Uncategorized

‘Tom Poes, verzin een list.’

Nachtgeluiden, alles wat maakt dat nacht geen dag is. De stilte die doorbroken wordt door een langs scheurende auto met stevige beat, of het gerammel van een fiets. Stemmen die ver dragen en hoog tegen de flat op klateren, dronkenmanstaal, een vette lach. Omdat het binnen te warm is staat het raam op een kier, maar is dan een versterkt klankbord voor dat nachtelijke zijn. Ik sluit mijn ogen  en probeer de slaap te vatten.

Achter het donkerste zwart doemt een indringend zoemen op. ‘Een mug’, denk ik. Doodstil blijf ik wachten tot de querulant stopt, Dan is hij zich aan het laven en is het makkelijker toeslaan, maar het houdt aan, té lang voor een muggenvlucht, hij heeft allang mijn bloed geroken.

Herinnering: –De oude volkstuin in Westbroek. Kaalslag tussen de nog overeind staande tuinen, Wat ooit een bloeiend vriendelijk tuindersleven was met  een grote vriendenclub op de percelen achteraan, was verworden tot wildgroei, haastig gebuldozerde tuinen en een restant krakkemikkige huisjes. In de rij die nog staat zijn er nog zegge en schrijve een handvol bewoners, de laatste der Mohikanen. Oorzaak is een wisseling van eigenaar met te dwaze nieuwe eisen, waaraan elke tuin dient te voldoen. Natuurlijke groei is op regime. Hij stuurt, dwingend stuwend, aan op leegstand om teneinde een strak recreatiepark aan te kunnen leggen.

De grote bladsnijder.

Ik loop het zanderige pad af langs de verwilderde hagen en hoor ineens een nijdig gezoem. Ik blijf staan en kijk. Het is een bij op ooghoogte. Ze hangt in de lucht, haar vleugels  wapperen met ongekende snelheid op en neer. Dat heftige zoemen versterkt de indruk dat ze boos is. Ruikt ze gevaar omdat de snoeischaar hier en daar wat uitstekende scherpe meidoorntakken wegknipt. Ze heeft vast haar nest in de meidoornhaag. Ineens duikt ze weg, om even later achter me luid te zoemen. Ik loop een stukje weg, maar ze blijft volgen. De zon brandt genadeloos, de hitte vangt het geluid en versterkt het. De bij zwelt op tot monsterlijke vormen en een grijnzende kop. Ik loop met kloppend hart weg met het visioen van een aanval door een zwerm bijen. Er is niemand anders op de tuin, stel je voor, straks lig ik hier onder een deken van bijen. Nu ren ik, zo hart als mijn benen me kunnen dragen. Dwaze beelddenker-

Het gezoem houdt aan en ineens doemt er een groenig licht met een rood knipperend lampje op. Net als die bij van lang geleden hangt ze in de lucht.  Ik kan de contouren niet onderscheiden, maar het is vast een drone. Wat doet die om half drie ’s nachts in de lucht? Hij maakt foto’s bedenk ik me, nachtfoto’s. Dat lijkt me alleen te doen met geavanceerde apparatuur, een restlichtcamera of een warmtecamera. Of zit er een zoeklicht op met infra rood? Waarom hangt hij zolang anders op een voor mij waarneembare plek. Als ik hem zie, ziet het oog van de camera mij ook. Ik schuif tot neusdiepte onder het dekbed en blijf staren naar de nijdas. Die zoemt verder en daalt naar beneden. De grote kastanje ontneemt me verder me het zicht.

Standbeeld van Heer Bommel in Goeree Overflakkee.

Ik verlang naar die decennia lange enige echte Droon. Het buitenaardse opperwezen uit ‘Heer Bommel en het Kukel’ van Marten Toonder om net als Olivier B. Bommel te kunnen zeggen: ‘Tom Poes, verzin een list’ en daarna rustig te gaan slapen in de wetenschap, dat niets is wat het lijkt. Zo fijn als Tom Poes dat nog even voor me checkt.

Uncategorized

Niets menselijks is mij vreemd.

cropped-0651.jpg

Ik wist niet dat het mogelijk was, maar gisteren was ik een getergd mens in elke vezel van mijn lichaam en van mijn ziel. Om alles voor het nieuwe schooljaar in orde te hebben, zijn ze al maanden bezig onze oude vertrouwde school af te breken en weer op te bouwen. Het is de bedoeling dat wij gewoon les blijven geven. Elke verandering die erin sluipt doet kennelijk iets met mij. Bovendien ben ik de enige, samen met mijn lieve duo, die niet met de nieuwe opzet in zee zal gaan. In die ene seconde werd het me even teveel om 25 jaar te zien neerhalen in zo’n rigoureuze vaart. Het is geen schuren meer, het belemmert me in het afscheid nemen. Dat is waarom ik getergd ben.

Mijn vader en zijn gram schoven mijn arm in toen ik in mijn onmacht het boek met volle kracht op de vloer smeet en daarachter aan de plastic spuitfles met schoonmaakmiddel tegen de grond kwakte. Laat me met rust. Alle Zen was in mijn tenen geschoten en alle filosofische wijsheid en kalmte zaten in een kleine pink.

Helaas waren de slachtoffers van deze vaderbui de mannen die zich in het zweet aan het werken zijn om de school weer up to date en prachtig te krijgen en evenzeer ook in die molen van afbraak en opbouw zitten en de eerste ouders met hun kinderen die kwamen binnen druppelen. Life goes on, je moet je te allen tijde vermannen, maar een waas van woede werkt als een betonnen buffer. Woede is Verspilde Energie. Voor mij, voor hen , voor allemaal.

‘Richt je op wat fijn is, van der Linden’, dacht mijn nuchtere zelf.

Ego-tje: ‘Dat is het ‘m juist. Dat was dit laatste kleine veilige haventje nog.’

Zelf: ‘Het is maar voor even. Verman je.’

Ego’tje: ‘Ik strooi verkeerde blauwdrukken in het rond. Dat wil wat zeggen. Het overstijgt mij en mijn professionaliteit. Ze hadden me best nog even dat laatste restje eigendom, dat kleine kringetje, mogen laten. Tot hoever kan een mens rekken.’

Zelf: ‘Nog veel verder. Ontwortel.’

089

Ik weet het. Dit hoort in de persoonlijke klaagmuur thuis. Ik hoor mijn moeder in mijn oren fluisteren  ‘Er zijn ergere dingen op de wereld’ en ‘Ga er boven staan’. Ze kijkt me mild-verwijtend aan. Trouwe vriendin, bij toeval binnengelopen, laat me op adem komen. Richten op wat komen gaat.

’s Middags, de bui is langzaam overgedreven, de hartslag getemperd, schrijven duo en ik de nawoorden voor de kinderen in het verslag, dat op z’n  Jenaplans is geschreven. We moeten lachen om exact de zelfde zinsneden die we aanvoeren, het benoemen van precies dezelfde kwaliteiten in het kind en we voelen de warmte van elkaar. We zitten op hetzelfde vinkentouw, varen op dezelfde golfslag, geen collega’s maar zielsverwanten. Karma. Daar moet ik me op richten. Alleen uit die bron valt nieuwe energie voor die laatste weken te putten. We gaan het samen doen.

De gierzwaluwen vliegen laag. Er zal onweer komen vanavond. Ik heb mijn portie onweer al gehad en niets zal meer erger zijn. ‘Afscheid nemen bestaat niet’ zong Borsato. Ik hou het vast. Honderden kiemen gezaaid, honderden harten verlicht, honderden kwaliteiten uitvergroot en meegegeven. Het zit niet in het gebouw, het zit niet in het. vertrek, het zit in mij. Al die kinderen en hun ouders. Ik neem het mee en deel verder.

Niets menselijks is mij vreemd, dat blijkt maar weer.

 

Uncategorized

Tussen de spouwen.

Terwijl ik dit schrijf, draai ik  met regelmaat het hoofd even naar links om een glimp van het nachtleven te vangen in de ochtendschemer. Dat komt in een flits voorbij, je ziet alleen de contouren en het wapperen van de gespreide vleugels met hun vlieghuid. Er heerst grote bedrijvigheid en ze vliegen af en aan om, zodra het lichter wordt, te verdwijnen. Schimmen in de nacht. Mijn eigen dakdieren, naast de kraaien boven in de goot. De kleine dwerg. Vleermuizen in de stad.

Corynorhinus townsendii

Lang geleden was er een project vleermuizen op school. Er kwam iemand over vertellen van de natuur en milieu educatiedienst. Ademloos keken we naar de kleine wonderlijke, dieren, die door hun vroeg oude gezichten en het zwarte leerachtige vel de prehistorie dichter bij huis haalden. Om het nachtelijke zwart  waarin ze vlogen te evenaren, had ik een grote koelkastdoos, zwart laten verven. Voorpret op zich, deurtje erin, zaklamp erbij voor als het te eng zou worden om binnen gegriezel te halen of door anderen wat Zen. Net hoe het uitkwam.

039

Nu de lucht langzaam rood optrekt en een eerste vogel aan zijn vlucht begint, zijn ze weer verdwenen. Ze zitten klaarblijkelijk in de spouwmuren aan de bovenkant van het huis en zorgen er naarstig voor dat de krassende kauwen overdag boven hen geen weet hebben van hun bestaan. Het lukt niet om ze vast te leggen, wel het tweeduuster zelf, dat zoveel leven draagt. Een mug zijn ze vergeten. Die zoemt hier rond en houdt plagend wakker.

