Uncategorized

Alles van waarde is weerloos! (Lucebert)

De bundel lag open en de eerste regels overvielen haar.

de zeer oude zingt:

er is niet meer bij weinig.
noch is er minder.
nog is onzeker wat er was.

Ze bleef zitten op het bed met de blauwe bloemetjes sprei en Poes, die opgekruld, zich warm tegen haar benen had aangeschoven. De nacht spreidde zijn schaduw tot grillige gedachtekronkels en nam de onsterfelijke dichtregels met zich mee. Ze voelde zich oud, in de nacht altijd ouder dan overdag op school, waar kinderen en ouders, collega’s en directie een beroep deden op de rekbaarheid van het leven. De hectiek van dat jachtige leven schoof in de zoete duisternis achter de bleke maan en zette het beschouwelijke denken aan. Nog even wat verse regels.

‘wat wordt wordt willoos.
eerst als het is is het ernst.
het herinnert zich heilloos.
en blijft ijlings.’

De kinderen waren uitgewaaierd en hadden het goed. Het gaf prietpraat en kleine bekommernissen, herkenbaar van haar eigen sores toen het leven nog lang en vol beloofde, de dagen zich aaneenregen in de verse energie van jeugdig elan. Alles was plan en toekomst en verlangen, ach ja , verlangen. Het was nu onmiskenbaar anders  met de poes naast zich en de nacht met de dubbele uren. De slaap spatte in gedachten uiteen als er een woord bleef hameren tegen haar slapen en als een steen in het water werden de cirkels groter en groter, overmanden, namen bezit. Daar viel niet aan te ontkomen. Poes wel, die herschikte en schoof tevreden dieper in de zaligheid der onwetenden.

alles van waarde is weerloos.
wordt van aanraakbaarheid.
rijk.
en aan alles gelijk.

Ze nipte met voorzichtige slokjes de warme koffie naar binnen. Een liefdevolle gloed trok langs. Met de meesterlijke regels riep haar moeder over alle grenzen heen dat geluk in een klein hoekje zat, waar zij een doosje dacht. Geluk viel niet te vangen. Niet in woorden, niet in gevoel. Geluk was de staat van zijn, van nu, in dit nachtelijke uur en poes die de oren spitste. Geluk was terugkijken op wat was geweest en stilstaan bij de kalme werkelijkheid der beleving, het duren van het mijmeren in dit uur. De tijd die door haar vingers glipte en tegelijkertijd zo veel meer aanwezig was dan vroeger. De nacht verschoof en achter het witte prille ochtendlicht streden de woorden om voorrang. Doken diep tot in het besef niet meer te zijn dan dat, niet meer te willen wensen, niet anders te verlangen dan tijd.

als het hart van de tijd.
als het hart van de tijd

De eindigheid van dat besef werd ingezet met een hartenklop, de toon van de dichter die zich mengde met de hare en haar kwalen en het heldere denken opsoupeerde, zoals in de avond de wijn de kwalen deed. Een eerste auto scheurde de ochtend binnen. Het deerde haar niet, want al eerder had een vroege merel het vers laten verspringen van toon, terwijl poes loom opkeek en in de schemer slechts zijn eigen pootje tegenkwam om uitgebreid te wassen. Ze rekte zich uit als poes en relativeerde. Een nieuw begin, het oude, dat prille oude was dat ook, maar verbleekte weer bij het nevelige licht, dat flarden donker had opengereten. Ze sloeg de bundel met de woorden van de dichter, het vers en zijn waarheid, dicht.

‘Alles van waarde bleef weerloos achter’ en wachtte tot de eigen tijd en het eigen nachtelijk uur.