Uncategorized

Sint Juttemis.

Vandaag is het De dag van De herinnering. Lang geleden, alweer 27 jaar, kwam het telefoontje binnen. Ik stond tegen het grenen bed geleund op de vurenhouten vloer, een perfecte binnenkist voor de dood, maar als het bericht onverwacht komt, dan blaast het je van de sokken en benam het mij de adem. BLØF fluistert nu, op dit moment, op het ritme van mijn ademhaling: ‘Het is een mooie dag, een mooie dag….’

Ik duw ze weg en luister nog eens naar de woorden van mijn zusje. Zonder waarschuwing voelde ik de weekheid van mijn lijf de overhand nemen en zeeg ik neer op de harde houten rand, waar ik anders behoedzaam overheen zou zakken. Gedachten, woorden, spieren stromen weg door het grote open gat dat het bericht geslagen heeft in mijn leven en ongetwijfeld in dat van mijn vader, mijn broers en zussen. ‘Doodgaan duurt maar heel even, de liefde duurt wel zo lang’ zing Liesbeth List en neemt mijn gedachten mee.

Mijn lieve kleine oudste dochter van tien jaar kijkt me verschrikt aan. De onmacht, de hulpeloosheid balt zich samen in mijn uitgestrekte jammerkreet, het rauwe snikken laat haar kleine armen om me heen slaan, woorden verstommen, maar het troostende omhelzen slaat het ongeloof stuk. De werkelijkheid, de rauwe werkelijkheid omspoelt het kleine tafereel. Mijn moeder is vannacht plotseling dood gegaan.

048

Al die tijd, vanaf dat eerste moment zijn we op zoek gegaan, mijn zussen en ik vooral samen, soms met broer in het kielzog. Naar een glimp van haar in elk woord, gebaar, houding, neusvleugel, handen, haar. Het krulletjeshaar, mijn moeders eeuwige permanent au  naturel op het hoofd van zuslief, de lieve oogopslag in het gezicht van de andere zus, dezelfde zachte blik als ze lacht. De handen, die werkende handen, ze houden elkaar vast en wrijven over het knobbeltje als ze stil liggen in haar schoot, dat ene moment, dat er bijna nooit was. Het verende opspringen als ze een idee kreeg of even haastig nog wat wilde doen.

We sprokkelen en bouwen onze moeder weer heel, in onze hernieuwde relatie tijdens de trektochten door Nederland. De zilte zee en de wandelingen door bos en hei, de kringloop en de voorliefde voor malle kleine huis-tuin-en keukendingen, die altijd wel praktisch waren voor wat er straks vast komen gaat, de kleinkinderen in haar hoofd zochten naar de memory’s, een gebreide knuffel, mens-erger-je-niet en wij zoeken naarstig mee.

170

Vierstemmig zetten we de gedachte voort aan het huis in de Amandelstraat, de keuken, de vaat, die glazen vaat en zingen de toppen van de hemel en haar dichterbij. Geen mams, geen moeder of mama, maar moe of ma, geen poespas en geen polonaise voor dat sepia gekleurde meisje op de foto, lachend kijkt ze naar ons terug als we proberen haar levend te kijken op de oude foto’s en verbeeld ik het me, of draaide ze zich een kwartslag om in het hoge gras?

Waar is dat lichaam oud geworden.  Met dat jeugdige elan had ze het goed verstopt, een hartenslag die tot op de draad versleten was kan er niet in bij mij, bij ons, en toch… Pasen is niet de dag van de wederopstanding, Pasen is de dag van de teloorgang ‘Als Pasen en Pinksteren op een dag vallen, met Sint Juttemis’, ze lacht haar tanden bloot als we om iets aan het zeuren waren, waar ze geen gehoor aan wilde geven.

Sint Juttemis kwam vroeger dan we dachten, als een dief in de nacht. Nooit verwacht, nee nooit gedacht….Elkaar koesterend stappen we de kringloop van het leven binnen. Een onsje Moe, een pondje Ma en zoete herinneringen.

Bewaren

Uncategorized

Een wereld van verschil!

Er zijn van die momenten dat je in vervoering raakt. Letterlijk meegesleept wordt in de schoonheid van de aanblik. Het hoeft niet groots te zijn, niet buiten-proportioneel, niet spectaculair. Het heeft als enige eis dat het nieuw is, nog nooit ervaren, nog nooit gezien.

009

Gisteren was het er. Ik ging met de auto door de wasstraat. Gelukkig was zoonlief erbij, want het druiste nogal tegen het gevoel van veiligheid in om met draaiende motor een lopende band op te rijden en het te laten gaan. Niets eigen initiatieven, in eerste instantie zie je geen hand voor ogen en stuurloos onderga je de handelingen. Tot daaraan toe, maar tussen schuim en mist en watergekletter ontpopten zich voor mijn ogen de meest prachtige beelden.

013

Ik wist niet waar ik  kijken moest, wat een fantastische waarneming. Geen natuurschoon maar een proces. Het proces van het vallende water, de ruisende lappen, de draaiende borstels en wij in die cabine, als aan de heidenen overgeleverd, van binnenuit het van het begin tot het einde mochten beleven. Mijn zoon keek naar mijn begeesterde reactie en ik hoorde hem denken:’Een beetje naïef moeders’  Als hij het had uitgesproken had ik geantwoord: ‘Een kinderhand is gauw gevuld, zoon’.

028

Het zijn maar een paar foto’s van het hele proces. Maar wat een zinnenprikkelende ervaring, door de explosie aan kleur en beweging. Kunst in de wasstraat.

Daarna, al stofzuigend en met een mattenetende veelvraat in de orkaanwind, die uit het staartje van de wasstraat, overwaait, slaat het surrealisme toe. De auto’s als makke schapen in een hok, aan de stofzuigerslang, twee lange rijen. Zonnebrillen en hoge hakken, getoupeerde haren, de kleurrijke tattoos op gespierde armen, brede torso’s in t-shirts, waar ik me met warme winterjas en dikke sjaal tegen de kou tracht te beschermen, de snelle zwarte bolides, het is mijn wereld niet.  Dat verklaart, waarom ik er nog nooit geweest ben. Het ligt buiten mijn zichtveld, omdat ik niet naar een industrieterrein rij als de gewone wasgelegenheid achter het tankstation in de wijk ligt. Het knipoogt naar het buitenland, het ademt een tikje Amerika. Ik heb op een doodgewone zaterdag-namiddag een wonderbaarlijke reis gemaakt.

Zoon heeft gelijk. Kinderlijk onschuldig in het ontvangen van de beelden, die krakend vers en nieuw het netvlies binnen denderen en zich onuitwisbaar nestelen achter deuren in mijn hoofd. Met die onbevangenheid gebeurt er veel meer aan nieuwe toevoegingen, schoonheid ligt op straat, welke straat dan ook.

Even daarvoor, in de Hoogstraat, waar de verlamde halfkant van zijn vader aan het bijtrekken is achter de rollator en het ongeduld zich wringt tussen de rede en het vertrouwen, waar het verlangen naar huis en het leven in eigen hand groter wordt, dwaalt de verstilling. ‘Een ei is geen ei, twee ei is een half ei….’dreunt de deun door mijn hoofd. Verpleegkundigen op halve kracht, omdat het feest is, waar geen feest is. De troosteloze stemmen in dit verwerkingsoord, neurologie in de Hoogstraat, waar je bent maar niet wilt zijn.

Als afsluiting kunst die niet als kunst vermag. Het is me het dagje wel. Nu eerst maar eens de stilte van het ochtendlicht, terwijl de beelden over elkaar heen schuiven en de film nog een keer draait. Twee simultane werelden, maar een wereld van verschil.

Uncategorized

De Jas!

Vanmorgen bracht de Volkskrant een mooi en indringend stuk over Wim Brands. Het was geschreven door Arjen Peters en had als statement: ‘Poëzie was voor Wim Brands de nooduitgang’.

Daar moest ik eens recht voor gaan zitten. In mijn perceptie zijn gedichten altijd een uitlaatklep om onvoorziene, voorspelbare of andere fladderende gedachten te vangen in woorden. Ze komen en gaan. Op de meest gekke momenten dienen ze zich aan en als je per ongeluk niets hebt om op te schrijven, iphone leeg, geen bierviltje voor handen, geen pen in de buurt, verdwijnen ze weer uit mijn hoofd om later, als ik geluk heb, in flarden terug te komen en daardoor meer ‘to the point’ te zijn. Ze zijn me lief. Juist omdat ze die ene seconde in het licht zetten. Dat moment dat nooit meer te vergeten valt zodra het is. Iets in de trant van :’Ik dicht, dus ik besta’.

119Julianapark

Zo heb ik mijn moeder gevangen in woorden, het Julianapark met de voetstappen uit mijn jeugd en mijn meest dierbare verwarde patiënten in mijn eerste periode op de afdeling Neurologie, die diepe, diepe indruk maakte omdat ik daar voor het eerst begreep, hoeveel geluk de gemiddelde medemens heeft, als alles nog werkt zoals het bedoeld is. De kleine parels aan het snoer dat leven heet.

Beer

niet ouder dan een jaar of vijf

een warme zomerdag

het knarsende hek

de wandeling door knerpend grint

oneindig lang duurde het eer we er waren

blije opgetogenheid als we hem zien

de Beer met water uit zijn bek

het gladde ronde steen

We vouwen onze kleine armen erom heen

en kletsen hem liefkozend in zijn nek

Julianapark

kinderplek!

(c)lemvanderlinden.

De poëzie van Wim Brands was vooral gericht op dat vangen van de juiste woorden voor de tekenende levensloop van zijn vader. Hij had er aanzienlijk veel gedichten over dagelijkse beslommeringen voor nodig om af en toe dat ongrijpbare zware aan te kunnen. Zijn vader en diens zelf verkozen nooduitgang, de vlucht voor het leven in een eindigheid die rust bracht. Vorig jaar vrij abrupt voor het gros van ons, is Wim Brands hem nagevolgd. Zijn eigen ontsnapping, door gehoor te geven aan het neurologisch onverklaarbare transmittertje, dat een uitweg zoekt naar rust en daarvoor de eeuwigheid kiest.