Vleermuizen vormden lange tijd onderdeel van de angst voor het duister met het beeld van Dracula op mijn netvlies, ooit met kinderogen gezien. De stomme film waar het zwart nog zwarter scheen en dat de lijkbleke huid van graaf Dracula deed oplichten. Ook al kwam er geen kleur aan te pas, toch was het bloed roder en angstaanjagender dan in welke film ook. De vleermuizenschim die opvloog als Dracula zijn slachtoffer had gemaakt, was de krachtige bevestiging van de mare, drager van de angst, die rondwaarde. Later zou Christopher Lee Dracula neerzetten op een manier, waarop ik Transylvania nooit meer als een willekeurig deel van Roemenië zou kunnen zien. Vleermuizenmythe.

Pipistrellus pipistrellus lateral.jpg

In de vreedzame stilte van de nacht, bij het stilaan ontwaken van de stad, met Poes Pluis soezend op het bed, aaibaarheidsfactor honderd procent zoals de vacht van die kleine dwerg lijkt, blijft die wonderbaarlijke natuur verwonderen. Zoveel schoonheid op mininiveau, zoveel leven in de stad als je de ogen opent.

041

Ik heb een vleermuizenbroek. Eerst nog niet, maar toen de vleermuizenman langskwam ontdekten de kinderen een zweem van vleermuis in het broekpatroon. Dat kon geen toeval zijn. Mijn kinderogen hadden vooral vrees ontdekt met Dracula en consorten, dat wilde ik hen besparen. Bovenin de zwarte doos had ik een zwart gaas met kleine vleermuizen gehangen, die oplichtende ogen hadden, fel geel en rood. Angstaanjagend doemden ze uit het zwart op als de zaklamp aanging, dus eerst zelf ervaren hoe dat voelde. Ingevouwen als een vleermuis in het zwarte gevaarte voor het aanschouwen van het effect. Dat viel reuze mee.

Spelend griezelen is wat anders dan choquerend griezelen met een ‘levensechte’ vampier op het doek. Er werd in ‘De Vleermuis,’ zo noemden we de doos, genoten van het donker tot hij uit elkaar viel.  Stuk gespeeld met griezels, gillertjes, het verkneukelend genieten van de spanning en de kriebels werden weggezongen: ‘In de vleermuis is het donker, waarom zou het donker zijn, in de heldere maneschijn, Anna Maria koekoek.’ (in variatie op een thema). Vleermuis was rijp voor de vaalt.

De eerste kauw is wakker, twee uur nadat de laatste vleermuis voorbij vloog. Het is 6.13 uur. De stad ontwaakt terwijl het nachtelijk leven verder dut, veilig ingevouwen tussen spouwen.

 

 

Uncategorized

Een eigen wijze Vos.

‘On ne voit bien qu’avec le coeur. L’essentiel est invisible pour les yeux.’  Antoine de Saint-Exupëry

image

Daar moest ik aan denken toen ik alle hartverwarmende reacties zag op mijn blog van gisteren. Het is een uitspraak van de Vos, die aan de kleine Prins zijn geheim vertelt.

de vos en de kleine prins

Herinnering:

We zitten in de kleine huiskamer onder het goudgele licht van een ouderwetse schemerlamp. Ik heb mijn oranje pofbroek aan en een bruin/rood jasje erop. Nicole heeft een mooie wijde witte bloes aan met pofmouwen, met haar blonde springerige krullenbol lijkt ze op een prins. We vertellen het verhaal van de kleine Prins en de Vos.  In de huiskamer is een minitheater nagebouwd. De grote leunstoel onder de lamp is voor de wijze Vos en het krukje voor de kleine Prins. Grote en kleine ogen  kijken ons aan. Het is doodstil en je kan een spelt horen vallen als de Vos zijn verhaal doet en de kleine Prins zijn vragen stelt. Het publiek  is zo geboeid door het verhaal dat op het moment dat Vos over het denkbeeldige koren tuurt over de hoofden van het publiek heen, iedereen omkijkt, om te zien wat hij ziet. Als Vos die ene belangrijke zin, de essentie uit het verhaal, zegt, schurkt de kleine Prins even tegen hem aan en waart er een zucht van ontroering door dit intieme theater.

‘Alleen met het hart kun je goed zien. Het wezenlijk  is onzichtbaar voor het oog’.

We brachten iedere twintig minuten de voorstelling zonder pauze en aan het eind van de avond, moe en voldaan, sidderde de warme bedankjes nog uren na. Niet alleen vulde het onze harten maar ook die van de toehoorders, de ogen van de kinderen spraken boekdelen.

Littleprince.JPG

De kleine prins is altijd mijn held geweest, omdat hij door bleef zoeken naar de essentie van het leven en die vond in stukjes en beetjes in ieder mens, dier en plant die hij ontmoette.

Als ik naar mijn kinderen van de groep kijk, ik heb net weer twee dagen verdieping gehad door het schrijven van de verslagen, dan kijk ik door de ogen van de kleine prins. Je kan blijven hangen op wat allemaal anders moet en beter kan, maar als je het met de filosofie van de Saint-Exupéry bekijkt, dan zie je vooral waar ze sterk in zijn en goed, dan openbaren zich kwaliteiten die je anders licht vergeten zou, dan ontwaar je eigenschappen die zacht maken en schoonheid geven, dan opent het harten.

Daar elkaar ontmoeten, dat is voor mij het wezenlijke waar de wijze Vos over spreekt. Iemand die je lief hebt, tam maken, zodat je het schrijnen kan voelen bij het verlies. Binnen sluiten in je hart zorgt dat afstanden altijd overbrugbaar blijven of het in kilometers is of in lichtjaren.

Afscheid is opnieuw beginnen maar met de verlichting en in de wetenschap dat het goed was en straks zal zijn. Er komen nieuwe wijze vossen op mijn pad. Ik zal  de dronkenlap ontmoeten, de geograaf, de zakenman, de lantaarnopsteker en de koning en de ijdeltuit. Met elkaar gaan we het leven vieren en de roos koesteren, mijn roos, alle kinderen die hun eigen weg gegaan zijn en nu hun eigen kinderen hebben een eigen leven, een eigen wijze vos.

 

 

 

 

Uncategorized

Het leven delen.

We stevenen gezwind af op het einde van het schooljaar. Alles staat in het teken van afscheid en steeds schemert in het achterhoofd dat het een laatste keer is. Een laatste keer verslagen schrijven, een laatste keer portfolio’s plakken, een laatste keer verjaardag vieren, een laatste keer met de kinderen op excursie.

tranenthee van Arnold Lobel.

Afgelopen vrijdag heb ik mijn kinderboekenbijbels uit de kast verzameld en in stevige grote supermarkttassen gestopt. Ik wil ze voorlezen aan de kleinzoons en putten uit de kracht die het lezen en herlezen brengt, mijn leven met Roald Dahl, A.A. Milne, Lewis Carol, A.M.G. Schmidt, Antoine de Saint- Exupery, Arnold Lobel, Toon Tellegen. Kortom, nog even oplopen met iedereen die mij op de een of andere manier wist te roeren. Dat diepe intense gevoel, dat voorbij raken en ontroeren ligt. Dat wat de kiem vormt van het intense beleven.

Elk verhaal dat voorbij trekt, levert beelden op, die als een film in elkaar schuiven, woord en beeld raken elkaar en verankeren. Ze zijn de voeding voor de ziel.

Een van de mooiste vormen van afscheid nemen, ontdekte ik tijdens een nachtdienst. Een vrouw van 98 jaar had zegge en schrijven een tafel, een stoel en een boekenplank met zes boeken. Dat was haar hele persoonlijke bezit. Ze had, vanaf haar zeventigste, alles wat ze bezat, weggegeven aan mensen die het waard waren. ‘Dat voel je, vertelde ze ‘de juiste persoon komt op het juiste uur.’

De man die zichzelf weggaf

Het was alsof ik een kinderboek van lang geleden tot leven zag komen. ‘De man die zichzelf weg gaf’ van Gordon Sheppard gaat over meneer Pomeroy, die zover ging met weggeven tot er niets meer van hem over was en hij slechts voortleefde in alles wat hij aan bezit en kennis doorgegeven had. Ik had mijn eigen mevrouw Pomeroy ontdekt.

Het gaat niet om het bezit van de boeken, maar om mijn onzekerheid over hun toekomst. Het hoogste goed is, dat ze gekoesterd zullen worden. In de ban van de grote volksverhuizing die er staat te gebeuren aan het eind van dit schooljaar moet er heel veel weg. Jaren van intensieve en noeste arbeid, maar ook van herinneringen en gevoelens worden op één hoop geschoven. Alles verwordt tot niet meer dan een stapel papieren.

Met lede ogen kijk ik het aan. Het gevoel erbij stokt van binnen. Die afbraak van de betekenis doet iedere dag weer pijn. Het gaat al een een aantal maanden zo. Hoeveel kan een hart verdragen. Mijn hele ziel en zaligheid zijn verweven met de muren, de middelen, de mensen van deze kleine oude vertrouwde jas. Nu is ze te krap en moet alles wijken in het teken van de vernieuwing. Ik juich een frisse aanpak toe, maar daarom mogen de oude randen nog wel schuren.

Herinneringen waar je op blijft zitten, sterven een zoete doch gewisse dood. Je neemt ze mee in het graf en niemand heeft er meer weet van. Alle laatste keren behoren alleen mij toe, de pijn is iets waarvan alleen ik de kracht en het verdriet ken. Elke beleving ernaast, van mensen die me na staan en daar, op die plek, afscheid van mij aan het nemen zijn, is anders.

006  001

Het wordt tijd om de Pomeroy in mezelf te zoeken, want voor alles gereduceerd is tot een plankje met zes boeken, ben ik heel wat jaren verder.

Van de zes boeken die haar nog restte, waren er twee van Krishna Murti, en een fractie van haar wijsheid en liefde, voor mij. Voor de andere vier heeft ze vast iemand gevonden met hart voor haar lievelingen.

Dat is het leven delen, in de meest ware zin van het woord.

Uncategorized

Voor eeuwig jong gebleven.

