Uncategorized

De knop moet om

Met de beelden van de Achromen van Pierre Manzoni in mijn hoofd bestudeer ik de wolkenpartijen die vanuit mijn bed langszij komen zeilen. Statig en langzaam, alsof ze uitnodigen om eens goed naar kleur en vorm te kijken. Als kleine zwarte vegen scheren de gierzwaluwen er langs. Ze vliegen laag, dat was gisteren ook al. Er is misschien onweer, hopelijk met veel regen op komst, waar de droge tuin naar smacht.

Na al dat strakblauwe is er ineens weer veel te zien. De witte toppen als de schuimende golven van de zee, steken verblindend af tegen de vaal grijze en gele vleugen die er doorheen geweven zijn. Hier en daar is er een spoortje violet te bewonderen. Het blauw   er omheen is ook vervaagd en wordt meegenomen in de sluier grauw.

IMG_6437.JPG

Een van onze geliefde bezigheden van vroeger was het wolken schouwen. We lagen op ons rug in het gras en riepen om de beurt welke objecten langs kwamen drijven. Een levend sprookje met een driekoppige hond, of een gemene toverkol, een reus, de leeuw, een kind, konijnen en vogels, je kon het zo gek niet bedenken of we zagen het en wezen elkaar er enthousiast op. Daar, naast die ene kleine wolk en in de lucht tekenden we met onze vinger de vorm na. Dáár zit een oor, en dáár de bek, hier de staart en dat is het oog. Daarna volgde het eindeloze verhaal, want wolken vertellen verhalen. Alleen wij waren ingewijd in dat geheim, dachten we.

Bij Manzoni stond het idee centraal waarbij de vormgeving een toevalligheid en/of ondergeschikt was. In het begin zag ik tijdens de zoektocht naar de ziel van de abstracte kunst eerst in elke abstractie toch altijd weer het beeld. En nog zie ik dat. Kan je de expressionist scheiden van de vorm, kan de vorm gescheiden worden van het idee. Als ik zijn Achromen zie, denk ik onmiddellijk aan een subtiel zuchtje wind dat over het water glijdt en plooien trekt in het anders zo gladde wateroppervlak. Of aan het zand van een ongerept strand, waar de stroming bij eb de golfslag van de zee heeft achtergelaten als een blauwdruk van haar bestaan. Het lijnenspel dat ontstaat door wuivende rietpluimen in hun gouden glans en hoe graag ik ook overspoeld wil worden met het idee om het idee en niet om de vorm die het kreeg, ik blijf in beelden denken.

Dat wit van hem, maakt het evenals het blauw van Klein niet eenvoudiger, integendeel. Door het reliëf en de schaduwen die getrokken worden krijgt het nog veel meer betekenis, hetzelfde geldt voor de herhaling. Elk brein werkt naar vermogen. Kunst is een individuele uiting en de beleving ervan allerpersoonlijkst. Kunst wordt het als het er toe doet, in positieve of negatieve zin. ‘Als het een steen verlegd in een rivier op aarde’, zong Bram Vermeulen al. Dat dus, als het raakt, als het zich verweeft.

Dinsdag gaan we met gips, doek, stro en jute aan de slag, structuren en eigenschappen van het materiaal verheffen en in dienst stellen van wat het oproept aan de handen om te vormen. Een sprong in het diepe, verstand op nul, maar om waarachtig te vormen helpt het om met ogen dicht te werken. Materiaal voelen en het idee boetseren.

De blinde kunstenaar George Kabel uit Eindhoven zette een grote trampoline vol met egaal zwart gespoten voorwerpen: een globe, een computer, een verrekijker en nog veel meer. Hij probeert zijn wereld met ons te delen. Als ik mijn ogen sluit zie ik meer kleur dan zwart, zie ik lijnen en vormen á la Manzoni die op een doek niet zouden misstaan, maar de gedachten die het beeld vormen razen voort tot in lengte der dagen, tot aan de einder en weer terug. Dinsdag gaat de knop om.

Er is geen wolk meer te bekennen.

Uncategorized

De cirkel is rond.

Mijn armen schrijnen een beetje. Ik ben gisteren toch verbrand, ondanks het omzichtig laveren in de schaduw. Het kwam door de brandnetels, die eigenzinnig met hun wijdvertakte netwerk onbeschaamd de overhand hadden genomen. De tuin had een tijd mijn toewijding moeten missen, dat was wel duidelijk. Hard aan de slag en sleuren aan de wortels, schrepel in de hand. Elke kuil wordt gevuld met dat trage gevoel van weemoed, dat de overhand dreigt te nemen. Stukje bij beetje kalft het af, mijn hart wordt lichter als er ruimte ontstaat tussen de woestenij in.

022

Noël komt langs en vraagt om het droge gras dat die ochtend bij elkaar gemaaid is. Het wekt verbazing, wat moet je ermee. Hij wil het tussen de aardappelplanten strooien, het houdt het vocht vast en er gebeurt wat met de aarde, wormen woelen het beter los. Dat is een mooie manier. Even filosoferen met deze rasechte tuinliefhebber over dit hergebruik en hoe je gewassen als onkruid naar je hand kan zetten, door er iets goeds uit te halen.

Hij vertelt met glimmende konen over een methode van natuurlijke bemesting. Iets in de trant van ‘If you can eat it, beat it’. De Japanse microbioloog Masanobu Fukuoka (1913-2008) had na een ervaring van verlichting de natuurlijke landbouw omarmd en uitgewerkt, hij gebruikte geen enkel ander middel dan de natuur zelf om groei te bevorderen of onkruid tegen te gaan. De gewassen die hij niet in zijn tuin wilde, transformeerde hij door middel van de vergisting met water tot digestaat, een soort meststof. Wat een mooi verhaal en wat een prachtige manier om de natuurlijke kringloop in het postzegeltje tuin bewaarheid te maken.

Masanobu Fukuoka. Foto Wiki.

Bij mij lijkt het eerder andersom te werken, ‘If you can beat it, eat it’. Kleefkruid, zevenblad, brandnetel, het is allemaal te eten. Vooralsnog ligt het op de allengs uitdijende composthoop en is de ringslang onder de pannen als hij lekker lui ligt te zonnen voor zijn riante villa.

123Groot hoefblad. Ets.

Met elke schraap boort de schrepel zich voortvarender een weg naar de diepte. De dikke knoestige wortelstokken van het groot hoefblad, ook al een erfgoed van mijn lieve buurman, klauwen zich vaster in de grond dan ik trekken kan, ze halen de angel uit mijn woede om het onrecht, de blauwe vergeet-me-nieten ertussen verzachten het en vragen om  zorgzame aandacht en geduld. Uitgraven dan maar, het brengt gedachten in balans.

De Amandel is na het omver halen van de grote iep haar troost gaan zoeken bij buurvrouw Pruim en helt vervaarlijk opzij. Als ik vervolgens aan de stam ga hangen hoor ik een droge knak. Boven mijn hoofd staren haar bladeren me verwijtend aan in een wonderlijk krullend rood. Ze is wel heel erg aangedaan, die tante Amandel.  Ze schreeuwt om schimmelverdelger, maar dat hoeft niet als ze de juiste buren krijgt, leert Masanobu mij. Dat blijken dan weer Knoflook, Oost-Indische kers en Mierikswortel te zijn.

014.JPG

De dunne benen van de appel zijn langgerokt en moppert zich ook een schimmel, maar anders dan de Perzikkrul bij tante. Daar ga ik straks mijn wandelende biotoop voor raadplegen, hij heeft me in hele korte tijd al prachtige inspiratie bezorgd om nog duurzamer om te gaan met onze rijkdom op dat grote presenteerblad dat aarde heet. Het is niet langer ‘Verdeel en heers’ maar ‘Leven en laten leven’ op de manier van die zachtaardige Masanobu. De cirkel is rond, wat een mooie gedachte.

 

 

Uncategorized

De engel met de gouden handen.

Er loopt op school een engel rond. Hij heet Mo en heeft zijn vleugels verstopt onder een gifgeel jasje van gemeentewerken. Als je hem niet kent, dan zie je zijn grote gave nauwelijks, want hij pocht nooit over wat hij aan bergen verzet. Het zijn niet de lichtste klussen die hij aanpakt en ook niet op de meest makkelijke tijden. Zelden zie je hem in rust, want naast de school heeft hij ook nog eens een jong gezin met vier kinderen en een lieve vrouw. Daar loopt hij ook het vuur voor uit zijn sloffen.

Naast het werkgebied van het schoolplein heeft hij door de loop der jaren heen ook de verantwoordelijkheid op zich genomen voor heel kinderrijk IJsselstein. Hij zorgt ervoor dat het vuil wordt geruimd, de paden toegankelijk blijven en de speeltuinen veilig zijn. Helemaal speciaal is dat hij daar nul komma nul centen voor krijgt. De lieverd doet dit geheel onbezoldigd. Het is een held.

foto van Moking Bardai.

Overal waar hij  langs gaat, valt het licht in of schijnt de zon. Ineens zijn de heggen aan kant of is er een boom gesnoeid, zijn de prullenbakken geleegd, is er een compostbak gemaakt en nu heeft hij helemaal eigenhandig de moestuinen van school weer hersteld. Ze waren door vandalen in de vakantie vernield. Geweldig. Naast dat alles is het een bescheiden man. Hij waart rond. Dat maakt hem ook de engel. Hij is de man met de gouden handen. Zijn kijk op klussen is anders dan wat de gemiddelde Nederlander voor ogen heeft, maar daardoor is het uniek. Ik hou van mensen met zo’n eigen filosofie op het leven.

In zijn eigen leefomgeving helpt hij alle oudjes en alleengaanden, onderhoudt de tuinen, wisselt de ene dienst tegen de andere uit. Hij heeft een derde zintuig voor problemen en lost ze niet alleen praktisch op, maar ook moreel. Het luisterende oor is er wel, maar wordt gelardeerd met een spraakwaterval van formaat. Als hij praat, moet je zelf ook doorgaan met de bezigheden, want voor je het weet ben je een uur verder. Het maakt niets uit.

