Uncategorized

Zoveel mensen, zoveel zinnen.

Gisteren kreeg ‘de langschrijver’ een advies van ‘een kortschrijver’.  “Er wordt veel te veel geschreven en daardoor veel te weinig gelezen. Weg met de breedsprakigheid. 120 woorden is precies genoeg” was de quote die boven het stuk van 120 woorden stond.

Original New Yorker cover.pngFirst issue’s cover with dandy Eustace Tilley, created by Rea Irvin.

Het vraagt om nuances. Ik lees altijd veel en boeken kunnen me niet dik genoeg zijn. Ik hou van de longreads van de Newyorker en het NRC of de Correspondent en de uitgebreide filosofieën van Brainpickings zijn me lief. Ik hou van woorden omdat ik er mee boetseer en kneed én omdat ik geleerd heb de zin van de onzin te onderscheiden, mijn zin.

Soms heb je een sfeertekening nodig of wil je een situatie schetsen met veel of weinig woorden, net hoe het uitkomt. Dat men minder zou lezen omdat er meer staat gaat voor mij niet op. Ik waag het te betwijfelen of ik daar alleen in sta.

006

Mijn moeder nam, zodra de eerste wankele schreden in de wereld van de letter waren gezet, ons mee naar de kleine huisbibliotheek in de Elsstraat. Daar stonden alle kamers van het huis, een verkapte arbeiderswoning, vol met boeken. Daar stond ze aandachtig voor de boekenkast, met haar hoofd schuin geheven. Af en toe trok ze er een boek uit en bladerde wat. Hier en daar viel dat stil, als ze een stuk tekst las. Wij bestudeerden haar en zagen hoe het hoorde. Hoofd schuin, letters vangen die je lezen kon en er een boek uitpakken. Heerlijk imitatiegedrag. Lezen werd met de paplepel ingegoten.

Thuis las ik vooral in bed, onder de dekens met een zaklamp als broerlief  het nodig vond het licht uit te draaien, omdat het bedtijd was. Mijn broer vaderde en werd dan soms de spelbreker. Letters eten, ik heb het altijd gedaan, mijn hele  leven lang en heb boeken nodig om de leeshonger te stillen.

Nu, met de nieuwe media, komt het woord aangevlogen, verblijft een wijle op het vinkentouw en verdwijnt weer. Mooie woorden en zinnen van anderen nestelen zich in mijn hoofd. Kleine kostbare parels, die soms meer zeggen dan een shortread of een longread. Sommige verhalen, gebeeldhouwd bijna, vliegen regelrecht mijn ziel binnen door het onderwerp, de woordkeus, het verfijnde filigraan, waar tussen de regels het ongeschrevene een nieuw verhaal vertelt.

Mijn verhalen zoeken iedere dag een weg naar buiten. Ze dienen zich bij voorkeur vroeg in de ochtend aan. Ik strijk, met de slaap nog in mijn ogen, over mijn hart en schenk ze een podium. Soms poëtisch, soms emotioneel, soms bombastisch, soms realistisch, net hoe het loopt.

003kabinet van vervlogen tijden.

Toen ik 11 jaar was, kreeg ik mijn eerste dagboek. Ze was geel met gouden letters. Ik schreef er mijn eerste woorden in, aarzelend, maar allengs brutaler met ongezouten puberale meningen, die schreeuwden om vrijgelaten te worden op een wit vel. Mijn vader onderschepte ze en velde een oordeel over onbegrepen angsten van zijn dochter. Het heeft heel lang geduurd eer ik weer die eerste onbevangenheid zou bezitten.

Ik rijg de woorden aaneen, lang of kort, net wat zich aandient. Ik schrijf voor wie het lezen wil en om de honger te stillen naar het geschreven woord. ‘Zoveel mensen, zoveel zinnen’ wist mijn moeder. ‘Leven en laten leven’ zei mijn oma. Daar was alles mee gezegd.

One thought on “Zoveel mensen, zoveel zinnen.

Comments are closed.