Vannacht droomde ik mijn column bij elkaar. Vanmorgen toen ik wakker werd wist ik zeker, dat ik het zou onthouden. Na koffie te hebben gemaakt installeerde ik me weer en bleven de vingers doelloos boven het toetsenbord hangen terwijl de PC me zacht ruisend nieuwsgierig aankeek met haar grote witte oog. Weggevaagd in de werkelijkheidszin van alle dag.

Herinneringen:

Tropische hitte buiten. De harige benen onder de witte schort, de twee donkere koppies in de holtes van je armen. Verbouwereerd bleef je bewonderen, van de ene naar de andere, van de ander naar die ene. Twee jongens, wat een rijkdom.

Op muizenjacht, de veldmuizen waren massaal op de tafel aan het dansen in die heerlijkheid van grenen hout en stoflappen op zolder. In de grote verkleedkoffer met al mijn mooie hippie jurken, katoenen en kleurrijke gewaden, speelden ze kat en muis met je en hadden er geen nest maar een paleisje ingebouwd. De kinderen joelden om je heen. ‘Daar een en nog een.’  Eerst vriendelijk en almaar bedrevener werd je uitgedaagd. Dood aan de muizen. Een veldmuis hoort in het beukenbos en niet bij ons op zolder.

Paaseieren zoeken met de kinderen in een van de bossen rond Driebergen. Je liep versneld een rondje en zag daarna, zeker weten, de oren van een enorme haas. ‘Kom kijken.’ Opgetogen snoetjes en een grote grijns van jou bij de ontdekking van het eerste ei. ‘Wie het eerste op de heuvel is’….

Voetballertjes in de dop, die dikke kluwen klein grut midden op het halve veld, die als een bal rond tolde en waaruit twee koppies zich los maakten. Je vaderhart zwol van trots, daar gingen twee kleine evenknieën van je, de een met jouw inzicht en de ander met jouw doorzettingsvermogen en beiden scoorden aan de lopende band in jouw voetsporen op het veld.

scannen0024

Hombourg en wandelen in de ochtend als jij de beurt had om met de kinderen op te staan. Het viertal hing aan je benen, dolde over je heen in het veld in een uitgelaten vrolijkheid van schaterlach en liefde. Ze dribbelden met hun kleine benen mee naar de koeien hoog op het weiland. Daar een eerste boterham uit het vuistje. Niets is lekkerder dan dat. Papa, zon, koeien, blauwe lucht, geurende veldbloemen en zo’n stuk afgescheurd stokbrood met liefde, oneindig veel liefde.

scannen0057Het pluchen tafelkleed.

We liepen op de rommelmarkt. Kindlief in de slendang, diep weggedoken tegen mijn warme buik onder de paarse parka en jij in je pluchen tafelkleedje, improvisatorisch tot haute-couture jas uit de jaren zeventig omgebouwd en je grote zwarte baard met de sleutel en de ringen in je oren. Ons andere dametje in de kinderwagen. We hotsten en botsten ons een weg door de mensenmassa en haalden de krant. Trots stel van twee prachtige meiden.

Dammetjes bouwen in de rivier langs het zinkviolen veld. Met Lazy naast je, trouwe onafscheidelijke viervoeter, die lag uit te hijgen onder een boom in een wolligheid van rood, pluizig en groot. Je trouwe vriend.

.scannen0025De eerste kinderbakfiets ever! 1984.

De vader, de beste vader ooit. Nachtvlinder die de straten af struinde naar alles wat te maken viel. Fietsen vooral, de eerste bakfiets met kinderen erin, twee oude fietsstoeltjes op een plankje in een zwartgeverfde vuilniskar, kinderen erin en gaan. Krachtig, sterk, onoverwinnelijk en met een gedrevenheid, die verder ging dan je zelf kon bevatten.

Maar toen…

Kinderen bij mij en soms bij jou, als je het weer aan kon en geen last had van symbolentaal of stemmen in je hoofd, die opdrachten gaven om de mensheid te redden. Tussendoor altijd weer die lieve betrouwbare ene, die ze aanbaden en die er altijd was tot de volgende fase. Tot ook die fase uitbleef en je wist, dat je ze te allen tijde beschermen moest en koos voor een voortijdig vertrek.

Buizerd in Noorderpark 6

Elke dag zien we je ergens vliegen. Je bent de buizerd in de boomtoppen, de havik in het veld op muizenjacht die bij buitenkansje een kraai verschalkt, de torenvalk die hoog in de lucht bidt, de sperwer op zijn vlucht.

Je bent de golven in de zee en de branding neemt onze woorden met zich mee, net als destijds jouw stoffelijke onstoffelijkheid, om je te vertellen dat je nog steeds bij ons bent in iedere lach, kwinkslag, droom en dagdroom. De beste van alle vaders en voor eeuwig jong gebleven.

 

 

 

Uncategorized

Niet afstrepen maar optellen.

‘Levenskunst’, las ik in de column van Vive la Vie van Trudy Kunz. Onmiddellijk begonnen de radartjes diep van binnen te draaien en ontsponnen zich lange draden van mogelijkheden om te ontrafelen wat binnen mijn bereik aan levenskunst lag.

032.JPG

Even daarvoor had ik met een tip van mijn wijsvinger de aanmelding bij de weekendacademie Haarlem bevestigd. Volgend jaar zal iedere zondagochtend een aantal uren verrijking bieden ter aanvulling van de tot nu toe opgedane basis van mijn creatieve bestaan. Het is een belangrijk onderdeel van mijn levenskunst, naast het schrijven, naast de huis, tuin en keuken filosofie, naast mijn werk in de onderbouw, naast de tuin, naast de boeken, naast mijn kinderen en kleinkinderen, naast poes Pluis, naast mensen in het algemeen en lieve ontroerende hartverwarmende vrienden,  vriendinnen, zussen en familie in het bijzonder.

Gisteren stond er ineens een oud leerling voor mijn neus. Hij had gehoord, dat dit het laatste jaar was aan mijn school. Hij kwam speciaal om mij te vertellen dat hij het jammer vond dat ik wegging en kwam me bedanken. Ik was ontroerd. Juist deze jongen, die ik niet als kleuter in de groep had gehad, omdat hij later op school was gekomen, maar die bij tijd en wijle stoom kwam afblazen als hij het leven even te moeilijk vond. Samen sparren hielp hem altijd weer op weg. Zijn voornemens klonken veelbelovend. Zo’n parel aan het snoer maakt het leven tot een kunst.

Vandaag is mijn jongste zoon jarig en zweven er 22 jaren van herinnering door mijn hoofd. Met vallen en opstaan hebben we ons een weg gezocht. Soms was het moeizaam en vaker een zegen. In mijn oor fluistert mijn oma: Tel Uw zegeningen en mijn moeder toont haar gouden randjes aan haar rokken. Hij duikt even op bed en zegt dat koffie en beschuit best had gemogen. Samen bedenken we welk cadeau hem het beste past en verzin ik gado-gado voor als de andere vier komen met hun gezinnen. Onderonsjes zijn goud waard.

017.JPG

Terwijl ik dit schrijf ligt poes half onder mijn arm, haar fluwelen grijze pootjes onder haar zachte koppie, te spinnen van genot. Af en toe schrikt ze op door de grote zwarte kakelende kauwen bij het raam, waar jong probeert uit de dakgoot te vliegen.

Hoe hard moet je rennen om de dood voor te zijn. Mijn zus is slimmer. Ze heeft bedacht dat ze genoeg heeft aan twee dagen werk per week tot aan haar pensioen. Dat duurt nog een paar jaar, maar ze wil lekker doen waar ze zelf zin in heeft. Het is geen vlucht voor de dood, het is geen bucketlist, het is overpeinzen wat je verder nog wil met de tijd die rest en dat is Genieten met een hoofdletter, van de kleine tot de grote parels, van mooie Hollandse luchten tot een fietstocht door het struweel. Van het op foto vastleggen wat de natuur biedt van de kleinste ontvouwde bloem tot de grootste libelle. Niet afstrepen maar optellen. Dat motto is haar op het lijf geschreven.

Doen wat vervulling schenkt, het gemoed verwennen met dat wat het leven biedt is de kunst in de wetenschap dat het nooit verder weg ligt dan in jezelf.

 

Uncategorized

Het blijft een uitdaging.

“Whether you succeed or not is irrelevant-there is no such thing. Making you unknown known is the important thing-and keeping the unknown always beyond you…” schreef Georgia O’Keeffe aan de schrijver Sherwood Anderson. Wat ze niet met haar kwast kon uitbeelden, tekende ze in woorden.

Het citaat intrigeert omdat het een van de belangrijkste kanten van de kunst raakt. Als succes irrelevant is in de beleving benader je de ware vrijheid om je te uiten. Het ongekende kenbaar maken vormt iedere keer weer de extase, waarin je verkeert als het werk gedaan is. Het scheppen van iets uit het niets. Maar het klopt niet helemaal. Het is meer dan niets. Ergens is een kiem gelegd, die lange gedachtedraden spint en ten leste vraagt om vorm. Die gedachten kunnen woorden zijn of beelden. Diep van binnen broeit het en dat wil eruit.

025.JPG

Gisteren wilde ik schilderen in het atelier op mijn volkstuin.  Dat vergt een vast patroon. Eerst de tuin aan kant en dan genieten. Het begint met gras maaien. Dat brengt de gemoederen van een week hard werken tot bedaren. Dan waar ik rond met een esthetische blik en pluk hier en daar wat onkruid weg, snoei de overhangende takken die de bloei beneden hen belemmeren en pas daarna daalt de rust neer. Vanuit dat gevoel kan ik aan het werk. Zo dicht bij mijn innerlijk kan dus alleen als de voorwaarden juist zijn. Als de tweede uitputtingsslag gemaakt is en ik mijn werk heel kritisch monster, slaat immer de twijfel toe.

