het Pandje in volle glorie en geen spat veranderd in haar uiterlijk, temidden van de flexibele etalages van haar naaste buren.

De bomen voor de Stadsschouwburg, even verderop, vertelden hun eigen verhaal terwijl de fontein ervoor sproeide dat het een lieve lust was. De badende dames eronder lieten zich al decennia lang het watergeklater welgevallen. De stoïcijnse acteur, een kant van het gezicht uitgewerkt en de andere kant glad gestreken en onaangedaan, niets verradend van wat er werkelijk in hem omging, keek al jaren naar de gouden muze op de gevel van de Stadsschouwburg. Tot onze grote vreugde was het restaurant Djakarta er nog altijd, waar we in onze studententijd slechts één keer hadden gegeten omdat het te prijzig was voor ons karige budget. ‘Daar gaan we nog eens op herhaling’, beloofden we elkaar. Alles bij elkaar juweeltjes uit ons roemruchte verleden, een ontroerende ontmoeting, die het hart vol jeugdige verliefdheid liet lopen.

Met de buit ging ik thuis onmiddellijk aan de slag terwijl lief de operatieassistent speelde met prullenbak en zware zak met aarde. Binnen korte tijd pronkten nu tot op eenderde van de galerij alle bakken zich eindelijk met bloemetjes. Zoonlief had samen met schoondochter ingeslagen in het tuincentrum. In een ontdekkingstocht tussen het wat verpieterde spul op het balkon ontdekten we een wereld aan zonnebloemenplantjes, nietig in hun aanwezigheid. Ze werden liefdevol verpot en de andere bakken kregen aarde en een leger aan bloemenzaad. Daar tussendoor hipte de familie koolmees vrijelijk en niet bang tussen de takken van de sierprunus van beneden, die ruim tot ons balkon reikten. Alles ademde een sfeer uit van verlangen en belofte. De benjamin had de smaak te pakken en had, terwijl wij naar een optreden van kleindochter en naar de voetbalwedstrijd van de oudste waren, de galerij tot ver voorbij de buren met de hoge drukspuit schoongespoten.

Er was een glorieuze performance van die allerkleinsten, een klaterende overwinning, 4-1 maar liefst, voor de club en bij thuiskomst een hagelwitte galerij met een gevuld balkon. De dag kon niet meer stuk.

Uncategorized

Het leven in te kleuren

En zo kon het gebeuren dat lief en ik dwalend door Laren trokken op zoek naar een parkeerplaats. De hele stad stond vol blik en als dat niet zo was, mocht je er maar twee uur parkeren. Oorzaak, bleek achteraf, was de weekmarkt in het centrum. Nooit meer op vrijdag naar het Singer of op en anders alleen op een bijzonder vroeg tijdstip, leerden we al zoekende. Eindelijk vonden we een plekje tussen de rododendrons en de villa’s aan het einde van het landweggetje dat ik met zus zo dikwijls gelopen had. Langs het tarweveld konden we het museum bijna zien.

Het is opnieuw verbouwd om de collectie Nardinc ruimte te geven, ontdekten we. Geen onverdienstelijke aanpassing. Tussen de doeken van Theo van Rijsselberghe, Jan Sluyters en de modernen, met als toetje Lussanet, dwaalden we rond en genoten. Ik vooral van de portretten die ik tegenkwam en lief van eindelijk weer een museumbezoek.

Onze perceptie was totaal verschillend. Bij lief kwam onmiddellijk de historische context om de hoek kijken. Hij plaatste de doeken in de tijd met het hele verhaal erachter. Ik keek naar toets en streek, de verfijndheid of juist de luchtigheid waarmee iets was geschilderd, de details, de vorm, de kleur. Zo kwamen we met z’n tweeën tot een mooie beleving.Wat was het fijn om samen met hem rond te dwalen tussen al die mensen door. Even werden we afgeschrikt door een rondleiding die een grote groep met zich meebracht, maar we zeilden er al snel omheen om de drukte achter ons te laten. Drie zalen extra waren er met de verbouwing vrij gekomen en er was een uitstekend zicht op de druk bezochte prachtige tuin gecreëerd.

Met het voorspelde noodweer in het vooruitzicht en vol van de schoonheid besloten we de drukke tuin en het restaurant te bewaren voor een volgende keer. Het was genoeg. Het hoofd en het hart waren vol, er was voldoende om een tijdje op te teren. In de stromende regen door een omleiding over Baarn voerde de kleine blauwe ons naar huis, een eindeloze rit, zo leek het, maar genoeg stof om over te praten.

Thuis bleken de kleine koolmezen druk in de weer om het voer voor hun kroost, dat in hun kielzog meevloog, te verzamelen en ze te voeden met de zaadjes van de voederplank en uit de kleine antieke kooi waar alleen de mezen en vinken in en uit konden vliegen. Door de verrekijker op statief, die zoonlief had neergezet, viel er goed te genieten van die grote snaveltjes, die het lekkers in de kleine wijd opengesperde bekkies stopten.

Eindelijk zie ik de kruin van de bomen door het zolderraam nu ze volop in blad staan. Het wordt tijd dat we de werkkamer in orde gaan maken. Daarvoor moet eerst de schuur leeg, hadden we bedacht, anders is er geen kans om te schuiven. Bij die vergelijking moet ik denken aan de raadselspelletjes van vroeger, waarbij een vakje open was gehouden en je net zo lang met de letters moest schuiven tot het woord er stond. Als er geen ruimte is kun je schuiven wat je wilt, maar blijft het bij verplaatsen van de rommel. Eerst het grof vuil, dan de kringloop en vervolgens ruimte voor een bureau aan het raam.

Ook begint de inspiratie te kriebelen. Kom maar op met doek en penselen. Ineens weet ik weer een aantal onderwerpen en, gevoed door de doeken van Lussanet, wat speelsere vormen. Tijd voor het grote experiment. Maar eerst is het de beurt aan de plantenmarkt in Utrecht. Het is de hoogste tijd dat de bakken op de galerij gevuld worden. De ijsheiligen liggen ruim achter ons en een lange zomer ligt in het verschiet. Tijd om de boel wat op te fleuren en het leven in te kleuren.

Overpeinzingen

Zo komen we de zomer wel door

Het begon allemaal met die stortbui, want eindelijk was er de energie om samen het zolderraam aan te pakken om, in de geest van ‘Skyspace’ van James Turrel, de rechtstreekse verbinding met het firmament te weeg te brengen. Dat was er natuurlijk altijd al, maar door onze gezwinde aanpak viel er nu streeploos, of zo goed als, door te kijken. De dakgootkauwen waren in alle staten van paraatheid en hadden in een oogwenk al hun kameraden opgetrommeld, die vervaarlijk laag langs het wagenwijd geopende venster scheerden, waar lief zijn hoofd doorheen stak. Wat een saamhorigheid. Daar kunnen wij als mensheid nog iets van opsteken.

Later op de dag was er de harmonie van het kleine moment. Lekker tegen elkaar aangeleund lezen en af en toe wat passages om hoog lepelen, omdat die de moeite waard waren om met de ander te delen. Op dergelijke momenten is geluk tastbaar.

Veel te laat hoorden we de veranderde route van de avondvierdaagse langs onze galerij, dan zou lief Kleinzoon toe kunnen zwaaien en moest ik, als de gesmeerde bliksem nog een lekkernij te voorschijn toveren. Maar in de supermarkten deed men niet aan avondvierdaagse. Onverrichterzake reed ik toen maar door naar de bijeenkomst van de leesclub. ‘Kleed je warm aan’, zo luidde de waarschuwing, ‘Want we beginnen buiten’. Twee truien dik dan maar. Een aan en een om de schouders geslagen.

De gastheer had uitnodigend de stoelen met de dikke kussens erin klaargezet omringd met sfeervolle verlichting. Hij redderde uitgebreid om koffie en thee klaar te maken terwijl de rest binnen druppelde. Geheel tegen mijn verwachting in was het boek ‘Het woord voor Rood’ toch wisselend ontvangen, maar ondanks dat had iedereen het wel betrekkelijk snel uitgelezen. Mijn verbondenheid met mensen met een afasie stamt al uit de prille beginperiode van mijn verpleegkundige opleiding, waar de afdeling neurologie tot een van mijn voorliefdes behoorde, juist door het ongrijpbare fenomeen, die werkende hersenen. Het was de aanzet tot het warme bad van herkenning in het boek.