Ik heb het voorrecht mogen genieten om alle drie zijn dochters in de groep te krijgen. Het zijn stuk voor stuk kunstenaars in de dop. Ze hebben gevoel voor vorm en kleur en kunnen fantastisch tekenen en schilderen. Net als hun vader leggen ze hun hele ziel en zaligheid erin. Dat is wat hij heeft meegegeven als belangrijke levensfilosofie. Als je iets doet, ga er dan voor de volle honderd procent voor. Dat doen ze. Elk werk wordt aangepakt en alles wordt tot het einde toe volbracht.  Wat hun vader in woorden schetst, vatten zij in beelden samen.

049

Vorig jaar werd de buurt opgeschrikt door een liquidatie overdag en op straat midden tussen de spelende kinderen. Het merendeel zat bij ons op school en het gonsde van de geruchten. Hij was ontdaan, want zijn kinderen hadden alles gezien. We spraken erover in de kring en werkten erover in het tekstschrift. Alles wat er gepasseerd was kwam minutieus langs, tot in detail uitgevoerd. Het verhaal hoefde er niet eens bij, want het was overduidelijk wat het met hun eigen beleving gedaan had.

Allen kennen de essentie van het leven. ‘We zijn er met z’n allen om elkaar te helpen.’ De verrijking zit diep van binnen met de voldoening die het oplevert om een ander gelukkig te zien. Daarom moet er een zon op. Hij is een lichtend voorbeeld van hoe het leven zou moeten zijn. Mo, de engel met de gouden handen.

Uncategorized

Afscheid nemen is opnieuw beginnen

Het is Hemelvaartdag en eigenlijk moesten mijn voetstappen voorzichtig de eerste nevelen verdrijven. Ik was om vijf uur al buiten om mijn balkongroen liefkozend toe te spreken, nieuwe bloemen te begroeten en wat dode takjes weg te halen. Het gemoed is bezwaard. Gisteren de hele avond en vandaag weer. Het komt door Teun en al mijn andere duizend doden, die te jong op reis zijn gegaan en waar afscheid onherroepelijk bij hoorde.

Hemelvaartdag is bij uitstek geschikt om wat boodschappen naar ‘boven ‘te zenden of met gedachten te blijven steken op herinneringen, die warm en liefdevol op blijven flakkeren door de hoopvolle vlam, die ooit ontstoken is door zo’n dierbare dode, ergens diep van binnen. Straks ga ik naar de tuin, daar wonen ze het meest. Mijn moeder waart er rond in de akeleien, die ze ieder jaar weer laat wandelen naar een nieuwe plek en in de prikneuzen, die ik zo noem, maar die anders heten en alweer kom ik er niet achter hoe. Mijn lieve vriendin hangt er als een zwaluwnestje aan de muur om kleine koolmezen in te laten nestelen en mijn grote dichter Vasalis staat er als appelboom met twee dunne stammetjes, ooit van de kinderen gekregen.  Mijn ouderlijk huis trekt krom in de Amandel. Allen vind ik terug in het afsterven en ieder jaar weer opnieuw beginnen. Afscheid nemen opent nieuwe deuren.

Ik heb ze de laatste weken wat verwaarloosd. Dat had te maken met het werk op school en de onrust die daar ontstaan is doordat er ruim baan gemaakt wordt, deze maanden, om er een andere school bij in te laten trekken. Samen vormen ze straks een school met een totaal nieuw concept. Alles staat in het teken van afscheid en vernieuwen. Hier vallen dit jaar mijn laatste voetstappen. De nostalgie slaat nu al een beetje toe met golven van weemoed. De laatste portfolio’s, de laatste experimenten, de laatste opgetogen Jenaplan ontdekkingen, het laatste eindfeest, dat ik niet mee mag organiseren en ik kan wel raden waarom niet. Het is goed, want ik heb er precies 25 jaar Jenaplan opzitten en zit boordevol met nieuwe ideeën.

Daarom moet ik in de tuin zijn vandaag. Liefdevol het lange gras maaien, het onkruid beteugelen, genieten van wat groeit en bloeit , de ringslang ontdekken, de broedse eenden in de piepkleine vijver, de bijenzwermen in de kasten, vlinders en boomklevers, de kieviten boven de weilanden en het aangelegde park, de ooievaren en mijn grote vriend André, de vader van de vier, die als een machtige havik hoog boven in de lucht zijn vleugels spreidt.

De laatste zonnebloemenstekken, die in het kleine kastje van de buurman staan te pieren moeten nodig de grond in, evenals de laatste lathyrusplantjes, als ze nog tot wasdom willen komen. Mijn huis kraakt onder ouderdom en krabt haar rimpels weg met afbladderende verf. Ze was eens een voorbeeld bij uitstek van een nieuw begin. Als oude schuur in Driebergen uit elkaar gehaald en opgebouwd door broerlief met hulp van de hele familie werd het een lieflijk atelier. Bijna tien jaar zond ze warmte uit en de juiste vibraties vol van inspiratie voor mooie nieuwe verfstreken op het hagelwitte doek.

Nu moet ik sparen voor een nieuw onderkomen. Aangevreten door de woelmuizen helt haar vloer over, wankelen de meubels en kreunt haar dak. Ze verdient het, misschien neem ik de ramen mee, haar nokraam dat zo ingenieus door mijn broer erin is gewerkt, de openslaande deuren wellicht, in ieder geval de lichtwieren door de witte opbollende gordijnen er voor en de prachtige kleine zwarte  kachel. Een nieuw begin voor haar en voor mij, voor mijn dierbaren daar in die tuin.

001-001

Er is altijd een nieuw begin,  zonder en toch ook weer mét, voor ieder die afscheid moest nemen, vroeger, gisteren, vandaag, straks. Verloren gewaand komen ze terug op eigen tijd en in eigen uur en onmiskenbaar zul je elkaar omarmen. Afscheid nemen is opnieuw beginnen. Anders, maar onherroepelijk samen.

Uncategorized

Alleen dode vissen zwemmen met de stroom mee

In 2003 stapte Teun bij mij de groep in. Lieve Teun, die ik al kende van een stage in de bovenbouw en met wiens komst ik oneindig blij was. We konden samen meters maken in het sparren over Jenaplanonderwijs in het algemeen en het individuele kind in het bijzonder. Teun vond het uniek, dat het de gewoonste zaak van de wereld was om kinderen een knuffel te geven of te troosten. Het was de tijd van het grote taboe. Hoe kan je van kinderen houden als genegenheid stokt op de getrokken grenzen van de angst.

Teun was op de fiets vanuit Maarsen gekomen en zijn grote lijf parelde kleine zweetdruppels van de inspanning, maar trots en met een brede glimlach haalde hij omzichtig zijn zakdoek te voorschijn en vouwde het open. Daar lag een klein, teer, ongeschonden molletje, die hij onderweg hopeloos dood was tegengekomen. De voorgenomen lessen werden spontaan over boord gekieperd en mol kwam in de kring te liggen, zodat Teun eerst kon vertellen hoe hij eraan gekomen was.

European mole animal.jpg

Nieuwsgierige vragen en het kon niet anders of er moest een les over mol aan vastgeplakt worden. dat betekende, boeken zoeken over het mollenbestaan, informatie van internet afhalen, maar bovenal de observatie. Loep erbij, handschoenen om dode mol te kunnen draaien, en ogen op steeltjes. De verwerking in prachtige tekeningen kwam later. Teun overwoog nog even of het niet interessant zou zijn als we de binnenkant konden bestuderen. Maar snijden en dieren was voor onderbouwers in de leeftijdsgroep 4-6 jaar niet de meest gewenste combinatie, die wilden de zachtheid ervaren, nagels tellen, bekjes opensperren, tanden bestuderen en het darmenstelsel kon er plastisch bijverteld worden. Het werd een boeiende ochtend.

Natuurlijk moest er aan het eind een echte dodenmars gehouden worden. Mol kreeg een prachtig versierde schoenendoos en een heel zacht lapje om op uit te rusten. Daarna brachten we in een lange rij, mol met een kind voorop, terwijl de dodenmars werd geneuried…tam tam tamtam, tam tatamtamtetam en de trommel geslagen, met de aanschuifpas plechtstatig mol naar zijn laatste rustplaats achter het elektriciteitshuisje op het schoolplein. In een halve cirkel namen we afscheid van mol terwijl Teun hielp de eigenhandig gegraven kuil weer dicht te gooien.

Teun is in de mollenhemel, of mol is in de hemel van Teun. Gisteren kwam als een donderslag bij heldere hemel het bericht op mijn tijdlijn, dat hij afgelopen zaterdag was overleden aan een hartaanval tijdens het sporten. Het half jaar dat we samen intensief hebben mogen oplopen, blijft de hele tijd voorbij komen, Vanochtend vroeg bij  het ontwaken ging ik mijn bed uit en pakte het grote dagboek van Kuifje. Waarom ik die moest hebben, bleek al gauw. Het eerste wat er uitrolde was een grote geprinte email van Teun aan mij was. Hij boodschapte me het hele verhaal van de Jenaplan door in zijn dagboekenversie. Zonder hulp had ik het nooit zo snel gevonden.

Daar stonden de zielenroerselen in van een man, die zijn sporen binnen het onderwijs heeft verdiend. Een stagiair die met de grootst mogelijke bezieling voor het onderwijs koos, voor het Jenaplanonderwijs in het bijzonder. Teun schreef de belanghebbende woorden, dat Iederwijs hem het meest na aan het hart lag, maar dat hij er nooit voor zou kiezen omdat de scholen te duur zijn en zich op die manier buiten de maatschappij plaatsen. Dat vormde een absoluut breekpunt voor hem. Goed onderwijs is het recht van ieder mens.

Teun is de Teun van Jibbe in mijn beleving. De grote man en het kleine jongetje, die elkaar filosofisch vonden. Jibbe die nadacht over de oerknal en het bestaan op aarde, die wist dat schelpen zo zijn ontstaan en niet gevonden in Hoek van Holland, zoals Teun wist, maar dat razendsnel verzweeg.  Na die constatering volgde er een les over de grote herkomst van het bestaan en meerdere bespiegelingen konden met het grootste gemak meegenomen worden in het leven van alledag.

‘Alleen dode vissen zwemmen met de stroom mee’, schreef je. Maar dan toch geestelijk dode vissen, Teun. Voor mij zal je altijd de diepe wijsgerige lading hebben, die er voor zorgt dat jouw nagedachtenis voor eeuwig stroomopwaarts gaat.