Soms loop ik door een tentoonstelling en vraag me af of ik het werk dat er hangt, had omarmd als ik de schepper was geweest. Van sommige doeken of objecten die me emotioneel niet raken, weet ik zeker, dat ik het op een andere waarde geschat zou hebben. Daardoor verdient het nog steeds niet een predicaat of een oordeel. Als je uitgaat van het belang van het totale proces, is de vorm van een minder groot belang. Dan is iedere stap in de ontwikkeling voedend en draagt bij aan een uiteindelijk resultaat. Het ultieme werk. De vraag is of dat het streven moet zijn.

Elegy to the Spanish Republic No. 110 1971 by Robert Motherwell.

Op dit moment staat het werk van Robert Motherwell centraal. Zijn geabstraheerde vormen zijn onder andere verkregen door zijn collages. Minimalistische collages die een symbolische betekenis uitdragen en die hij met houtskoollijnen verbindt. Om een beetje in de buurt te komen, scheuren we oud geschilderd materiaal. Mijn waarde oordeel over collages stel ik naarstig bij als het werk van Motherwell voorbij komt. Wat een kracht en zeggenschap heeft hij weten neer te zetten.

022

Het scheuren werkt bevrijdend omdat toevalligheid een grote rol speelt, ook al heb je een bepaalde vorm op het oog. Het open laten van de ruimte vergt dat er nagedacht blijft worden over de eindigheid van het werk en vraagt om eerder te stoppen dan het doek aangeeft. Zo bevrijd te zijn en los van banden door het ongekende binnen te laten en om te zetten in beeld als symbool voor de gedachte. Het is een nieuwe fase in het doorgronden van het gevoel, de queeste naar de eigen innerlijke kracht. Het blijft een uitdaging.

 

Uncategorized

Al blijft de ondertoon voor eeuwig branden.

‘Als ratten in de val’, zei de nieuwslezeres vannacht bij een herhaling van het journaal. Achter haar fakkelde de torenflat tot grote hoogte. Als het niet zo diep treurig was, wat daar zich aan drama voltrok, was het van een adembenemende schoonheid. Die bevlogenheid van de krachtige oranje vlammen in een macabere dans om het geblakerde zwart heen tegen de vaal grijsblauwen. Dantes hel ontspon zich hier voor onze ogen.

Een regen van vuur: Gravure van Gustave Doré(wiki)

De Hollandse nuchterheid ervoor die, met monotone stem haast, het venster achter haar onderstreepte, was een schril contrast. Er werd ingezoomd op een raam waar eerst een zwarte schaduw bewoog tot het uitkristalliseerde in een arm met een hand, die een doek vasthield en, tegen beter weten in, wanhoop rondslingerde. Het beeld beet zich vast op mijn netvlies en liet niet meer los.

Het weeïge gevoel in de maag viel samen met de versterkte weergave van het gegil en het geschreeuw van de slachtoffers en het ongeloof in het commentaar van de omstanders. Zij zagen letterlijk en figuurlijk de dood in de ogen. Daarna, in de warme en vertrouwde veiligheid van het koele laken, laaide achter mijn gesloten ogen een voortdurende brand met hand op. Van slapen kwam het niet.

Jaren daarvoor deelde ik hetzelfde onmachtige gevoel met de wereld toen de Twin Towers, die enorme sterke kolossen, als kaartenhuizen ineenstorten en zwarte schaduwen naar beneden vielen in hun eindigende vlucht naar een snelle en gewisse dood en verdwaasde angstige witte schimmen opdoemden uit de wolken van stof en as. Een golf van weemoed overmande de waanzin. Als ratten in de val.

Herinnering: Een logeerpartij in het Franse Ambroix op de Filature van vriendin. De open haard beneden brandde sfeer en leverde gedichten op bij het mijmerend staren in de vlammen, die zacht en geduldig likten aan de kort gezaagde stammetjes van de acacia’s. De schoorsteen was een brede schacht van de grond tot voorbij het dak en verdreef de eerste herfstkou uit de kamers. Het bed boven in de Afrikaanse kamer wachtte met warme dikke doorgestikte dekens. Er was één trap naar boven naar de zolder waar gebleekt katoen het zicht op de dakpannen benam. Twee kleine steekramen schoven heldere maanstralen naar binnen, die haastig uitgetrokken kleding over de stoel, en de Afrikaanse maskers in schimmige geheimzinnigheid dompelden. Met de deken hoog tot aan de kin en de ogen gesloten, werd de kamer enger en kleiner en de schoorsteen groter, het vuur laaide op en kroop over de trap omhoog, de enige uitweg verdween, een nachtmerrie. Geen nacht gaf nog geborgenheid, vertrouwen. Wat bleef was die onveilige angst als een rat in de val te zitten.

scannen0091Hombourg

Hombourgnachten achter het vriendelijke familiehuis met ruimte voor alle vrienden en vriendinnen. Onder warme dekens voor de opdoemende dauw met in het midden van de halve cirkel een, ’s middags bij elkaar gesprokkeld, houtvuur terwijl Adèle, Martine, Jasperina, Jenny, en Annie meerstemmig boven het knappen van de droge takken uitjubelden, Leen, Robert en Wim er nog meer satire bovenop gooiden en de gloriedagen van het hele Hollandse cabaret uit de jaren zeventig in gouden glans werden gehuld.

Heimwee naar wat ooit onschuldig en onbevangen en vrij leek. Vuur waar je stokbrood op kon bakken aan een kaalgeschaafde stok, wat sfeer en gezelligheid bracht en eendracht smeedde, vuur wat functie had en nut, zingt al jaren lang een weemoedig lied door de ingekerfde littekens op het netvlies.

069

De kleine tuinkachel zorgt voor een wankel tegenwicht als in het atelier de koude stramme vingers weer tot kwasten komen en de beelden betekenis krijgen op het doek. Angst en pijn moeten slijten, al blijft de ondertoon voor eeuwig branden.

Uncategorized

Op naar het volgende avontuur.

We zijn in de ban van Willie wurm en zijn vrienden. Het bekt lekker en daarom is het zo genoemd. Ik heb het niet verzonnen, maar Kunst Centraal. Het thema schenkt de kinderen en mij al vier dagen lang veel vreugde. Gisteren hebben we Jacques slak uitgebreid bestudeerd toen hij zijn statige glijpartij ten beste gaf. Alle kinderen om de grote werktafel en de slakken in het midden op een donker blad papier, zes in totaal. Ze lieten zich van hun betere kant zien, door ongevraagd zilverglinsterende draden te trekken. Slakken zijn ware kunstenaars.

001

Op Facebook had ik een foto van een uit de kluiten gewassen wurm, de ringslang op de volkstuin, geplaatst en aan de reacties kon ik merken, dat het een betrekkelijk onbekend fenomeen is dat deze beschermde diersoort zo dicht op onze huid zit, al blijft ie er wijselijk ver vandaan. Overal hebben we op het tuinencomplex broedhopen gemaakt voor de lange prachtige zwarte exemplaren, maar in het houtafval van mijn buurman zijn ze gaan nestelen en nu lagen er wel drie zich te koesteren in de ochtendzon. Bij mijn komst gleden ze majestueus, zonder tumult, onder de boomstammetjes. Natuur laat zich niet dwingen. Af en toe glijdt er een de sloot in en zwemt zijn strekkende meter uit om daarna weer glanzend in de warme stralen zich te drogen aan de lucht. Hier en daar ligt een verdwaalde wintermantel.

003

Ringslangen vinden we niet bij school. De wurmen zijn aantrekkelijk klein en kwetsbaar en hoewel tegen wil en  dank, voor het betere natuulrijke leren, ontworstelen we ze aan de zwarte aarde om ze in een wormarium, het wormenhotel, te laten zakken waar ze in de veilig afgedekte nagebootste bodem zich een weg wurmen en tientallen gangetjes achter zich laten met argusogen door het kroost gevolgd. ‘Daar is er een en daar en daar’. Pissebedden doen mee aan dit natuurfeest en het is koddig om te zien hoe die kleine veertienvoetertjes zich oprollen als de garnalenvingers ze proberen te grijpen. Ze worden kleine zwarte minikogeltjes in hun pantservel. Ze zullen het niet als feest delen, maar straks, als alle loeps weer opgeborgen worden, zijn ze weer vrij om te gaan en te staan waar ze willen. Met loepgrote ogen hangen de kinderen voor het herbarium en aan de opgetogen kreten valt steeds weer een nieuwe ontdekking te horen.

018

Feestelijk wordt de spiraal tevoorschijn getoverd van Jacques zijn huis in sterke lijm, wasco en ecoline, succes verzekerd en de Knexx verwordt tot een grote pissebed met ogen. Wie de Knexx kent weet dat dat een staaltje van doorzettingsvermogen vergt met een niet aflatende overtuiging om het tot een goed einde te brengen. Als we dan als klap op de vuurpijl er een lied op verzinnen, omdat we geen leuke slakkenliedjes kennen, op de melodie van Annie’s Blauw, blauw, hemelsblauw voelt ieder zich volmaakt gelukkig, wat een top thema.

016

Geen ingewikkelde ver van mijn bed show, maar de kinderen die kruipend, liggend, overhangend,  alles van dat kleine grut aan het bestuderen zijn. Er is niet meer dan een week voor nodig om ze in te wijden in die prachtige geheimzinnige wereld die onder onze voeten ligt. Erik en zijn kleine insectenboekje spint zich hier ten volle uit. Er is geen boek wat zich zo levend laat lezen als deze speurtochten naar het ongewisse. Vandaag de merel, die heel graag dat kleine grut lust. Gelukkig zingt hij al zijn hoogste lied. Op naar het volgende avontuur.