De meningen waren verdeeld. Onze leesclub bestaat uit drie mannen en drie vrouwen, een bewuste keuze, omdat de kijk op het leven in het algemeen nog weleens per sekse kan verschillen en ook omdat dat boeiende gespreksstof zou leveren. Zo ook in dit geval, echter niet gerelateerd aan sekse maar aan ervaring en herkenning. Diegenen die iemand met deze aandoening in de familie hadden, waren er nauwer bij betrokken dan de anderen, die vooral struikelden over de laatste sessies aan het eind van het boek met de groep afasie-patiënten en de aanpak om hun communicatie te verbeteren. De algehele strekking was: Een spannend begin, minder goed uitgewerkte karakters in het laatste deel en een te traag verloop. Daar konden we allen mee leven. Twee van ons waren onverdeeld tot het einde toe geboeid gebleven.

Langzaam trok de kou op en werden er warme plaids en dekentjes gehaald om, toen het wat donkerder werd en het borreltijd was, naar binnen te gaan en daar verder bij te kletsen met wat lekkers om het feest te staven. Er kwamen allerlei te lezen boeken langs en uiteindelijk kozen we er twee uit. Een dunnetje en een kloek boek. De eerste is van Roxanne van Ieperen en eigenlijk meer een verhandeling: ‘Eigen welzijn eerst’ over publieke voorzieningen en gelijke kansen, het verlies voor de middenklasse van haar liberale waarden en het boek ‘De biecht aan mijn vrouw’ van Pieter Waterdrinker.

Zoals altijd stommelden we via allerlei associaties de diepte in en kwamen zelfs nog even uit op het jenaplanconcept, dat in onze school teloor ging aan de nieuwe methodes, het niet langer specifiek opgeleide personeel, omdat de jenaplan-opleidingen uit de pabo’s waren verdwenen, het feit dat de school steeds meer een buurtfunctie kreeg, maar ook mede door de eisen die werden opgehoogd, waarbij niet gekeken werd naar de onderbouwing van het eigen concept.

Er werden nieuwe afspraken gemaakt en gefantaseerd over nieuw in te vullen uitjes en bestemmingen. In oktober hebben we ons eerste vijfjarige jubileum. Dat mag met verve gevierd worden. Voor we er erg in hadden was het half twaalf en als Assepoes in de donkere nacht verdwenen drie van ons huiswaarts. Voorlopig hoef ik geen leeshonger te leiden met vijf te recenseren kinderboeken op de rol, bovenstaande twee en de goede oude Marten Toonder. Zo komen we de zomer wel door.

Overpeinzingen

Vroeg genoeg

Onweer boven je hoofd door een zolderraam geeft een volstrekt andere dimensie dan onweer in het bed naast de boom bij het raam. Arme dakgootkauwtjes bedacht ik me toen er een klaaglijk geluidje te horen was aan de andere kant van de muur. Hoe beschermd kan je zijn in een open en slordig nest.

De gestage ademhaling van lief brengt rust temidden van het natuurgeweld. Heerlijk voor alles dat in de groei is, zo’n weldadige bui, maar het is te hopen dat ze niet alles plat heeft gegeseld. Gisteren genoten we zo van het nagelkruid, dat fier rechtop een weelde aan bloemen ten toon spreidde. Nu tikt de regen zachtjes, jawel, op het zolderraam en is alles weer pais en vree.

Ze heeft me wel gewekt en derhalve schrijf ik op mijn gebruikelijke uurtje. Af en toe is er nog een flitslicht met wat gerommel er achteraan, maar het hele circus zou ook zomaar op nieuw kunnen beginnen. Wat volgt is een zwak aftreksel van de felle bui van daarnet. Het is tijd voor een inspectie op het balkon. Eens zien wat deze plotselinge uitbarsting allemaal heeft overleefd.

In afwachting van wat komen gaat zoek ik op internet een vijftal jeugdboeken uit voor het nieuwe nummer van Mensenkinderen. Zodra je je verdiept in die wereld wordt je met intrigerende en boeiende titels om de oren geslagen. De recensies erover hebben al minstens zulke stimulerende opschriften. De andere wereld van een leeftijdsgroep die hoger ligt dan de basischoolleeftijd zou weleens heel leerzaam kunnen zijn om inzicht te krijgen in wat de lieve jeugd van nu zo bezig houdt. Mijn kinderen hebben die leeftijd al weer ruim overschreden. Het is fijn om met een nieuw project aan de slag te gaan. Wie weet wat het allemaal oplevert aan nieuwe gedachten.

Vanavond is de boekenclub met de ideeën van de anderen over Het woord voor rood van de auteur Jon McGregor en ik kan niet wachten. Zo fijn om over gedeelde emoties, die dit boek zeker oproept, te mijmeren met elkaar.

Een appje van vriendinlief over haar zieke moeder. Die in alle rust twee dagen geleden is gaan hemelen. Haar was een lang afscheid gegeven, waarbij ze heel veel mensen bewust nog gedag heeft kunnen zeggen met een persoonlijke noot daarbij. Zo waardevol en zo rijk. Toen mijn moeder overleed, werden we overvallen door een grote leegte, die niet snel te vullen viel ondanks haar nagelaten dagboeken van de laatste vijf jaar. Er bleven zoveel vragen open. Niemand had er op gerekend. Alle clichés van ‘langer lijden’ tot ‘voor de persoon zelf is een plotselinge dood beter’ zijn in beide gevallen toe te passen, maar de rafelranden van het wegrukken zijn maar moeizaam weg te poetsen. Dood trekt zijn eigen wissel.

Zoonlief heeft de parasol vannacht bij de eerste spetters naar binnen gesleept. Het waaide hard en misschien was het wel de kat op het spek binden om haar, ingepakt en wel, in haar nieuwe voet buiten te laten staan. ‘Het zekere voor het onzekere’, dacht de benjamin en trotseerde het nachtelijke tij.

Blogvriendin schreef over haar nieuwe project. Het optekenen van verhalen van mensen die dat wensen. Geen levensmoede verhalen, maar herinneringen voor het nageslacht. Ze volgt er een korte cursus voor en heel even begint het binnenin te kriebelen. Dat was wat me als vrijwilliger in het ziekenhuis op de afdeling Oncologie immers zo had geboeid. De verhalen van de mensen, die ook bij mij persoonlijk dikwijls zoveel losmaakten. Vooral haar beschrijving van de eerste schreden op dat gebied en de blogvrijheid die ze moest opgeven voor een meer journalistieke stijl intrigeren. Wat een nieuwe rijkdom zal dat geven en opnieuw veel impuls tot schrijven.

Het wordt tijd dat ik eens in die richting ga denken, maar voorlopig nog niet, nu niet, nu ik net aan alle kanten de gezamenlijke vrijheid met lief aan het omarmen ben. Zodra er weer een nieuwe impuls nodig is, is het vroeg genoeg.

Uncategorized

En zo is het

Een marathon van drie dagen voorstellingen gaan op den uur niet in de koude kleren zitten en dan moet je weten, dat ik niet hoefde te spelen. De lieve Peer was min of meer aan het eind van zijn latijn. Het was inn te leven. Er was aandacht maar ook heel veel verloop door de kinderen die constant naar het toilet gingen. Onderbouwers kun je dat niet verbieden. We hebben ooit al eens een natte stoel daarop als cadeautje achteraf gekregen. De mannen gingen onverstoorbaar door en dat oogste mijnerzijds bewondering.

Om twaalf uur zat het erop en mocht ik weer huiswaarts. Te moe door de warmte en het feit dat de airconditioning niet werkte in de kleine blauwe. Even op de bank om bij te komen, maar dan toch met lief mee naar de tuin om de planten water te geven en nog wat grassen te trekken. Ach, de lieve Abdel kwam op bezoek bij de buurman en bracht in zijn goedertierenheid wat meloen in een wedgewood schaaltje. Trots vertelde ik lief dat dit de liefste mens was, die ik tot nu toe had ontmoet. ‘Waarom’, was de vraag. Deze man uit de Ivoorkust heeft voor iedereen een vriendelijk woord over en deelt letterlijk al zijn bezit met iedereen die er is en zonder aanzien des persoons. Abdel vertelde enthousiast dat zijn moeder en zusje nu hier in Nederland zijn en hoe blij hij daar mee was. Ze krijgen binnenkort woonruimte.