Die andere gedichten lijken meer nog dan de nooduitgang op een vluchtroute, een dwaalspoor. De enige manier om het podium voor zijn angst, te eindigen als zijn vader, niet te groot te maken. Door het in te vlechten tussen ‘hond en scharrelaars en duiven’ werd de nadrukkelijkheid afgezwakt. Al vond ik het drentelen langs die  Kostverlorenvaart van een troosteloosheid getuigen, waar onmiddellijk onbeantwoorde vragen een weg naar boven plaveien in mijn hoofd.

Ik was verliefd op Wim Brands en op zijn keuzes, zijn schrijvers en diens boeken. Die andere keuze ligt verder weg, maar respecteer ik en probeer ik te begrijpen. Antwoorden sprokkel ik uit zijn gedichten, vooral die over zijn vader raken elke teergevoelige snaar van het hart.  ‘De Jas’ is de ultieme respons. Omdat we nu weten dat het achteraf een vooraankondiging was. Ze vonden elkaar en liepen samen op en tenslotte, uiteindelijk, van alle banden vrij, liepen ze jaren later samen door, de lange eindeloze weg naar nergens.

De jas

Maar eerst is er een oude jas. Nu hangt hij
aan de kapstok, binnenkort wordt hij
verbannen naar het hok.

En eerst is er een avond waarop ik aarzel
naar buiten te gaan. Buiten is het koud
In gedachten trek ik voor het eerst

die oude jas aan. Ik ben alleen op straat.
Wie had dat durven hopen. Ik kijk
in de ruiten en zie

voor het eerst mijn vader in deze stad lopen.
‘Waar ga je heen?’ ‘Nergens heen.’
‘Dan gaan we dezelfde kant op.’

Uncategorized

Het begin van de vrijheid!

Ik heb het boekenweekgeschenk in mijn bezit. Helaas was ik niet in de gelegenheid om ermee te gaan treinen. Ik had Tilburg gekozen en misschien wel vandaar uit naar Groningen. Lekker treinen, lezen en twee prachtige verre musea bezoeken. Naar De Pont ben ik nieuwsgierig omdat ze pas vernieuwd is. Soms kunnen kleine veranderingen zoveel uitmaken voor de beleving.

Het museum Voorlinden waar ik al die jaren op gewacht heb tot de verbouwing klaar was, poste iedere dag een prachtig, intrigerend of verstild boeiend werk op de facebook-pagina. Al die tijd kon je het museum zelf niet bezoeken. Het heeft lang geduurd. De kunstwerken op zich waren al zeer de moeite waard, maar zoals het een en ander bij mij binnenkwam in die verlichtende omgeving, een architecturaal hoogstandje, met de lange ruime zichtlijnen en de lichte hoge zalen kreeg alles wat er stond of hing nog een speciaal facet aan schoonheid erbij! De natuurlijke omlijsting van het gebouw gaf er  een extra dimensie aan, evenals de ligging en de wandeltocht er naartoe.

064

Groningen is altijd een brug te ver. Maar treinen en wegdommelen als je te moe bent, of het landschap indrinken, dat mooie oer-Hollandse landschap door zoveel meesters bezongen en vereeuwigd, ja, dat was goed te doen geweest. Rodin had ik al bezocht, maar ik had dan alle aandacht willen richten op de tentoonstelling van Maarten Baas en zijn Hide & Seek. Dat kon er na Rodin niet meer bij.

Soms is een werk al genoeg. Als het vol is daarboven, door wat iets oproept of aanraakt, stop ik. De rest is voor later. Zo gaat het ook met lezen. Bepaalde zinnen schreeuwen om de volledige aandacht. Ik was in het boekje van Herman Koch begonnen. Makkelijk leven. Alleen de titel al is er een om even op te zitten broeden. Er valt op velerlei manieren vorm aan te geven.

Er staat een zin in  die mij ongewoon lang bezig houdt. Waar ik nu, naar een aantal overpeinzingen nog steeds niet klaar mee ben. Sommige zinnen doen dat. Die houden een geest gevangen tot in het oneindige, sterker nog, die blijven meezingen in het achterhoofd tot in lengte der dagen. De hoofdpersoon uit het boek, die met zijn zelfhulpboeken zichzelf financieel naar een jaguar heeft toe geholpen, mijmert over deze aankoop en over de drijfveer die hem ertoe bracht zijn boeken te schrijven. In een van die overpeinzingen doemt ineens de zin op: ‘Het pensioen – de te lange epiloog van een niet – geleefd leven.’

087.JPG

Ik ben van de generatie die de keuze moet maken. Hoe lang is het werken nog een noodzaak. Moet de omschrijving van deze Tom Sanders niet precies andersom zijn. Voor mijn gevoel gaat het straks pas beginnen. ‘Und jetzt geht los’ host mijn episch centrum zinderend. Groots, opwindend en meeslepend wil ik ‘pensioenen’, op de toppen van het leven in de volle vrijheid van het moment. Die trekkende longblazen en die wrokkige spieren sleur ik gewoon met me mee in de vrijheid van het bestaan en weet dat het verzachtend werkt in alle omstandigheden. Want als de geest gelaafd mag worden, verbleken de kwalen als sneeuw voor de zon.

Niet langer is het pensioen het begin van het einde, maar is het het begin van de vrijheid om te mogen kiezen voor de hartenwens en niet voor de afgebakende grenzen van het bestaan. Nee lieve Tom Sanders, en misschien ook Herman Koch, opzij….ik kom eraan, met een tas vol nieuwe mogelijkheden na een ‘te lange start van een beperkt geleefd leven’.

Uncategorized

Leven en laten leven!

Er was een lied van vroeger, dat me bezig hield vanaf het moment dat ik het voor het eerst hoorde. Melanie nam me er in mee met een kinderlijke twist door het overbekende, wat hese stemgeluid heen. Het leek alsof ze me wenkte, terwijl ze een tip van de sluier oplichtte over haar fijne jeugd. Niets van wat ik nu vertel is op waarheid geschoeid op de eerste zin na. Het waren kleine gedachtekronkels in mijn hoofd, die om het lied heen een compleet eigen wereld hadden geschapen. Het lied heette Alexander Beetle.

Veel later kwam ik erachter dat het om een gedicht ging van A.A.Millne, de geestelijke vader van Christopher Robin en zijn onvolprezen Pooh bear. Melanie had de primeur mij er deelgenoot van te maken, dus kreeg zij de credits en zag ik in haar handen de kleine luciferdoos met de kever erin. Dat een klein avontuur het hele leven met je oploopt is een bijzonderheid op zich. Millne’s woorden zijn magistraal, omdat ze een wereld ontvouwden, die elke leeftijd boeide. De kleine Pooh Bear roert met zijn oprechte simpele berenhart vele gelijkgestemde zielen.

Kevers  worden op het lieveheersbeestje na, al gauw ‘ajakkie bah’ weggeduwd en er zijn de laatste tijd op school kinderen bij, die ik zelfs moet behoeden voor het doodtrappen van al wat vliegt en kruipt. Met een totale verwonderde blik in de ogen snappen ze niet dat het niet mag van mij, geen enkel levend wezen. Het is een groot verschil met de beleving van mijn insectenwereld, omdat Erik of Het Klein Insectenboek  de deuren wijd open had gezet voor een hele nieuwe fantasie, die van een ondergronds rijk. Rijk was tweeërlei op te vatten.

De luciferdoos waar Alexander Beetle in opgesloten zat, bleek ook een belangrijk onderdeel van de nostalgie, die het lied opriep. De spanen doosjes met hun gemengde geur van hout en zwavel en een tikje kruid roken heerlijk. Als alle lucifers op waren bouwden we er hele kamers van in een schoenendoos, compleet met stoelen, tafels, banken,  poppenbedden en kabinetten op vingerpop-grootte. Met splitpennen gaven we de kastlades gouden knoppen en van restjes stof werden de kleden gemaakt. Een Beetlehuis, dat zijn weergave niet kenden. Maar bij ons woonden er hele kleine poppetjes in.

Toen ik Melanie leerde kennen zat ik op de opleiding voor kleuterleidsters waar we ons mochten bekwamen in het verkrijgen van die grote fantasie. Ze kreeg gestalte middels de bordtekeningen die we maakten en door de kracht van het woord die er namen aangaf. Ze bestonden al dan niet en overal viel verwondering en beleving, sterker nog, leven in te blazen. We sterkten ons met die terugkeer naar de eigen kinderziel en maakten er een handelsmerk van. Zo dicht bij het kind in jezelf te blijven als je een kind benaderde bleek de oorsprong van het wezenlijk begrip voor wat een kind bezielde.

056

De kleine kever in mijn hoofd op het ritme van het lied van Melanie, de spin Sebastiaan, de wespenfamilie Vliegvleugel, de Vlinder, de Guido Gezelle Schrijverkens op het water, de libellen er boven, openden de weg naar een tweede natuur. Als kinderkenner heb ik voor ieder kind een verrijkend recept.  Dagelijks voor het slapen gaan één verhaal van Toon Tellegens meesterlijke boek: ‘Misschien wisten zij alles’, letterlijk even wegkruipen in zo’n mooie filosofische wereld en het doodtrappen van die kleine onschuldige kruipers en fladderaars zal niet langer een optie zijn.  Ze boffen, net als wij vroeger met ‘onze’ Godfried Bomans en diens onuitputtelijke fantasie! Leven en laten leven. Het kan niet vroeg genoeg beginnen.

Bewaren

Uncategorized

Een koekje van hetzelfde deeg.