Uncategorized

Kinderverdriet.

Kinderliteratuur is een hoofdstuk apart, of eigenlijk, juist niet. De Amerikaanse essayist, publicist en schrijver J. B. White schreef in zijn artikel ‘How to write for children’: “Anyone who write down to children is wasting his time. You have to write up, not down.” Kinderen hebben geen behoefte aan een glad gestreken wereld van zoetgevooisde kabbelende verhalen in roze suikerspinnen gedrenkt, maar ze willen heel graag dat er gekeken wordt naar de toppen en de dalen, hun worstelingen met emoties als verdriet, eenzaamheid, onzekerheid en karma.

Ik las dat op een van de brainpicking pagina’s van Maria Popova. Ze haalde als voorbeeld het ontroerende boek van Oliver Jeffers aan. Het is een boek over liefde, verlies en hoop. Hij illustreerde en ving zijn woorden in prachtige beelden, die zelfs zonder de ondertiteling eigenlijk het hele verhaal vertellen, subtiel maar onmiskenbaar.

Bij het lezen vlogen gedachten in eerste instantie weg naar Message in a Bottle, over dezelfde eenzaamheid en de boodschap doorgeeft dat verslagenheid lichter voelt bij de ontdekking niet de enige te zijn met dergelijke gevoelens.

The Police – Message in a Bottle

Just a cast away an island lost at sea-o
Another lonely day, no one here but me-o
More loneliness than any man could bear
Rescue me before I fall into despair-o

I’ll send an S.O.S. to the world
I’ll send an S.O.S. to the world
I hope that someone gets my
I hope that someone gets my
I hope that someone gets my message in a bottle yeah
Message in a bottle yeah

A year has passed since I wrote my note
But I should have known this right from the start
Only hope can keep me together
Love can mend your life but love can break your heart

refr.

Walked out this morning I don’t believe what I saw
A hundred billion bottles washed up on the shore
Seems I’m not alone in being alone
A hundred billion castaways looking for a home

refr.

Dat is wat White bedoelt met het ontrafelen van de echte wereld voor kinderen en niet door die zoete Teletubby Bel als het aankomt op de boodschap die doorgegeven moet worden. Kinderen hebben recht op het juiste referentiekader. Bij het ontkennen van het bestaan van dit soort gevoelens bij kinderen wordt er voorbij gegaan aan hun persoonlijkheid.

Zodra we het in de filosofieles op school over dood hebben, komen achter elkaar de verhalen over lieve opa’s en oma’s die ze missen, maar ook de cavia, de kat, de hond, zelfs het lieveheersbeestje. Dan kunnen er spontaan tranen vloeien of is er die vleug van verzachting, die over de gezichten heen trekt als ze aan een mooie herinnering denken.

In het boek The heart in the bottle begint het leven als een sprookje. ‘Once there was a little girl’. Ze is een gewoon klein meisje met honderd vraagtekens, zoals elk kind die kent. Haar vader laat zich mee voeren en voedt haar nieuwsgierigheid met een groot aantal boeken over de fascinerende wonderen der natuur. Geen zee is te hoog en geen ster is te ver.

Een paar illustraties verder staat het meisje voor een lege stille stoel. Niet alleen speelt Jeffers met het beeld maar ook met het licht en de schaduw, die de eenzaamheid versterkt en voelbaar maakt. Dat is de grote kracht van het boek. Alles wordt vooral tussen de regels door gezegd en getoond en de woorden maken ruim baan voor de beleving.

Het omgaan met dit verlies is voor volwassenen al zwaar, laat staan voor een klein meisje. Ze kan het ook geen plek geven en besluit om haar hart op te bergen op een veilige plek door het in een fles te stoppen, die ze om haar nek hangt. Zo voelt ze de pijn niet meer. Later blijkt dat in diezelfde koude stroom ook haar liefde voor het leven verdwenen is.

Ze vergeet alle mooie verhalen van haar vader en de schoonheid om haar heen. Bij een wandeling op het strand als volwassen vrouw komt ze een klein meisje tegen dat overloopt van nieuwsgierigheid naar het leven en alles wat dat vertegenwoordigt. De afgevuurde vragen brengen haar terug naar het kleine meisje in haarzelf, naar alles wat ze verloor, toen ze haar hart pantserde tegen het verlies. Als ze dan het hart wil bevrijden ontdekt ze dat het glas zich heeft gehard en nauwelijks te slechten valt. Alleen een kinderhand kan het bevrijden. Het hart valt op haar plek en de stoel is niet langer leeg en eenzaam.

Het is een prachtig verhaal met een mooie boodschap, die kinderen moeiteloos aanvaarden en begrijpen. De angst dat dergelijke emoties tere kinderzielen zou beschadigen wordt er door te niet gedaan. Alleen al de schoonheid van woord en beeld is een verrijking.

Er is ook een interactieve app, waardoor kinderen het boek in kunnen en de beleving kan worden aangevuld met hun eigen ideeën en gevoel.

De schoonheid en de intensiteit van het boek blijft prefereren, vooral door de mooie dichterlijke manier om het verlies en het buitensluiten van het gevoel een podium te geven, of het nu om de kat, de cavia, de oma of de vader gaat. Kinderverdriet verdient een volwassen benadering met alle rafelranden en de hoopvolle weg van de eigen keuze, die te allen tijde kan worden bijgesteld.

Uncategorized

De taal en haar Muzen.

Gisteren kwam in een dertien in een dozijn serie deze mooie zin voorbij. ‘De tijd bevriest als je weg bent’. Meestal kunnen dat soort series rekenen op een versnipperde aandacht. Zo’n blik voor af en toe op de ondertiteling geworpen. De oorspronkelijke Engelse versie heb ik daardoor gemist. Op een dag kan zo’n opmerkelijke volzin langszij komen en als je er op gespitst bent, worden ze betekenisvol. Ik zette het weg op de laptop om door te sudderen en er later weer wat mee te doen.

De schoonheid van taal is gratis en voor iedereen toegankelijk, maar niet door iedereen begrepen. Sommige zien het gewoon als functioneel. Niet meer dan dat. Je hebt niet per se volzinnen nodig. Dat kan als ballast worden opgevat. Gezwollen taal, overdreven, ouderwets. Mijn hang naar woorden  is er van jongsaf geweest. Daar word je niet mee behept, maar mee geboren. Daarna is het belangrijk dat het gevoed wordt.

Mijn moeder nam ons al vroeg elke week mee naar de kleine huisbibliotheek in de Elsstraat. Het was een gewoon rijtjeshuis, niet groter dan het onze. In elke kamer kon je liefkozend langs de ruggen van de boeken lopen, die netjes in het gelid stonden te wachten op nieuwsgierige en leesgrage bewonderaars. De wandkasten waren tot aan de nok toe gevuld. Mijn moeder werd zacht, rond en blij van boeken. Het was een hele andere vrouw dan degene die de was stond te doen en met een verhit gezicht en rode handen en onderarmen de wasketels op het vuur had staan, of lakens eruit stond te vissen met de grote houten stok. In dat vriendelijke bibliotheekje vond ze, tussen de dagelijkse beslommeringen, zichzelf terug. Het betekende een praatje voor de vaak met de vrijwilligers die de toko onder beheer hadden en veel, heel veel woorden om haar grote leeshonger te stillen. Elke week gingen er nieuwe boeken mee naar huis, die op een stapeltje onder handbereik kwamen te liggen.

009

Zodra ik de sleutel had ontcijferd die losse letters tot woorden smeedde, kroop ik weg in een andere wereld, de buitenluiken hermetisch gesloten voor de alledaagse geluiden van buitenaf. Iedere avond spon ik me in in een eigen cocon van taal. Overdag kon dat ruw verstoord worden omdat er geholpen moest worden in het huishouden, maar zodra ik in bed lag, behoorde de tijd aan mij.

Gisteren merkte zuslief op, dat de Franse taal toch wel de mooiste van alle talen was. Onnadenkend beaamde ik dat. Het is niet waar. Iédere taal heeft een eigen schoonheid. De zangerigheid van het Farsi bijvoorbeeld, met haar beeldtaal en volle klanken, vond ik prachtig. Het schrift was ontoegankelijk, maar naar haar melodie kon ik uren luisteren want in ieder woord school een gedicht. Aan de Noord-Germaanse talen werd vroeger nauwelijks aandacht besteed. We kwamen niet verder dan een tip van de sluier tijdens de geschiedenislessen van de heer Wieman, waar Wodan en Thor het lieten donderen in hun meeslepende hellevaart. Er stonden indrukwekkende gravures van woeste Vikingen met vlechten in de boeken, waarin soms een deel van de saga was opgetekend, die de wonderlijke tongval die strijdbare lading meegaf.

https://decorrespondent.nl/6248/hoe-een-syrische-tiener-de-schoonheid-van-de-nederlandse-taal-ontdekte-op-haar-tiende-school/416354224-4f714715

Elke taal heeft haar schoonheid, zoals de onze die kent. Ze zijn verschillend maar nooit verstoken van hun eigen muzen. De jonge Syrische Salaam had eerst een jaar onderwijs genoten om de Nederlandse taal te leren, vijf keer wisselde ze hier al van school hier. Op de laatste school kreeg ze een docent Nederlands, die haar hielp om van de taal te houden en bovendien de hekel die ze aan de taal had opgedaan in de schakelklassen wist weg te poetsen. Hij sprak woorden die haar rechtstreeks raakten in haar hart.

De schoonheid en lyriek, die rijkdom is alleen te vertolken als je haar hebt binnengesloten en eigen gemaakt als een wezenlijk onderdeel van het bestaan. De taal en haar Muzen laten zich grenzeloos door ieder lezen die er betekenis aan geeft.

Uncategorized

De roep van de Zurna.

Gisteren was ik op een Turks Henna-feest. Ik was zwaar underdressed. Make-up au naturel, haren in de bekende waaistand, geen blingbling in oren, rond de hals, om de polsen. Lange mouwen, hooggesloten met een katoentje als hes erover, zwarte broek én…platte schoenen. Hele platte schoenen. Het was twee uur rijden geweest, dus ook nog verfomfaaid, want geen in de plooi vallende polyester.