We bedankten hem voor de goede gaven. Het zevenblad van de buuf heb ik proberen in te dammen door dat beetje wat al doorgesijpeld is, oh help, af te knippen en ik ben vastbesloten het iedere keer af te knippen. Dat zou het moeten stoppen. De enige remedie, leren de diverse onkruidbestrijders me. ‘If you can’t beat them, eat them’ is een heilig Engels gezegde, maar ik weet, door de vorige tuin dat je dan niet anders dan iedere dag zevenblad zal eten. Geen optie. Veel eten is tegen eten per slot van rekening en vooral ‘ Veel wieden zonder resultaat is haat kweken’. Haha en die is uit de eigen koker.

We werken in de brandende zon of op de schaduwplekken en genieten ondanks de moeheid, wat ook betekent dat het belangrijk is om soms over grenzen te gaan. Als ik had toegegeven aan het zwaar aanvoelende lijf was ik op de bank blijven liggen.

Het was even heerlijk op de tuin. De vreedzame merels, een kleine winterkoning, dacht ik, een ooievaar cirkelend boven in de lucht. En dan de stilte, volmaakte stilte. We geven de planten wat kleine gieters water uit de sloot en genieten thuis vooral van de televisie. Expeditie Holland, Binnenstebuiten en Atlas. Een onderdompeling in de natuur in beeld.

Er is avondvierdaagse, maar op de cruciale dag, morgen tijdens de laatste tocht en het uitdelen van bloemen en snoep, heb ik de leesclub. Oma verzaakt en dat voelt nog altijd niet helemaal zoals het hoort. Aan de andere kant heeft iedereen zo zijn eigen leven. natuurlijk is er de band en het een voelen, maar toch, het mag ook los, net zoals het valt. Dat is de zekerheid voor de topliefde op het moment supreme. Lief valt op dit ogenblik om de haverklap om in een roezige slaap. Het hoofd achterover op de bank. Liefhebben in alle toonaarden, omdat de basistoon zo helder en sereen is. En zo is het.

Overpeinzingen

Een kniesoor die daar op let

Tweede dag op rij om acht uur op pad. Bij aankomst in Zeist, waar de tweede reeks voorstellingen van De Liedjesatlas door Trapperdetrap zouden plaats vinden, waren alle deuren nog potdicht. Er stond een raam open op zolder. Ik riep een keer de naam van de lichtman, maar lauw loene. Geen sjoege daarboven en de deuren bleven dicht. Dus wachtte ik in de auto braaf op enig teken van leven. Daar kwamen beide performers aan in een nog kleiner autootje dan de kleine blauwe. De lange Peer moest zich eerst uitvouwen tot normale lengte. Het was een koddig gezicht.

Eerst moest ik mijn banner uit de bagageruimte pakken en toen ik daarna achter hen aan ging, bleken ze verdwenen als sneeuw voor de zon en bleven nog steeds alle deuren hermetisch dicht. Een mevrouw van het voorhuis, waar het kunstencentrum was gevestigd, kwam aan en gaf uitkomst. Ruim op tijd voor de nieuwe lichting kinderen, een school met 4×28 stuks en wegbrengouders, dat betekende volle bak.

Dit was de vijfde dag op rij dat ik zag hoe de beide mannen, Peer en Stefan, de kinderen mee kregen zonder ze gek te tikken. De liedjes met een vertaling van Koos Meinderts zijn grappig’ maar het is vooral de mimiek van Peer en de droge humoristische opmerkingen van de gitarist Stefan er tussendoor, die de kinderen zonder moeite meezogen in een reis om de wereld met aanstekelijke folkloristische melodieën vol humor en met een knipoog naar het land in het Nederlands vertolkt.

Ach, hoe genieten ze van zo’n druppel op een gloeiende plaat. Als ik zie hoe ze groeien bij alles wat hen geboden wordt, ontroert het me. Vijf en zes jaar oud zullen ze nog niet veel stappen in het theater hebben gezet. Opmerkelijk was het verschil in populatie. De eerste school bracht hoofdzakelijk hele blonde kinderen mee, de tweede groep was een grote afspiegeling van de gemiddelde grootstedelijke bevolking, de derde groep was een milde mix.

Met een strakke planning was mijn aanwezigheid zeer gewenst, want daardoor kon ik de komende groep waarschuwen om even te wachten en de doorgang vrij te houden. Drie keer vlak achter elkaar alles geven is intens, vooral als bij het eerste optreden Peer helemaal het onderste uit de kan had gehaald. Morgen iets beter de energie verdelen, bleek de boodschap.

Ziezo, bij thuiskomst was Lief er en konden we de parasol in de mooie gietijzeren voet passen, wat wonderwel goed lukte. Hij zat tot onze grote vreugde, als gegoten. Een leuke bijkomstigheid is dat hij ton sur ton kleurt met het leuke zitje. Het wordt nog eens een echt balkon.

Vandaag is mijn lieve oudste jarig en we zouden eigenlijk moeten vieren dat ik tweeënveertig jaar geleden moeder werd. De avondvierdaagse gooit roet in het eten. Zaterdag komt ze gelukkig hier eten, dan kan ik iets extra’s uit die hoge keukenhoed van me toveren. Dat gaat vast lukken. Tweeënveertig jaar geleden stond ik immers ook achter het fornuis de weeën op te vangen, terwijl ik voor onze woongroep aan het koken was. Op de dag had ik op blote voeten in de tuin gewerkt. Ik kwam niet op z’n charmantst bij de oude strenge arts aan die de bevalling zou begeleiden en die, door een verstoorde avondrust, zijn gram rondstrooide door de verpleging, mij en manlief bits toe te spreken. Hij vond dat hij wel naar huis kon, ik was een primi-para dus zou het vast nog uren duren. Dochterlief daar binnen in dacht er anders over en met een weeënstorm rolde ze in een stuit naar buiten. Nou ja, dat laatste was iets bezijden de waarheid. De arts moest hals over kop van huis komen, de arme overdonderde spieren hadden de hele nacht tijd nodig om weer in de normale rek en strekstand te komen, maar de wolk van acht pond lag kraaiend in mijn armen, dus een kniesoor die daar op let.

Overpeinzingen

Beloofd is beloofd

Het witte wolkendek laat gezichten zien vandaag. Gierzwaluwen scheren er dwars doorheen en veranderen de emotie in het gelaat watten wolken worden omgevormd tot schaap. Een rivier van kolkend wit blijft hangen boven mijn hoofd.

Al vroeg naar de tuin, boodschappen mee, het stokbrood was al op of nog niet gebakken, dan maar bolletjes, kaas en sla. de meegenomen Ipad niet open gehad om te schrijven. Broer en schoonzus van lief bellen en de tuin laten zien met ingehouden trots, we zijn al zo’n eind opgeschoten, maar verder bleef het die dag bij gemoedelijk kouten onder de appelboom van Vasalis met dochterlief en schoonzoon, terwijl de twee jongsten gingen helpen bij het schoonkrabben van de tegels achter het atelier.

Dochter was eerst bezig geweest in eigen tuin en kwam ook nog even aangewipt. Advies en prietpraat wisselden elkaar af. Er kwamen drukke dagen aan, dus bewaren we de kalmte. Vandaag, morgen en overmorgen is er de voorstelling ‘De Liedjesatlas’ en ik herken de jongens op de cover van de website. Dat wordt een soort thuiswedstrijd met kleuters. Deze vrijwilligersbaan ga ik langzaam afbouwen. Het is mooi geweest en lief en ik vinden zoveel nieuwe bezigheden op ons pad dat het er omheen wat kalmer aan mag. Na Corona met haar lege agenda’s stroomt het voller dan vol deze dagen. Alsof we iets in moeten halen. Het maakt dat je bijna gaat terugverlangen naar de rust van toen. Nee, niet naar het virus. Door het lezen van Erasmus en Willem de Zwijger ontdekten we wel, dat infecties en virussen al schering en inslag waren sedert de vroege middeleeuwen. Ten tijde van de winterdagen maar ook in de bloedhete zomers. De periode zonder pandemieën is min of meer de grote uitzondering.

