Uncategorized

Sportdag.

Het is acht over vijf in de ochtend en aardedonker. Dat betekent niet veel goeds. Normaliter trekt het nu mooi op en geven de bomen met hun donkere takken tegen het witte licht een zweem van filigrain.  Vandaag spelen ze ton sur ton, zwart tegen zwart. Het is op school sportdag vandaag.

Ieder jaar weer zie ik op tegen deze dag. Niet omdat ik niet van sport hou maar om iets dat diep geworteld zit van binnen. De massale organisatie, die 250 kinderen gestroomlijnd naar het veld moet laten gaan, bezorgd ook een beetje buikpijn. De oudsten gaan per fiets. De anderen worden door ouders in auto’s meegenomen. De afstand is het niet. Het is tot in de puntjes voorbereid, er kan op papier niets meer misgaan. Er zijn die andere factoren die spelbreker kunnen zijn. Er wordt onweer en regen verwacht. Het feit dat de lucht maar niet op wil lichten zegt niet veel goeds. Er zullen kinderen bij zijn zonder fietsen of erger nog, zonder fietservaring, Er kan iemand ziek worden van de begeleiding. Vervanging is wel geregeld, maar het is altijd weer gedoe.

Op het veld is het geweldig. Daar lopen heterogene groepen kinderen, van jong tot oud, voor hun groep de benen uit het lijf. Ze rennen, springen, zwieren, werpen, gooien en ouders staan geduldig zand te harken, standen bij te houden, met kinderen mee te lopen naar de EHBO post of het toilet en aan te moedigen. De resultaten worden omgeroepen met een blikken geluid, die klinkt alsof er een oude megafoon wordt gebruikt. Sportdag is dubbel omdat het competatieve element erin besloten ligt. Kinderen die niet over de factor ‘lichaams-slim’ bezitten, vallen de hele dag buiten de boot. Ze halen de horden niet of lopen ze eraf, ze halen de eerste afstand al niet bij het hoogspringen, het verspringen verzandt, het hardlopen is een uitputtingsslag. Het bijbehorende gevoel ken ik als geen ander.

Lang geleden, in die sepia wereld van weleer, was ik het dikkertje van de klas. Bokkie piƩ behoorde niet tot mijn kwaliteiten, ik liep de bok steevast omver. Hard lopen bezorgde me een hoofd als een pioenroos, waar niemand aan voorbij kon gaan. Touwtje springen ging bij de eerste draai al fout. Als er partij gekozen werd, was ik het muurbloempje. Dat zegt genoeg. Het gevoel over dit alles, dat onbestemde gedraai in je buik, het wensen dat de grond open zou scheuren, zodat je er in verdwijnen kon en de diepste schaamte voor het onvermogen, die brede voren trok in de ziel, was schrijnend. Dat stuk beleving waar de ware sporter nooit bij zou kunnen, omdat het een dergelijke ervaring nooit heeft gehad, is altijd parten blijven spelen.

Ik weet het. Het is een leerproces en mensen eigen. ‘Als je het niet hebt meegemaakt weet je niet wat het is’. ‘In de maatschappij  kom je vaker dit soort situaties tegen’. ‘Je kunt niet altijd de winnaar zijn’ en nog meer van deze oneliners heb ik allemaal naar het hoofd geslingerd gekregen. Het nam het schrijnen niet weg, het ongemak en de pijn. Mijn faalangst is daar geboren, in die gymzaal met de vreemde geur, de hoge ramen, de galmende akoestiek en nooit heb ik het me het sporten eigen gemaakt. Ik dans liever het leven door. Die wetenschap, bezorgt me nu, jaren later, bij de sportdag het dubbele gevoel. Sportdag…even slikken en gaan!

 

 

Uncategorized

Pluis

Vorig jaar kwam er op facebook een bericht te staan met een foto van een aandoenlijke jonge poes. Er werd gevraagd of iemand nog interesse had. Er was een nest van drie jonkies, twee waren er al vergeven maar voor de derde hadden ze nog geen onderdak kunnen vinden. Du moment dat ik dat kleine guitige grijs gestreepte koppie zag, was ik verkocht. Deze poes riep mij. Ik zag hem ’s morgens en dacht dat hij al lang weg zou zijn, tot ik ’s middags toch nog een poging waagde en reageerde op de oproep. Binnen een half uur was ik in blijde verwachting van de kleine. Nog een paar weken geduld en ik zou weer een nieuwe huisgenoot hebben.

Het overlijden van de vorige kater en zijn zus hadden een krater geslagen in de gezelligheid in huis. Het thuiskomen was maar een kale beleving. Geen vriendelijke kopjes tegen de vermoeide benen, geen mauwend gebedel om verse brokjes, geen warm poezenlijf snorrend tegen je aangedrukt op de bank, geen natuurlijke wekker ’s morgens vroeg als er een pootje zachtjes langs de wang streek. Nemo en Vledder waren twee asielkatten van een jaar oud toen ik ze kreeg en en respectievelijk 17 jaar en 15 jaar toen ze overleden. Nemo, de oudste poes was erg gehecht aan aandacht en was in alle opzichten een maatje en metgezel geworden, die wederkerig ook aandacht had voor mij als ik me ziek, zwak en misselijk voelde en dan bezorgd bij me in de buurt bleef, extra kopjes gaf en mijn rillerige grieplijf van extra warmte voorzag.

Haar laatste dagen waren aandoenlijk. Suf lag ze op bed en ademde zwaar en moeizaam, ging nauwelijks meer op de bak en at niet meer. Eerst was ze op zoek gegaan naar een afgelegen plekje, maar ik wilde bij haar zijn, zoals ze in mijn meest bange dagen ook bij mij was geweest. Toen het te lang duurde zijn we naar de dierenarts gegaan die haar met een spuitje de verlichting gaf. Het jaar daarna was leeg en stil. Tot dat kleine olijke grijs/witte koppie op Facebook stond met een prachtige tekening op haar vel. Drie weken duren lang, maar eindelijk was het zover.

Ik moest er een eindje voor rijden. Poeslief was in Enschede geboren in een klein bungalowpark midden in het bos. Ze had wel in de gaten dat er wat bijzonders aan de hand was en liet zich niet snel oppakken. Jonge dieren zijn hartveroverend. Met elke sprong op de bank of in de gordijnen liet ik me genadeloos inpakken. Ik gaf als doekje voor het bloeden wat geld voor iets extra lekkers voor de moeder en een flesje wijn om op het lege nest te klinken. De hele terugweg lang mauwde ze hele verhalen bij elkaar. Het was de eerste keer in een reismand, in een auto, zonder moeder, met een onbekende. Het nieuwe huis was vreemd en moest onderzocht worden. Ze sprong met die wonderlijke zijwaartse hupjes opzij en viel van de ene verbazing in de andere. De eerste de beste dag ontdekte ik een teek in haar kleine lijf. Ze was er met haar ondernemende geest al op uit getrokken de wilde en woeste natuur in. Het duurde even voor ze haar wilde eigenschappen kwijt was en ze onderscheid kon maken tussen aanvallen en aaien.

Van een boskat naar een balkonkat was een hele stap. Met zoonlief  hebben we elke centimeter eigen gemaakt. Het duurt even, maar dan heb je ook wat. Thuiskomen is weer een  beleving. Ze rent al naar beneden van het atelier op zolder als ze mijn voetstappen hoort op de galerij, ze draait en went en keert om de benen, geeft aandoenlijke kopjes , vraagt aandacht en paait me wakker met een zacht pootje op mijn wang.

O ja, ze heet Pluis, een grijze pluizebol was ze en is ze nog steeds. Pittig, ondernemend en sterk, geen nuffige balletpoes, maar eerder een  acrobaat als ze op de rand van het balkon onversaagd loert naar de buitelende gierzwaluwen of vanachter de verwarming naar een dikke Dollie duif, waarbij ze verlekkerd mekkerend om open deuren vraagt. Ze heeft haar draai gevonden. Pluis is thuis.

009

 

Uncategorized

Oerkracht.

Gisteravond was het Knockart-dag. Het was de tweede avond van een serie materiekunst. Ik had nooit kunnen bevroeden wat dat met het vege lijf en met de geest zou doen. Bij aankomst stonden de materialen al klaar en C en B hadden nog extra materialen meegenomen zoals zacht wit hondenhaar , houtsnippers en koffiedik in lijm. Er lag lekkere dikke klei uit de lek, fijn strooizand, rubber korrels, rul koffiedik. Er werd gewerkt op hout, papier en doek. Er was water, acrylverf en lak. Alles kon gebruikt worden naar eigen wens en keuze. Het probleem voor de impressionisten onder ons bleek de moeilijkheidsgraad om het abstract te houden. Eerst onder te gaan in de materie en vandaar uit op te bouwen om het later eventueel met figuratieve elementen te vervolmaken.

Op het moment dat dit getypt wordt, zijn de spieren in mijn handen nog in opspraak. De palmen branden na van het draaien, kneden, wroeten in de substantie die zich het best omschrijven laat als smurrie, voordat we het tot een resultaat hebben geboetseerd. Het is de kunst om de kleuren helder te houden en te blijven bij grondstoffelijke klaarheid, ondanks het mengen.

De vermoeidheid van een hele dag werken ten spijt werd het allemaal aarzelend nog en daarna overmoediger en gedurfder in gang gezet. Niets in de omgeving was veilig, zilverpapier, stof, keukenrol. Daar waar de verschillende vezels elkaar raakten en afstoten of opnamen werd het proces boeiend. Bij elke druppel lak die we er op lieten vallen vaagde het uiteen en vielen er gaatjes in, die onvermeend meer diepte brachten in het geheel. Achtergronden bleken belangrijk te zijn. Er werd gewerkt met spatel, kwast, hout en handen, er werd geduwd, getrokken, gesmeten.

Sommige van ons hielden in beginsel nog vast aan een compositie. Maar ook daar dwong het materiaal tot loslaten en het experiment nam de overhand. Het schreeuwde om een open benadering met het verstand op nul, terwijl gedachten alle kanten opvlogen. Er werd gesproken, gereageerd op elkaar, kreten geslaakt bij nieuwe ontdekkingen en er werd gekeken en geleerd, ervaringen gedeeld, maar bovenal werd er hartstochtelijk hard gewerkt.

036Ineens viel de vermoeidheid als een zwaar trijp gordijn en was elke spier tot in de kleinste vezel te voelen. Het hoofd moe en de geest verzadigd, was het proces voor die avond geklaard. Er kon niets meer bij. Opruimen en naar huis. Alles laten uitharden en daarna ervaren wat er van was geworden, want terwijl wij al weer bezig zijn met de dagelijkse beslommering gaat het werk zelf gewoon door met ontstaan.