Als je met kinderen werkt, ben je altijd op zoek naar een weg die ervoor zorgt dat kinderen de essentiële paden van het leven beter begrijpen. Als er een poes is doodgegaan, dan ontstaat in de kring spontaan een collectieve droevenis, die verder reikt dan de poes. Opa en oma’s komen voorbij, soms een oom, soms een vader of moeder. De volgende fase die we samen oplopen is dan het gemis, met in het kielzog de onvermijdelijke scheidingen en daarna volgt het pad der verwerking. Het verbeelden van de dood op de onvermijdelijke wolk of door de ster, die over hen waakt of schijnt en de rijkdom van de scheiding met twee kamers en twee bedden en twee keer zoveel materiële troost.

De kringen zijn me lief, omdat kinderen zo wezenlijk kunnen denken, heel puur en direct. Verdriet mag er altijd zijn en als er iemand huilt, wordt er getroost en vaker huilen kinderen in een saamhorig collectief  met hen mee.

133Anish Kapoor. Museum de Pont

Op mijn pad kwam de grote Koreaanse zenmeester Seung Sahn Soen-sa en zijn beleving van het universum en daarmee de dood.  Een zevenjarige meisje vroeg hem waar de kat van het Cambridge Zencentrum naar toe was gegaan, nu hij was overleden en een traditionele boeddhistische begrafenis had gehad. Omdat aan deze zeven jarige uit te leggen vroeg Soen-sa het kleine meisje eerst waar ze zelf vandaan kwam. ‘Uit haar moeders buik’, wist ze. Na de volgende vraag bleef ze stil. ‘Waar kwam je moeder vandaan’.

Ik had in een filosofieles van twee weken geleden praktisch dezelfde vraag gesteld aan kinderen van vier, vijf en zes jaar en toen antwoordde er iemand:’Van de moeder van mijn moeder ‘En hoe heet die dan?’ ‘Oma, en die…’ Zo gingen we terug tot de bet-bet-bet- overgrootmoeder van de moeder. Het was een mooie manier om het begrip ‘tijd’ aan te duiden, want op de tijdbalk maakten we steeds een sprongetje van ongeveer zeventig jaar terug.

Soeng-sa vertelde het meisje dat stil bleef op de vraag het volgende: Alles in de wereld komt van het ‘Ene’ ding. Om het begrip dichterbij te halen vergeleek hij het met een koekjesfabriek waar verschillende soorten koekjes werden gemaakt. Leeuwen, tijgers, olifanten, huizen, mensen. Ze hebben allemaal verschillende vormen en verschillende namen maar ze zijn allemaal gemaakt van hetzelfde deeg en ze smaken allemaal hetzelfde. Alle verschillende dingen die je ziet…een kat, een mens, een boom, de zon, de vloer….al deze dingen zijn wezenlijk hetzelfde. Mensen geven namen aan de dingen, maar diep van binnen zijn er geen woorden voor ze. ‘ Een kat zegt niet, ik ben een kat. De zon zegt niet Ik ben de zon, mensen maken de woorden voor hen’

Het meisje had het goed begrepen en zei geen woorden te willen gebruiken om iets te benoemen. Als spelletje sloeg Soen-sa op de grond bij alles wat hij vroeg aan haar. Wat is Buddha? Hij sloeg op de grond. ‘Nu jij’ Wie is God? Het meisje sloeg op de grond. Wie is je moeder. Het meisje sloeg op de grond, Wie ben jij. Het meisje sloeg op de grond.

Soen-sa eindigde de kleine anekdote met het slaan op de grond als grappige metafoor voor het zonder woorden spreken, maar in feite was het een getuigenis tegen onze moderne westerse manier van les geven om de grootste gemene deler van het bestaan te ontkennen.

Het meisje zei , dat ze nog geen antwoord had gekregen op haar vraag. Maar Soen-sa zei haar, dat ze het antwoord nu allang wist. Het meisje keek hem aan en sloeg op de grond. Daarna barsten ze alletwee in lachen uit. Toen ze wegliep zei ze: ‘Maar als ze me morgen op school wat vragen, antwoord ik niet op deze manier, maar geef ik de gewenste antwoorden.’ Soen-sa glimlachte.

Mijn moeder sprak vroeger over ‘een koekje van eigen deeg’. Daar had ze vast en zeker niet een existentiële gedachtegang achter, maar de nuchtere constatering, dat de oorsprong van bepaalde eigenschappen altijd te herleiden waren op het gen van de voorouder. Met dit verhaal als informatie komt het ineens vanuit een andere hoek. Nuchtere Zen uit de Hollandse klei. Het is te herleiden met de tijdbalk bij mij in de groep. We gaan terug en terug en terug in de tijd en uiteindelijk zijn we allemaal een koekje van hetzelfde deeg. Daar ga ik nog eens even op kauwen!

Bewaren

Uncategorized

Het Puttertje.

Afgelopen zondag reed ik mijn twee lieve vrienden naar Schiphol. Onderweg hadden we het over diverse onderwerpen die een mens konden raken. Dat kunnen mooie ontmoetingen zijn of grootse ervaringen, maar even intens kunnen het de letterlijk en figuurlijke kleine stillevens zijn, die zich diep in de ziel nestelen. Een van mijn ontmoetingen is al weer van een paar jaar geleden, maar het was zo’n ervaring die altijd met me op zal blijven lopen, ook al, en dat is heel bijzonder, had ik het nog niet in levende lijve mogen aanschouwen.

Diep geraakt door het gelijknamige boek van Donna Tart, verborg ik mijn passie met de passie van de hoofdpersoon Theo in dit zorgvuldig ingepakte en op geheimplaatsen verstopte kunstwerk. Het boek kreeg hier van gerenommeerde recensenten het predikaat ‘saai’. Er was geen moment dat ik me heb verveeld in het soelaas van de jongen en zijn schilderij, het weven van de theatrale gebeurtenissen en de uiteindelijke ontknoping. Integendeel. Ik kon niet wachten tot er een gaatje was om verder te lezen.

Niet alleen had ik het verhaal beelden meegegeven, ook het Puttertje, dat op de voorkant was afgebeeld, het beroemde schilderij van Fabricius, bleef op het netvlies hangen. Sterker nog, mijn kleine geringde vriend nam me in deze papieren vrijheid mee naar Brussel waar in het Bozar, zijn twee gevederde vrienden, twee erg dode mussen , deerniswekkend uitgestrekt lagen in al hun eenvoud en nietigheid. Michaël Borremans was hun geestelijk vader en minstens zo indrukwekkend als Fabricius.

Ik had lang voor het kleine schilderij gestaan en elke vezel ingedronken. Het kleine geketende puttertje op de voorkant van het boek van Donna Tart had op mij hetzelfde effect. Misschien meer nog doordat de vrijheid zo abrupt aan banden werd gelegd dan door de rake verfstreek.

Brussel (21 van 78)

In die mooie overpeinzing met mijn beide vrienden, de prachtige stralende en wat weemoedige dag en wat stoeien met een boardingpass, die er voor gezorgd had dat het afscheid abrupt was verlopen, bleef het puttertje mijn weg bepalen. In een opwelling besloot ik niet naar zee af te buigen, maar naar Den Haag naar het statige historische Mauritshuis. Ik reed dwars tegen de stroom van zeeminnende gezinnen in lange files in en met een rust en uitstraling die paste bij mijn missie stapte ik uit de donkere krochten van de parkeergarage het zonovergoten plein op.

het puttertje(Mauritshuis)

Wat een aangenaam toeven was het in dat prachtige Mauritshuis, dat alleen al om de grandeur van het verleden een bezoek waard is. Maar waar was mijn Puttertje. Ik ving het meisje met de parel van Vermeer en de lachende jongen met zijn aandoenlijk smoezelige tanden van Frans Hals en eindelijk, na een verborgen lift, ik wilde hardnekkig naar de tweede verdieping waar een prachtig plafond dat ten enenmale onmogelijk maakte, maar ergens, achter een deur van een van de kamers, zat de verlossing verstop en gleed ik naar boven.  Nu eens niet uitgeput voor het Puttertje staan, maar ademloos raken van het doek zelf in al haar schoonheid en met het vrije zicht.

Ik prees mezelf tot grote hoogte, want alleen al daarom, het beeld in mijn hoofd te mogen verzinnebeelden, te laten versmelten met de werkelijkheid, was een unieke daad. Wat een helder moment van geest al niet vermag en de vrije inloop van een museumjaarkaart, die het mogelijk maakt om zo intens van dit pièce de résistance te kunnen genieten. Mijn dag kon niet meer stuk.

Buiten scheen de zon nog verlichter en dichtte het badende plein een koninklijke aanblik toe. Ik ben naar huis ‘gevlogen’.

Uncategorized

Een waarachtig mens.

Gisteren kwam er op facebook een film langszij, die ik ademloos heb bekeken. Het was een uitgebreide inkijk in het leven en werken van Lita Cabellut. Portretkunstenaar. Als men naar haar kijkt, kan het niet anders of ze raakt je. Het is haar sprankelende uitstraling, die bevlogenheid en passie uitstraalt. Het is haar werk, dat raakt aan de kracht en de doorleefde verbeelding. Het is haar innerlijke schoonheid, die achter iedere verfstreek zit en het is de wijde blik, die in haar magistrale doeken is terug te vinden.

https://www.npo.nl/close-up/19-03-2017/AT_2075638

Haar levensverhaal is onwaarschijnlijk en romantisch, omdat er een prachtige kentering heeft plaatsgevonden, die een bedelende Lita de kans gaf uit te groeien tot deze geëngageerde  vrouw, die wereldwijd beroemd is en wiens schilderijen als zoete broodjes over de toonbank gaan. Haar bestaan is geworteld in een zigeunerfamilie uit Aragon, waar haar moeder een bordeel had. Ze leefde voornamelijk op straat, tot een rijke Catalaanse familie haar onder hun hoede had genomen.