014

Het maakte niet uit voor de mensen die ons ontvingen, maar ik voelde me niet op mijn gemak. Als een stijf muurbloempje, schuchter als een bakvis, voelde ik mijn ruggengraat met de minuut verkrampen. Eten halen moest, naar het toilet moest, dansen moest maar alles ging star en beschaamd.

Wel was er veel te zien. Ik keek mijn ogen uit. Eigenlijk wist ik het van de feesten en partijen van de vader van de jongste zoon. Lange warme zomernachten op een Iraanse bruiloft met alle toeters en bellen. Daar voelde ik me evenmin thuis. Hoe leer je te zwemmen als een zoetwatervis in de zoute zee. 

Ik dagdroomde boven de bling en al het rode nylon uit, liet de raki links liggen en nipte aan wat witte wijn, terwijl de rode gloed van de avondzon en de glooiende velden lokkend en verleidelijk de stilte verbeeldden.

De zanger van het ensemble probeerde hardnekkig de aandacht te trekken met dwepende Turkse klanken, maar zijn woorden stegen bij mij onbegrepen op, terwijl er geapplaudisseerd werd en de taal van de bergen klonk als een vrouw haar luide roep van verbondenheid er door heen weefde.

Opeens klinkt er vanuit het niets de droge harde scherpe klank van een Zurna, schel en hard slaat het blikken geluid van de dubbelriet volkshobo recht mijn hart in en roept me wakker. De zaal opent zich en ik sta in de vroege ochtenddauw in een grote kring voor de tenten in een weiland te Vierhouten. Middenin die enorme kring staat Ersin Ozan en beroert de Davul, terwijl zijn vriend de Zurna laat snerpen. Massaal laten meer dan honderd mensen zich meeslepen door de opzwepende klanken en dansen we, velen nog in nachtkleding met verwarde haren, de zoete dromen weg.  Voeten kunnen niet stil blijven staan bij het lokkende ritme.

Ineens stonden we in  dezelfde lange rijen, mijn katoentje en ik en de hele Turkse gemeenschap en viel alles van me af. De voeten dansten de ritmische beweging, de pinken ineengestrengeld, een zwaaisjaaltje in de hand. Als een vreemde eend in de bijt maar met dezelfde grote glimlach op mijn onopgemaakte toet, tussen al het klatergoud en felle kleuren volgden mijn hele  lijf enthousiast de dwingende klanken. Als de Zurna speelt, valt er geen woord meer te kletsen, dan praat je met hart, hoofd, handen en voeten.

Bij het versnelde gedeelte speelde de warmte parten, maar bij het kijken naar de voeten, sommige op onmetelijke hoogte, vertoefde ik weer in het verleden. Bulgarije, Koprivstitsa in 1990 om precies te zijn, dezelfde roep, dezelfde klanken, tegen het glooiende landschap op en de hele Bulgaarse bevolking die, in klederdracht, vanuit het dorp de heuvels inliep om een groot volksdansfestijn te houden. Twee culturen die zoveel met elkaar gemeen hebben. De Turkse Hora is ook die Bulgaarse Pravo Trakiisti Horo die, met een lang lint van blijde, lachende, dansende mensen, de heuvels en de straten verbond.

Het feest is de beleving, verbroedering en verzustering ten top. Grenzen vervagen, heden, verleden en toekomst laten zich aan elkaar smeden en dat alles door de aard van de muziek, door die schelle, hartveroverende oerklank. De roep van de Zurna!

Uncategorized

Heilige Antonius.

Ik had gisteren bepaalde wachtwoorden nodig om in te kunnen loggen op een paar accounts. Met mijn vergeethoofd en de duizend en een verschillende wachtwoorden en gebruikersnamen heb ik op een geheime plek het een en ander vastgelegd. De schrik sloeg me om het hart toen gisteren mijn ‘geheime plek’ niet meer op de gebruikelijke plaats, waar ze al jaar en dag lag, te vinden was. 125Hier niet dus!

Met de speurogen op scherp zocht ik alle kasten af, tuurde langs ruggen van boeken, in manden, in mappen, maar het was en bleef weg en op geen enkele wijze ging er een licht branden. Dagen daarvoor had ik de kamer rigoureus opgeruimd. Alles wat teveel ruimte innam had ik opgeruimd, de extra ballast die maar plaats bleef innemen in het hoofd naar een passende locatie verbannen. Eindelijk stond alles netjes en ordentelijk. Door de gedrevenheid en de voortvarendheid waarmee ik aan de de gang was gegaan was de geheime plek onbewust naar een andere plaats getransporteerd. Ik zocht beneden en boven en nergens was er een spoor te vinden.

Er zat maar een ding op. De Heilige Antonius moest worden aangeroepen. Mijn moeder deed dat als er in het grote huishouden van 13 personen iets als sneeuw voor de zon verdween.  ‘Heilige Antonius, beste vrind, zorg dat ik mijn …..weer vindt’. Ik had de woorden nog niet uitgesproken of er viel me een lumineus idee in. Het was natuurlijk te vinden in het allerkleinste kastje, omdat het zich al jaren vermomde als de dingen die daar in terug te vinden waren. Het is trouwens heel lastig om niet te mogen beschrijven hoe de geheime plek er uitzag, maar dan zou het gewoon een plek zijn. Niet handig en niet raadzaam.

Er is een tijd geweest op school onder het vorige bestuur dat alles in het geniep werd bedisseld en besloten. Er werden met mensen gesprekken gevoerd en alles moest onder ‘embargo’. Dat woord wekte ten leste rode vlekken op in ieders nek. In een vriendschappelijke en gemoedelijke sfeer sloop ineens wantrouwen naar binnen. Naar dit bedisselende bestuur toe maar ook, en dat was funest, naar collega’s onderling. Toen de eerste tekenen van achterdocht zich in het openbaar begonnen te vertonen, braken we als team de boel open en besloten om in samenspraak te blijven met elkaar. Embargo of niet. Niet langer wilden we naar de pijpen dansen van een bestuur waar de cijfers regeerden en voorbij werd gegaan aan het feit dat er achter elk aantal FTE’s mensen schuil gingen met verwachtingen, kwaliteiten, inzet en trouw. Tot op de kleinste procenten werd ingedamd en geschoven. Wat bleef was het feit dat we gedwongen werden keuzes te maken, die voor ons kleine schooltje onherroepelijk de teloorgang inluidde. Vernieuwing en vooruitgang snelden de goede oude Jenaplanprincipes voorbij, we waren het lelijke jonge eendje in de bijt. Onderwijs dat niet meer begrepen werd en alleen op resultaten werd afgerekend.

Het zij zo. Tijd voor vernieuwing. De handel in geheimen is niet lucratief. Nou ja, bijna niet dan. Die van de geheime plek hou ik maar liever geheimen alleen voor mezelf en voor niemand anders, zelfs niet voor de website ‘Geheimen van Nederland’. Die bestaat. Echt waar. Als je erover praat ben je de helft van de zorgen kwijt, maar ik in dit geval mijn wachtwoorden. Als ze in het hoofd hadden gepast had ik ze daar bijgeschreven, maar helaas, de cellen werken traag als stroop. Dus liggen ze ergens en soms raak je ze kwijt. Dan is er altijd nog die vertrouwde heilige Antonius. Probeer maar. Het werkt!

 

 

Uncategorized

Kabouters en zo.

De woningbouwvereniging komt zo. Ze komen kijken naar een groot lek op zolder, dat er al zeker een jaar zit. We hebben al twee keer gebeld. Ze zouden het repareren als er een hoogwerker in de buurt moest zijn. Het lek heeft in de zolderbedekking een grillige vlek geslagen, waar menig materie-kunstenaar jaloers op zou kunnen zijn. Zo au naturel maak je ze niet zo gauw. Er zitten spinnenwebben in, grillige mengvormen, koppen a la Buffet, grotschilderingen, mensfiguren tezamen met de druipgrotten van Han door de afvallende schilferingen, die aan draden blijven hangen.

Het ruikt naar nostalgie, een stuk verleden. De oude kelder van de Amandelstraat komt boven drijven, de meisjesschool aan de Boerhaavelaan, de schuur achter het huis met zijn kolen, de kelders van school waar oude kranten in bundeltjes opgeslagen lagen te wachten tot er voldoende verzameld was, maar bovenal ruikt het naar onze oude kabouterhut achter de Monica kerk.

Zodra daar de deur openzwaaide en je als kind de drempel overstapte werd je een andere wereld ingezogen. Die van de mogelijkheden en de maakbaarheid. Daar in die kleine blokhut, die geurde naar vochtige aarde hadden we onze eigen wonderland, de kleine prins woonde er en Eric en zijn hele insectenboekje, Alice huppelde er in het schattige bruine kabouteruniform rond, maar ook Knikkertje Lik rolde binnen tussen alle regels door. Dunne kinderstemmen werd een krachtig koor als we ‘Luid zing ik uit’ zongen. De tekst ligt nog altijd heimelijk opgeslagen achter een van de deuren in mijn hoofd.

Luid zing ik ’t uit,
mijn blij kabouterlied.
Hoe ik eerlijk steeds speel,
me bij het werk niet verveel
en van iedere wand’ling geniet!

‘k Lach elke dag,
de zon behoort aan mij.
Maar al maken we ook pret,
we zijn trouw aan de wet,
we zijn de hoop van de gidserij!

Kom naar buiten om te stoeien,
naar het bos, of naar de hei.
Waar de bloemen bont,
staan op groene weide grond,
en de wind vertelt van zo menig sprookjesheld.

Waar de vogeltjes ons wachten
en de bomen ruisend staan,
daar gunt ons de lust tot werken geen rust,
Kom, PAK TOCH AAN!

Alles was van hout, de kleine ronde tafels met de ronde banken eromheen, de schappen, de kasten, de houten bril van de wc. Alles wat van oorsprong een eigen geur had, werd ingelijfd in die aardsheid. Het bruine uniform, de blouse, de petjes roken allemaal naar de gewijde grond van het kabouterbestaan, waar Rea Klarenbeek de scepter zwaaide. Trouw aan de wet betekende een onvoorwaardelijke liefde voor haar, die zich eeuwigdurend zou nestelen. Twee vingers aan de pet en onze onschuldige blauwe ogen die in haar trouwhartige Rea-bruine brillekijkers werden weerspiegeld. Zij was de rots in de branding, een wandelende vraagbaak, het doekje voor het bloeden, de goede raad en daad, de vertrouwde have. Zolang zij in de buurt was, was geen zee ons te hoog en geen grot ons te diep. We gingen voor haar door het vuur. Rea Klarenbeek was meer nog dan de moeder aller moeders, ze was een godin in een reuzen kabouterpak.