We traden in de voetsporen van Jean Dubuffet (1901-1985) en zijn vroegste werk. Hij is de grondlegger van Art Brut. Oorlogskunst bij uitstek met materialen die nog veel weerbarstiger waren. Glas en asfalt verwerkte hij in zijn doeken, op panelen, op hout. Zijn voorliefde voor de kindertekeningen, de eenvoud en de grilligheid van mensen met een geestelijke beperking en de drang naar vrijheid, de woede, de angst in het werk van gedetineerden zijn duidelijk af te lezen. Later werkte hij met mozaĆÆeken van zijn uiteen gesneden doeken en plastics en werd zijn werk nog driedimensionaler.

Bleven sommigen van ons de vorige keer braaf en herkenbaar werken, nu mochten alle remmen los en elke grens worden overschreden. Het is de vraag wat er straks allemaal is blijven zitten en welk effect het krijgt als het droogt, door het inkrimpen of juist het uitzetten. Verwondering is de uitputtingsslag en geeft ook weer nieuwe energie, als de wil het soms moet afleggen tegen de oerkracht van de materie. Iedere week een stap verder weg van het beheersbare en de leidraad naar totale vrijheid volgen door boven de eigenschappen uit te stijgen. We gaan het zien en beleven.

 

Uncategorized

De blikvanger.

IMG_8317

Ik heb op de desktop van mijn computer de foto’s van een tocht naar het museum de Hallen Haarlem. Net opende ik het scherm en keek ik recht in wat een prachtige illusionaire ervaring was. Het was een schilderij achter een deur, zodat het leek of de vrouw kritisch de omgeving monsterde. Een fractie van een seconde zette het tafereel je even op het verkeerde been. Haarlem stond trouwens bol van kleine kwinkslagen, die het leven veraangenamen als je er een oog voor hebt.

Het is fijn om alles vast te leggen en later uit te zoeken, op te slaan of te laten verdwijnen, als het er niet toe doet. Er komen parels langszij, zoals de foto in het bos bij de Gooise Heemtuin, met ziel en zaligheid gespot en vastgelegd in een vervreemdend kikkerperspectief. Er liggen letterlijk geheimen besloten aan de binnenkant van een bloem.

Mijn ouwe trouwe handzame kleine fototoestel is wat verfomfaaid. Het zit onder de verfvlekken, omdat de schilderavonden er mee vereeuwigd worden en ze gaat eigenlijk altijd onbeschermd de tas in, omdat het zo’n gedoe is te slepen met de cameratas.  Ze is trouw, lief en geduldig, maar begint een tikje wazig te worden. De eis aan het toestel  is dat hij klein moet zijn, makkelijk te hanteren voor onverwachte blikvangers  en snel in de zak moet kunnen glijden. Door dat zelfde principe is de voorlaatste ook kwijt geraakt. Die beantwoordde er helemaal aan, maar gleed nog makkelijker dan de laatste en is een eigen leven gaan leiden.

De zee, waar bij een bezoek aan Haarlem geen ontkomen aan is, wordt minutieus bij elke nieuwe schakering van lucht, licht en golfslag vastgelegd en sinds onze tochten samen is er beeldmateriaal, waarmee een oceaan te vullen valt. Het ontroert telkens weer om de elementen met elkaar te zien spelen. De wind, die trekt aan het water, zodat de golven onstuimig hun woeste schuimkoppen tonen in een glinsterende opwachting, om vervolgens berustend het witte schuim te laten verzanden. Datzelfde schuim, dat zich laat lezen als een wereld op zich, vormen en draden trekt en onnavolgbare schatten met zich mee brengt.

Het licht dat haar eigen spel speelt en beurtelings de grenzen tussen water en lucht laat vervagen in het donkerste grauw of in het prachtigste blauw en wit dat altijd witter is als zon de wolken laat schitteren. Eindeloos is het en nooit ƩƩn moment verveelt de aanblik. Bij het uitladen van de foto’s zijn er opnieuw ontdekkingen te doen, in een ander perspectief gezien of vanuit een andere context is de verrassing soms vele malen groter.

Het desolate aandoenlijke van een kleine dino, licht gehavend achtergelaten op een vlot, speciaal voor hem gebouwd en met heldenmoed bevaren, waarbij de eenzaamheid speelt met zijn omgeving, door het vastgelegde beeld. Een lichtblauwe bal, die achteloos wegrolde en niet meer gevonden werd door de hond met zilte zeelucht in zijn neusgaten en nu slagzij zich tussen schelp en het groene wier heeft gevlijd. Alleen is maar alleen. Beelden die de woorden losweken in het hoofd en er gestalte aangeven door het verhaal dat er achter schuil gaat. Dubbele winst dus.

Straks komt de nieuwe vriend, een ander merk en andere beloftes, maar altijd de blikvanger en de vertolker van het oog.

 

 

 

 

Uncategorized

Zwart.

In het boek het geheime leven van kleuren wordt een tijdsspanne beschreven waarin de kleur ondergeschikt werd bevonden aan lijn en vorm. Door de eeuwen heen klonk de veroordeling van kleuren ‘als een ladder in een nylonkous’. Er zijn zelfs tijden geweest waarbij uitbundige kleur als scharlakenrood voorbehouden was voor een kleine selecte elitegroep en de aardetinten met name voor de arme plattelandsbevolking. Kleur als sociale status, kom daar nu nog maar eens om. De hippies in de jaren zeventig hulden zich in een bonte explosie van kleur. Het antwoord daarop waren de jaren van het diepste zwart van de punkers.

Vanaf de puberteit heb ik zwart omarmd. Ook in de hippietijd. De jassen van mijn oma, die ik droeg, waren zwart, maar ik herinner me ook nog een maxi gobelinjas, waar ik van hield. De binnenkant was van een zacht goudgeel en de buitenkant was als een bloementapijt van kleurschakeringen. In mijn kast ligt heel veel zwart. In de periode dat ik mezelf had voorgenomen te ontzwarten kwam er meer kleur. En toch voel ik me altijd nog het meest op mijn gemak in dat mooie zwart.

Er was een tijd in de zeventiger jaren dat we heel erg bezig waren met het verven van wol en katoen met natuurlijk materiaal zoals planten-en groenten-aftreksel. Het werd gebruikt om het vilt te kleuren en de ruwe grof gesponnen schapenwol te verven. Er was tijd voor. Het leven verliep langzamer toen de kinderen nog klein waren en ik brood kon bakken, stof kon verven, kleren in elkaar flanste, ging haken en breien. Zeeƫn van tijd vond ik tussen de dagelijkse beslommeringen door.

412Turner licht aan het Wassenaarse strand.

Bij het nieuwe huis dat we vonden, was de periode van bruin en oranje, dat tot dan toe het interieur had bepaald in een klap over. Het werd wit wat de klok sloeg. Witte gordijnen, witte muren, witte meubels, hoe onpraktisch ook. Dat bracht tegelijkertijd ruimte in het hoofd. Het effect met een combinatie van een kleur ernaast was groot. In het geheime leven van kleuren haalt Kassia. St. Clair de grote Turner aan, de koning van het magische licht.  ‘Licht is dan ook kleur en schaduw de afwezigheid daarvan’ Zijn kleurschakeringen zijn onmiskenbaar. Het licht van Turner vind ik terug op de winterdagen aan zee. Het brengt een sfeer van geheimzinnigheid en belofte en altijd en overal is een zweem oranje te ontdekken. Schaduw is de afwezigheid van licht, maar niet van kleur. Als ik een slagschaduw wil hebben, blijft kleur er onderdeel van uitmaken.

Heerlijk om mee te spelen zijn de restvormen die er tussen de vormen in bestaan en die een bijzondere betekenis krijgen door kleur of juist de afwezigheid daarvan. Met Kazimir Malevitsj kwam het zwart terug. Zijn zwarte vierkant in 1915 werd de drager van het suprematisme, waarin hij de kunst als autonoom beschouwde los van de politiek of het sociale leven en zwart en de primaire heldere kleuren verheven werden..

In de mode is de zwarte jurk dankzij Coco Chanel net zo’n icoon geworden en niet meer weg te denken. Annemarie van Haeringen schreef het boek Coco of het kleine zwarte jurkje met grappige illustraties die het boek vervolmaken. Het zwart van Jules Deelder zal voor eeuwig verbonden zijn aan het wasmiddel, wat duidelijk maakt dat reclame sterker kan werken dan de overtuiging op zich.

Mijn zwart is die van de kracht en de elegantie. Ondanks de poging te ontzwarten blijft het mijn ‘kleur’, zoals de nacht mijn dag blijft, waarin woorden de gedachten vormen, de stilte binnenvalt en het leven overpeinzing en verdieping krijgt.

 

Uncategorized

De Feniks.

Ik kwam vannacht bij het lezen de term ‘sisyfusarbeid’ tegen. Het klonk me als koeterwaals in de oren, een beetje Engels, een beetje Duits, een beetje Nederlands. Bij de reis naar de herkomst tuimelde ik regelrecht de antieke Griekse Mythologie binnen. Het was afgeleid van de naam van de Griekse Sisyphos, de stichter en de koning van KorinthiĆ«. Zijn Latijnse naam is Sisyphus.

Sisyphus (2008) door Gert Sennema, aan de Brink in Assen(wiki)

Die haalde zich de woede van Zeus op de hals door zich gelijkgesteld te voelen aan de Goden en maling te hebben aan zijn gasten, die hij met het grootste gemak doodde, als hij dacht dat het hem rendement zou opleveren. Ook nam hij het niet nauw met de eerbaarheid naar vrouwen toe. Zeus zond Thanatos de dood op hem af, maar met sluwe listen wist hij weer terug op aarde te komen. Uiteindelijk kregen de Goden hem toch te pakken en werd hij gedoemd voor eeuwig en eeuwig een zwaar rotsblok de steile berg op te duwen. Er zit een flinter Sisyphus in ons allemaal als het gaat om het nutteloze, zijn verdoemenis. De zinloze handeling, het zinloze doel, de zinloze waarde die we ergens aan toekennen en die het niet verdient.