 

Uncategorized

Sprookjes bestaan echt.

Gisteren las ik in de kring het laatste stuk voor van Hans en Grietje uit het dikke sprookjesboek van Grimm. De kinderen luisterden ademloos. Slimme Grietje deed alsof ze niet wist hoe de oven werkte, waar je in kon kruipen om te zien of het vuur goed brandde en met minachting over zoveel domheid kroop de heks er zelf in. Grietje maakte de ijzeren deur snel dicht en schoof de grendel ervoor. Daar hield mijn plastische beschrijving op, waar de echte tekst nog verder ging. Wat er met de heks gebeurde konden ze op hun eigen wijze invullen.

Het was een manier om de werkelijkheid te verbloemen en de oorsprong daarvan lag in het verleden. Mijn leesrepertoire was breed met de onnavolgbare bibliotheek in de Elsstraat en met een moeder die geen leeftijdslimiet stelde. Op die wijze ontvouwde zich het sprookje van Blauwbaard. Plastisch en in geuren en kleuren met de mooie platen uit het oude boek van moeder de Gans van Charles Perrault ontrolde het hele verhaal zich als een film in mijn hoofd. Ik zag de zuster boven bij het halve ronde raampje zitten, ik hoorde het meisje roepen ‘Zuster Anna ziet gij nog niets komen’ en de maag bleef wee bij de ontdekking, die haarfijn uitgefilterd werd met het wanhopig wrijven over de sleutel en die Blauwbaard in toornige woede deed ontsteken.

Othello en Desdemona door Théodore Chassériau

Jaren later bij het zien van een vertelling van Othello door Joris Lehr, die als attributen met wapperende was aan de droogmolen, een strijkplank en knijpers werkte en daarmee onder zijn vaardige handen de klassieker tot leven liet komen, liepen twee kinderen na het eind van de voorstelling langs en constateerden welgemoed de aanwezigheid van het aantal doden. Het hield de gemoederen bezig en later op de avond vielen mij de woorden in.

Vuile was

Othello liet zich leiden door de holle frasen van Jago

en wanhoop blinddoekte zijn geest,

‘Wel vier doden’ constateerde de kinderziel tevreden

prachtige voorstelling en nu naar andere beslommeringen

thee met een koekje en misschien nog een uurtje naar ballet

Desdemona en consorten in de koelkast gezet

maar ‘s avonds komen ze, die doden uit een grijs verleden,

dwalen dreigend door het heden van die kinderziel

scheppen nieuwe verhalen waar strijkijzers en knijpers

maar vooral de vuile was

uit de doeken wordt gedaan

De Achillespees van een kinderhiel 

Als kind spookten vooral de gruwelen lang na. Dat euvel bracht het huidige verbloemen maar ook de verschrikte blik in de ogen van een klein beschermd prinsesje in de kring bij het zien van de houtgravure van de heks bij haar peperkoeken huis. Lekker griezelen werd het nooit, het bleef bij gruwelen en resulteerde in een bedlamp, die aan moest blijven, terwijl ik, ondanks dat, duizend doden stierf achter mijn onrustig gesloten ogen.

Op een dag ontdekte het kind in mij achter de boeken in de boekenkast thuis nog een boek. Het was een fotoboek van de mensen in de concentratiekampen Bergen-Belzen en Auschwitz. Ze lagen in de houten kooien boven elkaar en tuurden mij apathisch met holle ogen  aan of stonden vertwijfeld in hun gestreepte lappen naar de grond te staren terwijl, een paar bladzijden verder maar, hun knokige beenderen op een hoop gegooid werden in een diepe kuil.

001

Als aan de grond genageld kwam het besef dat sprookjes als die van Blauwbaard echt bestonden. Het bedlampje is nooit meer uit gegaan.

 

Uncategorized

Een mens is nooit te oud om te leren.

Gisteren was er op de NPO een documentaire over origami, het betere Japanse vouwwerk. Ik heb er een haat-liefde verhouding mee. De origami kraanvogels zijn oneindig sierlijk en mooi. Ooit hebben we op school voor een kerstmarkt honderd kraanvogels gevouwen, die aan bijna onzichtbaar nylondraad tegen het prachtige diepblauwe gordijn werden gehangen op het podium. Daar hingen ze de hele kerst lang in alle eenvoud vreedzaam  te vliegen. Ze brachten een intieme warme sfeer.

Kraanvogel.

Ooit moest ik vouwen onder het scherp toeziende oog van de nonnen op de kleuterschool in het Ondiep. We kregen een vierkant vouwblaadje en duidelijke instructies, stap voor stap. De zuster stond erbij en keek nauwlettend toe of we de instructie opvolgden. Dat was het, realiseer ik me nu. Ze stonden altijd en torenden hoog boven je uit. Daarmee vergrootten ze de afstand en wekten de indruk van overwicht. Het lange zwarte habijt van zware stof en de zwarte sluier onderstreepten dat nog extra. Als een vouw scheef ging, sisten ze tussen hun tanden het euvel recht. Vouwen is nooit mijn favoriet geworden.

Ademloos heb ik gisteren gekeken hoe de wetenschap Origami heeft omarmd en uitgeplozen. Hele constructies in de bouw zijn te baseren op de zo simpel ogende gevouwen kreukels. Overal in de natuur zijn de basisprincipes van de edele vouwkunst terug te vinden. In de vleugels van een insecten en vogels, in het ontluikende jonge groene blad, in de eiwit-ketens in ons lichaam, in onze eigen schedel waar de hersenen keurig in opgevouwen zijn.

Spring Into Action, ontworpen door Jeff Beynon,

Door het nauwkeurig te bestuderen weet de wetenschap het in te zetten en grootscheepse ontwikkelingen te maken in de ruimte, in de architectuur, in de medische wetenschap. Een stent in een bloedvat bijvoorbeeld, die origami-gewijs is gevouwen, heeft een elasticiteit die vele malen groter is dan wat nu gebruikt wordt.

Herinnering: Opa Driehuis zit aan de eetkamertafel en leest een krant. Zijn sigaar blaast dikke wolken rook. Daar doorheen ritselt zijn krant een eigen melodie. Hij is zacht en lief en aaibaar ondanks zijn hoed en pak en rook. We plukken aan zijn hand en plooien de dunne velletjes. ‘Pom pom pom’ neuriet hij. Als de krant wordt dichtgeslagen kijkt hij ons aan met glimmers in zijn ogen en razendsnel vouwt hij een hoed van de nieuwsgaring. ‘Een twee drie vier, hoedje van, hoedje van, een twee drie vier, hoedje van papier’ en even later hebben we ze op. Mooie steken, een admiraal waardig, overdwars als Napoleon of recht vooruit als een maarschalk ter veld en marcheren we de kamer uit.

In het strakke regime van de gezusters Jonkman paste het vouwblad als een handschoen. Geen individuele uitschieters, geen persoonlijke touch maar louter en alleen het vervullen van de staccato opdrachten. Eerst moest het vierkante vouwblaadje in vieren gevouwen, dan van puntje naar puntje, dan op elkaar en zo ging het door tot er molens, bloemen, boten, vliegers, schoenen voor de pepernoten van zwarte Piet uitrolden. Rijen lang, allemaal van dezelfde kleur en vorm, identieke basisvormen. Als het niet lukte moest het overnieuw tot elke vouw haarscherp op haar plek viel.

Ik heb nauwelijks meer gevouwen na die stageplek. Alles wat het persoonlijke ondersneeuwde bleef links liggen. Elke zelfbedachte creatie werd met liefde tentoongesteld, of het nu op elkaar geplakte papiertjes waren of gestapelde kleenexdozen maakte niet uit. Het ging met name om het voorstellingsvermogen, de uitgebreide verhalen erom heen en de scheppingsdrang. Vouwen werd toevalligheid.

Nu, door de Origami Code gisteren op televisie, boort het vouwen letterlijk een nieuwe dimensie aan. Een mens is nooit te oud om te leren. Morgen maar eens kraanvogels vouwen met de kinderen…om mee te beginnen. Wie weet.

Uncategorized

Door elke draad een ervaring rijker

Er is vanaf 24 juni een tentoonstelling in het Noordbrabants museum, die de gelegenheid zal geven kennis te maken met het werk van de Japanse kunstenaar Chiharu Shiota. Ze werkt met enorme netwerken van draden van wol. Een van haar beroemde installaties is Uncertain journey, waar de draden verbonden zijn aan de geraamtes van boten. Ze gebruikt hiervoor tweeduizend bollen wol. Ze bouwt het in 12 dagen op met haar team en na 15 oktober worden de draden doorgeknipt en verdwijnt de installatie.

Vroeger zei men dat iets monnikenwerk was, als het eigenlijk onmogelijk werd geacht, maar waar met ijzeren discipline, toewijding en het geduld van de wijsheid het resultaat toch werd bereikt. In haar installatie The Key in The Hand , die ze voor de Biënnale in Venetië maakte in 2015, waren maar liefst 50.000 draden verwerkt, die verbonden waren aan evenzoveel sleutels die mensen haar, van over de hele wereld, hadden toegestuurd. Een en ander valt te lezen in Muze, een tijdschrift over kunst en een uitgave van AVRO-TROS. Een voorbeeld van zo’n immense opbouw wordt in het volgende filmpje getoond. Een goed voorbeeld van een waar monnikenwerk.

Het feit dat je een enorme installatie maakt en dat die na de tentoonstelling vernietigd zal worden, is de ultieme vorm van loskomen van de materie. Het gaat om het proces, het idee en de symboliek erachter. Haar beeldtaal is prachtig. De boten in Uncertain Journey staan zowel voor het avontuur als het leven zelf, de draden zijn de ontelbare relaties die men aangaat tijdens een leven.