Aan het eind van de dag, als de rust is weergekeerd, trekken we met de kleine blauwe naar het stadje achter de onze. Daar staat de mooie gietijzeren voet ons op te wachten die ons met liefde aangeboden is. Op het belletje is er geen actie, maar in de achtertuin is er leven. Heerlijke rust straalt het daar uit. De mooie tuin, een explosie van kleur en schoonheid, is het werk van de man des huizes. Daar ligt alle liefde voor het leven in. Hij haalt eens wat weg of zet er iets bij, maar laat zoveel mogelijk alles in eigen tijd en eigen uur bloeien. Het resultaat is een natuurlijke aanleg en dankbare bloei. Bij de koffie en de thee praten we onze schooljaren bij, maar ook de eindjaren zestig, die we alle vier sleten in het Utrechtse en waar onze voetstappen elkaar misschien wel gekruist zullen hebben, zonder dat we dat wisten.

Met die volle agenda is de Urban sketching van die dag finaal door mijn hoofd geschoten. Een gemiste kans. De lokatie was nota bene de Sterrenhof, een klein hofje achter de inktpot, waar wij als kind onze bedeltocht voor de Salesianen al in de jaren vijftig kwamen afdragen aan mevrouw Bauhaus, die op het linker laatste huis van het horizontale rijtje woonde. Een piepklein huis bewoond door een piepklein vrouwtje. In de kamer stond slechts een ouderwetse eettafel met pluchen kleed en tikte de klok de uren van de tijd weg in het staccato ritme van alledag.

Mea culpa aan mijn mede sketchers. Ik zal het een dezer dagen stilletjes inhalen. Beloofd is beloofd.

Uncategorized

Een nieuwe belofte

Gisteren konden we weer hand en hand door ons geliefde Utrecht lopen. De aftrap voor ons culturele seizoen hadden we bedacht met een etentje en een film. Het diner zou in het Louis Hartlooper zijn, dezelfde plek waar in de filmzaal twee uur later de film zou beginnen. Ik was in de heilige veronderstelling dat we boven zouden zitten in het restaurant, maar het bleek dat daar niet te reserveren viel en dat we aan mochten vallen in het lunchcafe. Oké. Vlak voor het raam, waarachter een groot terras en uitzicht op het Ledig Erf, dus voldoende afleiding indien nodig. Het was er zonnig en warm, ondanks het raam dat boven onze hoofden open stond. Geroezemoes van buiten klonk door en gaf een prettige en ongedwongen sfeer aan het geheel.

Het was in de late namiddag dat we neerstreken. Ons eerste echte etentje en stof tot praten voor tien. Er kwamen herinneringen langs schuiven, de voetsporen van mijn vader die ooit werkzaam was geweest in hetzelfde gebouw als bewaker van de wet, maar vooral onze lieve kleindochter en de malheur die haar overkomen was vandaag en waar de hele familie hun aandacht en liefde over betuigden via de app. Fijn dat er zoveel medeleven bleek en die grote betrokkenheid. Als moeder van een groot gezin een belangrijk item voor mij.

Ondertussen kwam de observatie van de omgeving op gang. Twee ‘backpackers’, soms is het Engelse woord makkelijker dan het Nederlandse, dat ‘rugzaktrekkers’ zou moeten worden. Prompt volgde een verhandeling over anglicisme en anderszins in de Nederlandse taal en het belang van het doorgeven van bijna vergeten welluidende woorden, die de taal zo’n verrijking gaven.

Bejaard en jong wisselden elkaar af in een bonte stoet. Het viel op dat de ouderen veelal zwijgend naast elkaar konden zitten eten, terwijl het grut al gauw een spelletje of iets te lezen erbij pakte onder een geanimeerd gesprek. Nou zaten die onder andere aan de leestafel, dat stimuleert extra natuurlijk. Wij hadden genoeg stof tot praten.

Mensen op het terras waren veelvuldig en uitgelaten bezig met de vrijdagmiddagborrel. ‘Kom maar door met de bitterballen’. Alle tafels waren gereserveerd, maar de meesten pas na zevenen wat er voor zorgde dat er nog aardig geschoven kon worden, een wat chaotisch en onrustig systeem. Er liep genoeg bediening, studenten schatte ik in, en er was geen logica op te trekken. Al met al was het gezellig, rommelig en vooral heel erg warm. Met de zon op de ramen. De gordijnen hadden we dicht getrokken, maar die konden maar een klein stukje. Het eten was smaakvol, een flink bord en derhalve ruim voldoende. De pasta voor mij en Lief nam de tempehschotel.

Om zeven uur begon de film. Ali en Ava van de Britse regisseur Clio Barnard beloofde een opbloeiende liefdesrelatie onder de rook van Bradford, een van de arme industriesteden in Engeland en berucht om haar sociale context. Welluidende kritieken als ‘ Een optimistische romantische setting’ hadden ons op het verkeerde been gezet. Na een boeiende en flitsende opening verviel het drama in een trage afwikkeling van beelden, waarbij voortdurend een andere verwachting gewekt werd, waar niet aan werd gerefereerd. De karakters waren helder en duidelijk, maar hadden nog wat meer uitgediept mogen worden, net als de liefdesgeschiedenis op zich. Wel was er herkenning, door de grilligheid waarmee een en ander, en doorgaans het leven, verliep.

Na een film verwacht je de diepe duisternis, maar we hadden de vroege voorstelling dus wandelden we in een drukke vrijdagavondstad weer terug naar de parkeergarage. De terrassen overvol en de stemming uitgelaten. Voor herhaling vatbaar was de conclusie. Het sociale leven kwam weer op gang. Boven de boomtoppen strekte zich het zachte avondlicht in een nieuwe belofte.

Uncategorized

En zo is het en niet anders

Het is al lang en breed middag. Het boek ‘Het Woord voor Rood‘ van John McGregor is uit. De auteur is diep in de wereld van de beroerte en de bijbehorende afasie gedoken en heeft zich weten te vereenzelvigen met deze vermeende ongelukkige mensen, die voorgoed lijken opgesloten te zitten in een wereld die zich nooit meer ontsluiten zal in woorden. De manier waarop hij ons leidt van accident tot nieuw licht is razend knap beschreven. Het brengt me terug naar mijn tijd op de neurologie in Leiden waar ik me zeer begaan voelde met deze mensen. Het ergste wat je overkomen kan, naar mijn opinie, is niet alleen het feit dat de taal onder je expressie wordt uitgeschoffeld, maar helemaal als het begrip verdwijnt of als je denkt zeker te weten dat jij het goed vertelt en niemand jou begrijpt. Wat moet je in een wereld die zo ver van de jouwe ligt.

Het geheel is verpakt in een spannende aanleiding tot dat fatale moment en daarna in het proces dat nodig bleek om tot een vorm van communicatie te komen. Het voelt alsof hij in de huid van een persoon met afasie is gekropen en zich heeft voorgesteld hoe het onsamenhangend gebrabbel dat er mee gepaard kan gaan zich heeft uitgekristalliseerd. Er moet een dijk van een observatie aan voorafgegaan zijn. Zijn manier van schrijven is pakkend en het lukte nauwelijks om het boek weg te leggen.

Dat is de ene kant van het verhaal. De andere kant is het lichamelijk ongemak dat het met zich meebrengt. Het nutteloze lijf als er sprake is van een halfzijdige verlamming. Het kost me geen moeite om het me in te denken, omdat het beeld van mijn vader op mijn netvlies gebrand staat op zijn dagelijkse rondgang door de poort naar de voordeur met een steeds verder voorover buigen van de onwillige kant van zijn lijf. Het kostte hem iedere keer weer een berg energie en het zweet parelde altijd op zijn voorhoofd als hij eindlijk voor de voordeur stond, terwijl de vloeken uit hopeloze onmacht tegen de deur opknalden.

De boosheid die er mee gepaard ging was moeilijk te aanvaarden evenals de kracht van de eigengereide gedachte het toch zelf te willen doen, ook al was het ten enenmale onmogelijk. Het kostte mijn moeder bergen aan geduld, energie en tijd. Ze schreef het van zich af in de vijf jaar dat ze nog leefde, in de hoop dat er iemand zou zijn die meer oog had voor deze trouwe mantelzorgers, die heel wat te verduren kregen. ‘Was sich liebt das neckt sich’, hielden we ons voor als hij in grove taal zijn gram probeerde te verhalen en probeerden het te negeren.