Van de week reed ik met mijn relatief jonge auto tegen een paaltje. Er trok onmiddellijk bij het schurende geluid een wee gevoel door mijn lijf en toen ik de schade monsterde was er die mengeling van woede en verdriet. De hele weg terug bleef dat gevoel van verlies tot mijn zus de zinnige relativerende opmerking maakte, dat we nu gelijk weer wisten dat het maar blik was, zo’n auto. Gisterochtend monsterde ik als eerste mijn lieve aangedane koekblik, maar de diepe holle deuk die zich daar in het Hemelsblauw had bevonden, was verdwenen. Wel was er nog de grote schaafwond op de flank. Hier was sprake van een mengeling van respect voor de materie en de te grote waarde aan het vehikel, dat namen krijgt van mij en waar ik om kan treuren, mijn eigen stukje Sisyphus.

Het andere geval, gevoel moet ik zeggen, is het jarenlang met passie ergens je leven aan geven om daarna te merken dat het met nieuwe zakelijkheid ook zonder jou kan. De bekende bodemloze put, het stoppen van de energie in iets dat uiteindelijk niet oplevert wat je ervan verwacht. Hoog gestelde doelen willen halen, waarbij de lat oneindig hoog ligt is ook zo’n Sisyphusiaantje. Een hele bekende is de verbroken relatie, waarbij een van de twee zich oneindig in de steek gelaten voelt. Vaker echter wordt je gesterkt door het vinden van nieuwe mogelijkheden in jezelf. Het is pas een echte Sisyphus als er sprake is van totale nutteloosheid en dan nog steekt er eerder een depressie en de eigen aanname achter dan de waardering van anderen.

Straks wordt de auto onder handen genomen door een man die zijn vak goed verstaat en zal hij, die kleine blauwe, als een vuurvogel uit zijn as herrijzen. Iets wat Sisyphus nooit meer gelukt is, die rolt nog steeds de rots de berg op. Dat is nou eenmaal het nadeel als je tot in eeuwigheid verdoemd bent. Ik omarm de relativeringstheorie van mijn zus. Het heeft net zoveel waarde als er aan toegekend wordt, dus is het verlies ervan navenant. Dat voelt beter. Het wachten is op de Feniks, die er altijd in besloten ligt en eruit verrijzen zal.

Uncategorized

Memento.

Gisteren op een grijze koude bevrijdingsdag brachten zuslief en ik een bezoek aan het museum Voorlinden. Er was, naast de relativerende tentoonstelling van Martin Creed nog ander fraais te bewonderen. Een van die verstilde werken, die mijn aandacht vasthield, waren de ingelijste miniaturen van Louise de Bourgeois.

Vorig jaar ben ik in het leven gedoken van deze kunstenaar en ik kan niet anders dan bewondering koesteren voor haar werk. Je vindt er alle gradaties aan emoties erin terug. Haat, liefde, eenzaamheid, onderdrukking, pijn, angst en alles is geĆ«nt op haar haat/liefde verhouding met haar vader. Als ik aan haar denk, denk ik eerst aan groot. Enorme spinnen, waarvan er een veelbetekenend ‘Maman’ is genoemd, grote fallussen, en mijn eigen beeld van dat hele kleine oude vrouwtje met een priemende blik, die een vierentwintigjarige niet zou misstaan.

Ze schrijft met passie in de drie bedrukte teksten over de geur en de kleur van de bloemen uit haar tuin, waar de vruchtbare voedende grond van de rivier voor zorgde. Dwars door de mijmeringen deelt ze verschillende rafels herinnering met ons middels deze kleine doeken, die samen een voorstelling geven van die rijke rivier. Het zijn digitale prints op doek en ze vormen samen haar boek Ode Ć  la BiĆØvre. 2007.

Dit werk is ingetogen, een kleinood. Het verhaalt over haar ouderlijk huis in Antony, dat aan de rivier de BiĆØvre grensde, maar meer nog over de rivier zelf. Ze was met haar kinderen teruggegaan om hen deze, voor haar betekenisvolle, rivier te laten zien, maar die was verdwenen en enkel nog de bomen, die haar vader had geplant, doorstonden de tand des tijds. Zo gaat het met meanderende rivieren.

Mijn eerste kennismaking met zo’n echte eigenzinnige rivier was in het Ahrtal in de jaren zestig, waar de forellen in het water sprongen en te vangen waren met je handen. Het was in de jaren zestig. Ik had nooit iets anders gezien dan de sloot langs de Thorbeckelaan met zijn schrijverkens van Gezelle en de minieme bliekjes en voorntjes. Het water was krakend koud, als ijsnaalden prikte het in het bleke benenvel, maar met rode handen, voorovergebogen, probeerden we de zilverflitsende vissen te vangen in een omlijsting van loofhout en geur van het woud.

Een andere herinnering zijn mijn kinderen bij het zinkviolenveld aan de voet van de Ardennen.  Giechelend en glibberend geven ze elkaar dikke keien aan, die uit het riviertje kwamen en bouwden een dam, die de loop van het water zou veranderen. Iedere keer weer ontdekten ze nieuwe sijpelende straaltjes, die met de vette klei werden dicht gesmeerd. Hun stemmen klaterden, de zinkviolen geurden en de lucht was loom en warm, het was een perfecte zomerdag met een picknic aan de rand van het veld. Toen we huiswaarts keerden lachte de kleine rivier met een scheve brede stenen lach ons na.

Het water van de SĆØvre stroomde jaren later veel sneller en was goed om zoonlief er platte stenen in te laten ketsen en er een hengel in uit te slaan. Er waren hartenstenen te vinden, dooraderd met oker en omberkleurige strepen en glinsterend mineraal. We wikkelden ze zorgvuldig tussen de kleding als symbolisch souvenir. Nu, jaren later breken ze nog steeds een stukje SĆØvre open.

AntonyAntony, return to River Bievre 1999.

Een rivier die verdwenen is, proberen te vangen in beeld, in woord, in beleving. De oude rivier op de foto’s uit het boek in alle grijsschakeringen van het verleden, geeft Louise Bourgeois de kleur terug, de stroom, de golfslag, het deinen en omzeilen, de beweging, en de liefde. Subtiel maar onmiskenbaar in woord, in beeld, in vormgeving. Een ode aan wat ooit was en nooit meer zal zijn, maar altijd zal blijven in dit memento. 

 

Uncategorized

Engel.

Gisteren heb ik iets ontdekt, dat ik altijd onbewust heb voorvoeld, maar dat nu gestalte kreeg middels de hoogstaande techniek van de medische wetenschap.  Er werd een routine-echo gemaakt van mijn hart. Ooit, jaren geleden is er een lekkende aortaklep geconstateerd en moest ik over tien jaar nog maar eens terugkomen. Inmiddels ben ik dicht bij die cruciale tien jaar en erg benieuwd, wat de echo uit zal wijzen. De beelden van zo’n echo maken letterlijk en figuurlijk wat los. Daar lig je op de koude brancard, uitgestrekt en weerloos aan de transmitters en als het apparaat aangezet wordt, barst je hart jubelend uit in een kloeke hartenklop. Omdat je op je linkerzij moet liggen met de linkerarm onder het hoofd is je hele interieur extern waar te nemen. De grote zwarte, in vier parten verdeelde, pulserende vlek op het scherm is het hart, die witte fladderende dingetjes zijn de kleppen. Wat alle roden, groenen, blauwen deed opflikkeren en weer verdwijnen is het wonder van de techniek. Ademloos, bij tijd en wijle letterlijk als ik de adem moest vasthouden, volgde ik elke vervorming van het beeld nauwgezet.

Toen er vanaf de onderkant, waarvoor een ingenieus stukje matras wordt weggehaald, gekeken werd kwam ze eindelijk te voorschijn. Ze had de hele tijd verstoppertje met me gespeeld. Het engeltje dat verscholen zat op het scherp van de snede tussen boezem en kamer in met twee fladderende vleugels. Ze hing daar, als een biddende torenvalk en had niet in de gaten dat ik haar schaamteloos bewonderen kon. Nietsvermoedend ging ze door met haar eigen plan te trekken. Ik overwoog even of ik de echo-laborante zou betrekken in het complot, maar omdat er nauwelijks gepraat werd, besloot ik dit tot mijn eigen geheime waarneming te houden. Stel je voor, dat er iemand op het idee zou komen, dat een engel in de borst niet kon. Op die tafel, een beetje koud door de gel onder de doppler, besloot ik dat ze mocht blijven zweven of bidden, hoe je het noemen wilde. Een geruststellende gedachte was het wel. Een persoonlijke beschermengel, kom daar heden ten dage nog maar eens om.

094.JPGHoop. Ets 05/11/2012

Vriendin moest naar het ziekenhuis om een aantal chemokuren te ondergaan. Ze zag er als een berg tegen op. Ik bezwoer haar dat ik stiekem, als engel op haar schouder, een Tinky Winky, mee naar binnen zou gaan. Die transformatie heette ‘Hoop’ en deed haar werk goed. Het droeg niet bij aan de verlichting van de uitwerking maar aan het feit dat er ter plekke aan haar gedacht werd. Een malle afleiding in haar bange dagen. Een binnenpretje tussen ons samen. De eerste keer mailde ze: ‘Hai Tinky, het heeft gewerkt! De chemo slaat aan. Dok liet me de CTscan zien van maart en van nu, dat was erg interessant. Je zag de buik van A als een in plakjes gesneden worst. In die plakjes zag je donkere vlekjes, die er niet horen te zitten. In maart erg veel grote en kleine ,en daarnaast van juni, daar zag je veel minder vlekken en vlekjes. Ik vond het duidelijk te zien. Ook het bloed was “rustig” volgens hem. Nu gaan we verder met in ieder geval nog drie van die chemokuren’. Waar een verzinnebeelding al niet groot in kan zijn.

Mijn ouders zeiden vroeger, dat we een beschermengeltje op onze schouders hadden, als we ergens zonder kleerscheuren vanaf waren gekomen, waar het heel anders had kunnen lopen. Die waren onzichtbaar voor het blote oog, lastig om te verifiĆ«ren, maar oorzakelijk bewezen door het geluk dat ons ter plekke ten deel was gevallen. Ik hield van engelen. Ze waren in mijn jeugd de enige bestrijders van het kwaad. zoals er nu die andere superhelden zijn, de Ninja Turtles, de PokĆ©monnen, de Power Rangers, de Avengers.  Ze zijn voor mij het symbool voor vrede, voor liefde en een gevoelshart, een passende behuizing dus. Deze openbaring laat zien dat ze haar vleugels effectief gebruikt. Het is een feest van flitsende neonlicht met een stevige stevige heartbeat eronder. Ik kan niet anders dan haar omarmen.

 

 

Uncategorized

Bespiegeling.