Vlak voor ik het tijdschrift open sloeg had ik een droom waarin mensen langszij kwamen, die ik niet meer zie. Daarvan zijn de draden ooit geknapt, om welke reden dan ook.  Ik mijmerde bij het ontwaken hoe merkwaardig het is dat leven verder weg dan de dood kan zijn. Banden die verbroken zijn, blijven schrijnen in de ziel. Zij zijn absoluut onderdeel van mijn ‘Uncertain journey’, mijn onzekere reis, die leven heet en dat ik Muze bij juist die bladzijde opensloeg, moest zo zijn.

Bij Knockart zijn we in de materiekunst gedoken en behandelden vorige week de kunstenaar Yves Klein in de periode van zijn monochromen in zijn eigen kleur blauw, International Klein Blue of IKB. Het is voor hem de kleur die het sterkst de bevrijding van het stoffelijke vertegenwoordigt. Los van het stoffelijke zou de kleur alleen al betekenis genoeg hebben. Hij ging nog verder. In zijn laatste schepping zou hij zich laten opsluiten in een lege galerie om die te vullen met louter mentale beelden. De idee als leidraad en opperste kunst.

Door zelf intensief bezig te zijn met de wording van zo’n ongeboren kiem, zo’n proces, wordt een tip van de sluier opgelicht en is het duidelijk hoe intensief en hartstochtelijk het maken ervan moet zijn geweest. Letterlijk bevlogen zijn van het idee en er een hele nieuwe ultramarijn voor scheppen om het blauwste blauw van de onstoffelijke hemel te evenaren, zodat iedere bewonderaar meegezogen wordt en doordrenkt van blauw de ruimte verlaat.

Annie M.G. Schmidt wist het ook. ‘Blauw, blauw hemelsblauw, de kat was van de schooljuffrouw’, maar dat terzijde.

De werken van Klein zijn nog altijd te bewonderen. De draden wol van Chiharu Chiota zijn tastbaar voor zolang het duurt. Dat is het verschil. Wat blijft bij beiden is het idee erachter, waardoor dit werk bestaat.  Uncertain journey laat, met de levenssymboliek aan den lijve, de nietigheid van de mens onder dat indringende hemelgewelf van draden ondervinden. Tegelijkertijd ontspinnen zich nieuwe associaties en ideeën, zoals het een bevlogen werk betaamt, als bron van voortdurende inspiratie. Door elke draad een ervaring rijker. Dat blijft.

Uncategorized

Los van alle banden.

Er liggen twee grote plastic bakken onder het bed met honderden foto’s erin. De meeste zijn gescand, maar waar het alleen mijn herinneringen zijn, waar niemand van mijn naasten op die plekken heeft gestaan, koester ik alleen maar. Om ze digitaal te boekstaven heeft geen zin omdat de herinnering eraan, de warme sfeer, de ongrijpbare stilte, de koele bries alleen maar denkbaar is, als je daar was op die plek, op dat uur.

029

Herinnering: Mijn moeder en ik, we lopen door het bos Voordaan. Het is er verweesd, een vochtig bos, zo een met lange klimop-slierten en een tapijt van mos, maar ook veel modder en bomen die huilen. Hier liggen de voetstappen uit mijn jeugd, zoals die van mijn moeder uit de hare. De kinderen rennen vooruit, omzeilen de bramen met hun venijnige uithalen en beklimmen een scheefgezakte boomstam, mijn moeder loopt er in haar bekende huppelpas achteraan. ‘Moe kijk eens om’, roep ik. ‘Klik’ doet de analoge spiegelreflex om mijn nek. Lachend stapt ze over een stammetje heen, houdt zich vast aan een dichtstbijzijnde, staat stil bij het hek voor het uitgestrekte weiland aan de zoom van het bos, tuurt in de vijver naar salamanders en ander leven, deelt snoepjes met de kinderen, veegt hun toeten af met het natte washandje in het plastic zakje. De warme glimlach, de olijke blik, allemaal vastgelegd met die gekregen camera, die nog niet eigen is, onwennig, maar wel de koning te rijk, zo voel ik me. Een heerlijk moment van gestolen uren met mijn moeder en de kinderen.

Thuisgekomen zit het rolletje vast, is niet meer door te draaien en komt er na veel gemier en gepruts onbruikbaar uit. Met spijt bevries ik de herinnering in mijn hoofd en alle vastgelegde momenten, de zwaaiende handen, haar bevrijdende lach, de waaierende rok, de steunkousen in de ferme wandelschoenen, oude nog, want modder. Een week later staan we om haar bed, de zussen en broers en ik, houden elkaar vast, strijken denkbeeldige haren van het voorhoofd, zoeken de gesloten ogen, kussen de koude wangen als ze ondenkbaar jong door dood als dief in de nacht werd overmeesterd. Thuis smijt ik de camera in een hoek, die me belette om mijn laatste indrukken tastbare herinneringen te laten worden en ben kwaad op het besluit de nieuwe mee te nemen en de oude vertrouwde thuis te laten. Een heel leven vastgelegd en het belangrijkste moment gemist.

Vriendin verteerd door chemo en de kanker in haar lijf, heeft haar pruik net recht getrokken en kijkt me stralend aan, foto! In park Bloeyendael in de tunnel met de tags, gratis kunst om van te genieten, foto! De uitbundig bloeiende Rosa seagull klimt halsreikend hoog de boomkruin in, ruik maar hoe heerlijk, foto! De paddenpoel, geen leven te bekennen, wel de opsekopse wereld, foto! Gearmd wandelen we verder, grinnikend, natuur laat zich niet sturen. Een maand later vallen de tranen op mijn vingers, die trillend de herinnering koesteren met het opdoemen van de foto’s. Groot en helder vullen ze het scherm, lachend kijkt ze me aan.

Foto’s, ik knip, de Seagull hoog in de boom kruipt al 6 jaar omhoog zonder haar, zonder hen, alleen met mij en ik sta er wat verloren bij. Van onderaf rechtstreeks de vrijheid in, los van alle banden.

Uncategorized

Voor eeuwig

Er zijn van die ondoordachte handelingen, waar je nooit bij nadenkt. Je doet ze en passant, in onbewaakte ogenblikken van stilvallende handen. Dat deed ik vanmorgen, toen mijn hoofd haar hersens brak over mijn gedachten. Ik draaide aan de ringen om mijn ringvinger van de linkerhand. Niets bijzonders. Mijn ringen draaien rond door de dunner wordende bovenste kootjes van jaren ringendracht. Ze schuiven niet naar beneden, omdat ze blijven steken op de knoken van het kleine gewricht.

Ik draaide en ineens schoot een kleine schok door me heen. Mijn steen was uit de ring. Een lege inbedding keek me aan, met opgedroogde resten van iets waar steen ooit mee verankerd was. Zilver met gapende wond.

Jaren geleden, in het geboortehuis van Guido Gezelle, herdacht ik de dichter aan de hand van de versregels die door mijn hoofd zweefden en die te pas en te onpas al decennia lang naar boven kwamen drijven. ‘O krinklende winklende waterding, met ’t zwarte kabotseken aan, wat zien ik toch geren uw kopke flink al schrijven op ’t waterke gaan!’ Het was destijds mijn allereerste kennismaking met volwassen poëzie, aan de hand van de beduimelde pocket, die mijn moeder in de kast had staan. Intrigerende dansende woorden, lief en aaibaar voor dat wonderlijke diertje, dat zich schrijvend voortbewoog in de sloot aan de Thorbeckelaan en die meekwam in de jampot op zoek naar bloedzuigers en schaatsenrijders.

Zuslief memoreerde mee en op de laatste dag van deze stedentrip, tussen de restauratiehekken rond de middeleeuwse muren en de drommen toeristen door, zagen we een onooglijk kleine winkel met sieraden. Daar kreeg ik van haar de ring met de kleine zwarte steen, gekoesterde bezegeling van zussenliefde en vriendschap en voor mij ook als symbool voor het schrijverken in mijn hoofd. Voor altijd, dacht ik.  Vanmorgen werd eeuwig in een oogwenk omgezet in voorbije tijd. Een geluk bij een ongeluk.  Dat wat in het hart zit vervliegt niet met de verdwijning van de steen.

008

Tastbare herinneringen kunnen zomaar verdwijnen. Ooit heb ik een bundeltje met mijn eigen gedichten tijdens een rigoureuze opruiming vermoedelijk in een verkeerde zak of doos gestopt. Het is nergens meer te vinden. Ik heb het hele huis op z’n kop gezet en het is en blijft weg, dat hele bescheiden dichtersoeuvre van mij. Flarden dichtregels spoken al jaren naast het schrijverken door het hoofd, alsof ze zoeken naar hun heelheid, dolende dwaallichten die van tijd tot tijd mijn aandacht trekken om weer op papier gezet te worden. Ze zijn voor eeuwig kwijt. Die wel.

Alles wat ooit in het verleden geschreven is, dagboeken, schriften, krabbels in agenda’s, memootjes, fotoboeken met teksten, zal zo ooit verdwijnen, of ik moet, net als bij de dagboeken van mijn moeder, alles digitaal boekstaven. Misschien is dat zelfs beter. Nog een keer door het leven spitten en voeden wat kostbaar is en vergeten wat er niet meer toe doet of alleen er voor mij toe deed. Buiten de dagboeken om is alles wat waarde heeft van mijn moeder verstrooid, een naaidoos bij een zus, een schilderij bij een broer, haar boeken bij mij. Samen is het mijn moeder ten voeten uit, los is het een stukje houvast van wat ooit een heel leven was.

Met een nieuwe steen is de ring niet langer de bezegeling, want de blauwdruk van haar betekenis, de zielsverwantschap, zit diep van binnen. Inderdaad, voor eeuwig.