IMG_1468.JPG

Speurtochten, die achteraf niet meer behelsden dan een vierkante meter bos, werden onder haar bezielende leiding een woest woud met reuzenspinnen en kobolden, ridders en toverkollen, misvormde aardwezens, de roep van de galvogel klonk mistroostig en zorgde voor zwijgende stilte, terwijl het hout onder onze voeten met droge tikken knapte. Altijd overwon het goede het kwade en altijd ging de mate waarin de spanning opgevoerd werd, voorbij aan tere kinderzieltjes. We leerden snel.

De man van de woningbouwvereniging is inmiddels geweest. Hij keek erg mistroostig naar het lek en begreep niet dat het al twee keer gemeld is zonder actie. Ik moet binnen twee weken weer bellen als er nog niemand geweest is. Dan gaan ze het dak slechten en weer opbouwen. Kan ik schaamte-vrij iedereen weer op het atelier ontvangen, reukloos en fris. Alleen ik weet nog waar de geheimen uit mijn jeugd zich schuilhouden, gelukkig maar.

 

 

Uncategorized

De mantel der liefde.

Gisteren hebben we weer geschilderd, nee geboetseerd, geduwd, getrokken aan de beelden in ons hoofd of het beeld dat ontstond door het samenvallen van verschillende aspecten binnen het proces van de materiekunst. Ik heb de foto’s ingeladen en ten toon gesteld en onmiddellijk zit het lijf weer in de uitputtingsslag die ik gisteren voelde en waar ik mee naar bed ben gegaan.

Slapen was er niet bij. Alsof elke vezel door sidderde en probeerde de beelden op het netvlies te plaatsen. Ik schoot in een onrustig dromen en het spinrag dat ik in het laatste werk had toegevoegd die avond, lag er als een film, uitvergroot, overheen. Het was een wonderlijke droom, zoals de wereld op dinsdag wonderlijk is nu we met materiekunst bezig zijn en diep de materie induiken. Letterlijk en figuurlijk. Hoe kan een mens op een dag vier werelden betreden en het voor lief nemen. Daar moet je uitgeput van raken.

 In de wereld van mijn groep kabbelt het voort. Daar heb ik alles onder controle en weet ik precies wat me nog te doen staat. Buiten de groep, in school zelf, is er veel ongewis, nu we van de ene naar de andere fase gaan. Vernieuwing en vooruitgang gaat altijd gepaard met voetangels en klemmen. Water bij de wijn en voort is het motto. Schouders eronder en in mogelijkheden denken, maar hoe verschilt die wereld van mijn vroege ochtenduren, waar de merel haar zalvende tonen fluit, onbekommerd. Het leven gaat voort, luister naar mij, ik fluit nog precies hetzelfde als zestig jaar geleden, honderd jaar geleden, eeuwen geleden.  Hij heeft gelijk. Het brengt een fluïdum aan rust en valt, net als het spinrag van de nacht over me heen. Een mooi begin van een nieuwe dag.

Jaren geleden, eeuwen geleden, nee jaren slechts, las ik de mei van Gorter. Een nieuwe lente, een nieuw geluid, ik wou dat dit lied klonk als het gefluit… Het was een jongen, die noeste werkers deed glimlachen bij het horen van zijn trillers die de stilte verbrak. Iedere keer als ik de merel hoor, denk ik aan dat gedicht. Een andere wereld door een associatie bij een gedicht. Zo werkt het denken . Als de geest onrustig is door de belevenissen van de avond ervoor, zoekt ze de rust vanzelf op. Niet voor niets viel in de droom het witte fijne spinrag als een film over de gedroomde werkelijkheid heen. Je moet het bedekken met de mantel der liefde, was vroeger de goede raad van deze of gene tijdens een verjaardagsfeestje of een zondagochtend visite. Als kind verwonderde ik me daarover. Er was nooit een mantel te zien.

033

Als ik naar mijn tintelende handen kijk, nog steeds ondanks een nacht verwerking,  met de vette rivierklei onder de nagelriemen en ik voel mijn verkrampte spieren, dan schiet het weg op het moment dat ik de foto’s inlaad in de computer. Niet iedereen zal begrijpen, bij het zien van die beelden, hoe het is om in het proces te duiken en deze materiekunst te maken. Men zal vertwijfeld zoeken naar de schoonheid van een plaatje die niet af te leiden zijn uit de grimas van de dame op het doek, de schaterlach, haar naaktheid, de oervorm, die van de dromen, die van de woorden, die van gedachten die vrijuit gaan en stromen en zich laten leiden door de weg die op dat moment ongewis voor je ligt. Experimenteren, ontdekken, ervaren en zeeën bevaren, het nieuwe omarmen en bedekken. Juist ja, met de mantel der liefde en dan schoonheid zien.

Uncategorized

De roep van Kairos

De tentoonstelling ‘Tussentijd’ in museum Voorlinden is geïnspireerd op het werk van de filosoof en romanschrijver Joke J. Hermsen, die het boek: ‘Stil de tijd’ schreef, met als ondertitel: Pleidooi voor een langzame toekomst. Na het lezen van een interview met deze filosofe in het NRC-handelsblad door Arjen Fortuin (28-07-2010), wil ik nogmaals naar de tentoonstelling, om het vanuit die invalshoek te bestuderen. Wat zijn de overeenkomsten en verschillen, waar valt het tijdloze, de verstilling van de tijd, samen met het pleidooi.

Een paar dagen geleden haperde mijn iphone een aantal malen, totdat hij zich zondag in een permanent en hardnekkig zwart stilzwijgen hulde. Zoonlief verving gisteren de batterijen, maar zwart bleef het antwoord. Het zwarte gat, de leegte, de ruimte die het met zich meebracht was voelbaar op alle fronten. De tijd die ik samen met mijn iphone doorbracht op een dag, viel stil.

De interviewer had een punt toen hij aangaf dat Joke pleitte voor een leven dat niet gedomineerd werd door de klok, maar dat ze wel de agenda’s hadden moeten trekken om een gaatje te vinden. Ze vertelde hem dat het makkelijker was in de maanden dat ze in Frankrijk of Italië vertoefde en alles wat maar een lijntje heeft met media vermeden wordt. ‘Radiostilte’ zou men vroeger zeggen. Geen computer, geen televisie, geen radio en dus ook geen telefoon. Ik ben al aardig op weg. Een buitenlandse taal, die je niet helemaal beheerst maakt het ook makkelijker om je af te sluiten. Onder die omstandigheden is er ruimte voor de tijd die je ervaart en niet ondergaat, zoals bij kloktijd het geval is.

132.JPGKoen Camp: Wait. (2009) Detail, museum Voorlinden.

Als er geen connecties meer zijn met de digitale buitenwereld overdag, als men verstoken is van de controlemomenten op de Iphone, het even checken op Fb, twitter, nieuws, apps, telefoon, klok, zoals me nu overkomt, houden we zeeën van tijd over. De langzame tijd, de tijd voor jezelf, vanwaaruit nieuwe en inventieve ideeën geboren kunnen worden, niet langer beheerst door druk van buiten af, maar ingebed in verinnerlijking krijgt ten volle de kans, mits er geen andere factoren zijn die aan de panden van de jas trekken.

Tijdens het werk heerst de kloktijd. Alles is ingedeeld in tijdschema’s. We leren kinderen al vroeg dat structuur en orde zo werkt. Als je weet waar je aan toe bent, geeft het meer zekerheid, wordt daar mee gezegd. De vraag is of dat daadwerkelijk klopt. Is het niet veel belangrijker voor kinderen om te leren luisteren naar hun eigen innerlijke tijd. Ik ben geen voorstander van opgelegde indelingen via uitgebreide schema’s. Het is een gevoelskwestie, maar onmiskenbaar aanwezig. Ik ben geen mens van de klok, maar om een organisatie te leiden moet je structuur bieden en dat doe je met een tijdschema. Dat daardoor andere gevoelselementen in de knel komen is een belangrijk deel van wat als werkdruk ervaren wordt tezamen met de bijbehorende stress.

Kinderen worden meegezogen in die mallemolen van tijd. Hoe zou het zijn als we in de groep het planbord leeg laten en de opdracht ’s morgens geven om eens naar de lichaamstaal te luisteren, de werkopdrachten vrij te laten en te kijken wat er ontstaat aan creativiteit om met eigen tijd om te gaan. Het zou heel veel spanning weg nemen. Geen cito’s in een opgelegde tijdsspanne, maar pas als je denkt dat je er klaar voor bent.

Wij zijn overvleugeld door dwingende digitale tijd, die weer anders is dan de analoge kloktijd. Hoe rustgevend was het niet om in het huis van mijn oma de pendule de tijd weg te horen tikken, het verbeiden van de tijd en nog weer anders dan het ritme van de natuur, de seizoenen, de zon, dag en nacht.  Wezenlijk vrije tijd om het leven van alledag in te vatten, te luisteren naar de roep van Kairos in ieder van ons en het glorieuze moment te omarmen als er iets nieuws geboren wordt. De tussentijd, vat de samensteller van Museum Voorlinden het samen, de langzame toekomst zegt Joke. J. Hermsen. Het lijkt me een prachtig experiment.

 

 

Uncategorized

De laatste regen.

Vannacht kreeg ik de pageturner van de Newyorker van 9 mei 2014 onder ogen, met een artikel van Ruth Margalit met de indringende titel ‘The unmothered’ onder de aandacht bracht. ‘De Ontmoederden’ maar in essentie ook: ‘De Moederlozen’.  Later in het stuk bleek dat deze omschrijving op het conto van Meghan O’Rourke kon worden bijgeschreven. Een ontologische aanduiding, omdat het eerder een bestaansrecht uitdrukte, ‘het Zijn’, met de nadruk op het afwezig zijn ervan, dan een omschrijving. Gedachten stokten bij het lezen ervan op moederdag, een onmoederdag, onze onmoederdagen van de zussen en de broers en mij, die al jaren duurde, 27 jaar om precies te zijn en die zo voelde, elke moederdag weer.