In een artikel van Bram Bakker uit de laatste Zus, het kleine zusje van HP De Tijd, las ik dat je bij het kijken in de spiegel jezelf nooit zo ziet als andere mensen waarnemen. Nou is kijken al een kunst op zich en is gedetailleerd kijken ook niet voor iedereen weggelegd. Ik heb leren kijken en nog zie ik niet alles.

Een goede vriend van mij heeft een macula degeneratie in zijn ene oog en aan de andere een netvliesloslating. De laatste wordt nu gelaserd en de eerste wordt gedruppeld. Het is hem zwaar te moede zoveel gezichtsverlies te moeten ondergaan. Zijn grote passie, lezen en tuinieren, worden tot op de letter nauwkeurig heel bewust uitgevoerde handelingen, die weinig onbezorgde vreugde meer bieden. Bij alles wordt hij teruggeworpen op het verstand, die de meeste klappen op moet vangen van het slechte zicht. De dreigende blindheid aan het eerste oog is afgewenteld, want de behandeling slaat aan. Hij wacht het af en grapt zijn leven aan elkaar, maar diep van binnen treurt hij letterlijk en figuurlijk om het gezichtsverlies.

Sinds kort werk ik aan een portret van mijn moeder. Daardoor krijgt het een hoog wensgehalte waar het de gelijkenis betreft. Daarvoor moet je kijken. In de eerste opzet was het portret op zich goed gelukt, maar het klopte niet. Kijken en turen naar de oude sepia foto die ik van haar had en als beeld gebruikte. Naar model is helaas niet meer mogelijk. Het model zit in mijn hoofd en laat zich steeds stukje bij beetje zien, als ineens een liefdevol gebaar, een oogopslag of een giebelende lach zich openbaart.

Steeds nam ik foto’s tussendoor van mijn vorderingen. Gisteren kwam ik achter de cruciale fout. Ze houdt haar hoofd een tikje scheef, miniem, maar net genoeg om een oog, een oor, een kin ietwat scheef te trekken, de ene kant van haar hals wat in te korten, het voorhoofd aan de andere kant wat langer te laten lijken en haar hoofd was kleiner. Aan het werk maar weer. Duwen en trekken aan zo’n beeld en de vervorming lukte ook wonderwel, maar nu moest de hoed weer  worden aangepast. De goed gelukte hoed, waardoor mijn zusje zag dat het mijn moeder was. Geploeter hoor, naar waarneming, maar een interessante leerschool om daadwerkelijk te zien in plaats van te denken.  Ze is er nog lang niet. Sterker nog, ik ben benieuwd of ze het ooit wordt. In dat geval heb ik een mooi portret met een zweem van mijn moeder.

Op Twitter kwam ik jaren geleden Else Kramer tegen, die cursussen gaf en geeft in fotografie. Haar specialisme is ‘Anders leren kijken’. Eigenlijk  verder kijken dan je neus lang is. Dat is tegengesteld aan het schilderen van een portret, maar het zou kunnen helpen om je los te maken van het gevormde beeld in je hoofd.  Door haar is het leven rijker geworden. Het zijn gratis toegankelijke cursussen van een zeven dagen met opdrachten. Je fotografeert bijvoorbeeld geselecteerd op kleur of vorm of minder voor de hand liggende objecten als afval. De benadering vanuit een ander perspectief is ook zo’n waardevolle aanvulling. Kortom het zet je op een ander been en daardoor ontdek je een wereld van verschil vergeleken met de alledaagse vluchtige oogopslag. Kijken is zien en niet weten.

De opmerking van de psycholoog Bram Bakker verbreedt het zicht. Zo heb ik er nooit naar gekeken. Mijn waarneming is vanuit een heel persoonlijk perspectief en daar geef je een eigen invulling aan. Lang zijn in mijn kinderlijke beleving spiegels verbonden geweest met de boze stiefmoeder van sneeuwwitje uit het grote dikke boek met de Srookjes van Grimm. ‘Spiegeltje, spiegeltje aan de wand, wie is de schoonste van het land’. De spiegel gaf het antwoord, waar Bram Bakker ons op wijst. Het sprookje vergroot de kijk op de wereld, als je tussen de regels door kan lezen. Dat vergt een scherpe blik. ‘Kijken en kijken is twee’, zei mijn oma vroeger al. Ik ga met een hernieuwde blik voor de spiegel staan. Waar een bespiegeling al niet goed voor is.

Uncategorized

Vreemde eend.

Awkwardness als nieuwe aandoening kopte het artikel van Floor Rusman in het NRC. Ik kende de term niet. Je ongemakkelijk voelen is de vertaling van deze ‘nieuwe’ gevoelsnorm. Er zijn veel etiketten te plakken, maar als je er dan helemaal geen kan vinden die bij je past, dan kan je nog altijd een beroep doen op deze laatste trend. Iedereen voelt zich volgens mij wel eens doodongelukkig omdat je buiten de heersende norm valt. Daar vallen gaten te vullen en waarschijnlijk ook zakken, maar dat terzijde.

Jonge koekoek in het nest van de karekiet.

Het was in de jaren zestig dat ik met mijn onervaren, wat naĆÆeve zelf op een van de eerste ‘wilde’ hippe feesten kwam in het centrum van Utrecht. Ik weet niet meer precies wat ik aan had, dat heb ik gewist, maar onuitwisbaar was het beklemmende gevoel wat me daar besprong. Een outcast was ik, ik viel totaal uit de toon. Het is zo’n moment dat je ergens binnen komt en een aantal ogen je blijven volgen met zo’n blik waar verbazing en erger nog, de spot vanaf druipt. Het moment dat je de grond wil laten opensplijten om voorgoed in te verdwijnen. Ik ben die avond gevlucht, voor de kritiek op mijn kwetsbare puberpersoonlijkheid en ter bescherming ervan. Nooit heb ik me zo opgelaten gevoeld. Awkwardness avant la lettre, inderdaad!

Nog een herinnering. Een vriendin en ik waren de backing vocals van een coverband. Normaal gesproken speelden we voor een wat ouder publiek, die zich wentelden in wat toen verleden was. Op een avond moesten we spelen voor een stel jonge basketbalspelers en hun aanhang. Voor het podium stonden jonge meiden van een jaar of veertien, strak in het vel, blonde paardestaarten, mobieltjes in de aanslag. Ze hadden enorme lol en even leek het erop dat het een geslaagde avond zou worden, tot we begrepen, waarom ze dubbel van het lachen lagen. Ze waren selfies aan het maken van hun jeugdige uitstraling met ons, twee oude staketsels in kekke leren rokken op de achtergrond. Het kwartje viel. Awkwardness ten voeten uit. Verkeerde doelgroep, zover was zeker en ons besluit stond vast. We zouden als backing vocals nog een jaar doorgaan, mits voor het juiste publiek en daarna de eer aan onszelf houden. Als we het kaliber aan zang van de Stones hadden gehad, hadden we nog jaren door kunnen gaan, maar de eerlijkheid gebied me te melden dat dat niet het geval was.

Ik heb vrienden die een soort pact zweren als ze samen zijn met mij erbij.  Het lijkt alsof ik er niet bij zit. Alsof ik er boven zweef en het plaatje in me op kan nemen, maar er geen deel van uit mag maken. Er wordt geen ruimte gelaten. Ze sluiten de luiken. Ik ben de buitenstaander. Dat gevoel. Wat moet je ermee. Bij dat gevoel ga ik weg. Ik trek liever nog wat aards onkruid, dan dat ik de outcast uithang. Het schuurt wel, zo’n klein nevelig randje ongemak en het denken erover veroorzaakt een grotere impact dan wenselijk is. Ik ga het contact mijden.

‘Awkwardness’, laten we het begrip schrappen en het gevoel gewoon ongemakkelijk noemen. Vroeger heette het ‘de vreemde eend in de bijt’. Er valt mee te leven als je de kwaliteit er van inziet. Niet onszelf achtergesteld voelen, maar er de originaliteit ervan erkennen. Geen eenheidsworst willen zijn en de oorspronkelijkheid van iemand op de juiste waarde weten te schatten. Dat hele ongemak gaan we tackelen met anders denken en met geduld. Dat kunnen we zelf. Er zijn geen zelfhulpboeken voor nodig. Hou de knip maar dicht!

Uncategorized

Ma solitude.

Ik kwam van de week het begrip troostende eenzaamheid tegen. Het lijkt tegendraads. ‘Eenzaamheid’ klinkt niet als de fijne, maar als de schrijnende kant van het alleen zijn. Toch zijn er genoeg mensen die die eenzaamheid omarmen. Vroeger zei men: eenzaam is niet alleen. Het is de vinger op de knoop. In het Frans heet het solitude en de Grieks/Franse George Moustaki heeft er een prachtig lied over geschreven, waarbij hij de ‘eenzaamheid’ verheerlijkt als een trouwe vriendschap, die zelfs de meest intieme geheimen met hem deelt. Met zijn weemoedige stem kan je niet anders dan zijn solitude omarmen. Het klinkt als een troostrijke gedachte te weten dat je nooit door haar in de steek gelaten zal worden.

Georges Moustaki – Ma Solitude

Pour avoir si souvent dormi avec ma solitude,
Je m’en suis fait presque une amie, une douce habitude.
Elle ne me quitte pas d’un pas, fidĆØle comme une ombre.
Elle m’a suivi Ƨa et lĆ , aux quatres coins du monde.

Non, je ne suis jamais seul avec ma solitude.

Quand elle est au creux de mon lit, elle prend toute la place,
Et nous passons de longues nuits, tous les deux face Ć  face.
Je ne sais vraiment pas jusqu’où ira cette complice,
Faudra-t-il que j’y prenne goĆ»t ou que je rĆ©agisse?

Non, je ne suis jamais seul avec ma solitude.

Par elle, j’ai autant appris que j’ai versĆ© de larmes.
Si parfois je la rƩpudie, jamais elle ne dƩsarme.
Et, si je prĆ©fĆØre l’amour d’une autre courtisane,
Elle sera Ć  mon dernier jour, ma derniĆØre compagne.

Non, je ne suis jamais seul avec ma solitude.
Non, je ne suis jamais seul avec ma solitude.

‘Troostende eenzaamheid’ komt uit de koker van de neurowetenschapper Ramón y Cajal, die het alleen zijn in zijn laboratorium verheerlijkte, omdat alleen dan de originele gedachten zonder afleiding binnen konden komen. Ik herken het bij het schrijven van deze kleine stukjes. Mijn eenzame afzondering vindt plaats in de vroege ochtenduren nog voordat de merel haar eerste triller laat horen, nog voor auto’s en brommers de stilte van de nacht uiteen scheuren. In die rustgevende stilte vloeien de woorden hun natuurlijke stroom.