Wat een boek al niet los kan maken. Ik ben benieuwd of het verhaal de anderen van onze leesclub ook op die manier heeft geraakt. Door de ervaring was de herinnering helder en dichtbij, op de huid geschreven, kan je wel zeggen.

Nu ligt het boek naast me van Wim Hazeu; Marten Toonder, Biografie. Ook dat belooft een berg aan leesplezier. In deze tijdsgeest van botsende ego’s zou het voor eenieder wel eens goed zijn om door de loep van Marten Toonder mee te vorsen naar de diverse karakters, die sterk uitvergroot voorbij schuiven. De praalhanzen, de betweters, de nuffige koninginnetjes, de zorgkippen, de hanige macho’s, de leeghoofden, de machtswellustelingen, de Dagobert Ducks. Ze komen allemaal langszij in een humoristische en ironische welluidende taal, woord voor woord nauwgezet doordacht, uit-en-opgeschreven.

Wat een verwennerij. Zomaar twee boeken die de moeite waard zijn om achter elkaar te verorberen van voorkant tot achterflap, ‘Als u begrijpt wat ik bedoel’. Om maar eens een beroemde uitspraak van de heer Olivier. B. Bommel aan te halen en zo is het en niet anders.

Uncategorized

Een druppel op de gloeiende plaat

Richting den Haag voor de bioclub en een onderhoudend gesprek in de zondoorlichte kamer van een oud sfeervol herenhuis, compleet met alle ornamenten en een indrukwekkende trap. Gelukkig waren we allen er over eens dat Stipriaan met zijn zwijgende Willem eigenlijk meer een zeer uitgebreid geschiedkundig naslagwerk had geschreven dan een beschrijving van de levenswandel van de beste man.

Het was een fijne sfeer zo, met de pot thee onder handbereik en lieve vrouwen die een enorme kennis hadden van de historie, veel meer dan ik. We ontdekten dat het verschil voornamelijk zat in hun calvinistische en mijn katholieke opvoeding. Ze waren veel beter op de hoogte van het verloop van de geloofsbeweging die had plaatsgevonden in de late middeleeuwen. Wij hoorden vroeger wel wat over Calvijn en Luther, maar meer in termen van ketters en lasteraars. Zij hadden die vreselijke beeldenstorm in gang gezet. Wat had ik graag een objectief beeld willen krijgen van het verloop en alle kanten leren kennen. Je bent nooit te oud om te leren. Dit boek droeg daar wel aan bij en was een goede aanvulling op de verhalen van Erasmus, de dikke pil die ik hiervoor gelezen had.

‘Even geen monumentale leeswerken meer’, verzuchtten we alle vier hartgrondig en kozen een biografie van Marten Toonder, de auteur van Olivier B.Bommel. Heerlijk. Die heb ik direct besteld. Het voelt een beetje als een bevrijding dat ik niet meer aan die dikke pillen vast zit.

Het was een goede gelegenheid om vanmorgen in de stilte te starten met ‘Het woord voor Rood’ van Jon McGregor. Eer ik het in de gaten had zat ik tot over mijn oren middenin het avontuur, dat zich afspeelde op Antarctica. De pakkende stijl van deze schrijver sleurt je het verhaal in en het is moeilijk het boek weer weg te leggen. Binnen een uur lagen er 88 bladzijden achter mij en begon het tweede deel, waarbij ik nauwelijks kan wachten om straks in verder te gaan.

We hebben vooruitzichten op een parasolvoet. Dankzij de blog reageerde een lieve ouder van school van vroeger. Er lag er een in de tuin, een zware en geschikt voor een grote parasol, en hij was over. ‘Komt tijd, komt raad’, orakelde mijn moeder vaak. Dat blijkt nu maar weer.

In de avond stond er een afspraak met vriendinlief voor een theatervoorstelling van Stefano Keizer. Voor de voorstelling liep de cabaretier al rond in het publiek, ook in de zaal wandelde hij de trappen op om te zien wat voor vlees hij in de kuip had en knoopte hier en daar een praatje aan. Daarna dompelde hij ons onder in een complete anarchie, waar je vermakelijk theater verwachtte. Hij haalde alles uit de kast om elke regel, die er heerste bij een voorstelling, onderuit te halen. Hij nam zelf een korte pauze, ging wat bier halen, vroeg of hij nog iets mee kon nemen voor het publiek, stak een heel verhaal af in een hoek van de zaal zonder microfoon, stak er een sigaret bij op, hield morele monologen, en liet, onder hilarisch gejoel, het publiek meetellen van 0 tot 725 en sloeg ze daarna met hun welwillendheid om de oren. Het grote niets. De wereld is maakbaar, was de boodschap en dit was Stefano Keizer, de keizer van de gebakken lucht. Het liefst ging hij terug naar de anonimiteit, een vlucht in het donker, zoiets als theatertechnicus en prompt voegde hij de daad bij het woord. De keizer is dood, leve Govert Meit in variatie op een thema. Aan het eind was maar de vraag of het afgelopen was. Wij, met de langste adem, kregen nog de kans om zijn woeste dans met hem mee te dansen. Een mooi slotakkoord.

Ietwat verward stapten we de Kom weer uit in een klaterende regen. Regen! God zij geloofd en geprezen, voor regen wil ik wel op de knieën gaan na al die dagen van droogte en de tuin en het balkon met mij. Niet een klein miezertje, maar een flinke bui. Alle zegen komt immers van boven. Het stemt vrolijk, ook al is het maar een druppel op de gloeiende plaat.

Uncategorized

Een moeizame exercitie

Vorige week had ik ze al gezien, de gierzwaluwen. Vanuit het zolderraam zijn hun capriolen in de lucht goed te volgen. Ze scheren door het luchtruim. Wat veel belangrijker was, ik kon ze weer horen gieren. Vanuit de oude kamer bij de boom voor het raam was dat niet meer mogelijk. Het giert immers altijd in mijn hoofd. Ze brengen de herinneringen aan mijn lieve vriendin met zich mee van wie ik veel te vroeg afscheid moest nemen. Ze was gek op de gierzwaluwen en we observeerden ze vaak op onze wandelingen in het Wilhelminapark, vlak bij haar huis, als we uit moesten rusten op een bank, omdat het lopen steeds moeizamer ging.

Nooit nam de fantasie ons mee naar het moment, waar ik haar terug zou zien in de komst van deze bedrijvige gevederde vrienden. Wel spraken we veel over het lijden en het loslaten van steeds opnieuw een klein stukje leven, haar zorgen over man en zoonlief die alleen achter zouden blijven in het grote huis, waarin je dwalen kon van souterrain naar zolder. Dood en dodelijk vermoeid waren altijd dichtbij. We zorgden ervoor dat het gewoon werd om er over te praten. Het luchtte op bij al die keren dat ze zich thuis dapperder had voorgedaan dan ze was. Daarnaast schreven we lange brieven waarin we elkaar vertelden hoe we ons voelden, zonder remming. De kale feiten en daardoor heel waardevol voor het wederzijds begrip

Gisteren bij de diepgang met Lief en ons voornemen het verrijkend aan te pakken, zochten we naar inspiratiebronnen buiten dat wat het lezen gaf. Binnen een half uur stond er een reservering voor een etentje met daar achteraan een goede film klaar en een afspraak voor een bezoek aan het Singer in Laren met een tentoonstelling van Sluyters cum suis. De modernen op een rijtje. Zo simpel kan het zijn. Bovendien had het gesprek over het Zoutpad veel los gemaakt.

Het kruiwagenwiel van kunststof werd bezorgd. Fel geel brak het de overeenkomst met zijn voorganger van vertrouwd bosgroen. Niet stuk te krijgen leek deze innovatie voor een steeds en snel weerkerend probleem bij de luchtbanden. Nu konden we naar hartelust aarde en planten aanvoeren in samenwerking met de spierballen van lief.

Na de fysio reden we door naar het kringloopcentrum in Utrecht. Een groot warenhuis van te recyclen spullen en een begrip in de stad. Lief keek zijn ogen uit. Alles stond netjes geformeerd en gerangschikt. De opzet was ruim. Brede paden waar tussen door te wandelen viel. Iets wat je in Verweggistan niet terug zag. Daar was tweedehands op de eerste plaats heel erg goed gebruikt geweest en vaak was het een grote vergaarbak van spulletjes, waarbij de moed om te gaan spitten ten enenmale in de schoenen zonk.