Toen deze Ruth zeven jaar oud was was er een show op televisie waar zij en haar zus dol op waren en die in de uitzending opmerkte, ‘dat ze moeder moesten vragen de televisie harder te zetten’. De moeder van Ruth sprak daarna de historische woorden: ‘En wat als je geen moeder hebt’. Drie jaar na de dood van haar moeder op Moederdag bleef deze zin in haar hoofd hangen. Het is Moederdag, maar wat als je geen moeder hebt. In die dagen stond er ergens een willekeurige oproep  om moeder te bellen die dag. Hoe ze het ook probeerde te bagatelliseren als een dag die goed was voor de handel en anders niet, knaagde het en  schreef ze, dat ze vanaf dat moment Moederdag ingelijfd had op haar persoonlijke treurkalender.

Ze verhaalde over het lijden en de dood van haar moeder en wat dat met haar deed om als moeders dochter aan de zijlijn te moeten staan en niet te kunnen helen. Hoe pijnlijk het was als men tegen haar zei dat ze het zo goed deed en zo sterk was, dat men niet kon merken, dat ze rouwde en hoe dat voelde als een verloochening van die moeder en daardoor dubbel hard aankwam. Dat ze met deze ervaring bij het lezen van de woorden die Roland Barthes in zijn ‘Mourning diary’ schreef, troost putte, omdat zijn beleving precies zo voelde, als zij het zelf ervaren had. “Ze is nog niet vertrokken of de wereld verdoofd mij met haar voortdurende ontwikkeling”, schreef hij. Ook bij hem dachten mensen dat hij het goed aan kon en die gedachte was hem zwaar te moede. ‘Alsof de liefde voor elkaar weer uiteen gescheurd werd’. Hij noemde het: “Het meest pijnlijke moment op het meest abstracte moment.” Het gaf herkenning en erkenning. Verdriet overvalt je immers op de meest vreemde uren.

Op de stapel naast mijn bed ligt een ander boek: ‘Hoe harder ik loop, hoe kleiner ik ben.’ Het is geschreven door Kjersti Annesdatter Skomsvold. De oude vrouw in dit verhaal is juist bang om te sterven, zonder dat iemand van haar bestaan op de hoogte was. Twee, haaks op elkaar staande, invalshoeken met een even deerniswekkend gedachtegoed. Tegelijkertijd niet minder heftig, eenvoudigweg omdat het de gemoederen bezig blijft houden en dat is precies ook de overeenkomst. Het laat niet meer los en blijft het leven beheersen. De eenzame oude vrouw uit het verhaal gaat op zoek naar de acceptatie van de dood, die ze uiteindelijk zelf in gang zet.

De treurboeken, haar buddies, zet Ruth terug in de boekenkast, als ze beseft dat ieder verdriet persoonlijk is. Ze denkt aan het leven van haar moeder als aan het verschijnsel van de ‘Laatste regen’ in Israël. Die valt na de winter en voor de droge zomer, waarbij je je altijd afvraagt of het de laatste regen is, omdat je dat nooit weet op het moment zelf, maar pas als de droge zomer aanbreekt. Ze beseft dat het verlies net als de laatste regen is. ‘Moeder en moederschap krijgen achteraf gezien de diepste betekenis met de vraag wie ze was, wie ik was voor haar en waar ze me mee heeft uitgerust.’

‘Like a last rain, my mother left behind an earthy scent that lingered long after she was gone. Like a last rain, for a fleeting moment, everything she touched seemed to glow.’

 

Uncategorized

Alles met mate.

Vandaag rolde er een artikel over honing mijn mail binnen. Het was er een van Monique van der Vloed, die een blog heeft met de titel ‘Meukvrij met Monique’ heet. Alleen het woord meuk is al leuk, dus een vergelijkend warenonderzoek was op z’n plek. Ze hanteert de kritische bewustwordingsnorm. Niet vanuit de handel gezien, maar vanuit de gebruiker en de pure grondstof gedacht.

Honing, die prachtige goudgele vloeibare heldere honing, kregen we vroeger op een lepeltje als we last houden van een opkomende angina. Het verzachtte de pijn in onze rauw als schuurpapieren kinderkeeltjes en ook al was het slikken pijnlijk, het mierzoete gladde was als het gebruikelijke engeltje, dat over de tong gleed.

Honing: nét zo ongezond als gewone suiker??

Het artikel is interessant genoeg om helemaal uit te lezen, ook al is het een longread. Er staan een aantal kritische noten in, die aangeven waarom je niet klakkeloos moet geloven in de mierzoete beloftes van de potjesleveranciers. Een van die opmerkelijke weetjes is dat honing die verhit wordt boven de 45 graden zijn gezonde enzymen en mineralen verliest en het feit dat alle honing die we in de winkel kopen doorgaans de verhitte versie is, want dat is langer houdbaar en daarmee gunstig voor de verkoop.

Een biologische benadering van de imker levert koudgeslagen bijenhoning op, waar verreweg de voorkeur naar uit dient te gaan. Een belangrijke toevoeging op het artikel was een commentaar onderaan, waarbij iemand terecht opmerkte of het niet ten koste van de bij zou gaan als we zo’n grote honingproductie wilden hebben. Daar wordt vermeld dat de honingbij gekweekt is door de mens, soms suikerwater als bijvoeding krijgt en veel zwakker is.  Zij mengen zich weer met de veel sterkere wilde bij, waardoor die ook vatbaarder wordt. Altijd fascinerend, die biologische ketens, waar wij vaak te rigoureus in aan het roeren zijn en daarmee het natuurlijke verloop verstoren.

065.JPG   De bijenkorf bij Steegland.

Laatst waren broer, zussen en ik aan het wandelen in de Gooise Heemtuin. Er voor bevond zich de Bijenschans Steegland van de Imkersvereniging Blaricum. Er waren moderne houten kasten, maar het mooist vond ik de prachtige gevlochten korven met voor de opening een zwermpje zoemende honingbijen, die zich verdrongen om naar binnen te kunnen. In de aangrenzende heemtuin stonden een aantal drachtplanten, waar deze bijen zich aan konden laven, een kleine kringloop met een prachtig en een krachtig effect. Er is nog een leuk weetje. Oudere bijen zijn in staat om de tijd terug te draaien als ze de taken op zich moeten nemen van de jonge bij. Daar kunnen we misschien zelf ook nog wat van leren. Het staat allemaal te lezen in een artikel van Joost de vos op de imkers blogspot.

http://imkers.blogspot.nl/2012/12/oude-bij-kan-de-tijd-terugdraaien-en.html

Dat de bijenhoning niet verwarmd moet worden om het optimale aan voedingsstoffen eruit te kunnen halen heeft nog een gevolg, waar doorgaans niet aan wordt gedacht. Om ze koudgeslagen te gebruiken, moet je ze niet verwarmen en dus ook niet gebruiken om mee te bakken of om warme koffie en thee mee te zoeten. Zijn we op het verkeerde been gezet, met het idee dat er niets boven de natuur gaat.

Er was een tijd, het lijkt zo lang geleden, dat het leven minder gemanipuleerd leek, maar ook dat was maar schijn. Niet voor niets oreerden de grootmoeders en de tantes van toen om alles met mate te gebruiken. Dat zeiden ze vooral, als ze achter hun glaasje met advocaat met slagroom zaten en zo’n minilepeltje hemelse goudgeel met witte zoetigheid over hun tong lieten glijden, net als de bewuste engel. Precies. Het leven is een zoete zaligheid, maar wel koudgeslagen en met mate.

Uncategorized

Djembe

Als ik dit schrijf is de blauwe begrenzing, waar de handpalm verloopt in de vingers, weggetrokken. Er zit nog slechts een gevoelige verheffing. Jaren geleden ben ik begonnen met eelt kweken, maar dik genoeg was het nooit. Overal bleven tussen mijn handpalmen minuscule kleine bloedvaatjes wachten tot ik ze met slap of tone stuk sloeg op de rand van de Djembe.

Gisteren hadden we het jaarlijkse teamuitje en zaten we in een grote kring achter de djembe. De man die ons les gaf, kwam uit Senegal en binnen een seconde bij het ten gehore brengen van zijn solo trokken de glasheldere zweetdruppels een glinsterende film over zijn gezicht en zochten biggelend een weg naar hals en nek. Zijn grootste troef was hoor en wederhoor. Hij koos een eenvoudig ritme en iedereen kon mee. Als je in een halve cirkel zit, heb je de kans om tijdens het trommelen, de anderen te observeren en dan zie je wat er gebeurt met de mensen die frank en vrij los durven gaan en anderen, die nog niet in hun lichaam wonen en onwennig en aarzelend met slappe handen.

Jaren geleden hadden we een teambuilding bij fort Vechten. Ik zat er net zo onwennig bij als de eerste ontmoeting van die anderen gisteren en had nog niet ontdekt wat er letterlijk los getrild zou worden bij het horen van die eerste roffel op de djembé van de meester. Ergens diep van binnen ontwaakte het ritmegevoel, die tot dan toe alleen maar aan westerse maatstaven gewend  was maar nu in een tegengesteld ritme tussen de regels door haar eigen weg volgde. De enthousiaste begeleider rafelde zijn opzwepende muziek tot een begrijpelijke opbouw door de afwisselende slagen. De sonore klanken van de bas, de hoge opzwepende tikken van de slap en het verbindende timbre van de tone.  De kracht van de massa riep hartstochtelijk om meer. Het bracht bevrijding, alsof met het doorvoeren van de slagen het keurslijf van dagelijkse beslommeringen op en wegvloog. Het hoofd was leeg, gedachten weekten zich los, de energie had ruim baan. Voor het eerst werd daar in de beleving een brug geslagen naar de wetenschap, dat samen muziek maken alles met vraag en antwoord te maken had. Die polyritmiek lag besloten in elke roffel en de aarzelende antwoorden erop.

De Senegalees van vanmiddag had nauwelijks woorden in de Nederlandse taal tot zijn beschikking. Zijn liedjes waren zangerige klanken, zijn roep en de herhaling. Oleleleh, oleleleh, dance dance oleleleh. Ondertussen speelden zijn handen met de verschillende ritmes telkens uitmondend in een dwingende solo met de snoeiharde slaps, het gezicht in een grimas getrokken, de ogen gesloten, het hoofd verheven, de spieren rond de mond in een uiterste krachtsinspanning, volledige concentratie. Beweging vervaagde tot kleurrijke vlekken.