Bij heftig verdriet kan afleiding de pijn verzachten maar juist ook de afsluiting zijn voor andere prikkels van buiten af. Door alleen met het verdriet te zijn, de rauwe pijn het scherpst op de snede te voelen, vraagt het om een directe verwerking en blijft het niet pratten in een jarenlange hunkering naar een onverwoord gemis. Het heeft handen en voeten gekregen. Mijn emotie kiest te allen tijde de weg van het woord. Zodra er betekenis aan is gegeven neemt het een stuk spanning weg.

Ooit lang geleden in de jaren zeventig moest ik een grote verwarring verwerken. Ik had een trouwe vriendschap van jaren verruild voor een oppervlakkige spanning van het avontuur. Het was een wonderbaarlijke beslissing en had met veel factoren te maken. Een van die factoren was de eenzaamheid binnen de relatie. We waren onafscheidelijk veel samen en toch was ik heel erg alleen. Het had ook te maken met mijn eigen groei en ontwikkeling. Het heeft heel lang geduurd, een eenzame periode van wel een half jaar, eer ik dat, en de misstap die er op volgde, verwerkt had.

Spijt heb ik er nooit van gehad, wel heb ik ten volle het begrip ‘eenzaamheid’ leren kennen en in alle gevallen was het woord een dankbaar instrument om er mee aan de slag te gaan, in plaats van het lijdzaam te ondergaan. Daarna kon alleen zijn heel troostend en helend zijn. Geen eenzaamheid maar de zoete rust van het bewandelen van een eigen pad.

Deze verbinding met het verleden heb ik nog niet eerder gezien. Ik had er nog geen woorden voor gevonden.  Hier ziet, in deze overpeinzing, opeens een oorzaak het licht. Zo troostend kan de gedachte alleen al zijn. Wat een woord niet los kan maken.

La Solitude bracht heel wat mijmeringen te weeg in die dagen van zelfverkozen eenzaamheid. Het bracht de zachtheid binnen, de aanvaarding. Voor mij was vanaf dat moment het alleen zijn met de vrije gedachte verbonden en de ruimte die dat geeft in een leven. Nooit meer troostende eenzaamheid, maar het verrijkte solitaire leven naast zoon en poezebeest Pluis. Mijn thuis.

 

Uncategorized

Erop of eronder!

‘Ik was vroeger nogal mainstream, maar dat schijnt niet meer te mogen, dus nu ben ik up-and downstream’, twitterde Guus Kuijer nog geen vier minuten geleden en in een opwelling antwoordde ik: ‘Ik kabbel gewoon maar wat.’

Vlak ervoor was me op een artikel onder ogen gekomen van een filosofe, die kinderen iets wilde bijbrengen over groepsdruk en keuzes maken. Het is mooi als ideeƫn en gedachten op ƩƩn plek vallen. Guus zijn ironie heeft een punt. De mening van de massa en dat er mensen zijn die zich altijd in zullen houden om niet uit de toon te vallen vormen al decennia lang het beeld. Vasthouden aan een ideologie dwars tegen de stroom in, omdat het een visie is die bij je hoort is bewonderenswaardig.

In de jaren van mijn zoons, een tweeling, was er een voor Ajax en de ander voor Feijenoord. Die van Ajax had het makkelijk. De hele school ademde Ajax. De Feijenoord-aanhangers, twee in getal, mijn zoon en zijn kleine blonde vriend, hadden het zwaar. Toch streden ze dapper verder, tegen de stroom in en het verstevigde alleen maar hun innige vriendschap. Het beeld van die twee kleine jongens, nog geen zeven, in hun Feijenoordshirts met de armen om elkaars schouders geslagen, die gebroederlijk, een blond en een donker koppie, de lange gang uitlopen, dwars door alle hoon heen, staat me nog helder voor de geest. Hand in hand, kameraden!

Zwemmen tegen de stroom in, maar ook dan moet je van goede huize komen, want hoor je dan bij de tegen-zwemmers of val je daar ook weer buiten. Ik denk dat er tegenwoordig zo veel autisten en autistifore mensen zijn, dat het etiket ‘massa’ aan het eind van haar latijn zal komen. De eenheidsworst is op, net als de gesneden koek. We moeten weer zelf aan de slag. Gelukkig maar. Hoe mooi kan het zijn met al die kleurrijke individuen, de creatieve geesten, de eigenzinnige denkers los van ras of cultuur.

Massa werkt op mij tegendraads. Ik wil anders dan anders, ik wil uniek, origineel en bevrijd zijn, maar het is lastig met meningen. Die prikken als venijnige stekeleteeĆ«n onder de huid, ze doordrenken het gevoel met schaamte, angst en ongerief. Ze kruipen omhoog als rood op de  kaken en zweet in de handen. Het maakt dat je verdwijnen wil. Waar is Harry Potter zijn onzichtbaarheidsmantel als je hem nodig hebt. Het is heel wat makkelijker om met iedereen mee te joelen. Nee, voor tegendraads moet je heel wat uit je ransel weten te halen.

012Ellen ten Damme.

Gisteren waren we in het prachtige kerkzaaltje van het Beauforthuis in Austerlitz. Ellen ten Damme gaf een try-out van haar Franse chansons. Het was de juiste ambiance voor een mooie, ingetogen en persoonlijke sfeer. Wij zaten op stoelen. Muziek doet iets met mijn motoriek. Zodra mijn spieren noten horen, dan willen ze wat van mij. Doorgaans vragen ze er niet om, maar slaan een weg in van totale willekeurigheid. Hoezo keuzes.

Iedereen zat muisstil te luisteren, hier en daar zag ik een enkel hoofd wat meedeinen, maar alles in het betamelijke. Mijn spieren gaan los. Nee ik was niet aan het dansen, want ik conformeerde me al automatisch aan het dogma van de stoel, maar verder wiebelde alles mee. Mijn voeten mijn heupen, mijn handen, mijn hoofd. Daar moest ik aan denken toen ik Guus zijn one-liner las. Mainstream is uit, upper en downstream is in, maar ik…ik kabbel voort in de brede stroom. Mijn zoon is nog steeds voor Feijenoord, wat hem nu geen windeieren legt. Want het recht zal zegevieren. Ware ideologie verloochent zich niet, ondanks de mainstream. Inderdaad Guus, erop of eronder!

 

 

Uncategorized

Kleur bekennen.

Op een Koningsdag, die ongeĆ«venaard koud was en winderig liep ik naar de auto richting park Transwijk. Ik werd aangenaam getroffen door het omfloerste licht dat door de bomen danste en tinten temperden in een zacht rood en geel. Een explosie van kleur gevangen in de gefilterde zonnestralen van een ondergaande zon, waarin duizenden stofdelen dwarrelden en er een extra dimensie aangaven. Getroffen door kleur. Niet zelden sta ik zo stil, aangenaam verrast door wat er op mijn netvlies binnen komt. Met name de zachte warme aardetinten en de heldere schakeringen tussen licht en donker maken de verwonderaar in mij los.

Mijn coach van de kwast , Mieke Siemons, verzucht bij tijd en wijle dat ik niet in de ‘valen’ en schaduwkanten moet blijven hangen, maar ook eens de helderheid van kleur de aandacht kan geven, die het verdient. Moeizaam hanteer ik in navolging het kleurenpalet van Picasso, Lataster, Kandinsky of een Miro en verbaas me over de moeilijkheidsgraad van de helderheid. De verf kruipt snel waar het niet gaan kan en mengt zich tot een onnavolgbaar bruin als je even niet oplet. Het is een zoektocht van het eerste uur naar de mogelijkheden en de kwaliteiten ervan.

008

De inspiratiebron van deze overpeinzing ligt naast me. Het is het boek ‘Het geheime leven van kleuren’ en het is geschreven door Kassia St Clair. De officiĆ«le titel is The Secret Lives of Colour. Annemie de Vries heeft het vertaald. Het valt me op dat ze  ‘Colour’ vertaald heeft met ‘Kleuren’. ‘Het geheime leven van Kleur’ kruipt als zin onder je vel, daar wil je meer van weten. Het meervoud zwakt het af en werpt er een ander licht op. Maar ik heb nog maar slechts wat spreuken en halve strofen gelezen. Waarom ze tot die keuze kwam, zal blijken bij de bestudering van het boek of niet en dan kan ik er naar blijven gissen. Het boek heeft dus ook alles te maken met hoe men tot een keuze komt.

Waar ligt die kiem van de voorkeur voor de persoonlijke kleur. De ervaring telt mee en de emotie waarin de kleuren zich aan je opgedrongen hebben, het innerlijk gemoed dat de vertaalslag maakt in kleur. Er zijn meerdere wegen die naar Rome leiden. De natuur brengt mij andere lievelingskleuren dan mijn kleding en die weer andere dan mijn doeken. Al kan ik met stelligheid zeggen, dat de harde kleuren mijn deur altijd voorbij zijn gegaan.

Het zal te maken hebben met ons sepia gekleurde leven van vroeger. Vele tinten zwart, bruin, kokosmattengeel en de vaal oranje Beatles-gordijnen, die voor de kleine slaapkamerramen hingen, ‘She loves you yeah yeah’. Donkerrood, donkerbruin en veel donkere plekken in de kelder, op de zolder, het gedempte licht bij een peertje. Natuurkleur uit mijn jeugd als tegenhang. De glimmende torretjes die in het warme zomerzonlicht hun schilden uiteen lieten spatten in ontelbare tinten gouden en groenen en met hun wriemelende poten vliegensvlug een weg zochten naar de luwte. De rijke rode papavers en de goudgele forsythia, de gele regen van de buren en de hemelsblauwe vergeet-me-nieten in de kleine stadstuin van mijn moeder. Moeders trots.

De bijna kleurloze woonwereld, het kleurrijke natuurleven en daarnaast de overtreffende trap, het rijkgeschakeerde Roomse bestaan. Gewaden in scharlaken rood, magenta, goudbrokaat, het wit met rood van de misdienaars, de flakkering van de vele kaarsen, die een regenboog aan kleuren gaven als je de ogen tot spleetjes kneep en er tussen door gluurde, de halo’s, het bewierookte Bloedend Hart die in groot contrast stonden met dat andere leven in de banken aan zwart en bruin, in kamfergeur en mottenballen.