De parasolvoet konden we niet vinden, of een vervangende buis, maar een handige stevige bezem van wilgentenen voor in de Bernagie wel.

Thuis sprak ik Willem de Zwijger aan. Hoog tijd dat ik er doorheen ging, want vandaag komen we, als bioclub, eindelijk bij elkaar. Wat is de mensheid toch over een moeizaam en bloederig pad naar deze tijd gelopen en nog is het niet klaar. De ene veldslag op de andere volgde. Intriges en corruptie waren aan de orde van de dag. De strijd om de macht woedde niet-aflatend voort. Zijn persoonlijk leven komt er in het boek bekaaid van af, de vrouwen worden zijdelings genoemd en de kinderen komen pas aan bod als ze zo oud zijn, dat ze een post of positie in kunnen gaan nemen. Ik ben benieuwd hoe de anderen een en ander hebben ervaren. Voor mij bleef het een moeizame exercitie.

Uncategorized

We komen er wel

We werden getrakteerd op een waar vogelparadijs gisteren op de tuin. Het kwinkeleerde aan alle kanten en niet alles viel te onderscheiden. De merel had er helemaal zin in en liet haar prachtige zang over de huisjes en de tuinen jubelen. Iets verderop klonk een antwoord. Tussendoor de kleine trillertjes van de jonge mezen. Aangenaam en zacht lachte de dag ons tegemoet. De brandnetels bij binnenkomst spraken een heel andere taal. Ze stonden tussen de bosandoorn, die mocht blijven staan omdat ze zo welig kon bloeien met haar paarse pluimen en nog redelijk in de hand te houden was, maar de brandnetel met zijn kompaan, het eeuwige kleefkruid, moest eruit.

Toen we er klaar mee waren, de armen rood van de per ongeluk opgelopen steeksels, was de voldoening helemaal groot. Ziezo weer een stuk van de tuin gereed. Lief had de grond onder de vruchtbomen aangepakt en daar was een lieflijke plek voor het bankje van de drie stoelen ontstaan. De twee stoelen die er stonden gingen naar de andere kant aan het begin van de schaduwtuin. Af en toe stopten we even om bij te komen op het terras en te genieten van de vorderingen. Nog maar anderhalf bed te gaan.

Het meest blij was ik met de metamorfose die de perenboom had ondergaan. Van een pierig, scheefgezakt, bemost boompje was ze uitgegroeid tot een fiere, goed in het blad zittende, boom. Dat was te danken aan de stut aan het begin van de lente en het snoeien onder leiding van de achterbuuf, die de aanwijzingen had gegeven vorig jaar in de herfst.

De buurvrouw was er ook en bij een praatje over de heg wisselden we de nieuwtjes uit. Ook in haar leven een nieuwe relatie, nu zoonlief, bijna volwassen, alleen op reis ging en zij haar zorg als alleenstaande moeder min of meer aan de wilgen kon hangen. Dan is er ruimte voor de liefde. Niet altijd, weet ik, in mijn geval. Ik moest die ene oude vertrouwde nogmaals tegenkomen, maar dan heb je ook een basis van belang. Aan het eind van de middag was er tapas en Merlot en nagenieten. ‘Na gedane arbeid is het zoet rusten’ gaat nog altijd op.

Pluis haalt, terwijl ik schrijf, gewaagde capriolen uit op het richeltje van de balustrade van de trap. Lief en ik komen eindelijk weer eens toe aan een gesprek, die dieper gaat dan de dikke Dollie’s, kauw, koolmees of planten en werkzaamheden in de tuin. Daar was een opening voor nodig in de vorm van een vraag. Het was een opgemerkt gebrek aan inspiratie van mijn kant. Ondanks de vele krantenartikelen las ik toch te weinig en dat moest anders, maar ook hadden wij het tegenwoordig alleen nog maar over de simpele dagelijkse dingen, huisje, boompje, beestje. Die vormden natuurlijk een groot deel van de dag maar daar draaide ons samenzijn niet alleen om.

‘Vertel eens wat over Het Zoutpad’, vroeg ik, want ik wist dat op iedere bladzijde minstens een opmerking stond die een overweging waard was. Als voorbeeld sloeg ik het boek open op blz 96 en wonderlijk genoeg stond daar net een uitspraak van de fysicus en kosmoloog Steven Hawkings:’Het verleden vertelt ons wie we zijn. Zonder dat verliezen we onze identiteit’. Daarmee nam het gesprek een ouderwetse loop van gedachten en haarkloverij, waar het de taal betrof, en wentelden we ons in een ervaring, die ons beiden veel voldoening schonk. Dat was precies de bedoeling.

We wandelen samen verder op het pad dat we zijn ingeslagen, soms een stap achteruit om de draad weer op te kunnen pakken en die wetenschap voelt zinvol en verrijkend. Laat ons maar schuiven. We komen er wel.

Uncategorized

Geen tijd voor verveling

Het huis is eigenlijk te klein als iedereen aan komt waaien, maar moederdag en dan kan er veel. Ondanks de enorme pan Harira en de hoeveelheid Saté met lontong, was alles net iets te krap bemeten. Normaliter staat mijn gesternte op genoeg voor iedereen en meer, bijvoorbeeld een plotseling bezoek erbij. Maar met die hele grote eters van tegenwoordig, lief behoort er absoluut bij, zijn er grote hoeveelheden nodig, waarmee vergeleken de vleespotten van Egypte niets bij zijn.

De dag ervoor op de tuin hadden we na het harde werken, derde dag op rij, de zijkant van het terras gespeend van onkruid en het grote schaduwperk ontgrast en van brandnetel, hondsdraf en bosaardbei verschoond, een heerlijke minimoederdag met dochterlief gehad. Schoonpa zou de volgende dag jarig zijn in Friesland. Ze had Dahl gemaakt en er was warme Naan bij, het smaakte heerlijk en alles verliep rustig en relaxt. Met kleindochter op schoot kwamen er een aantal liedjes van school voorbij, waarvan ik bij sommige moest zoeken naar de tekst. Pa en ma waren druk bezig hun tuin te maaien en de kleine had een hekel aan het lawaai daarvan. Zoetjes, en veilig bij oma op schoot kwamen de olifant, de bromvlieg en de kleine kikker voorbij, om het lied van de vlieg op de neus schaterde ze het uit. Het was even zo’n klein moment van warmte en vredig samenzijn, waar nieuwe energie uit te halen viel. De meegebrachte druiven verdwenen achter elkaar in het gretige mondje. Een minirupsje werd vol bewondering gevolgd op het witte tafellaken. Bij het determineren ervan raakte ik hopeloos verstrikt in de vele varianten. Het kleine wriemeltje mocht terug op een blaadje.

Van de oude rotan stoelen hadden we de vergane leuningen afgesloopt en nu bleef er zowaar een grappig setje van drie over, die nog wel een paar jaar als bankje mee zouden kunnen gaan. Dat scheelde sjouwwerk naar de auto en was vriendelijk vanwege het hergebruik. Toen al het werk achter de rug was, bleef er een genoegelijk samenzijn-uur over, tot de wind te koud werd. Een paar emmers slootwater op de nieuwe aanwas en naar de kleine blauwe. Toch nog veel gedaan.

Dat ik voor de Saté ging naast de Harira kwam eigenlijk door de lontong, waar ik veel te veel van had gemaakt van de week. Naast de soep was het te moeilijk, had toch beter de hapjes kunnen doen, want hoe hou je alles warm als er verschillende aanlooptijden zijn. Een leerpunt erbij.

De dag stond in het teken van de Rubic cube. Kleindochter kreeg les van haar doorgewinterde oom en was hogelijk verbaasd, toen ze hem zelfs mocht houden. Met drie exemplaren in huis kon dat. Geduldig legde hij uit, hoe ze tot een groot kleuren vlak kon komen. De cube in het midden bepaalde de kleur van het vlak. Er ging heel wat oefening aan gepaard, maar met wat hulp van lieve schoondochter kreeg ze het voor elkaar. Mooie nieuwe uitdaging.

‘S avonds bestelden we het kunststof kruiwagenwiel, zoals de werknemer in de bouwwinkel had aangeraden. Op het verharde pad langs de tuinen, met scherpe steentjes en soms zelfs glas, was dat beter en dan liepen we niet het risico om om de klipklap de band weg te moeten brengen.