Deze houding kenmerkt de meester. Hans de Vries, Victor Sams, Amara Diabata, mijn leermeesters van weleer en elke andere djembe speler van niveau kennen diezelfde extase bij een solo, een volledige ontlading, om daarna terug te vallen in het samenspel. De lessen zijn het feest, iedere week opnieuw, de handen de pineut, stukgeslagen oude vaatjes tussen minder elastische spieren door.  De djembe vraagt om mee te deinen op je gevoel. Het vergt alles los te laten wat je tot dan toe veroverde en vraagt om blind te vertrouwen op de vertaalslag die je armen en handen maken op dat vel. Door te leren luisteren naar de taal van je lichaam, maar bovenal die van de ziel en zaligheid, door letterlijk handen en voeten te geven aan je eigen energie geeft het vleugels, waarmee je geaard kan zijn en toch ontstijgen kan. Opperste vrijheid dus.

Uncategorized

Sportdag.

Het is acht over vijf in de ochtend en aardedonker. Dat betekent niet veel goeds. Normaliter trekt het nu mooi op en geven de bomen met hun donkere takken tegen het witte licht een zweem van filigrain.  Vandaag spelen ze ton sur ton, zwart tegen zwart. Het is op school sportdag vandaag.

Ieder jaar weer zie ik op tegen deze dag. Niet omdat ik niet van sport hou maar om iets dat diep geworteld zit van binnen. De massale organisatie, die 250 kinderen gestroomlijnd naar het veld moet laten gaan, bezorgd ook een beetje buikpijn. De oudsten gaan per fiets. De anderen worden door ouders in auto’s meegenomen. De afstand is het niet. Het is tot in de puntjes voorbereid, er kan op papier niets meer misgaan. Er zijn die andere factoren die spelbreker kunnen zijn. Er wordt onweer en regen verwacht. Het feit dat de lucht maar niet op wil lichten zegt niet veel goeds. Er zullen kinderen bij zijn zonder fietsen of erger nog, zonder fietservaring, Er kan iemand ziek worden van de begeleiding. Vervanging is wel geregeld, maar het is altijd weer gedoe.

Op het veld is het geweldig. Daar lopen heterogene groepen kinderen, van jong tot oud, voor hun groep de benen uit het lijf. Ze rennen, springen, zwieren, werpen, gooien en ouders staan geduldig zand te harken, standen bij te houden, met kinderen mee te lopen naar de EHBO post of het toilet en aan te moedigen. De resultaten worden omgeroepen met een blikken geluid, die klinkt alsof er een oude megafoon wordt gebruikt. Sportdag is dubbel omdat het competatieve element erin besloten ligt. Kinderen die niet over de factor ‘lichaams-slim’ bezitten, vallen de hele dag buiten de boot. Ze halen de horden niet of lopen ze eraf, ze halen de eerste afstand al niet bij het hoogspringen, het verspringen verzandt, het hardlopen is een uitputtingsslag. Het bijbehorende gevoel ken ik als geen ander.

Lang geleden, in die sepia wereld van weleer, was ik het dikkertje van de klas. Bokkie pié behoorde niet tot mijn kwaliteiten, ik liep de bok steevast omver. Hard lopen bezorgde me een hoofd als een pioenroos, waar niemand aan voorbij kon gaan. Touwtje springen ging bij de eerste draai al fout. Als er partij gekozen werd, was ik het muurbloempje. Dat zegt genoeg. Het gevoel over dit alles, dat onbestemde gedraai in je buik, het wensen dat de grond open zou scheuren, zodat je er in verdwijnen kon en de diepste schaamte voor het onvermogen, die brede voren trok in de ziel, was schrijnend. Dat stuk beleving waar de ware sporter nooit bij zou kunnen, omdat het een dergelijke ervaring nooit heeft gehad, is altijd parten blijven spelen.

Ik weet het. Het is een leerproces en mensen eigen. ‘Als je het niet hebt meegemaakt weet je niet wat het is’. ‘In de maatschappij  kom je vaker dit soort situaties tegen’. ‘Je kunt niet altijd de winnaar zijn’ en nog meer van deze oneliners heb ik allemaal naar het hoofd geslingerd gekregen. Het nam het schrijnen niet weg, het ongemak en de pijn. Mijn faalangst is daar geboren, in die gymzaal met de vreemde geur, de hoge ramen, de galmende akoestiek en nooit heb ik het me het sporten eigen gemaakt. Ik dans liever het leven door. Die wetenschap, bezorgt me nu, jaren later, bij de sportdag het dubbele gevoel. Sportdag…even slikken en gaan!

 

 

Uncategorized

Pluis

Vorig jaar kwam er op facebook een bericht te staan met een foto van een aandoenlijke jonge poes. Er werd gevraagd of iemand nog interesse had. Er was een nest van drie jonkies, twee waren er al vergeven maar voor de derde hadden ze nog geen onderdak kunnen vinden. Du moment dat ik dat kleine guitige grijs gestreepte koppie zag, was ik verkocht. Deze poes riep mij. Ik zag hem ’s morgens en dacht dat hij al lang weg zou zijn, tot ik ’s middags toch nog een poging waagde en reageerde op de oproep. Binnen een half uur was ik in blijde verwachting van de kleine. Nog een paar weken geduld en ik zou weer een nieuwe huisgenoot hebben.

Het overlijden van de vorige kater en zijn zus hadden een krater geslagen in de gezelligheid in huis. Het thuiskomen was maar een kale beleving. Geen vriendelijke kopjes tegen de vermoeide benen, geen mauwend gebedel om verse brokjes, geen warm poezenlijf snorrend tegen je aangedrukt op de bank, geen natuurlijke wekker ’s morgens vroeg als er een pootje zachtjes langs de wang streek. Nemo en Vledder waren twee asielkatten van een jaar oud toen ik ze kreeg en en respectievelijk 17 jaar en 15 jaar toen ze overleden. Nemo, de oudste poes was erg gehecht aan aandacht en was in alle opzichten een maatje en metgezel geworden, die wederkerig ook aandacht had voor mij als ik me ziek, zwak en misselijk voelde en dan bezorgd bij me in de buurt bleef, extra kopjes gaf en mijn rillerige grieplijf van extra warmte voorzag.

Haar laatste dagen waren aandoenlijk. Suf lag ze op bed en ademde zwaar en moeizaam, ging nauwelijks meer op de bak en at niet meer. Eerst was ze op zoek gegaan naar een afgelegen plekje, maar ik wilde bij haar zijn, zoals ze in mijn meest bange dagen ook bij mij was geweest. Toen het te lang duurde zijn we naar de dierenarts gegaan die haar met een spuitje de verlichting gaf. Het jaar daarna was leeg en stil. Tot dat kleine olijke grijs/witte koppie op Facebook stond met een prachtige tekening op haar vel. Drie weken duren lang, maar eindelijk was het zover.

Ik moest er een eindje voor rijden. Poeslief was in Enschede geboren in een klein bungalowpark midden in het bos. Ze had wel in de gaten dat er wat bijzonders aan de hand was en liet zich niet snel oppakken. Jonge dieren zijn hartveroverend. Met elke sprong op de bank of in de gordijnen liet ik me genadeloos inpakken. Ik gaf als doekje voor het bloeden wat geld voor iets extra lekkers voor de moeder en een flesje wijn om op het lege nest te klinken. De hele terugweg lang mauwde ze hele verhalen bij elkaar. Het was de eerste keer in een reismand, in een auto, zonder moeder, met een onbekende. Het nieuwe huis was vreemd en moest onderzocht worden. Ze sprong met die wonderlijke zijwaartse hupjes opzij en viel van de ene verbazing in de andere. De eerste de beste dag ontdekte ik een teek in haar kleine lijf. Ze was er met haar ondernemende geest al op uit getrokken de wilde en woeste natuur in. Het duurde even voor ze haar wilde eigenschappen kwijt was en ze onderscheid kon maken tussen aanvallen en aaien.

Van een boskat naar een balkonkat was een hele stap. Met zoonlief  hebben we elke centimeter eigen gemaakt. Het duurt even, maar dan heb je ook wat. Thuiskomen is weer een  beleving. Ze rent al naar beneden van het atelier op zolder als ze mijn voetstappen hoort op de galerij, ze draait en went en keert om de benen, geeft aandoenlijke kopjes , vraagt aandacht en paait me wakker met een zacht pootje op mijn wang.

O ja, ze heet Pluis, een grijze pluizebol was ze en is ze nog steeds. Pittig, ondernemend en sterk, geen nuffige balletpoes, maar eerder een  acrobaat als ze op de rand van het balkon onversaagd loert naar de buitelende gierzwaluwen of vanachter de verwarming naar een dikke Dollie duif, waarbij ze verlekkerd mekkerend om open deuren vraagt. Ze heeft haar draai gevonden. Pluis is thuis.

009

 

Uncategorized

Oerkracht.

Gisteravond was het Knockart-dag. Het was de tweede avond van een serie materiekunst. Ik had nooit kunnen bevroeden wat dat met het vege lijf en met de geest zou doen. Bij aankomst stonden de materialen al klaar en C en B hadden nog extra materialen meegenomen zoals zacht wit hondenhaar , houtsnippers en koffiedik in lijm. Er lag lekkere dikke klei uit de lek, fijn strooizand, rubber korrels, rul koffiedik. Er werd gewerkt op hout, papier en doek. Er was water, acrylverf en lak. Alles kon gebruikt worden naar eigen wens en keuze. Het probleem voor de impressionisten onder ons bleek de moeilijkheidsgraad om het abstract te houden. Eerst onder te gaan in de materie en vandaar uit op te bouwen om het later eventueel met figuratieve elementen te vervolmaken.

Op het moment dat dit getypt wordt, zijn de spieren in mijn handen nog in opspraak. De palmen branden na van het draaien, kneden, wroeten in de substantie die zich het best omschrijven laat als smurrie, voordat we het tot een resultaat hebben geboetseerd. Het is de kunst om de kleuren helder te houden en te blijven bij grondstoffelijke klaarheid, ondanks het mengen.