Als ze voor het eerst van haar leven oog in oog staat met de groten der aarde in het Prado in Madrid, Velasquez, Goya, Ribera en Rembrandt, wordt ze diep geraakt en het zorgt voor een keerpunt in haar leven. Ze is zo onder de indruk van de Nederlandse meesters dat ze besluit naar de Rietveld academie te gaan en daar leert ze de expressie toe te voegen aan haar basis, de techniek. Waar ze eerst vast zat in diezelfde techniek, weet ze zich los te maken door de experimentele kunst en weet ze, door te oefenen en te oefenen, het niet aflatende proces van telkens weer opnieuw, zich los te maken. Ze zegt letterlijk in deze documentaire: ‘Daar heb ik geleerd dat kunst Kungfu is. Repeteren, repeteren, repeteren tot je de meester wordt van jou kunnen en dan heb je vrijheid’.

Je kan niet anders dan bewondering krijgen voor deze vrouw, die met ziel en zaligheid op de meest uiteenlopende manieren de verf op de doeken brengt in grote losse streken, met grote kwasten, met roller, met spatel, met voegmes. Tot op de keper nauwkeurig krijgt vooral de beleving een podium. Het kan niet anders of die ene snaar, die diep van binnen zit, wordt los getrild door haar eigen individuele expressie van de emotie. ‘Erkennen dat de grootheid niet in jou zit, maar in het proces’, zegt ze bescheiden en hoe moeilijk het is om dat te blijven zien als de erkenning van de buitenwereld zich vertaalt in euforie, lyrische aanbidding en prijzen, die een ‘symbool van waarde’ worden.

Het grote worstelen, de strijd die het in jezelf oplevert om vooral dicht bij jezelf te blijven als de aanbidding tot grote hoogte stijgt, is de tol van die erkenning. Ze neemt ons in de documentaire mee terug naar het terrein van haar jeugd. Het plein en de nauwe straten van Barcelona, waar ze als een groep bedelende kinderen het de slachtoffers moeilijk maakte, maar als je in haar sprankelende ogen kijkt, terwijl ze dit verhaal vertelt, zie je onmiddellijk dat het kind in haar nog steeds aanwezig is, leeft en zingt boven alle zinnen uit.

Het plein waar de fontein staat en waar ze muntjes uit haalden bij het vallen van de avond noemt ze het plein der mogelijkheden. Even verderop, bij het zien van een groep schoolkinderen die neerstrijkt, met een lerares en hun goed gevulde boterhammen, is ze blij dat het beter gaat met de kinderen in het algemeen en het plein in het bijzonder, maar ze voelt de aanwezigheid van haar maatjes nog, zonder wiens steun ze het niet gered zou hebben.

Haar hele fijnzinnige manier van ervaren, doordrenkt met die grote gevoelsdiepte, maken haar tot deze vrouw, die je niet los kan zien van haar grootheid. Haar bescheiden afkomst en de bijbehorende overlevingsmythe kleurt de waarneming van haar leven. Ze leeft op de toppen van haar hart en daarom zal ze altijd zichzelf zijn. Vrij en los gemaakt. Een waarachtig mens!

Uncategorized

Er is alleen die weg te gaan.

Het ratelde en buitelde nog lang door in mijn hoofd. Dat kwam door twee tegenstrijdige momenten van levenservaring, waar ik gisteren getuige van was.

In alle vroegte liep ik mijn race tegen de klok om én te schrijven én om negen uur in Amersfoort te zijn, waar ik zou spreken op een apothekersassistenten-symposium als ‘De patiënt’. Zo stond het ook op mijn naambordje. De Patiënt. Het voelt gek om onder een vlag te varen, die je zonder vragen in de schoenen is geschoven. Een titel, dat wel, maar ik beschouwde het dan maar als een geuzentitel, omdat ik twee keer een uur uit de doeken zou doen hoe het is om met een beperkte opname aan zuurstof in het leven te staan. Het was een prachtige nieuwe beleving, want ik ontdekte dat ik 40 mensen in de ban van mijn verhaal kon houden. Een eyeopener. Wat is het toch leuk om nieuwe ervaringen op te doen!

375

“s Middags was de longarts Sander de Hosson aan het woord. Hij schrijft columns over de palliatieve zorg. Zijn hoofdpersonen staan met beide benen in hun late, nee hun laatste, herfst. Zijn verhalen over de wegen die hij samen met zijn patiënten bewandelt, dwingen respect af. Met zijn mooie timbre valt het lijden mijn hoofd en hart binnen. Ik krijg diepe bewondering voor de man, die letterlijk verlichting betekent door zijn handelen. Zijn zieke medemensen dwingen samen met hem respect af door hun queeste naar een menswaardig sterven. De voorkennis, de belijdenis, de beleving en het lijden vallen in luttele seconden ineen. Twee gelijkgestemde handen verstrengeld op de deken en het grote weten, dat sterven mag en geen marteling hoeft te zijn.

De dag vulde zich met minder existentiële zaken, altijd weer een overschakeling naar dat dagelijkse leven. ’s Avonds, op de bank, met een wijntje en de benen languit in een warme plaid gewikkeld, valt het gekwelde hoofd van Kurt Cobain binnen. Ik zie de animatiefilm. Zijn droeve jeugd na de scheiding van zijn ouders, dat daar een aanvang nam en net zo uit elkaar viel als de verbleekte romantiek van het gezin. Zijn barre trektocht langs puberrebellie en verzet, onnavolgbaar voor zijn omgeving, meegezogen in de neerwaartse spiraal van geestverruimende middelen, die uiteindelijk precies het tegenovergestelde zouden bewerkstelligen. Ik hoor zijn schreeuw uit onmacht, de snerpende pijn om het onbereikbare en de omzetting ervan in de kwaliteiten die hij met Nirvana naar buiten schreeuwde. Intens maar schrijnend voor iedereen in zijn omgeving.

En ergens middernacht was ik getuige van de keuze, naar mijn beleving opgedreven, door opgelegde bezorgdheid, angst en liefde en uiteindelijk uitgevoerd in absolute afzondering. In bed met een schot hagel door het hoofd om drie dagen lang onbereikbaar eenzamer dan alleen te zijn.

Het was een dag van uitersten en de slaap, die door mijn vermoeide lijf trok, werd ook gevoed door de onnavolgbaarheid van het bestaan. Zij die de keuze hebben en anderen die het moeten ondergaan. Hier blijft de vraag wat er kapot ging in het kind, dat negen jaar lang gelukkig was en ramde op zijn kleine gitaartje met een stralende glimlach in het blonde koppie. De weg te gaan, ongeacht of het verkozen of toegeworpen pad de juiste is. Er is alleen die weg te gaan. Het is aan ieder van ons om er onze eigen contouren aan te geven.

Uncategorized

De Pechvogel.

De pechvogel was van oorsprong een vogeltje van stof, gevuld met zand, zaagsel of erwten, dat de leerkracht naar een leerling toesmeet, die het terug moest brengen en het dan moest bezuren met een tik op de vingers of een pak slaag.

Mijn oude geschiedenisleraar mijnheer Wieman gooide als remedie een krijtje om de aandacht te trekken. Mijnheer Link ging op het puntje van de voorste tafel zitten, trok zijn pijp uit zijn binnenzak en begon die met zijn zakmes schoon te krabben, terwijl hij doordringend naar ons keek. Als er een sarcastisch lachje om zijn mond kwam krullen dan wisten we wel hoe laat het was.

Eshof trok lijntjes vanuit zijn mondhoeken, dunne witte strepen, die naast de rook van zijn sigaret, duidden op een allergie voor onhandige stotterende leerlingen. Een van ons moest het bekopen. Wij lazen onze leraren aan hun wonderlijke manieren van imponeren. Het was zelfs zo nadrukkelijk aanwezig, dat ik ze stiekem verdacht van een sessie voor de badkamerspiegel om te weten wat het grootste effect zou sorteren. In ieder geval waren de laatste twee superieur boven alles. Zij maakten de dienst uit en niemand anders. Met Wieman viel een potje te breken, zeker als je het jaargetal van de slag bij Arnhem zonder te verbleken op kon lepelen.

De strafmaat was niet voorbehouden aan de raddraaiers, maar doorgaans aan hen, die niet mee konden komen. De grootse straf was namelijk, dat men als dom werd betiteld als je een som of een grammaticale vervoeging niet snapte. Het kon niet anders of je moest wel in opstand komen, op z’n minst protesten uiten in een veilige onzichtbaarheidsmantel, op een manier die hout sneed.

Er waren naast deze twee cynici ook de zachte zalvende leerkrachten, die snapten hoe het werkte om een groep gelijkgestemden te kweken door ze te masseren met het roemen van hun kwaliteiten. Hoe meer complimenten hoe harder men vloog om het hen naar de zin te maken.

Ik was de pineut. Ik kon het glasharde ontkennen of het onschuld bewijzen niet aan. Mijn angst snoerde de keel en liet op voorhand de voeten schoorvoetend toetreden en de ogen neerslaan. De houding bij uitstek om een verbolgen leerkracht uit zijn dak te laten gaan. Die verlammende angst is lang blijven hangen en pas toen ik eindelijk gezien werd op talenten met tekenen en schrijven schoot het wat los en vond ik het ontspannen leren terug.

257

Het zal niet verwonderlijk zijn, dat een strafmaat iets is, waar ik geen gebruik van maak.  Ik zoek naar de oorzaak en focus me niet op de afrekening. Altijd is ergens een kiem gezaaid voor dit gedrag. Als een groep onrustig is, ligt het aan het systeem of aan de wijze waarop men beoordeeld wordt en niet aan die ‘lastige ‘leerlingen zelf. Een leerling die in je gelooft, je vertrouwt om dat dat wederzijds is, wil zijn mooie kanten laten zien.