De eenvoud is me lief. De witte gordijnen waarachter ik ontwaak en de zon er tegen op zie klimmen, zodat het kozijn een mooi en teer zicht op licht en schaduw geeft. Het brengt de rust en de serene stilte van de ochtend doet de rest. Zalig wakker worden als tegenhang van dat wat straks weer binnenvalt en te denken geeft. De kracht van licht, dat ook tot kleur behoort. Het Geheime Leven van Kleur.

Uncategorized

De eend, de dood en de tulp.

Ik heb een aantal kinderboekenbijbels die een belangrijk onderdeel vormen van mijn leven. Ze hebben grote betekenis voor mijn relatie met de kinderen op school en ze zijn niet in de laatste plaats ook voor mezelf van groot belang. Ze geven me eindeloze uren om na te denken en voegen hun waarde toe aan mijn bestaan. De groten der groten horen daarbij, zoals Roald Dahl, Arnold Lobel, Lewis Carrol,  Antoine de Saint-ExupĆ©ry, AA Milne, Max Velthuys, Toon Tellegen, Annie M.G. Schmidt.

Het voordeel van literatuur en theater is dat kinderen er zo meesterlijk door groeien. Onsterfelijke gedachten kunnen worden afgepeld tot de kiem, de strekking ervan. Zo worden existentiƫle begrippen teruggebracht tot de oorsprong, waar vragen er niet meer toe doen, omdat het eenvoudig zo reƫel en aanvaardbaar is, dat ze er zijn. Dood en leven zijn zo met elkaar verweven dat het acceptabel is, net als de bijbehorende gevoelens die het los maakt. De kunst is om de emotie, en in het bijzonder de angst, te scheiden van het geheel.

Vandaag bracht Popova  in haar Brainpickings een boek onder de aandacht, die al weer een tijdje naar achteren was geschoven. Soms gebeurt dat. Ze duikelen achter een randje drukte in je hoofd en je hebt er een kleine associatie voor nodig om ze terug te brengen naar hun oorspronkelijke en verdiende plaats in de rangorde. Het is een boek van de schrijver Wolf Erlbruch, die in zijn oeuvre een paar prachtige nadenkers kent, zoals ’s Nachts, dat ooit als kinderboekenweek geschenk is geschreven en het filosofische boek ‘The big question’, die vragen stelt als die uit onze Katechismus van weleer.

‘Waartoe zijn wij op aarde’ vroeg de meester ons destijds en wij dreunden op: ‘Wij zijn op aarde om God te dienen’, wat we een normaal gegeven vonden en waar verder niet over werd nagedacht. Het was immers die man uit de katholieke beeldverhalen met die grote grijze baard op een troon van wolken, de vader van Jezus, de kindervriend. Het leven was in die dagen vrij simpel en afgebakend met eenvoudige beelden in het hoofd.

Dood was verbonden met het lijden van Christus en het wegvallen van je opa, dood was ook het vagevuur en de hel, maar vaker, als je het boek ‘Luistert naar hem’ mocht geloven, met het aardse paradijs en met kleuren die je onmiddellijk inlijfden.  Het leven had goed geweest, als het vingertje je niet zo op de zonden had gewezen, die helaas op de loer en om de hoek lagen. Iedere dag kon ik er wel een bijkerven in mijn tere kinderziel. Dood werd vagevuur en het zwaard van Damocles.

Hoe anders kan het lopen als kinderen worden groot gebracht met het boek: De eend, de dood en de tulp van Wolf Erlbruch. Dood, die zijn hele leven al met eend meeloopt, wordt op een gegeven moment ontdekt door eend, die schrikt. Als dood haar volgt en samen met haar de vijver in gaat en de boom in klimt en ze blijft leven, verdwijnt  de angst stukje bij beetje. Als de dood het koud heeft, houdt ze hem met haar hele lijf warm en als eend het koud heeft, vraagt ze dood haar te verwarmen, maar dan ziet dood dat het niet meer nodig is. Eend is dood. Voorzichtig neemt hij haar mee naar de rivier en laat haar behoedzaam in het water glijden, vlijt de tulp op haar buik en is zelfs wat bewogen als ze weggevoerd wordt op de stroom. Het is een mooie paradox, Dood die afscheid neemt.

duckdeathandthetulip3

 

Dood is een aandoenlijk doodje, zoals eend met zijn starre lange lijf ook vertederend is en je kan niet anders dan je vereenzelvigen met het verhaal. Ook als kind. Dood en bespreekbaar zijn, dat is waar het om gaat. Angst afwikkelen, de gedachte ontdoen van hemel, hel en vagevuur en dood als dood aanvaarden. Wij hebben, middels hel en verdoemenis, het skelet zijn morbide dreiging gegeven. Erlbruch maakt het beeld weer zacht en heel.

 

 

 

Uncategorized

Coloratuurnootjes.

De vlugge coloratuurnootjes van Anett Fritsch zijn allemaal raak, kopt de volkskrant in een artikel over deze Duitse sopraan, die in vijf maanden tijd alle drie de vrouwelijke hoofdrollen wist te vertolken uit Mozarts ‘Le nozze di Figaro’.  Een prestatie van formaat, omdat dat vaak de struikelblokken zijn voor veel zangers.

Ik moest de betekenis opzoeken. De wereld van de muziek ligt me vooral blind na aan het hart. Ik ken doorgaans geen titel, geen namen. Ik stel me open en alles vloeit in die bodemloze put, die het warm omarmt. Ik droom weg, ik laat me meevoeren, ik plak er beelden en verhalen onder, laat mijn gedachten en gevoel de vrije loop en  en de reikwijdte mag zo breed zijn als de muziekgeschiedenis zelf. Coloratuur komt van het latijns/italiaanse Colorare dat kleur betekent en het klinkt zoals het rolt, huppelt, vooruit snelt en danst in de muziekstukken zelf.

Klassieke muziek is voor mij nog altijd zondagmorgen, het mooie witte licht, de eerste zonnestralen die de kamer binnen vallen en de kamer een teer ontwaken bieden, daarbij de geur van echte koffie en dan radio vier, de klassieke zender. Ik laat me, als nitwit, graag verrassen. Het geeft een extra dimensie aan het wakker worden. Dat het een zondag moet zijn stamt uit de kinderperiode. Vrij van haastig zorgen en jachtig aansporen duiken we de luwte in van een wereld vol tijd en aandacht voor het moment en de dingen om ons heen. Mindfulness avant la lettre. We wisten wel waar we het evenwicht moesten vinden.

Een keer in het jaar ga ik samen met een collega-vriendin etsen in Drente bij de grootmeester van de naald, Han van Hagen en zijn gastvrije vrouw Lia van Rhijn, die prachtige keramiek sculpturen maakt. Als we met dat eeuwenoude ambacht bezig zijn en geluk hebben en de de zon door het mooie lichte atelier filtert, dan klinken er vanuit de keuken de rollende aria’s van de dochter des huizes, die het gekras van onze pennen laat doen verbleken en de ambiance sfeervol laten samenvloeien. Het geeft net dat hele speciale tintje aan toch al een heel bijzonder weekend.

IMG_3789De etspers.

Ze zingt de sterren van de hemel, maar als de plek zo bijzonder is, dan vervagen de benodigdheden voor de aankleding van het lied. Het mag een eenvoudige spijkerbroek zijn, want haar prachtige stem zorgt voor de baljurk van Assepoes gedragen door een hele zwerm kleine ‘mussen’ , die de zware tafzijde over haar heen laten vallen, juist ja, de coloratuurnoten. Wat een uitgesproken ervaring en wat meesterlijk er deel van uit te mogen maken.

Door de ervaring van de jaren heen vallen ineens stukken op hun plek en weet ik bij welke componist ze horen of uit welke opera ze komen. Sommige stukken koester ik, omdat ze me na aan het hart liggen, zoals Madame Butterfly, de prachtige opera van Puccini.

Ooit, lang geleden, zag ik The love of Three Oranges van Sergei Prokovief uitgevoerd worden ‘ On Broadway.’  We zaten op, nog enigszins, betaalbare rijen van de zaal en geloof me, dat was hoger dan hoog. De sinaasappels hadden vanuit onze ooghoeken het formaat van verschrompelde mandarijntjes en we konden geen uitdrukking op het gezicht waarnemen. De akoestiek was niet best en naast me klonk al spoedig het geronk van een warm draaiende propeller, een helikopter, die spoedig oprees naar een oneindige bestemming.

De huis -tuin-en-keukenaria’s van Brigitte zijn me honderd keer liever. Zo zie je maar, dat alles afhangt van de entourage en de ambiance. Ooit zal ik bijna blind weten welk stuk gespeeld wordt, maar tot dan zal ik het gewoon maar binnen laten komen.  Zielenroerselen, in alle eenvoud en vol met die grappige lichtvoetige coloratuurnoten, laagdrempelig en toegankelijk, maar dan wel gezongen door een Brigitte in de keuken van Han en Lia, telkens weer, keer op keer. Daar kan geen Broadway tegenop!

Uncategorized

Die onbegrensde tijdloze wereld!

Dromenboek: 22 februari 2007.

‘G. mag een wens doen. We gaan naar een tuinencomplex. G is helemaal lyrisch en wil de wortel van een Cassandra. Die krijgt hij van mij. Daarna gaan we naar een huis, een appartement dat te huur was, maar degenen die het zouden huren, hebben een huis te koop aangeboden gekregen, dus kunnen wij het huren. Het wordt gemeubileerd verhuurd. Er staat iets in wat we heel leuk vinden, maar het bed is afschuwelijk, alle kanten zijn gecapitonneerd in een Bleke Betten-goud. Er ligt geen matras in. Het is een protserig geheel G. is heel moe als we terug willen naar huis. Hij wordt wit en valt bijna languit. We hijsen hem de auto in.’ De droom gaat nog verder, we komen op een verpleegafdeling en werken daar ook. Iemand wil nog met een paard de draaideur door, maar het paard raakt met zijn hoofd beklemd.

De G. uit de droom is een goede vriend. Wij kennen elkaar al jaren. Natuurlijk wil ik weten of die Cassandra echt bestaat. Het blijkt een blauwe Clematisstruik met die naam te zijn en ook is het de Nederlandse aanduiding voor de Crossandra, een oranjekleurige bloem. Ik kende tot vandaag de naam niet. Hoe zit dat toch met de droom, die ongekende begrippen op kan roepen.