 

Uncategorized

Zoveel mensen, zoveel zinnen

Gisteren kreeg ‘de langschrijver’ een advies van ‘een kortschrijver’.  “Er wordt veel te veel geschreven en daardoor veel te weinig gelezen. Weg met de breedsprakigheid. 120 woorden is precies genoeg” was de quote die boven het stuk van 120 woorden stond.

Het vraagt om nuances. Ik lees altijd veel en boeken kunnen me niet dik genoeg zijn. Ik hou van de longreads van de Newyorker en het NRC of de Correspondent en de uitgebreide filosofieën van Brainpickings zijn me lief. Ik hou van woorden omdat ik er mee boetseer en kneed én omdat ik geleerd heb de zin van de onzin te onderscheiden, mijn zin.

Soms heb je een sfeertekening nodig of wil je een situatie schetsen met veel of weinig woorden, net hoe het uitkomt. Dat men minder zou lezen omdat er meer staat gaat voor mij niet op. Ik waag het te betwijfelen of ik daar alleen in sta.

006

Mijn moeder nam, zodra de eerste wankele schreden in de wereld van de letter waren gezet, ons mee naar de kleine huisbibliotheek in de Elsstraat. Daar stonden alle kamers van het huis, een verkapte arbeiderswoning, vol met boeken. Daar stond ze aandachtig voor de boekenkast, met haar hoofd schuin geheven. Af en toe trok ze er een boek uit en bladerde wat. Hier en daar viel dat stil, als ze een stuk tekst las. Wij bestudeerden haar en zagen hoe het hoorde. Hoofd schuin, letters vangen die je lezen kon en er een boek uitpakken. Heerlijk imitatiegedrag. Lezen werd met de paplepel ingegoten.

Thuis las ik vooral in bed, onder de dekens met een zaklamp als broerlief  het nodig vond het licht uit te draaien, omdat het bedtijd was. Mijn broer vaderde en werd dan soms de spelbreker. Letters eten, ik heb het altijd gedaan, mijn hele  leven lang en heb boeken nodig om de leeshonger te stillen.

Nu, met de nieuwe media, komt het woord aangevlogen, verblijft een wijle op het vinkentouw en verdwijnt weer. Mooie woorden en zinnen van anderen nestelen zich in mijn hoofd. Kleine kostbare parels, die soms meer zeggen dan een shortread of een longread. Sommige verhalen, gebeeldhouwd bijna, vliegen regelrecht mijn ziel binnen door het onderwerp, de woordkeus, het verfijnde filigraan, waar tussen de regels het ongeschrevene een nieuw verhaal vertelt.

Mijn verhalen zoeken iedere dag een weg naar buiten. Ze dienen zich bij voorkeur vroeg in de ochtend aan. Ik strijk, met de slaap nog in mijn ogen, over mijn hart en schenk ze een podium. Soms poëtisch, soms emotioneel, soms bombastisch, soms realistisch, net hoe het uitpakt.

Toen ik 11 jaar was, kreeg ik mijn eerste dagboek. Ze was geel met gouden letters. Ik schreef er mijn eerste woorden in, aarzelend, maar allengs brutaler met ongezouten puberale meningen, die schreeuwden om vrijgelaten te worden op een wit vel. Mijn vader onderschepte ze en velde een oordeel over onbegrepen angsten van zijn dochter. Het heeft heel lang geduurd eer ik weer die eerste onbevangenheid zou bezitten.

Ik rijg de woorden aaneen, lang of kort, net wat zich aandient. Ik schrijf voor wie het lezen wil en om de honger te stillen naar het geschreven woord. ‘Zoveel mensen, zoveel zinnen’ wist mijn moeder. ‘Leven en laten leven’ zei mijn oma. Daar was alles mee gezegd.

Uncategorized

Een leven lang.

Verslagen schrijven is in het hoofd van het kind kruipen en daar twee uur lang vertoeven. Opmerkelijk wat van een heel jaar is blijven hangen. Een oogopslag, een kleine grijns, een onzekerheid, wat bravoure, de liefde voor iets, de bewogenheid die vriendschap echt maakt.

Het kompas.

Soms schrijf je in tegenstrijdigheden, zijn er zwijgende getuigenissen van het niet doorgronden, waar andere kwaliteiten juist wel uit de verf komen. Het vergt zorgvuldigheid. Het gekozen woord gaat een leven lang mee, sterker nog, legt waarschijnlijk de kiem voor het kompas, waar het kind op kan varen. Dat brengt verantwoordelijkheid met zich mee, bedachtzaam rondwaren in dat hoofd, laveren tussen beweegredenen en een eigen mening, indruk, aanname wegpoetsen. Verslagen vragen om uiterste concentratie. Na twee verslagen geschreven te hebben is de koek op. Het hoofd moet leeg, lekker uitwaaien in de frisse buitenwind en ruimte maken voor een nieuw kind.

Dat die verslagen een keer per jaar een feit zijn zorgt ervoor dat het hele jaar op het ontdekken en doorgronden de focus ligt. Het verandert de insteek van een observatie. Je blijft altijd op zoek naar de kern.

In de zesde klas van onze oude lagere school kreeg ik een psychologische test. In het verslag over de bevindingen  werd uitvoerig beschreven wie ik was en waar ik voor moest waken, of mijn ouders althans, om de opvoeding te laten slagen. Er werden een aantal etiketten opgeplakt, waaraan mijn toekomst kleefde en ik wist er niets van.  Aan de hand van het verslag werd een schoolkeuze gemaakt en dat zette de ondertoon.

Jaren lang heb ik geprobeerd langs verschillende omwegen de stempels van me af te krabben. Uiteindelijk is het me gelukt, maar gevrijwaard van onzekerheid ben ik niet. Het is iets wezenlijk anders om aan een mening handen en voeten te moeten geven, dan zelf de mening te mogen vormen. Daar ligt het verschil.

 Kinderen kunnen veel meer dan we denken. Als we filosoferen met de hele groep, dan zijn ze vrij van denken. Ze worden niet beïnvloed door wetenschap of techniek, het hoofd is leeg en alleen met de vraag bezig. Ze slaan automatisch aan het beredeneren en het levert juweeltjes van uitspraken op.

Tijdens een van die lessen, alweer wat jaren geleden, waren we aan het terugdenken in de tijd. Kind, ouder, opa en oma. Hoe zijn die opa en oma er dan gekomen was een vraag. Daar kraakten de hersentjes weer. ‘Iedereen heeft een papa en mama natuurlijk’ zei een kleine pragmaticus. Dat was het bevrijdende woord en we duikelden pardoes in de bet-bet-bet-bet-bet-bet overgrootvaders en moeders. De stok wees het aan op de tijdlijn, steeds gemiddeld 60 jaar terug, tot in de middeleeuwen. Ineens waren we tijd aan het vertalen naar een begrip dat binnen het voorstellingsvermogen lag. Waarop er moeiteloos over werd gestapt naar Grootvaders klok en de wolf met de zeven geitjes. Want als je vrij bent van vooroordelen is het associëren boeiend en levert het heerlijke nieuwe mogelijkheden op.

Zonder methode mag je je laten meevoeren op de stroom van gedachten die zich aandienen. Een onderwerp schiet van de fantasiewereld naar de realiteit en weer terug en allen willen helpen om het naadje van de kous te vinden. Die betrokkenheid tekent het welbevinden en dat welbevinden is de basis voor de kwaliteit van leren. Dat wordt geboekstaafd en is terug te zien. Een leven lang.

Uncategorized

Bommen en granaten

Het was een prachtige eerste pinksterdag. De dag ervoor had ik de hele dag op de tuin vertoefd en nu moest ik meters gaan maken met het schrijven van de verslagen. Het kwam maar langzaam op gang,. Ik was klaar met het tweede verslag en drukte op de knop ‘opslaan’ en toen kwam er een foutmelding. Alles wat ik geschreven had, was weg. Ik heb het programma binnenstebuiten gekeerd, de computer vervolgens, maar wat ik ook probeerde, de lege vakjes staarden me zwijgend aan. Geen woord meer.

 Stripmuur in Brussel.

Ik was toe aan Kapitein Haddock’s bommen en granaten. Wat een deceptie. Ik heb de laptop dichtgeklapt en ben boodschappen gaan doen. Dat hielp. Die korte pauze was precies voldoende om de accu weer op te laden en opnieuw te beginnen. Na iedere opmerking sloeg ik het onmiddellijk op. ‘Een ezel stoot zich geen tweemaal aan dezelfde steen’.

Het is niet de eerste teleurstelling in mijn leven en zeker ook niet de allergrootste, maar ik moest het wel handen en voeten geven. Ik poste het op facebook en kreeg troostgevende gedachten ervoor in de plaats. Het lost niets op, maar het verzacht.

me

Op school is er een meisje dat onmiddellijk, bij alles wat tegen zit, in haar wiek schiet. Ze slaat haar kleine armen over elkaar, de kin zakt op haar borst en haar pruillip komt boven drijven. Ze fronst haar voorhoofd in een kwaaie rimpel, zodat iedereen op afstand kan inschatten, dat er een dikke donderbui achter wacht. Dat overkomt haar wel vier keer per dag. Ze keert zich van je, af als je het uit wil leggen en het kost een berg overredingskracht om haar over die bui heen te krijgen. Ergens is het hoofdstuk ‘na regen komt zonneschijn’ niet aangekomen bij dit schatje en wacht ze op het bekende goedmakertje ofwel toegevertje, dat helaas bij mij nooit komt.

‘Wie zich brandt, moet op de blaren zitten’, zei mijn moeder vroeger. Daarmee legde ze in een klap de verantwoordelijkheid bij ons neer en niet bij zichzelf. Als je er niet uitkwam, dan moest je maar mokkend door het leven. Eigen schuld, dikke bult en naarstig ging ze voort met al het werk, dat haar nog restte. Ze had het veel te druk om aandacht te schenken aan één zo’n koter, als er nog tien rond liepen. Ze had er eenvoudigweg geen tijd voor. Al vroeg leerden we oplossingsgericht te denken.