Die hebben ze allemaal, stuk voor stuk. Laten we de geluksvogel  in het leven roepen, die toegedicht wordt, bij alles wat briljant is in het smeden van de groepssfeer.  Mijn geluksvogels krijgen hun dagelijkse portie erkenning en ze varen er wel bij. Ik spiegel me er aan en krijg die erkenning ruimschoots terug. Niet smijten maar de gedachte vleugels geven, dat is het geheim van de vogelaar.

Bewaren

Bewaren

Uncategorized

De reünie.

Gisteren hadden we een reünie van de vriendinnen van de kleuterkweek. Ooit in het grijze verleden als jonge bakvissen, waren we kleine eilanden in een grote groep. De meesten van ons hielden nog contact, nadat we allemaal waren uitgewaaierd over het land of zelfs over de grenzen heen. Na verloop van tijd verwaterde een en ander op een natuurlijke wijze. Je werd opgeslokt door een gezin, het werk, een gekozen bestemming. Er viel een hiaat van jaren.

De hechte groep van vier, waartoe ik behoorde, besloot, na de eerste grote reünie, wat vaker af te spreken. Een keer per jaar waren we van de partij en eigenlijk hoorde daar nog een vijfde vriendin bij, maar ze kon het niet altijd opbrengen om te gaan. Dat kwam deels door haar manier van haar leven in uitersten. Als ze ergens was kwam er een vrolijke, druk pratend en altijd lachend mens boven, die zich voor de volle honderd procent gaf. Dat vergde een enorme dosis energie van haar. Thuis zakte ze dan terug in een verstild bestaan, waar sombere gedachten de overhand konden nemen.  Zo schommelde ze heen en weer.

Een van ons was nauw bevriend met haar en daardoor liep ze toch met ons mee, ook al hadden we sporadische ontmoetingen. Wij hadden slechts die blije vrolijke gulle lach op het netvlies. Als donderslag bij heldere hemel kwam de boodschap, dat ze op eerste kerstdag was overleden. Uitgerekend op een dag waar geboorte gevierd werd, een hoogtepunt, een blijde gebeurtenis. Wij stonden geschrokken aan onze zijlijn genageld. De dood was onnavolgbaar dicht genaderd. Als generatie waren we nog veel te jong.

118

Gisteren hoorden we de lange lijdensweg die ze gekozen had. De lange weg er naar toe was er een van lijden geweest.  Het hele verloop van haar ziektebeeld deed me denken aan ‘Die leiden des jungen Werthers’ van Goethe. Niet om de aard van het verhaal, maar om de zwaarte van het onoverkomelijke verdriet dat zij, net als de jonge Werther, in eenzaamheid onderging. De zware keuzes, die hij en zij steeds weer, dwars door alle gebeurtenissen heen, moesten of wilden maken.

Ze besloot geen medicijnen te nemen of naar een dokter te gaan. Angst en overtuiging scherpten die gekozen route. Ze had haar pijn lange tijd stil gehouden en toen dat niet meer mogelijk was, besloot ze naar India te gaan naar een Ashram. Ze logeerde in een hotelletje erbuiten. Na drie maanden kwam ze terug. Fysiek leek het allemaal wat sterker, dankzij de dagelijkse acupunctuur daar. Het bange, eenzame was echter zo schrijnend geweest, als ze het tot dan toe niet had gevoeld.

Thuisgekomen ging alles in een stroomversnelling. Haar gezondheid holde achteruit onder de voortwoekerende kankercellen en eindelijk had men haar letterlijk meegesleept naar een dokterspost, waar de arts uit onmacht haar keuze letterlijk vervloekte om daarna pas weer palliatieve zorg te kunnen verlenen. Haar eerste keuze had haar lot bepaald, het einde was in zicht, de weg was onomkeerbaar.

Respect voor de weg,  die zo zwaar en lijdend moet zijn geweest en uiterst pijnlijk. Ze leefde in uitersten. ‘Himmelhoch jauchzend, zum tode betrübt’. Ze heeft haar blijde masker, waar al het leed achter lag, tot het laatst toe volgehouden voor de buitenwereld. Van binnen sneed schrijnend de pijn met scheermessen het leven eruit.

Op de dag van de geboorte mocht ze eindelijk het licht weer zien. Dappere, lieve, kleine, goedlachse vriendin, die op een tweesprong de weg van het lijden koos.

Bewaren

Uncategorized

Meer zijn dan jezelf.

Gisteren rolde er een prachtige zin uit de televisie, die het waard was gememoreerd te worden. Ik sprak het uit, en nog een keer. ‘Die moet ik onthouden’, dacht ik en sukkelde in slaap voor de verder niet zo boeiende televisie. Toen ik wakker werd was de zin gevlogen, verwaterd, minder dan een schimmige herinnering. Zo gaat dat als je niet de moeite neemt om het onmiddellijk vast te leggen en op te schrijven.

De spijt blijft hangen, zeker ook omdat ik me met geen mogelijkheid de context kan herinneren waarin ze stond vervat. Dat heb ik wel vaker. Het voelt als een gatenkaas, een zeef, dat geheugen van mij.  Dat is onterecht. Juist door het uitschrijven van de dagboeken van mijn moeder en het koppelen van mijn eigen herinneringen daaraan, sterkte de herinnering tot respectabele hoogte. Een selectief geheugen dus. Wat doe je met zinnen die wegvliegen. Het heeft geen zin om er lang bij stil te staan. Die komen niet meer terug.

Verloren zinnen. Ze zijn duidelijk gehoord, herhaald ook nog, dus ergens, achter een te hard dichtgeslagen deur liggen ze te wachten en komen tot leven in eigen tijd en eigen uur. Het zegt vooral iets over de concentratie van het moment. Ik was me meer bewust van de ontvangstsituatie van die zin. Dat heb ik in mijn geheugen geprent in plaats van de woorden die de zin vormden. Ik en het liggen op de bank, de televisie die een wonderlijk slaapverwekkend programma voorschotelde en het boeiende programma er voor over de romantische schilders Bilders en Koekoek in Panorama Pijbes en vooral over Carlijn Mens. Misschien viel ik in slaap om het al dromend te kunnen verwerken, want indrukwekkend was het.

‘De bevallige leugen’ van Koekoek is me bijgebleven. Was dat de verloren zin, het blijft in ieder geval na zinderen. Nu ik aan hem denk, de vergeten romanticus, die in Duitsland veel bekender bleef dan hier in zijn eigen land, herinner ik me hoe ik verder opliep met Pijbes in zijn programma. We gingen een troosteloos landschap in van natuur. Bos, dat gedeeltelijk duidelijk te lijden had gehad onder natuurgeweld en brand. Carlijn liep met hem mee.

carlijn mensCarlijn Mens.

Zij liet ter plekke zien hoe ze te werk ging en toen ze over het enorme witte papier gebogen lag en met houtskool de schaduwen ving van de bomen, vertelde ze over haar bevlogen manier van werken. In mijn perceptie had ze het vooral over de vergankelijkheid, de ongrijpbaarheid van het moment.  Daarbij was ze ontroerend oprecht over de pijn die haar dat steeds weer oplevert. Ze ontsloot haar innerlijk voor ons, dat grote ongrijpbare publiek aan de andere kant.

Juist door het uittekenen van dat grote verdriet, door het licht te willen vangen, waarvoor ze eerst de schaduw moet doorgronden en ervaren, gaat ze de strijd aan met het grote lijden. Ze heeft die schaduw nodig om het licht te kunnen vinden. Ze lijdt onder het waarnemen, maar juist daarom moet ze tekenen. Het zijn haar antwoorden op het grote lijden van de wereld. Het is haar lot.

De manisch grote doeken zoals ze het zelf noemde laat de wereld om haar heen verdwijnen, juist door het fysieke, de energie die ze er in kwijt kan, negatief of positief. Daardoor vergeet ze de wereld om haar heen.  Dan zit ze veilig binnen in haar hoofd en buiten is de gekke wereld. Het is haar eigen meditatieve verwerkingsmoment. Stijgend ontzag en diepe bewondering bij het ontvouwen van haar bevlogenheid maakte zich in mij wakker. Wat een prachtige  manier van zijn. Ze is tot tastbare schoonheid in staat omdat ze meer is dan zichzelf. Ze is.

Uncategorized

Mind time.

De woorden blijven hangen op het netvlies. De gebrekkige vertaler bij Google is het antwoord alweer bijster bij de eerste letter. De tijd is vandaag mijn geest te vlug af, want hij raast versneld voort. De koffie wordt uitgesteld, de poes genegeerd en de letters sneller getypt om de verloren tijd in te halen. Het onderschrijft de woorden van Claudia Hammond, die in haar ‘Time warped, unlocking the mysteries of time perception’ schrijft, dat het ervaren van tijd iets is dat actief gestalte krijgt in onze geest. Iets wat neurowetenschappers en psychologen verklaren als mind time.

time warpedTime warped (tijd hussel) van Claudia Hammond.

Niet de seconden die wegtikken op de ouderwetse pendule met de zilveren aanslagen op het hele uur, niet de gebronsde slagen van Grootvaders klok, niet de seconden die digitaal wegrennen op de computer, maar de manier waarop het wegglijden of stilzetten, de chaos van het versnellen van de tijd in het hoofd haar weg vindt tussen alle dagelijkse beslommeringen door. Wat een heftige gedachte om tijd als in betrouwbaar vaststaand feit los te laten en er een andere vorm van ervaren aan te geven.

Ik heb er eerder over geschreven in de dagboeken van mijn moeder, die met de klok leefde en mijn reactie daarop, door elke vorm van tastbaar tijdbewijs onaangeroerd links te laten liggen in de loop der jaren. Als de dag begint als nu, een inhaalrace tegen de klok, blijf je de hele dag achter de feiten aan lopen. Alles is al gezegd of gebeurd voordat je er zelf mee uit de voeten kan of de kans krijgt het te onderbreken.