Eindelijk werd door lief de grote parasol naar boven gesjouwd voor op het balkon, waar de zon brandend opstaat de hele middag. De oude voet echter bleek ook aan gort te zijn. Het zware scherm vroeg minstens om een granieten voet van veertig kilo. Dat wordt het volgende project. Even wat kringloopwinkels af en zien wat er te scoren valt. De aanhouder wint. Geen tijd voor verveling.

Uncategorized

Een mooie ‘moeder’dag

Wat een ochtend. Ik lig naast lief en luister naar de kleine geluiden, die doorklinken. Het stille kirren van de jonge kauwtjes in het nest naast ons, slechts gescheiden door de gestucte muur, een auto die door de straten raast, een man en een vrouwenstem boven het geluid van een radio uit, een kraak ergens in het huis, het krabben van Pluis aan haar krabpaal, het staccato ademen van lief naast me. Het is moederdag.

Ik denk aan mijn moeder, onze moeders, moet ik zeggen. Ieder van ons, alle elf en niemand uitgezonderd, heeft een eigen moeder gehad. Voor ieder kind is ze er altijd geweest. Dat is een mooie gedachte. Ze keek er naar uit, naar moederdag. De aanloop en de gezelligheid die dat met zich meebracht, de cadeautjes waarmee we haar op dat moment in de watten legden, een mooie plant, eau de cologne, maria zeepjes, chocolade, liefst gevuld, en altijd bloemen. ‘Voor mij’ kon ze vol verbazing zeggen, ‘Ach malle’. Moeders in het zonlicht, alle dagen, maar deze dag speciaal.

Ik denk aan míjn eigen moederdagen. ‘Alle dagen van het jaar zijn moederdagen’ plachtte ik te zeggen en veegde meteen de reden uit de handen van de kinderen, om mij op die ene dag speciaal in het zonnetje te zetten. Ze hielden zich er nooit aan.

Moederdag op school was ook lang een taboe. Geen wensjes, geen asbak, geen tekening, geen van papier gevouwen slof met schuimpjes erin. Het was immers een commercieel feest in onze ogen. Vooral de verering van Hitler voor de moeders, de verzekering van de uitbreiding van het arische ras, en diens bronzen, zilveren en gouden kruizen als eerbetoon, waren een doorn in het oog. Bovendien wilden wij als moderne vrouwen onder het bestaansrecht van moeder uit, dat bepaalden we zelf wel en daar was geen promotie voor nodig, dus ook geen aparte moederdag. Het gezin was in onze tijd niet meer vanzelfsprekend de hoeksteen van de samenleving.

Later bekeek ik het anders en zag er voornamelijk weer de blijdschap in van zowel gever als nemer, trots op het zelf in elkaar gefabriekte cadeautje, los van, nog altijd, de commercie. Dus namen we cassettebandjes op met de liefste wensen voor moeder of lieten de kinderen een schilderij maken, kozen een foto met een getekend hoofd erop of lieten een plantje opkweken met alle liefde, die er in ze zat. Zaadjes van een klavertje vier in een mooi zakje deden het ook goed als gelukbrengers.

En nu ben ik weer bij mijn moeder en mijn eigen moederschap. Vijf keer moeder is minder dan elf keer moeder, maar de intentie blijft gelijk. Ze gaat diep, altijd al zo geweest, al was het soms hard werken. Moederschap kan ploeteren zijn, leerde ik van de verhalen in de volkskrant over moeders die hun kroost verlieten omdat ze vonden niet optimaal te voldoen aan dat moederschap. Ze zaten vooral met zichzelf in de knoop, hun eigen ruimte was te beperkt geworden en dat hadden zich niet gerealiseerd.

Mij was het moederschap overkomen. In een keer vanuit het volle leven, een drukke baan als nachtverpleegkundige op de IC van neurochirurgie naar een stilstaand bestaan van kind en huis en park. Een pittige ongemakkelijke overgang, maar het was nu eenmaal zo, dus ging je ervoor. Al waren er tijden dat ik als verdoofd wat zat te frobelen met kraaltjes en lapjes van voeding naar voeding en meer deed van die dingen die ik al lang geleden achter me had gelaten. Hoe vul je eigen tijd, als die bepaald wordt door zo’n kleine dwingeland, die honger heet.

Al doende leert men. Het werd allengs vanzelfsprekend net als de taakverdeling. De vader van de kinderen was evenveel behept met deze, vanouds, moederlijke taken en nam om de dag de zaken waar. Zo hadden we een eigen weg gevonden in het grootbrengen van het kroost. Dat is niet afhankelijk van de sexe, als je er maar dezelfde tijd, ruimte en liefde in stopt. Voor ieder die dat lukt, een mooie ‘moeder’dag.

Overpeinzingen

De zon in de sloot

Met de haren in de henna loste ik twee puzzeltjes op uit de krant, na hem uitgespeld te hebben. Het gebeurt niet vaak meer. Ik wordt verdrietig van het nieuws, maar bloei op bij de kritische taalnoot achterin en van sommige columns geniet ik. Die van Sylvia Witteman bijvoorbeeld. Ze schrijft over een stelletje. Het meisje ziet haar moeder zitten en weet dat ze op een date is, omdat ze haar kekke rode jasje aanheeft en opgedirkt is. De jongen wil kennis met haar maken, maar het meisje heeft er totaal geen behoefte aan. ‘Je moeder met zo’n vreemde vent, dat is goor’ snuift ze. Ik moet denken aan mijn dochters op het weekend. Ergens kwam zoiets ook ter sprake. Zoonlief moest er hartelijk om lachen. Liefde laat zich ook zo vertalen. Preuts als ik ben opgevoed, laat ik het rusten.

Vroeger gingen alle deuren angstvallig op slot. Toen ik mijn moeder hielp bij het wassen en aankleden van mijn destijds zieke vader, had ik hem nooit eerder naakt gezien. Wel in zijn zwembroek en zijn blote bast, maar nooit anders. Natuurlijk zijn we in de verpleging alles gewend. Toch blijft het dan even slikken. De enige keer dat ik op het werk iemand weigerde van knopjes tot knieën te scheren, wat nodig was voor een grote buikoperatie destijds, was toen het mijn oude pastoor betrof. Dat kon ik echt niet ook al was het geloof in dat katholieke bolwerk mijlen ver weggezakt. Het respect voor de man en zijn ambt zaten er kennelijk ingebeiteld.

Er waren zeven broers in huis en zelfs die had ik nooit in Adamskostuum mogen aanschouwen. Ergens zat er, op alles wat met lichamelijkheid te maken had, een groot taboe. Toen mijn kinderen groot werden, heb ik de VPRO in stilte geprezen, die elke zondagmorgen wel ergens een onderwerp aansneed en daarmee mijn eigen preutsheid verbloemde. Want hoe revolutionair ook, die kant van het bestaan is altijd opmerkelijk oubollig gebleven.

Gisteren was het opnieuw tuindag om het achterstallig onderhoud aan te pakken. Eerst moesten we een broek uitzoeken voor lief, waarin makkelijk te bukken viel. Een cargo leek het handigst. Lange pijpen om de benen niet aan de zon bloot te stellen. Een tikkie lastig, maar wat niet kon, kon nou eenmaal niet. Ik wist mijn kniebroek op de tuin. ‘Aangekleed gaat uit’ bij elke gelegenheid.

Het spreekwoord deed me denken aan iets wat men mij van de zomer vroeg. Hoe of het bestond dat ik naar de tuin ging en er uitzag of ik een kerkbezoek op het oog had. Ik moest er smakelijk om lachen. Lang geleden had ik al met me zelf afgesproken dat alle kleding, ook het mooie maar makkelijke spul, te allen tijde gedragen diende te worden omdat je er niets aan hebt het in de kast te laten hangen. Bovendien, de wijsheid van mijn moeder indachtig, ‘de was is er goed voor’.

We hadden er de vaart in. Lief krabde het terras grondig schoon en ik was voornamelijk aan het ontgrassen. Dat moest zorgvuldig gebeuren omdat tussen de ellenlange strengen brandnetel, de hondsdraf en het gras, de anemonen, de akelei, de irissen, de dotterbloem, de lissen, de kleine blauwe maagdenpalm en het lievevrouwebedstro welig tierden.