Ergens vinden begrippen dus een weg door de ruimte en komen letterlijk aanwaaien in dromen. Sommige bestaande begrippen vervormen of gaan hand in hand met combinaties die niet mogelijk zijn, de droom trekt een eigen pad. De verbazing blijft hangen op de details, die soms loepzuiver zijn en tot in de puntjes beschreven. De Cassandra vermeerdert daadwerkelijk door wortelstokken. Ergens is er ooit informatie doorgesijpeld.

Het protserige bed herken ik uit de beelden die tijdens het sporten op de sportschool doorsijpelen op de kleine schermen. Tijdens het fietsen en lopen trekken deze wonderlijke werelden voorbij en al zappend vallen ze in flarden uiteen. De overdaad van de Kampers, die alles in overtreffende trap uitvoeren, meubels, huizen, auto’s, trouwerijen, graven. Die laatste mausoleums vroegen pas nog om aandacht op het kerkhof, toen we de bescheiden naam van mijn vader op het familiegraf van mijn moeder lieten plaatsen. Eigenlijk schreeuwden ze het uit, overladen met bloemen, grote engelen, enorme stenen, die je niet zomaar even neer kan vleien.

Ware graftombes zijn het en binnenin stel ik me een trappetje voor, waarbij men af kan dwalen naar de verschillende spelonken waar familieleden zijn bijgezet. De grote kerk in Delft, maar dan anders.

Toen de plechtigheid van Claus plaats vond, daar in die kerk, kon ik hem er boven zien zweven, met dat prachtige gebaar van hem, dat hij maakte tijdens een speech en de stropdas die over de hoofden van de menigte heen vloog. Totale bevrijding. Ik vond het een mooie toepasselijke en symbolische gedachte, met zijn stoffelijke lijfelijke aanwezigheid in de kist eronder. Fantasie is eigenlijk de basis van het voorstellingsvermogen. Hoe groter het is, hoe leuker, spannender, echter de droom en het leven zijn.

In een andere droom valt het een en ander te herleiden omdat ik het ooit zelf heb ervaren. Ik schreef op  april 2008: ‘Ik doe aan stervensbegeleiding. Het mevrouwtje is heel klein en mager en ligt op een gebloemd kussen zwaar te ademen.’ mueck

Het is de vrouw, die ik gezien heb in de Hallen in Haarlem tijdens een tentoonstelling met beelden van Ron Mueck. Als een klein vogeltje lag ze in haar bed. Ze ademde zwaar met half open mond en de ogen toe geloken maar net niet dicht. Vanuit die houding trok een spoor van intense weemoed over het beeld en voegde zich bij de oude gekrompen vrouwen uit mijn ziekenhuisbestaan van weleer, wiens laatste uren op een dergelijke wijze zijn verlopen. Fluisterend, schor, soms te moe om aan te geven dat ze er nog waren, een verdwaald klauwtje boven de dekens, die het hulpeloze niets wilde vatten. Beelden die voorgoed op het netvlies zijn bijgeschreven en derhalve komen aankloppen in die onbegrensde tijdloze wereld van de droom. Ik verlang naar een volgende en zal de verhalen weer vangen in dat immense dromenrijk.

 

 

Uncategorized

Een kleinood.

Ik vond een film op facebook van de Marokkaanse schilder Dani Zouhir. De ondertiteling is:’Wie loopt daar’. In de streek rond Auvers-sur-Oise, waar van Gogh de laatste jaren van zijn  leven doorbracht en samen met zijn broer Theo ook begraven ligt, loopt deze Dani door de velden heen om, helemaal aan het eind, de schilder te midden van de goudgele korenvelden aan de horizon te zien verdwijnen terwijl de kraaien krassend opvliegen. Het is een prachtige animatie, maar ik kan het niet delen. Wel zie ik op You tube meer animaties van deze veelzijdige kunstenaar. Dezelfde tocht heb ik nauwkeurig beschreven in een dagboek van 2008. Dat dagboek had ik gekocht in het museum van de Auberge, waar van Gogh zijn beroemde zolderkamer te bewonderen viel, duidelijk herkenbaar, dankzij het doek dat hij aan ons achterliet.

In dat kleine benepen mausoleum van zijn leven ademden op dat moment teveel bezoekers zuurstofarme, muffige lucht in. Ik wilde er alleen doorheen dwalen, mijmerend met de vingers de spijlen van het krakkemikkige bed volgen en de geest proeven door me te wanen in die tijd. We verlieten de herberg en gingen het open veld in. Dat was exact zoals deze Dani Zouhir het tot leven had gewekt. Het hele beeld van de akkers met de kraaien erboven viel er te bewonderen en de locaties waar de schilder honderd jaar daarvoor de waarneming had proberen te vangen, waren volledig te herleiden.

De toeristen uit de Auberge hielden het voor gezien en daarom konden dochter, zoonlief en ik door de geschiedenis heen trekken zonder pottenkijkers, stilstaan bij de twee sobere stenen op de scheefgetrokken begraafplaats met het verbleekte opschrift, half onder de klimop verscholen. Het enige wat daaraan ontbrak, was het opvliegen van de kraaien en hun schorre gekrijs dat de stilte doorscheuren zou. De lome drukkende warmte gaf de zindering weer, waar zijn landschappen in zijn gedrenkt. Bij het zien van zijn schilderijen voel ik die warmte tot in mijn ziel.

Lang geleden zei iemand me er niets aan te vinden. Het oordeel van iemand die je in hoog aanzien hebt, is altijd een verbuigende toevoeging aan je eigen beeld. Ineens ga je er anders naar kijken. Het stempel dat ze me meegaf was groot. Altijd als ik naar een van Gogh kijkt, komt haar beeltenis erbij. Ik zou wel weer eens onbevangen en vrij willen zijn.

Het heeft me aan het denken gezet en de impact duidelijker doen omlijnen. Waardeoordelen zijn te persoonlijk en zijn het eigenlijk niet waard om ze op de waarneming van een ander te plakken. Nu we bij Knock-art onder leiding van Mieke Siemons het proces proberen te doorgronden, krijgt de beleving een andere dimensie.

031

Het omzetten van de emotie, het volgen van de drijfveren om iets te willen uiten, de eigenzinnige benadering van iedere kunstenaar in het bijzonder trachten te doorgronden, is een boeiend avontuur. Van de impressionisten tot de Abstracten van Monet tot aan Howard Hodgkin, elk proces roept verwondering, verbijstering of vervoering op. Misschien wel omdat het moeizame trage, of de koortsachtige snelheid waarmee de kwast wordt aangevoerd de ziel van de kunstenaar met zich meetrekt, van het uitgemeten glaceren tot aan die dikke glinsterende klodders olieverf.

Ik oordeel niet meer, ik beschouw en stel de honderd vragen die diep in mij van binnen woeden gerust, door de antwoorden te vinden, die in het doek besloten liggen.  ‘Oordeel niet, maar verwonder je slechts’, zei de lieve wijze Noni Lichtveld me ooit en raakte daarmee de kern. Een kleinood, dat je ieder mens zou willen meegeven.

 

 

Uncategorized

Braakliggen.

Dingen gaan zoals ze gaan. In de trein terug van Groningen naar Utrecht stak een verdwaalde NRC uit een van de plastic netjes aan de rugleuning van de volgende stoel. Ha, even iets anders dan een boek. Boffen.

Op het moment zelf had ik kennelijk de rust niet om te lezen en vlogen de ogen, in dezelfde sneltreinvaart als de intercity in verhouding reed, over de koppen heen. Hier en daar dwaalden ze naar het artikel af, als er een aangrijpende of opvallende aanduiding de aandacht had getrokken. Rusteloos sprokkelde ik alle losse onderdelen bij elkaar en vouwden ze op tot handbagage-formaat, groot genoeg om in de bruine tas te passen, naast het boek over Camille Claudel, het opschrijfboek en de goudkleurige zakjes van de Hema, waar ik op de heenweg zorgvuldig het cadeau had ingepakt.

Een NRC laten liggen, is zoiets als geld weggooien. Ik was blij dat mijn voorganger zo achteloos was geweest. Nu, vannacht, werpt het zijn vruchten af, die bewaarwoede van je-kan-maar-nooit-weten-wanneer-je-er-tijd-voor-hebt. Ik heb zeeƫn van tijd op dit moment. De vakantie is nog niet eens begonnen, want weekenden tellen niet mee. Die zijn normaliter altijd al vrij.

Maar vannacht, morgen uitslapen, had ik dus nog deze kers op de taart liggen en viel ik recht in de armen van Francine Oomen, een van mijn geliefde kinderboeken schrijfsters. De ondertitel van de kop van het artikel: ‘Het was op, ik was opbracht, wat ik al vermoedde. Het artikel ging over de overgang in het algemeen en over die van Francine Oomen in het bijzonder. Het is wonderbaarlijk, dat over deze fysieke teloorgang van ons lijf veel geschreven wordt en dat het toch zo weinig aan empathie oplevert. Dat heeft alles te maken met de ervaring.

Alleen wij vrouwen die er middenin zitten of gezeten hebben, weten exact waar het over gaat. Voor de ander is het al gauw gezeur, een afdoener voor al die verantwoordelijkheden, waar mensen geen zin in hebben, een doekje voor het bloeden. Dat laatste kan je vergeten, dat bloeden wel te verstaan. Er komen schommelsgewijs nog wat druppels aan te pas, in sommige gevallen nog een paar keer een zondvloed, maar dan is de bron toch echt opgedroogd. Het ontrafelt daarmee wel precies de kern. Niet alleen voelt het zo, je bent zowel geestelijk als lichamelijk uitgeblust.

004.JPG

Francine heeft er een mooie term voor gevonden. Ze noemt het braakliggen. Een fase waarop de boer zijn ontgonnen land rust geeft om te kunnen regenereren. Dat laatste is nu net waar het omdraait. Als de mallemolen zich in gang zet, symptomen, die afgedaan worden als hyperventilatie, psychische druk, een verkeerd eetpatroon, je finaal van de sokken hebben gebracht en jij je tot op het bot uitgekleed maar niet gehoord voelt, valt daar plotseling de luwte.

Symptomen verdwijnen als sneeuw voor de zon, zoals ze, even plotseling, zijn gestart. De werkmodus verloopt van ambitieus naar begrip omtrent het oorspronkelijke, het waarachtige van het werk en het leven. Het lijkt op berusting maar het is verwerking.  Ik kijk naar de veel jongere Francine Oomen dan op de foto’s van haar middelbare teloorgang, alleen haar hangende oogleden heeft ze gecorrigeerd. De rest hoeft niet te hangen, daar  valt aan te werken. Na het braak liggen, het schudden van de kaarten, het ophogen van het restant aan hormonen, blijkt de soepelheid van geest groter dan ooit tevoren, mits er tijd en ruimte aan gegeven wordt. Het levert creativiteit en energie op. Het brengt een nieuwe golf van inspiratie met zich mee, die los staat van de knellende dwingende prestatiedrang.