Met de kinderen heb ik eens een filosofieles gedaan over tijd,  en daarin ontdekten we dat in vrijwel elke zin, die we zeggen, wel een tijdaanduiding voorkomt. Als de focus daarop ligt, sta je versteld van de hoeveelheid toespelingen omtrent het begrip ‘Tijd’. Er viel niets te wissen.

Gisteren zaten we aan een grote prachtig gedekte tafel met vrienden die we lang hadden moeten missen. Er was heerlijk eten, wijn in overvloed, aangenaam gezelschap en het zachte licht van de kroonluchter onderschreef de warme sfeer. De tijd vloog voorbij. Voordat we het wisten lag het alweer achter ons en met weemoed in het hart omarmden we elkaar in de wetenschap dat het wel weer even zou duren, voordat we elkaar weer konden zien.

Dankzij die prachtige gedekte tafel van mijn goede oude vriend, snelden we terug naar het verleden. Dat was een extra sfeersetting. Heel lang had zijn huis gekraakt onder de eenzame levensstijl die hij voor zichzelf gekozen had. De uitgesleten paden van zijn bed naar de douche, van zijn stoel naar de keuken, de kaarten in de aanslag en de wijn onder handbereik. Deze week werd het leven in het verstilde huis geblazen door de twee vrienden die er logeerden en de vervulling van een vriendschap mee brachten. Niet zij hadden het huis aan kant gemaakt maar de oude vriend zelf had met gevoel voor cachet en alle egards uit datzelfde verleden het zilver gepoetst, het damast uit de kast gehaald en het porselein ontstoft. Tijd werd ingehaald door het verleden naar het heden te brengen.

Daar zaten we aan die prachtige grote ronde tafel, allen ruim tien jaar ouder en lieten moeiteloos het toen en daar met het hier en nu versmelten tot een nieuwe herinnering. Een beleving die door de tijd was ingehaald: ‘Mind time’. Wat een mooie omschrijving voor een begrip dat de standvastigheid van de klok op losse schroeven zet en er mee aan de haal gaat. Geestelijke tijd, die je door de vingers glipt, maar waar je ook bij stil kan blijven staan, ook al loopt de tijd verder en is ze me vandaag nog steeds te vlug af!

Uncategorized

Piekeraars.

Het is 1.45 uur, elk normaal mens slaapt om die tijd. Ik kan de slaap niet vatten. Er dwalen piekeraars door mijn hoofd. Ze hebben zich verschanst achter een kleine opmerking of waarneming, miniem, nauwelijks opgemerkt. Ze zijn zich dieper en dieper gaan roeren in dat brein en hebben zich verankerd achter rafels verleden. Vandaar uit gaan ze te werk en zorgen ervoor dat er een onbestendig gevoel rond waart.

Het voelt niet fijn, want met geen mogelijkheid kan ik het daarboven stil leggen of sussen. Het blijft doorgaan, terwijl mijn moede hoofd schreeuwt om een diepe droomloze slaap. Zodra ik mijn ogen dicht doe, zwellen ze aan en eisen het bewustzijn op. Ze blazen zichzelf op tot abnormale proporties en zetten alle zeilen bij, zodat wegzakken in het oneindige rustgevende niets niet meer aan de orde kan komen.

004

Het hartgrondige gapen duidt op slaap, evenals de vermoeide prikkende ogen, waarbij ik het gevoel heb dat er bakken met zand zijn ingestrooid door wat vroeger zo’n trouwe vriend was. Het vriendelijke zandmannetje van de maan, die me in zijn sprookjes liet geloven en die die veilige kinderwereld de overhand liet nemen op de werkelijkheid. Nu prikt het teveel aan zand vermoeidheid.

Ik had weliswaar veel, maar leuk, hooi op mijn vork op het werk en was laat klaar. Echter niets om wakker van te liggen. Een klein beetje achterstallig onderhoud wat morgen weer in te halen valt. De grote boosdoeners zijn een aantal zaken, die om me heen gebeuren en waar ik geen vat op heb, die me onrustig maken. Kleine rinkelende alarmbellen die moederinstincten wakker schudden en blijven pratten. Warme koffie doet misschien wonderen.

Lezen lukt niet, want de letters dansen. Poes is al even onrustig en kruipt ten leste weg onder de sprei, waar ze krabbelt en trekt tot ze zich een veilig holletje heeft geschurkt en eindelijk ligt te spinnen. Ik denk aan uil van Arnold Lobel die tranenthee zet om te kunnen huilen en zo zijn verdriet weg drinkt. Ik denk aan ‘Pack up your troubles in your old kit bag and smile, smile, smile’. Zorgen die weggelachen worden door ze diep weg te stoppen, te verdringen eigenlijk en ik vraag me af, waar ik die old kit bag verstopt heb.

Liza Minelli met haar ‘Cabaret’ scheurt er dwars door heen en wenkt aanlokkelijk: ‘What could permitting some prophet of doom, To wipe every smile away, Life is a cabaret, old chum. So come to the cabaret’. Vroeger zei men: ‘Geen zorgen voor de dag van morgen’ en eigenlijk weet ik dat er overal een kern van waarheid in zit.

De koffie is op, een uur is voorbij. Er blijft nog genoeg over om de verloren tijd in te halen. Met het verstand op nul, de piekeraars veilig toegestopt en leeg geschreven, duik ik weer onder. Wie weet.

Bewaren

Uncategorized

Inspiratie.

Als ik geen aanleiding heb om te schrijven, door een citaat, een stukje dagboek, een droom, blijft het donker en leeg in het hoofd. Hoe ik het probeer te bedenken, honderd uiteenlopende verschillende mogelijkheden, er ruist niet een klein hersencelletje. Ze blijven allemaal liggen. De stilte is oorverdovend.

Van het CNV kregen we via het bestuur een inspiratieboekje cadeau. De gelijkluidende titel laat onverhuld het idee erachter zien. Kinderen zijn gebaat bij bevlogen leerkrachten die er toe in staat zijn om hun eigen verwondering over te kunnen brengen en daarmee de betrokkenheid van de leerling bij zijn eigen leerproces volop ruimte te geven. Het staat vol met de prachtigste ideeën en gedachten. Als ondertitel staat er bij: Lees, leer en lach.

Blije mensen maken, dat is een mooi doel. En ruimte scheppen voor de andere zielenroerselen, verdriet, boosheid en angst. Die angst leidt regelmatig tot boosheid bij een paar kinderen uit de middenbouw. Ze lopen tegen de grenzen van hun kunnen op en weten niet hoe hun faalangst te verdoezelen anders dan door opvallend gedrag. Ze hebben nooit geleerd om hun angsten handen en voeten te geven. Het overvalt hen.

De onderbouw zonder het heilige moeten met meer ruimte voor het natuurlijke leren was een veilige haven. Nu zijn ze, nietsvermoedend, het grote ongewisse ingegleden en komen allemaal beren tegen. Grote grizzly’s met angstaanjagende klauwen en tanden, die fijne motoriek verlangen, inzicht, scherpzinnigheid, oplossingsgericht denken. Toen het in het aanbod werd meegebreid als een natuurlijk gegeven, hadden ze er geen moeite mee. Spelenderwijs, met het juiste inzicht, tackelden ze de problemen die ontstonden bij het bouwen, het onderzoeken , het experiment. Moeiteloos verzonnen ze de meest prachtige oplossingen, met een beeldend vermogen waar menig schrijver nog een puntje aan kon zuigen.

Ze waren zichzelf, lief, ontvankelijk en gaven ruimte aan iedereen. Maar daar kwamen onmiddellijk de eerste grommende beren al aan. Ze moesten stil zijn, zitten, ze moesten  schrijven, ze moesten rekenen, ze moesten taal, ze moesten veel en mochten weinig. Annie M.G. Schmidt, de kinderpsycholoog, wist het. Ze schreef alle angsten en alle oplossingen neer en gaf ze met het grote boek ‘Visje bij de thee’ in handen van de dobberende lieverds, die eigenlijk allemaal best de oplossing bij zich droegen, alleen niet zoals het moetmens voor de groep het moest  brengen.

Dat moetmens zwemt ook, niet als een visje in de thee, maar als een gehavende vinstaartvis in de oceaan der kennis met windkracht tien. Ze moet wel mee in de stroom van bovenaf, op de moordende gelofte aan hogerhand. De lillende cijfers op de toetstaart mogen niet omvallen. Ze trekt, ze sleurt, ze duwt aan die kleine wriemelende hersenen en perst ze door de nauwe geboortegang. De Modus is geboren. Zo moet het en niet anders. Arme eigenzinnige, fantasierijke uitvallers, arme lieve leerkracht.

101

In het inspiratieboekje staan kwaliteiten en niet zomaar, maar van de grootste uitvallers in die groep van het moetmens. De creatieve heerlijke kinderen met in hun bagage een ontdekwereld van formaat, waar menig volwassenen niet (meer) aan kan tippen. Ze worden met naam en toenaam genoemd, maar blijken gewoon mensen te zijn als jij en ik, mensen met mooie en minder mooie eigenschappen, opgebouwd in jaren. Zij en die opgelegde moetmensen, die eigenlijk, diep van binnen, anders willen,  hebben maar een ding nodig in die volgende fase.

Het rotsvaste vertrouwen in hun eigen manier van leren en van lesgeven. Het heilige geloof in hun kwaliteiten, de liefde voor de mens in het geheel, zonder maar, onvoorwaardelijk.

Fijn dat dit moment even binnen kwam drijven en mijn hoofd het licht bracht. Zo werkt dat dus met hersencellen, of ze nu klein zijn of groot. Geloof is de bron, vertrouwen de basis en inspiratie de toekomst.

Uncategorized

En hoe verder hij ging, des te langer was zijn terugweg.(C.C.S.Crone)

Vannacht was haar zoon nog niet thuisgekomen.