De zon scheen uitbundig en lief waarschuwde me een aantal keren niet te lang in de zon te zitten, dus schoof ik af en toe braaf naar een schaduwplek. Aan het eind van de dag was er het genot van een pinot, een schoon middenbed en een brandschoon terras. Moe maar voldaan trokken we huiswaarts na een vredig genieten. Als slagroom op de taart ving ik, als bevestigende afsluiting, nog net de zon in de sloot.

Overpeinzingen

Zien en beleven

We wandelen ons eigen zoutpad. Eigenlijk ieder mens. Allemaal zoeken we onze meest harmonische weg die bij de omgeving en de partner past, waarbij je je senang voelt. Daar moest ik aan denken nu Lief het boek Het Zoutpad aan het lezen is. De moeizame weg, die hij de laatste twee jaar bewandelt heeft, was een waar zoutpad met ontberingen door de eenzaamheid die het geestelijk wandelen bemoeilijkten. In enkele maanden heeft hij de balans teruggevonden en dat is bewonderenswaardig. In het begin was het zoeken, maar door het de ruimte en de tijd te geven en niets te overhaasten vielen de verschillende puzzelstukken met ons oude samenleven op hun plek, ondanks de verschillen die in de loop der tijd zijn opgedaan, beleefd, eigen gemaakt en verwerkt tot een persoonlijke eigenschap.

Die verschillen zijn eigenlijk niet eens zo groot. Onze paden kennen enkele opvallende overeenkomsten, die vooral op het smartelijke vlak bij elkaar komen en waar veel over te delen valt. Het schept een band voor het leven, hoe lang dat ook mag zijn. In ieder geval hebben we het een en ander uit kunnen kristalliseren tot een genieten op volle sterkte. Het vervult de harten en we prijzen de omstandigheden die ons tot hier gebracht hebben.

Het enige nadeel is dat ik nu tijd tekort kom. Geen wereldramp maar wel iets om goed bij stil te staan. Dat komt omdat het nog niet helemaal in evenwicht is, omdat we nog steeds een verkennend pad bewandelen. Straks, als alles op de juiste plek is gevallen zullen nieuwe en oude wegen zich weer samenvoegen. Tot zover is het nog een beetje behelpen en soms spitsroeden lopen. Vertrouwen was het eerste woord dat ons bond. Het staat bovenaan de lijst voor wederzijds begrip. Evenals de ruimte geven. We mogen beiden op onze eigen manier blijven zoeken. Voor een zorgkip, als ik ben, nogal een opgave. Onder dat kopje horen ook de veranderingen die je ingevoerd zou willen zien, maar die enkel vanuit mijn perspectief zouden gelden. Samen leven is samen geven en nemen.

Gisteren hebben we de vrijmarkt gehaald, maar het was er druk, we hadden niets nodig, maar het was goed even in de drukte te wandelen met af en toe een marktvrije straat er tussendoor. Schoonzoon was met de kinderen al in de vroege ochtend op pad geweest. Dan toch maar liever bij zoonlief langs om te zien hoe hij met wilskracht en overwinning zijn tuin en huis naar zijn wensen dwingt en daar vooral zelf mee aan de slag is. Een workout van formaat, waar geen apparaat in de sportschool tegenop kan. Eigenhandig graaft hij met engelengeduld de grote oude wortels uit van de enorme coniferen aan de zijkant. De omgezaagde toppen al reeds afgevoerd.

Voor het huis liggen de Waalse keitjes te wachten op hun afnemers en nieuwe stenen staan klaar om gemetseld te worden op de plek waar nu nog de garagedeur huist. Dat zou door een metselaar in de avond gebeuren. Er volgt een goed gesprek over onze gelukzaligheid en over een eventuele aanschaf van een wat grotere auto dan de kleine blauwe prins. Als ik er aan denk, slaat de weemoed toe. Hij is zo dapper geweest al die jaren en heeft me nooit in de steek gelaten, maar nu zijn er wat onkostenposten die te hoog zijn voor de waarde. Ook dat heet loslaten op hoog niveau en is een voorbeeld van vernieuwing.

Ik wen er nog wel eens aan. We gaan eerst een makkelijke chino aanschaffen voor lief, een waarin het goed bukken en knielen is en daarna gaan we het middenbed in de tuin aanpakken, waar niets nieuws in moet, maar wel de grassen eruit gaan en de oude vijver wordt aangepast tot niveau ‘leefbare kikkervijver’. Nu komen ze er nooit meer uit als ze erin vallen. Dat betekent of zagen tot het juiste formaat of een nieuwe aanschaffen. We gaan het zien en beleven.

Uncategorized

Het kan nog alle kanten op

Vandaag las ik een indringend verhaal van een lieve vriendin, waarvan ik eigenlijk een beetje ondersteboven ben. Het moet nog tot bedaren komen, maar het heeft alle radertjes in werking gezet. Dat is een andere kant van het leven. Iets overkomt of overvalt je en dan is het hard werken om het een juiste plek te geven. Moeilijk ook, om verdriet niet te laten overmannen en alles in het goede perspectief te blijven zien. Het vergt veel, maar is ook krachtig. ‘Tijd slijt’, zei mijn moeder vroeger. Maar gemis blijft altijd schrijnen, zeker als je weet dat het anders kan.

Gisteren in de tuin hadden we na een lichte aarzeling van mijn kant, toch het besluit genomen het voorste bed grondig aan te pakken. De lupinen waren gaan wandelen, de sieruien opgepeuzeld door meneer en mevrouw woelmuis en de grassen en de dagkoekoeksbloemen hadden hun kans waargenomen en woekerden vrolijk voort. Daar moest een stokje voor gestoken.

In het tuincentrum hadden we salvia, veronica, geum, scabiosa, lavendel en een witte lupine gehaald. Lief had lopen sjouwen met zakken aarde en compost en ik was aan het ontginnen gegaan. Alle boterbloemen en grassen eruit. Zeepkruid mocht blijven, ook al neemt ze graag haar vrijheid net als de hondsdraf, beiden zijn te mooi als ze bloeien en je kunt ze wel in de hand houden. Het was veel werk en na afloop waren we moe maar voldaan. De inspanning loont, maar eiste ook haar tol. Geen zin meer om te koken. Wel hadden we nog broodjes brie gegeten na al het werk.

‘S Avonds bij de dodenherdenking raakte ik ontroerd door de verhalen van de mensen die daadwerkelijk de oorlog hadden meegemaakt en daar een kleinkind over lieten vertellen. Dan is het protocol van regering en burgemeester eigenlijk niet meer dan dat. Doorleefde verhalen zeggen zoveel meer dan het leggen van een krans alleen.

De verhalen van mijn moeder en vader waren summier. Mijn vader werd tewerk gesteld in Oostenrijk, mijn moeder sjouwde met kinderwagen en een Engelsman naar het station en fungeerde daarbij moedig als dekmantel. Ook verhaalde ze over haar tocht naar Kampen en verder om proviand te halen in de hongerwinter op een fiets met houten banden en lopend terug. Er zijn brieven van mijn vader aan mijn moeder, maar waar zijn ze gebleven?

De herdenking van een oorlog terwijl er een oorlog vlakbij woedt, heeft toch iets tragisch. ‘Nooit meer’ is al een aantal keer geschonden. Lief en ik zoeken naar de vredige momenten, die we vinden bij elkaar en in de stilte van de tuin. Gisteren waren er drie en waren we ons heel bewust van de sereniteit van het moment. Dat alleen al is soms genoeg om op adem te komen en bij te tanken. Bij het terugwandelen naar de kleine blauwe stonden we op het bruggetje over de sloot en keken naar het oerHollandse landschap. Een meerkoet zwom verderop, achter ons de eenden, ginder lag het weidse land. Meer is dan even niet nodig.

Vandaag is er als vanouds feest in de Lombok, een grote braderie, met heel veel kraampjes. Tijd om even bij vriendin te kijken en schoonzoon en de kleine filosoof en kleindochter lopen er ook vast en zeker rond. Normaal is het een ontmoetingsplek voor iedereen. Maar nu is bevrijdingsdag een gewone werkdag geworden en dochterlief en zoonlief kunnen niet meefeesten. De krullenbol en zijn lieve kleine broer zijn ziek en de Franse familie zit in Parijs. Dat schiet niet op.

Eerst maar eens kalmpjes de dag inwandelen en dan zien we wel hoe het gaat lopen. Het kan nog alle kanten op.