Negeren en geen aandacht schenken werkt het beste. Zodra iets wat negatief is de volle aandacht krijgt is het hek van de dam. Dat weten we ook best wel, maar om de goede sfeer te behouden, pamperen we zo’n kleine mopperpot tot in het oneindige met als rendement nog veel meer nuffigheid en narigheid.

Het is moeilijk om de juiste weg erin te bewandelen. Ik ging als vroeger in de moederrol oeverloos lang redeneren, waarom bepaald gedrag niet kon, compleet met argumenten en voorbeelden. Dat vonden mijn kinderen minder geslaagd, dus verzonnen ze van alles en nog wat om onder mijn preken uit te komen. Intuïtief had ik een middel gevonden dat als anti-pruillip werkte.

Ik ga zo weer aan de verslagen. Voor vandaag staat de teller op twee. Ik zal het zorgvuldiger doen dan de eerste keer. Ik wist van Parnassys dat het iets voor eeuwig kan laten verdwijnen, maar was het vergeten. Ik begrijp dat we zelfverantwoordelijk zijn, maar een beetje hulp van hogerhand is niet teveel gevraagd, lijkt me. Het is anno 2017. Bij Google Drive wordt alles automatisch opgeslagen. Een systeem dat door zoveel scholen gebruikt wordt, zou onfeilbaar moeten zijn. Daar behoort het opslaan bij. Het zou in ieder geval een hoop commotie besparen en alle bommen en granaten van Haddock.

Wie de schoen past, trekke hem aan.

 

Uncategorized

Taal heelt

Een van mijn oud collega’s is gaan werken op de taalschool. Ze deelde gisteren een filmpje op Facebook, waarin deze kinderen stuk voor stuk hun dromen vertelden. Deze film zou iedereen in Nederland moeten zien. Alleen al om te begrijpen dat, iedere keer als het woord vluchteling valt, zo’n lieve schat er achter schuilt. Een kind dat haar hoop vestigt op de toekomst en die de donkere zijde van het verleden zo snel mogelijk wil vergeten. Dromen krijgen een extra betekenis als er hoop doorheen fluistert en verlangen. Elk kind heeft ze, waar je ook geboren bent.

Op de Amsterdamse straatweg. Foto: Wikipeida.

Wat wilde ik later worden? Het duurde nog heel lang voor we groot zouden zijn. Vroeger regeerden volwassenen en de tijdbeleving was vele malen trager dan nu. De oorlog lag achter ons en ondanks het geploeter om rond te komen en de grote gezinnen woonden we weer in het land van melk en honing. Als vierjarige wilde je moeder worden of werken bij de Gruyter, waar het altijd zo lekker rook naar vers gemalen koffie. Op de U.L.O waar juffrouw van Harten bij Nederlands de scepter zwaaide, was mijn droom die van redacteur omdat ik bij de schoolkrant mocht, maar ook kinderverhalen schrijfster of dichter. Voor het nut van het algemeen werd het de opleidingsschool voor kleuterleidsters, de Sancta Maria te Amersfoort met sommige nonnen nog in lang habijt en sluiers. Het dromen bleef, door de werkelijkheid die nooit helemaal bracht wat ik ervan verwachtte. Nog steeds spelen verlangens en hoop een rol, maar die allerprilste zouden we  moeten koesteren.

In de groep is het verhelderend om te horen wat kinderen voor wensen hebben. Sommige willen in de dierentuin werken, dokters zitten er altijd bij en de eeuwige politieman, of de stoere brandweerman ook, profvoetballers zijn er nieuw bijgekomen, die waren er in mijn tijd niet.

Deze ‘taal’kinderen uit alle hoeken en gaten van de wereld hebben als enige overeenkomst, dat ze de Nederlandse taal nog niet beheersen. Ze krijgen binnen een tot anderhalf jaar een intensief taal en integratieprogramma en mogen daarna uitstromen naar een basisschool of naar het voortgezet onderwijs. Er is vooral aandacht voor de sociaal-emotionele ontwikkeling. Er gebeurt veel met spel om de herinneringen handen en voeten te geven, dat klinkt door in de wensen van deze jonge mensen.

009

Ik heb een Poolse jongen in de groep. Hij is eigenlijk te groot en te oud voor de onderbouw, waar hij nu in zit. Er is een extra moeilijkheidsfactor, omdat hij eerst van Polen naar Nederland kwam, vervolgens naar Engeland verhuisde voor twee jaar en nu weer terug is in Nederland. Hij spreekt heel binnensmonds en ik vang elke bekende letter om er een woord mee te breien, zijn Engels is net zo koeterwaals. De voertaal thuis is Pools. Hij zou perfect passen op zo’n taalschool. Met de dag zie ik, dat we nog niet eens een tipje van de sluier hebben kunnen oplichten van wat er in dit kind aan kwaliteiten schuilt. Taal is zijn grote struikelblok geworden, omdat hij in verwarring is gekomen door drie talen op het meest cruciale moment van de taalontwikkeling.

Ik zou willen, dat er op school tijd gemaakt kan worden voor dit soort bijzondere behoeften. Er valt nu een gat met alles wat wegbezuinigd is, anders hadden we het onderwijs wel passend gekregen. De Remedial teacher, de Intern Begeleider, de logopedist, de fysiotherapeut zijn er niet meer of dun gezaaid qua aantal uren, schoorvoetend komen er hier en daar taalcoaches.

De dromen van de kinderen zijn vrij en vol belofte. In hun hart is de kiem gelegd van de hoop door de mogelijkheden die er zijn. Taal koestert de kiem en geeft hen vleugels voor hun droomvlucht. Wie zaait zal oogsten. Lucebert wist het, taal heelt.

ik ben de stem die geen stem geeft
aan wat al reeds stem heeft
maar die op een pijnlijk zwijgen
het wonderbeeld van een woord legt
en als het dan van alle angst genezen is
weet wat ik met dit alles heb gezegd

 

Uncategorized

Varen op het kompas van de ziel

In het filmhuis het Hoogt draait een indrukwekkende film, die op de IDFA van 2016 al werd bejubeld. Ik kreeg vanmorgen de trailer onder ogen en heb gebiologeerd gekeken naar de beelden. In een paar flarden trekt een heel leven aan je voorbij. Een vrouw die ooit vermaard was om haar vernieuwende flamencodans, zit in een stoel en vertelt. Met passie verwoordt ze levendig wat flamenco met een mens doet. Ze beschrijft hoe haar ziel een voor een de deuren opent van haar gedrevenheid, haar hartstocht, haar liefde voor het samenkomen van de intense gevoelsbeleving en haar lichaam, een opnieuw geboren worden, een samensmelten, een vervloeien van het diepste innerlijk en de krachtige uitingsvorm, haar taal, die Flamenco heet. De vrouw is Antonia Santiago Amador, of kortweg ‘La Chana’.

Er is een stukje film van haar waarin ze bij de opening van het Amsterdamse Spaanse filmfestival op het podium zit. Door haar knieën kan ze niet meer staand dansen. De zaal verstomt bij het horen van de eerste klanken van de rauwe en toch zo liefdevolle, muziek, het opzwepende klappen van de handen, de lijdzame en toch zo strijdbare blik en handen die het hart uit haar lijf rukken en voor de voeten van de kijkers gooit. ‘Hier, hier ben ik, in al mijn nietigheid met al mijn gebreken, maar trots op wie ik ben. Ik. Ooit overmand door een slechte zigeuner, maar weer terug op het podium. Lichamelijk misschien versleten maar het vuur brandt’ Dat vertellen haar handen en het driftige voetenwerk, dat nog niets heeft ingeboet aan kunde en gave. In  mijn beeldvorming is ze al uit de stoel verrezen. Geen seconde ouder als in haar glorietijden van weleer in de jaren zeventig.

Deze vrouw verdween van het wereldtoneel door haar man, die jaloers op haar succes was. Het hele verhaal leest als een roman met alle cliché’s van dien, maar dankzij de energieke verschijning op het podium wordt het een tragedie, van waaruit de Phoenix herrijst uit haar as en met furore nog eenmaal haar ziel naar buiten keert om ons te tonen dat de grote liefde niets aan kracht heeft ingeboet. Ze is nu zeventig jaar.

074

De film is het debuut van Lucija Stojevic, die door toeval la Chana ontmoette. Lucija noemt het einde bitterzoet omdat het definitief een afscheid van deze flamencodanseres van haar grootste passie zal zijn. De grote kracht van deze vrouwen is het geloof in zichzelf en de dingen die ze doen, waardoor het doel  behaald kan worden. Beiden hebben met een ijzeren doorzettingsvermogen ondanks tegenslagen bereikt wat ze wilden. Lucija vond een manier om de documentaire te maken ondanks het geworstel om de financiën, La Chana wist haar naam onsterfelijk te maken door nog een keer te schitteren met haar flamboyante stijl in het dansante en in het hartverscheurende liefdesverhaal van haar leven.

Als een trailer van een documentaire al zoveel los maakt, hoe zal mijn gevoel dan zijn na het zien van het origineel. Deze prachtige humorvolle vrouw is geboren voor de dans, haar voeten zijn altijd blijven dansen, ondanks het lichamelijke ongemak. Ze zit als een koningin op het podium en iedereen is gebiologeerd door de bezielende handen, voeten en haar meeslepende mimiek. De rode schoentjes, het sprookje van Hans Christian Andersen, flitsen mijn gedachten binnen. Niet vanwege de moraal, maar omdat voeten niet kunnen stoppen met dansen. Het vuur diep binnenin haar is blijven branden en het is de motor, de kracht van haar bestaan. Varen op het kompas van de ziel en wij mogen een stukje meevaren.