Terwijl ze op hem wachtte, was ze van vermoeidheid in slaap gesukkeld op de bank voor de televisie en werd midden in een kickboksgevecht van twee gespierde vrouwen wakker, met het afgetraind lijf dat glad en glimmend ongrijpbaar leek. De voeten schoten tot hoog bij het gezicht en af en toe deed ze haar ogen dicht of wende het hoofd af. De rondvliegende zweetdruppels mengden zich in de neerwaartse lucht met speeksel en bloed. Een wang schoof naar achteren en krulde weer terug. Ze hield er niet van en bleef toch kijken. Gebiologeerd, de ene na de andere aflevering. Er was geen gids bij de hand, maar Netflixgewijs bleef ze hangen.

Ze dook loom naar haar Iphone, die oplichtend waarschuwde dat het tegen drieën liep en achter in haar hoofd zong een stem, dat hij nooit zo  laat was thuis gekomen. Je hoorde zo vaak wonderlijke dingen die op straat gebeurden. Was het reëel om aan te nemen dat er iets aan de hand kon zijn. Haar hartslag versnelde zich ongemerkt en diep van binnen begon de onrust zonder waarschuwing op te kruipen tot een moederlijke alarmfase. Nu moest ze het weten ook. Ze keek naar berichten waar niet anders dan haar laatste vraag aan hem van twee weken geleden blauw op kleurde en er geen nieuwe boodschap stond.

Ze aarzelde tussen loslaten en beschermen en koos voor het laatste omdat dat haar onrust weer zou temperen, zodra ze zijn stem hoorde, ongeacht wat de reden zou zijn. Vroeger toen ze zo jong was als hij, had ze, onbezonnen en vrij, vaak nachten doorgehaald. Aangemoedigd door de muziek, de wijn en de extase van de dans was de gedachte aan haar moeder bleker dan de weerschijn van het licht op de muur geworden. Pas tegen de ochtend als ze wankel buiten stond en knipperde tegen het verblindende ochtendlicht, was de roes voorbij en wachtte de sluiproute naar huis.

Maar zoonlief ging nooit uit. Hij kende niet het vertier met vrienden in kroegen of in danstenten, het onschuldige vermaak, het ritmisch afserveren van de wekelijkse zorgen om het werk, de verantwoordelijkheid. Hij leefde zijn leven op een geheel eigen wijze, digitaal en met een goede vriend vanaf het moment dat zijn leven een zelfstandigheid insloeg, die ze niet had gezien van de anderen. Ze tikte het scherm aan en zond haar hartenkreet de nacht in. ‘Waar zit je’. Kort en bondig. Het antwoord kwam 2 seconden later binnen trillen. ‘Bij papa’. Adem in en adem uit. Hij lag niet onder aan een brug in elkaar geslagen door een groepje randjongeren, die niet wisten wat ze met hun vrije tijd moesten doen, er was geen aanslag geweest, hij was niet uit de bocht gevlogen tegen de vangrail aan, maar hij zat rustig bij zijn vader thuis. Direct daarop belde hij.

De beelden op televisie leefden op, ook een vader en een zoon. Hier had de vader zijn rokerige groeven diep in zijn huid laten wortelen en hij schoof, op het moment dat ze keek, diep de grote buis in voor een scan van zijn hoofd. Het hoofd in plakjes, naarstig afgezocht naar problemen, had een aneurysma opgeleverd. Een tijdbom in zijn hoofd had de man zelf bedacht en nog kon hij er niet toe komen om oude wonden van het verleden schoon te likken.

De woorden van haar zoon rolden staccato binnen. Benen die weigerden, ambulance, ziekenhuis en infusen. Het grote ongeloof van zijn eigenwijze vader die niet in de terreur van witte jassen en neonlicht wilde zijn en liever pijn en leed over zijn zoon uitstortte. De goedertierenheid, de liefde van een zoon voor zijn vader. Hij had hem op eigen kracht weer meegesleept naar huis en wachtte nu op morgen. Morgen moest uitkomst brengen. Ze hoorde hem aan en zweeg. Haar moederhart bloedde om de zorg en de verantwoordelijkheid, de kommervolle weg. En hoe verder hij ging, des te langer was zijn terugweg. Ineens wist ze het en ze wist dat hij het wist.

Op de televisie had de vader de handdoek in de ring gegooid en voor de tweede keer in zijn leven zijn zoon verstoten. In zijn gram liep hij naar het platje waar zijn andere grote liefde woonde en tussen het koeren van de vrijgelaten duiven door zakte hij in elkaar op de drempel van het kot. Hier was geen weg meer terug.

Uncategorized

Alles van waarde is weerloos! (Lucebert)

De bundel lag open en de eerste regels overvielen haar.

de zeer oude zingt:

er is niet meer bij weinig.
noch is er minder.
nog is onzeker wat er was.

Ze bleef zitten op het bed met de blauwe bloemetjes sprei en Poes, die opgekruld, zich warm tegen haar benen had aangeschoven. De nacht spreidde zijn schaduw tot grillige gedachtekronkels en nam de onsterfelijke dichtregels met zich mee. Ze voelde zich oud, in de nacht altijd ouder dan overdag op school, waar kinderen en ouders, collega’s en directie een beroep deden op de rekbaarheid van het leven. De hectiek van dat jachtige leven schoof in de zoete duisternis achter de bleke maan en zette het beschouwelijke denken aan. Nog even wat verse regels.

‘wat wordt wordt willoos.
eerst als het is is het ernst.
het herinnert zich heilloos.
en blijft ijlings.’

De kinderen waren uitgewaaierd en hadden het goed. Het gaf prietpraat en kleine bekommernissen, herkenbaar van haar eigen sores toen het leven nog lang en vol beloofde, de dagen zich aaneenregen in de verse energie van jeugdig elan. Alles was plan en toekomst en verlangen, ach ja , verlangen. Het was nu onmiskenbaar anders  met de poes naast zich en de nacht met de dubbele uren. De slaap spatte in gedachten uiteen als er een woord bleef hameren tegen haar slapen en als een steen in het water werden de cirkels groter en groter, overmanden, namen bezit. Daar viel niet aan te ontkomen. Poes wel, die herschikte en schoof tevreden dieper in de zaligheid der onwetenden.

alles van waarde is weerloos.
wordt van aanraakbaarheid.
rijk.
en aan alles gelijk.

Ze nipte met voorzichtige slokjes de warme koffie naar binnen. Een liefdevolle gloed trok langs. Met de meesterlijke regels riep haar moeder over alle grenzen heen dat geluk in een klein hoekje zat, waar zij een doosje dacht. Geluk viel niet te vangen. Niet in woorden, niet in gevoel. Geluk was de staat van zijn, van nu, in dit nachtelijke uur en poes die de oren spitste. Geluk was terugkijken op wat was geweest en stilstaan bij de kalme werkelijkheid der beleving, het duren van het mijmeren in dit uur. De tijd die door haar vingers glipte en tegelijkertijd zo veel meer aanwezig was dan vroeger. De nacht verschoof en achter het witte prille ochtendlicht streden de woorden om voorrang. Doken diep tot in het besef niet meer te zijn dan dat, niet meer te willen wensen, niet anders te verlangen dan tijd.

als het hart van de tijd.
als het hart van de tijd

De eindigheid van dat besef werd ingezet met een hartenklop, de toon van de dichter die zich mengde met de hare en haar kwalen en het heldere denken opsoupeerde, zoals in de avond de wijn de kwalen deed. Een eerste auto scheurde de ochtend binnen. Het deerde haar niet, want al eerder had een vroege merel het vers laten verspringen van toon, terwijl poes loom opkeek en in de schemer slechts zijn eigen pootje tegenkwam om uitgebreid te wassen. Ze rekte zich uit als poes en relativeerde. Een nieuw begin, het oude, dat prille oude was dat ook, maar verbleekte weer bij het nevelige licht, dat flarden donker had opengereten. Ze sloeg de bundel met de woorden van de dichter, het vers en zijn waarheid, dicht.

‘Alles van waarde bleef weerloos achter’ en wachtte tot de eigen tijd en het eigen nachtelijk uur.

Uncategorized

Het kader.

A:Vandaag heb ik J. gebeld. Hij durfde mij niet te bellen. Het was een heel leuk gesprek. Hij klonk als vanouds, we hebben lekker gelachen met elkaar. Hij zei: maar ik ben al bijna 73, ik moet eerder dood dan jij en ik zei toen: nou J. dat kan nog steeds, ik ben nog niet dood. Hij vertelde dat er tien (10!) uilen in zijn omgeving zitten, waarvan er een in zijn tuin overdag rust. Alle andere vogeltjes gaan tegen hem te keer, maar hij trekt zich er niks van aan. Je moet maar geluk hebben met een uil in je tuin! Een ransuil. (…) Ik ga lekker slapen, zzzzzzzzzzzzzz later!

Mijn antwoord: Wat ontroerend…..onze erudiete J. en dan plotsklaps niet weten hoe hij het gesprek moet aanknopen met jou! Het is wonderlijk. Zodra mensen geraakt worden tot in het diepst van hun hart, zijn ze vaak sprakeloos. Maar dat komt omdat gevoelens overmannen(overvrouwen/overrulen) Alles wat men zeggen wil, lijkt eigenlijk nooit te vangen in woorden, die verwoorden wat men voelt. Het is te armzalig!

Vriendin en J waren hele goede vrienden en collega’s. Zo zie je maar hoe moeilijk is in te schatten, hoe een ander denkt of voelt. J. heeft waarschijnlijk iedere dag aan haar gedacht, maar kon de moed niet opbrengen om haar ziekte bespreekbaar te maken. Hoe blij zal hij zijn geweest met het telefoontje van haar  en de wetenschap, dat er buiten de kwaal op zich A. tot op grote hoogte respectabel zichzelf was en bleef. Die link met de buitenwereld was belangrijk.  Het luchtte op om alles te kunnen benoemen van de hoed tot de rand. Pijn mocht gedeeld worden maar ook de doodnormale obstakels, waar een mens tegen aan loopt als een lijf plotseling hapert. Juist de zorg om wat achterblijft, wil je delen. Iedereen heeft een klankbord nodig. Mensen in de naaste omgeving zijn te dichtbij. Het was een waardevolle periode voor ons allebei.