De vermoeidheid van een hele dag werken ten spijt werd het allemaal aarzelend nog en daarna overmoediger en gedurfder in gang gezet. Niets in de omgeving was veilig, zilverpapier, stof, keukenrol. Daar waar de verschillende vezels elkaar raakten en afstoten of opnamen werd het proces boeiend. Bij elke druppel lak die we er op lieten vallen vaagde het uiteen en vielen er gaatjes in, die onvermeend meer diepte brachten in het geheel. Achtergronden bleken belangrijk te zijn. Er werd gewerkt met spatel, kwast, hout en handen, er werd geduwd, getrokken, gesmeten.

Sommige van ons hielden in beginsel nog vast aan een compositie. Maar ook daar dwong het materiaal tot loslaten en het experiment nam de overhand. Het schreeuwde om een open benadering met het verstand op nul, terwijl gedachten alle kanten opvlogen. Er werd gesproken, gereageerd op elkaar, kreten geslaakt bij nieuwe ontdekkingen en er werd gekeken en geleerd, ervaringen gedeeld, maar bovenal werd er hartstochtelijk hard gewerkt.

036Ineens viel de vermoeidheid als een zwaar trijp gordijn en was elke spier tot in de kleinste vezel te voelen. Het hoofd moe en de geest verzadigd, was het proces voor die avond geklaard. Er kon niets meer bij. Opruimen en naar huis. Alles laten uitharden en daarna ervaren wat er van was geworden, want terwijl wij al weer bezig zijn met de dagelijkse beslommering gaat het werk zelf gewoon door met ontstaan.

We traden in de voetsporen van Jean Dubuffet (1901-1985) en zijn vroegste werk. Hij is de grondlegger van Art Brut. Oorlogskunst bij uitstek met materialen die nog veel weerbarstiger waren. Glas en asfalt verwerkte hij in zijn doeken, op panelen, op hout. Zijn voorliefde voor de kindertekeningen, de eenvoud en de grilligheid van mensen met een geestelijke beperking en de drang naar vrijheid, de woede, de angst in het werk van gedetineerden zijn duidelijk af te lezen. Later werkte hij met mozaïeken van zijn uiteen gesneden doeken en plastics en werd zijn werk nog driedimensionaler.

Bleven sommigen van ons de vorige keer braaf en herkenbaar werken, nu mochten alle remmen los en elke grens worden overschreden. Het is de vraag wat er straks allemaal is blijven zitten en welk effect het krijgt als het droogt, door het inkrimpen of juist het uitzetten. Verwondering is de uitputtingsslag en geeft ook weer nieuwe energie, als de wil het soms moet afleggen tegen de oerkracht van de materie. Iedere week een stap verder weg van het beheersbare en de leidraad naar totale vrijheid volgen door boven de eigenschappen uit te stijgen. We gaan het zien en beleven.

 

Uncategorized

De blikvanger.

IMG_8317

Ik heb op de desktop van mijn computer de foto’s van een tocht naar het museum de Hallen Haarlem. Net opende ik het scherm en keek ik recht in wat een prachtige illusionaire ervaring was. Het was een schilderij achter een deur, zodat het leek of de vrouw kritisch de omgeving monsterde. Een fractie van een seconde zette het tafereel je even op het verkeerde been. Haarlem stond trouwens bol van kleine kwinkslagen, die het leven veraangenamen als je er een oog voor hebt.

Het is fijn om alles vast te leggen en later uit te zoeken, op te slaan of te laten verdwijnen, als het er niet toe doet. Er komen parels langszij, zoals de foto in het bos bij de Gooise Heemtuin, met ziel en zaligheid gespot en vastgelegd in een vervreemdend kikkerperspectief. Er liggen letterlijk geheimen besloten aan de binnenkant van een bloem.

Mijn ouwe trouwe handzame kleine fototoestel is wat verfomfaaid. Het zit onder de verfvlekken, omdat de schilderavonden er mee vereeuwigd worden en ze gaat eigenlijk altijd onbeschermd de tas in, omdat het zo’n gedoe is te slepen met de cameratas.  Ze is trouw, lief en geduldig, maar begint een tikje wazig te worden. De eis aan het toestel  is dat hij klein moet zijn, makkelijk te hanteren voor onverwachte blikvangers  en snel in de zak moet kunnen glijden. Door dat zelfde principe is de voorlaatste ook kwijt geraakt. Die beantwoordde er helemaal aan, maar gleed nog makkelijker dan de laatste en is een eigen leven gaan leiden.

De zee, waar bij een bezoek aan Haarlem geen ontkomen aan is, wordt minutieus bij elke nieuwe schakering van lucht, licht en golfslag vastgelegd en sinds onze tochten samen is er beeldmateriaal, waarmee een oceaan te vullen valt. Het ontroert telkens weer om de elementen met elkaar te zien spelen. De wind, die trekt aan het water, zodat de golven onstuimig hun woeste schuimkoppen tonen in een glinsterende opwachting, om vervolgens berustend het witte schuim te laten verzanden. Datzelfde schuim, dat zich laat lezen als een wereld op zich, vormen en draden trekt en onnavolgbare schatten met zich mee brengt.

Het licht dat haar eigen spel speelt en beurtelings de grenzen tussen water en lucht laat vervagen in het donkerste grauw of in het prachtigste blauw en wit dat altijd witter is als zon de wolken laat schitteren. Eindeloos is het en nooit één moment verveelt de aanblik. Bij het uitladen van de foto’s zijn er opnieuw ontdekkingen te doen, in een ander perspectief gezien of vanuit een andere context is de verrassing soms vele malen groter.

Het desolate aandoenlijke van een kleine dino, licht gehavend achtergelaten op een vlot, speciaal voor hem gebouwd en met heldenmoed bevaren, waarbij de eenzaamheid speelt met zijn omgeving, door het vastgelegde beeld. Een lichtblauwe bal, die achteloos wegrolde en niet meer gevonden werd door de hond met zilte zeelucht in zijn neusgaten en nu slagzij zich tussen schelp en het groene wier heeft gevlijd. Alleen is maar alleen. Beelden die de woorden losweken in het hoofd en er gestalte aangeven door het verhaal dat er achter schuil gaat. Dubbele winst dus.

Straks komt de nieuwe vriend, een ander merk en andere beloftes, maar altijd de blikvanger en de vertolker van het oog.

 

 

 

 

Uncategorized

Zwart.

In het boek het geheime leven van kleuren wordt een tijdsspanne beschreven waarin de kleur ondergeschikt werd bevonden aan lijn en vorm. Door de eeuwen heen klonk de veroordeling van kleuren ‘als een ladder in een nylonkous’. Er zijn zelfs tijden geweest waarbij uitbundige kleur als scharlakenrood voorbehouden was voor een kleine selecte elitegroep en de aardetinten met name voor de arme plattelandsbevolking. Kleur als sociale status, kom daar nu nog maar eens om. De hippies in de jaren zeventig hulden zich in een bonte explosie van kleur. Het antwoord daarop waren de jaren van het diepste zwart van de punkers.

Vanaf de puberteit heb ik zwart omarmd. Ook in de hippietijd. De jassen van mijn oma, die ik droeg, waren zwart, maar ik herinner me ook nog een maxi gobelinjas, waar ik van hield. De binnenkant was van een zacht goudgeel en de buitenkant was als een bloementapijt van kleurschakeringen. In mijn kast ligt heel veel zwart. In de periode dat ik mezelf had voorgenomen te ontzwarten kwam er meer kleur. En toch voel ik me altijd nog het meest op mijn gemak in dat mooie zwart.

Er was een tijd in de zeventiger jaren dat we heel erg bezig waren met het verven van wol en katoen met natuurlijk materiaal zoals planten-en groenten-aftreksel. Het werd gebruikt om het vilt te kleuren en de ruwe grof gesponnen schapenwol te verven. Er was tijd voor. Het leven verliep langzamer toen de kinderen nog klein waren en ik brood kon bakken, stof kon verven, kleren in elkaar flanste, ging haken en breien. Zeeën van tijd vond ik tussen de dagelijkse beslommeringen door.

412Turner licht aan het Wassenaarse strand.

Bij het nieuwe huis dat we vonden, was de periode van bruin en oranje, dat tot dan toe het interieur had bepaald in een klap over. Het werd wit wat de klok sloeg. Witte gordijnen, witte muren, witte meubels, hoe onpraktisch ook. Dat bracht tegelijkertijd ruimte in het hoofd. Het effect met een combinatie van een kleur ernaast was groot. In het geheime leven van kleuren haalt Kassia. St. Clair de grote Turner aan, de koning van het magische licht.  ‘Licht is dan ook kleur en schaduw de afwezigheid daarvan’ Zijn kleurschakeringen zijn onmiskenbaar. Het licht van Turner vind ik terug op de winterdagen aan zee. Het brengt een sfeer van geheimzinnigheid en belofte en altijd en overal is een zweem oranje te ontdekken. Schaduw is de afwezigheid van licht, maar niet van kleur. Als ik een slagschaduw wil hebben, blijft kleur er onderdeel van uitmaken.

Heerlijk om mee te spelen zijn de restvormen die er tussen de vormen in bestaan en die een bijzondere betekenis krijgen door kleur of juist de afwezigheid daarvan. Met Kazimir Malevitsj kwam het zwart terug. Zijn zwarte vierkant in 1915 werd de drager van het suprematisme, waarin hij de kunst als autonoom beschouwde los van de politiek of het sociale leven en zwart en de primaire heldere kleuren verheven werden..

In de mode is de zwarte jurk dankzij Coco Chanel net zo’n icoon geworden en niet meer weg te denken. Annemarie van Haeringen schreef het boek Coco of het kleine zwarte jurkje met grappige illustraties die het boek vervolmaken. Het zwart van Jules Deelder zal voor eeuwig verbonden zijn aan het wasmiddel, wat duidelijk maakt dat reclame sterker kan werken dan de overtuiging op zich.

Mijn zwart is die van de kracht en de elegantie. Ondanks de poging te ontzwarten blijft het mijn ‘kleur’, zoals de nacht mijn dag blijft, waarin woorden de gedachten vormen, de stilte binnenvalt en het leven overpeinzing en verdieping krijgt.