Op dat punt, in die orde van grootte, was ze als ‘een emmer zonder bodem, zegt ze in het interview. Mijn eigen moeder waarschuwde cryptisch. ‘Het blijft water naar de zee dragen’ was de verzuchting bij zo’n vruchteloze dwaling in de queeste naar dwangmatig doelgericht, aanzien en schouderklop. Daarmee is alles gezegd. Die stuwing, het kolven en de afvloeiing om daarna ten leste braak te mogen liggen tot de geest weer vruchtbaar is en voedend. Hand in hand met de natuur en fijn als je weet dat dat het voorland is.

Uncategorized

Een pad naar de voldoening.

De titel van een essay van de filosoof en de auteur Joke Hermsen is ‘Melancholie van de onrust’. Ze schreef het voor de maand van de filosofie. Ze borduurt haar verhaal op het stramien van de natuurlijke aanwezigheid van deze angst en stemmingsstoornissen die tegenwoordig depressie heten, maar vroeger geschaard werden onder de noemer:’Melancholie’.  Ze ontvouwt met precisie het beeld. ‘We zijn in de tijd verzonken wezens en kunnen nadenken over wat is geweest of wat er nog komen gaat.’ Ik zou er middenin aan toe willen voegen ‘Wat is’. Ook haalt ze aan dat de gezonde melancholie lijdt tot reflectie en creativiteit en de ziekelijke vorm ervan angst en onrust brengt.

Ik heb vrienden die van me houden en bezorgd om me zijn. Ze vragen me bij iedere gelegenheid  hoe ik me voel. Daarbij kijken ze me lang en doordringend aan en monsteren het gezicht op iedere graad van vermoeidheid. Het luiken van een oogopslag, het zuchten na een inspanning worden nauwlettend geturfd en als het bloed uit het gezicht trekt komen de bezwerende gebaren. Ieder moment van hun aanwezigheid wordt ik op mijn onvolkomen lichamelijkheid gewezen. Ergens in mijn achterhoofd wordt rebellie aangewakkerd tegen het onuitgesproken vonnis. Ik voel me in zo’n situatie doorgaans gewoon goed en gezond vermoeid na inspanning, maar moeiteloos spreiden ze de diepe put, waar ik kniesorend het gebrek aan energie in kan storten om er vervolgens in te mogen hangen. Ik bedank voor de eer.

026‘Er ligt een oude meester in mijn afvalbak.’

De vriend, wiens levensloop niet ongemerkt voorbij gaat en die te dealen heeft met een aantal tegenslagen, had zich een fort gebouwd om ze te lijf te gaan. Enigszins verkluizeld viel hij ten prooi aan de overbezorgdheid van de omgeving. Het etiket werd geplakt, de ‘depressie’ deed hem zwijmelen in zijn eigen onmacht. Nu het weer beter gaat met zijn gezondheid en het leven lichter is geworden, beaamt hij het volmondig. Ik waag het te betwijfelen. Hij deed op het moment wat hij moest doen, toen de wereld zich verkleinde en hem in letterlijke duisternis opsloot. Hij hield vast aan zijn geschudde kaarten en vegeteerde zich een weg door het ongemak heen.

Dat het leven weer ‘Zin’ moest krijgen was buiten kijf. Er zijn vele wegen die naar Rome leiden en zijn diepe melancholie hadden hem in nevelen van alcohol gehuld. Dat was het allereerste obstakel dat uit de weg geruimd diende te worden en daarnaast moest het licht aan de horizon weer gaan schijnen. De eerste drempel verbleekte met hem het gevoel te geven, dat hij belangrijk was voor het algemeen maatschappelijk belang door een handvol aandacht in het bijzonder. Er kwam iemand een avond per week in zijn huis logeren, die er voor zorgde dat de grote onverschilligheid veranderde in zorg en aandacht voor zijn huis en niet op de laatste plaats voor deze persoon in kwestie. Die doelmatigheid leverde een optimistischer kijk op dan daarvoor. Zijn bloed ging stromen en zijn ideeĆ«n werden talrijker. Hij zocht en dacht weer in oplossingen.

Joke Hermsen schrijft: ‘Wat is er nodig om die melancholische gevoelens waarmee we behept zijn niet te laten omslaan in depressiviteit? ā€žHet is belangrijk om onze melancholie een plek gevenā€, zegt Hermsen. ā€žDaarvoor kunnen we de kunst en cultuur inzetten. Als je naar een muziekstuk luistert, een boek leest of een kunstwerk bekijkt, wordt die melancholie bemiddeld. Het leidt tot bezinning en verstilling.ā€

Die wandelgang van vriendlief heeft me geleerd dat de vorm van belangrijkheid minstens zo belangrijk is als het inzetten van kunst en cultuur. Zijn diepe melancholie heeft een plek gekregen door dat gevoel van relevantie. Het eigen gewicht dat in de schaal van het leven wordt gelegd en dat de tegenhang vormt voor het verleden, het heden en de toekomst. Bij pathologische melancholie heerst de angst, maar ook de berusting, die verneveld en verstikt. Die andere melancholie is de zingeving aan het bestaan. ‘Ik denk, dus ik ben’, zei Descartes. ‘Ik ben, dus ik besta’ vul ik aan en kleur mijn lichamelijke onbeholpenheid met de fantasie en de melancholie van het leven en hijg me een pad naar de voldoening.

Bewaren

Uncategorized

De oersprong.

De diepe duisternis, die vannacht rondwaarde en die de de aarde liet vervloeien in een troosteloze aanblik van glinsterend lantaarnlicht en de  late voorbijganger die luid schreeuwend zijn misbaar kenbaar maakte aan de wereld, pasten naadloos bij het boek dat ik opensloeg: ‘Camille Claudel, een vrouw’. De biografie door Anne DelbĆ©e geschreven kwam in 1982 in Parijs uit onder de oorspronkelijke titel”: Une Femme.

In flarden en frasen ontstond het beeld van een klein meisje met een grote passie voor  natuur, steen, aarde, aardetinten. De drang, het vormeloze om te vormen tot iets wat bruiste, diep van binnen in haar dolende kinderziel, had al bezit van haar genomen. Het kost geen  moeite me te verplaatsen in de dwingende omschrijving van haar schepper in dit verhaal.

Weken daarvoor was ik getroffen door de onpeilbare diepte in haar gezicht, zoals ze je aankijkt op de foto als jonge vrouw in 1884 en ik probeerde het in olieverf te vangen, maar de blik in haar ogen, onpeilbare diepte en het weerbarstige plukje aan de zijkant van haar opgestoken haar, geven er de bruisende ondertoon aan. Het brengt me naar een gedicht van Vasalis over plichtmatigheden, waaruit een mens het liefst ontsnappen wil, maar het niet kan ontduiken.

‘Onder het net en vlot gesprek,
dat mijn hoofd, met bruine hoed,
met de gastheer voeren moet,
denkt mijn hele ziel: verrek!’

023

De ogen ontsnappen ook op het doek. Ze laten zich niet vangen. Het boek is een zware tocht door haar innerlijk gemoed, de weg naar haar tragische einde. Vanaf het begin is daar de strijd met de moeder en in zekere zin ook met de broer, al volgt hij haar in haar ontsnapping aan de wegen der betamelijkheid en sliert hij met haar mee, dwars door alles heen, los van de materie. Tot er een kink in de kabel komt en ze haar broer onder haar veren uit laat schieten door zelf de bescherming te zoeken van de meesters in de beeldhouwkunst en tenslotte haar grote zielsverwant ontmoet die de beelden in zijn hoofd vorm geeft op een gelijke manier, haar evenknie. Ze mag bij hem in de leer, De grote Rodin en hij misschien ook bij haar als ze zijn beelden tot perfectie voert met haar handen en zijn ontwerpen ten uitvoer brengt. De muze en de beeldhouwer, de beeldhouwster en haar muze.

Haar aanwezigheid is haar moeder een doorn in het oog. Ze heeft de heilige plek van de eerstgeborene in het gezin ingenomen, ook al had ze part nog deel daaraan en er mankeerde beschaving. De broer is misschien wel door haar passie voor Rodin en de kunst, verbitterd geraakt. Niet langer is hij meer ‘Mijn kleine Paul’. Hij velde samen met de moeder op een cruciaal verward moment in haar leven het vonnis. Eenzame opsluiting in een gesticht ver weg van de moraal, uit het vizier van de gegoede burgerij.

Mijn eigen gedachten strijden om voorrang en hebben zo een eigen beeld geschetst in een diepe bewondering om het vechten voor haar bestaansrecht en het feit dat de grote storm die in haar woedde, de aanhef ervan, nog altijd te bespeuren viel, ook al lagen haar handen dertig jaar lang als een albasten werkeloosheid in haar schoot. Ze wordt in ere herstelt. Door een romantische levensloop, boeken, wat films, een facebookpagina, lezingen en straks de baanbrekende biografie Camille Claudel Statuaire by Karin Haanappel. Er zullen exposities zijn en er is een eigen museum in Villeneuve en in Nogent.

Ik ga verder in het boek, dat pas gekomen is na het portret, dat zonder dat ik wist welke tragedie erachter school, al zo’n diepe indruk heeft achtergelaten en nu vorm krijgt door de woorden van Lydia Chiarelli en weer ben ik geraakt, ontroerd, in vervoering gebracht door een mensenleven. Dit leven aan banden dat ten leste in oneindige vrijheid, met de onzichtbare raven mee, de oersprong waagde.

Il y a toujours quelque chose d’absent qui me tourmente.― Camille Claudel. (19 octobre 1943)

Corbeaux invisibles

flottants dans le ciel de la Provence

nuages denses

le vent s’enrage

et ouvre des fissures bleues

 

petite fille ƩtonnƩe

seule, tu Ʃcoutes la voix du silence

et regardes les grandes flaques

et l’argile brune

cadeau prƩcieux

que la pluie de la nuit

a apportƩ

 

pour la derniĆØre fois

dans une lumière irréelle

de cette boue

des crƩatures Ʃtranges

s’animent

caressƩes

par ta main tremblante

abandonnƩe Ơ leur vie

 

c’est alors qu’un calme inconnu

te saisit

et tu souris

infiniment libre

en ce matin d’octobre

Ć  Mont des vergues