Dat die mogelijkheid er is, weekt eenzaamheid los van alleen door het leven gaan. Er zijn diverse manieren om met iemand op te lopen. Bij sommige duurt dat slechts een periode lang, doordat je ze uit het oog verliest of omdat de gegeven tijd inbreuk doet en soms duurt het een mensenleven. De natuurlijke afstand maakt het boeiend en speciaal.

Juist omdat die factor weg viel, konden wij over al het andere praten. Alle aandacht van iedereen bracht het gewone leven binnen met perikelen op school en kleine pareltjes uit de natuur.  Kleine en grote zorgen die van een heel ander kaliber waren dan de hare, maar daardoor des te beter verteerbaar. Alles wat de ruimte in het hoofd weg kon nemen van het denken over de gegeven tijd werd omarmd. Het was de broodnodige afleiding.

Het is een gave en een kunst om door de barrière van pijn heen te breken en oog te blijven houden voor de wereld, die gewoon doorgaat met ademhalen. Ik zag van de week de documentaire over Zaventem waarbij de betrokkenen vertelden wat er met hen zelf gebeurde toen letterlijk en figuurlijk de bom barstte. Man en paard werden niet gespaard. Tot in de gruwelijke details viel vooral op hoe beschouwend men op het moment suprême was geweest. Het leven had een vlucht genomen.

Dat kaderen is een noodzakelijkheid om de werkelijkheid aan te kunnen. Het tij valt niet meer te keren. De feiten liggen in brokstukken op de straten en in de tunnel. De angst slaat gillend tegen de wanden op, maar de wereld vernauwt zich tot je eigen bewustzijn voor een overlevingstocht bij uitstek.

118 Het kader.

Het boek het Puttertje van Donna Tartt vang aan met een beschrijving van een overlevende van een mogelijke aanslag. Bij het lezen ervan prikte en schuurde de benauwenis en het stof tot diep in mijn huid en plaatsvervangend zocht ik mee naar de ontsnappingsmogelijkheid. Overleven tot in de aard van het detail, tot op de letter. Mails worden strohalmen, gierzwaluwen zielendragers en akelei en stokroos troostgevers. Het kader, de afleiding, de kleine details, maken het leven weer heel.

Bewaren

Uncategorized

Leven is leuk.

Ik blader door wat dagboeken en brieven en kom de emails tegen van het jaar 2009, waarin collega en vriendin A haar persoonlijke strijd vocht tegen kanker, tegen de ellende die de chemotherapie haar opleverde en de moed die ze putte uit de kleine, haast onbeduidende dingen van het leven. Ik schreef een jaar lang elke dag en zij antwoordde als ze zich goed voelde. Het was een sprankje normaal en arbeidzaam leven in een notendop. Ze genoot ervan, omdat haar gewone leven uiteengevallen was in een ziek lijf, de pijn, de angst en de hoop.

A: ‘Ik heb je toch al eens verteld over de plotselinge overgang van druk naar weinig kunnen doen. Als ik me er bij W over beklaag, zegt hij steevast dat ik wel erg druk ben, nl. met mijn behandeling! Dat is natuurlijk wel waar, maar….. Ik ben ook moe en heb een chemohoofd, dus kan ook niet veel aan, maar geduld O jee, dat heb ik niet in overvloed. Het is dan heerlijk over jouw bezigheden te lezen. Zoveel te doen en slechts 24 uur, waarvan je er toch echt wel een aantal slapend moet doorbrengen. Doet me denken aan het volgende gedichtje: Een kleine eendagsvlieg uit Doorn Zei, hoe heerlijk is het ochtendgloren Ik zit hier van geluk te beven Men zou twee dagen moeten leven…. Zoiets, klopt niet helemaal geloof ik, mijn moeder kent het wel. Wel heerlijk relativerend, die twee dagen, als je bedenkt dat ik al 59 jaar meega!’

Het doet me denken aan de eendagsvlieg van Toon Tellegen. De eendagsvlieg wil heel graag nog een dag erbij om de eenvoudige reden dat hij zo graag eens ‘Tot morgen’ zou willen zeggen. Hij gaat naar de winkel van sprinkhaan, die alles te koop heeft.  Die heeft natuurlijk wat de eendagsvlieg vraagt, want het enige wat daar niet te koop is, zijn de zon de maan en de sterren. Uit een la haalt de sprinkhaan een hele dag, die hij aan de eendagsvlieg geeft, waarop deze uitroept: “‘Weet je wie ik nu ben? De tweedagsvlieg!’” De eendagsvlieg is zo blij dat hij de volgende dag helemaal vol plant met allerhande bezigheden. “De sprinkhaan zag hem gaan en was benieuwd of hij aan het eind van de volgende middag weer langs zou komen. Hij had nog wel een dag of wat in voorraad.”

Te weten dat je eindig bent en te verlangen naar nog wat tijd erbij is het tegenovergestelde van wat zij dacht. Als je net als mijn lieve vriendin kan bedenken dat het besef al 59 jaar oud te zijn een geschenk is vergeleken bij die twee dagen van de eendagsvlieg, dan mag je jezelf positief ingesteld noemen, een optimist pur sang. Daarmee relativeerde ze voor mij ook de gehavende paden die we liepen op het werk, de onrust, het onvermogen soms. Vergeleken met haar uitgestippelde weg waren de beren op de onze maar hele kleine wollige zachte knuffelberen. Je kan pas spreken van onvermogen als er geen zeggenschap meer is.

gieren met de gierzwaluw(foto door Alwine gemaakt)

Er zijn veel momenten dat ik nog even met haar wil praten. Prietpraat, of over de natuur, wissewasjes, dagelijkse beslommeringen, de kleine blauwe kevertjes die haar muntplanten opeten. Ze heeft mijn denken opgepoetst met haar wijze woorden, die altijd weer relativeerden waar problemen en obstakels traag tegen de muur opkropen. Ze heeft de humor tot op het laatst ingebed in haar gedachten. Haar ziel en zaligheid werden door de gierzwaluwen meegenomen en ieder jaar, zodra de roep van de gierzwaluw klinkt, stroomt ze mijn hoofd vol met een kwinkslag en een knipoog.  Leven is leuk.

Uncategorized

Luchtballonnen.

In het kleine dagboek is een beschrijving van een wonderlijke droom, waar een aantal dingen in details voorbij trekken. Het doet me denken aan andere details uit dromen, die altijd bij gebleven zijn. Omdat ze me raakten of kenmerkend waren voor de situatie. Achter in het boek staat: ‘Er is geen kunst aan om onkunde op te merken, doe er wat mee’. Impliceert het, dat het mogelijk moet zijn om je eigen prestaties op die manier te blijven beschouwen? Zo’n droom doet dat vanaf de zijlijn.

Acacia_collinsii3Bescherming voor de mier: Acacia Collinsii

Fragment: ‘We hebben met de familie een voorstelling voorbereid voor de workshops bij B met leuke volksdans voor de kinderen en een rekenspel, waar ik niets van begrijp. Het feest blijkt buiten te zijn. Er zijn overal modderpartijen , waar we mee mogen stoeien. S zit met een prachtige glimlach midden in de derrie. Opeens zien we de luchtballonnen boven ons hoofd, van een ervan komt dikke rook en hij stort neer. Er hangen twee mensen aan het motorblok, ze zijn heel wit met er tussendoor geel. Ze laten het blok los, dat ik angstvallig in de gaten hou, omdat het dichtbij de huizen komt. We gaan weer verder met de voorbereidingen en ons aandeel daarin. Het is eigenlijk op het terrein van de Nicolaas kerk. Ik raak een beetje in paniek omdat ikniets meer snap van de spelletjes.’

Het jongetje in de modder kwam uit mijn onderbouwgroep van toen. Een bang, onzeker jongetje, met een angstige overbeschermende moeder. Ze onttrok het kind aan het normale sociale leven en had een net gesponnen, door een symbiose met hem aan te gaan, waaruit hijzelf nooit ontsnappen zou met zijn achterstand in de ontwikkeling. Een lang en slap, niet zindelijk jongetje, die de zwaarte van het bestaan al mee tobde in zijn ogen. Dat hij, midden in de modderplas, mocht zitten in een overgelukkige staat van zijn, was een heerlijke droom tot dan toe. Het stond in schril contrast met het volgende fragment van de neerstortende luchtballonnen.

033

De ontmoeting met die jongen heeft mijn kijk op zorg veranderd. Ik zag opeens helder dat men met empathie soms de fout kan maken te tolerant te blijven met het onvermogen. De situatie met het kind schreeuwde om duidelijke kaders. De moeder had bescherming nodig tegen haar eigen handelen. De jongen is in de middenbouw doorverwezen naar een cluster vier school. Toen de moeder niet in staat was aan de eisen van de hulpverleners te voldoen, besloot ze voor de derde keer in het al jonge leven van dit kind, op de vlucht te slaan en verhuisde ze naar het noorden van het land.  Hier eindigde een hoofdstuk, waar toch een heel kinderleven mee is gemoeid.  Niemand van ons weet hoe zijn toekomst is verlopen.

De ballonnen zouden garant kunnen staan voor de essentie van het leven. Onze eigen luchtballonnen, gebakken lucht, ideeën die het besterven voor ze geboren zijn. De kommernis in de droom betreft het neerstorten van de brandende massa en niet de twee deerniswekkende engelachtige verschijningen aan het motorblok. Het werd me duidelijk, dat we aan het wedden waren op het verkeerde paard. Beiden waren er ernstig aan toe. Ze vielen door de mazen van het net. Het hart huilt, de leegte blijft. Was het maar een droom.