Kerst

Verleden tijd op een presenteerblaadje

Zoonlief belde op. Hij was ziek geworden tijdens hun kerstdiner voor twee, de dag ervoor. Ging zich laten testen, maar we besloten de brunch te laten voor wat het was en ergens in deze week gewoon mijn vijfde kerstdag te maken. Het hangt niet op een dag of wat.

Dat betekende een lange relaxte ochtend met als film, weinig vrede, De bende van Os. Ik kende het verhaal niet, maar het gaf prima de sfeer weer van de dorpse ons-kent-ons mentaliteit, waartussen geen vreemde komen kon. Iets met de gelederen sluiten en zwijgen als het graf.

Op tijd gleed de kleine blauwe haar parkeerhaven in en was er thee in het warme honk van dochterlief en schone zoon. De kinderen speelden zoet en we besloten toch nog even een rondje te maken, ondanks de ijzige kou. Fototoestel mee en naar de kerk, waar ik zo graag even naar binnen wilde om een kaarsje op te steken en de kerststal te zien. Een beetje nostalgie met het grut. Helaas had ik het fototoestel op het verkeerde niet-flitsen gezet, met een zeer bewogen beeld als gevolg, los van de emotie.

Schaapjes tellen bij de stal en vooruit, twee kaarsen branden. Een voor opa Sterretje en een voor alle bezette wolken daarboven. Om de hoek van de kerk kwam ik zowaar mijn oma tegen op een naambordje, in de wetenschap dat alle Broere’s familie van elkaar zijn. De Broerestraat.

De winterse kou dreef witte ademwolkjes naar buiten, die stuk sloegen tegen de dikke dassen. Een potje warm voetbal voor de kleine filosoof en zijn vader en een rondje speeltoestel voor zijn zus. Aan ons bleef een wandelingetje rond het veld, met de eeuwenoude bomen, die met hun wirwar aan staketsels van takken grepen in het bijzondere licht.

Thuis was er een bescheiden wijn met knabbeltjes en een heerlijke vegan shoarma met ketchup uit de pot van Pieter Pot. Wat een zaligheid zo’n kalme kabbelende tweede feestdag. Een mooie overpeinzing tot slot over mijn utopisch beeld dat wij allen niet anders dan mensen zijn met een vel, organen en emotie en dat geaardheid, ras en kleur niet vernoemd hoeven te worden in een gesprek, omdat het er niet toe zou moeten doen. Dochterlief vindt de bewustwording ervan belangrijk, juist om boven dat witte bolwerk uit te stijgen en mensen wakker te schudden. Ook een mooi en loffelijk streven. In mijn optiek zou elke vorm van begrenzing opgeheven mogen worden met respect voor het bestaansrecht van ieder mens. Een kerstgedachte bij uitstek.

Gevoed en gesterkt op huis aan. Mijmerend over deze gedeelde kerst, die zo goed is bevallen tot nu toe, omdat er voor ieder persoonlijke aandacht was, kleinkinderen incluis. De drukte is er ook niet. Er hoeft niet veel overhoop gehaald te worden, er is plek genoeg, de dagen zijn zeer gevarieerd en de veiligheid optimaal, wat wil een mens nog meer.

Ons gezamenlijke tochtje straks aan zee om boodschappen te schrijven aan de vader van de kinderen kan hopelijk wel doorgaan. Dat is pas over drie weken en zo niet, dan valt er vast weer een mouw aan te passen. Het virus prikkelt niet alleen de emotie, maar ook de inventiviteit.

Thuis wachtte een lieve kleine biedermeier, een heerlijk tulband en een zieke schoondochter. Geen Corona, want dubbel getest, thuis en in de teststraat. De kou is er naar om een griep op te lopen.

Straks komt dochterlief met de kleine filosoof en dan mesten we de kast van vergeten spullen uit. De puddingvormen, de ongebruikte keukenapparatuur en oude tierelantijnen uit het grijze verleden. Vergeeld, versleten en in onbruik geraakt. Als een deur eenmaal dicht zit en nooit meer open hoeft, beginnen de verhalen. Verleden tijd op een presenteerblaadje.

Kerst

Klaar om de eigen weg te volgen

Stralende zon en verraderlijke koude wind verspreidde zich over het landgoed van kasteel Groeneveld. Iedereen die een hond had of kinderen was op het idee gekomen vandaag een, misschien wel overdadige, kerstdis weg te werken met een stevige wandeling. Het parkeerterrein was nagenoeg afgeladen vol. Het meegebrachte kerstpakket voor mij mocht in de kofferbak wachten.

Het kroost, oudste dochterlief met eega en de drie musketiers, Dribbel incluis, kwamen tien minuten later. Fototoestel mee, kinderwagen mee en de lieve ondernemer in een wat weerbarstig verzet. Ze kenden het terrein niet. Dat was een bof. Het is er prachtig en helemaal als je het voor het eerst aanschouwt. We doken een zijpad in door een opening in de brede beukenhaag, richting moestuin, alleen al om de massa te ontwijken. De korte route, besloten we, toen de koude wind langs de wangen schuurde. De slotgracht langs, met als groot oogstrelend verlangen een gifgroene voetbal van een gerenommeerd merk klotsend tegen de overliggende oever aan. De bomen trokken hun befaamde lange wintermiddagschaduwen, strepen over het uitgestrekte land. Afgezaagde bomen tellen bleek een uitstekend tijdverdrijf, evenals de boom met de pukkel en de deur van een Rien Poortvliet-kabouter in een oude stam. Oma wist het zeker. Klop, klop. Niemand thuis, net als de vogels. Die gaven ook niet thuis, op een zilverwitte reiger na, die laag over het weiland scheerde. Ondermaatse Schnautzertje, bovenmaatse doggen, en alles wat er tussen zat, darden vrolijk los of aan de lijn tussen alles door.

Brug over, slottuin in, fuikje, want geen andere uitweg, nieuw weggetje terug, de brug weer over en op de auto’s aan. Kerstwandeling was een feit en kon worden bijgeschreven in de annalen. De kleine ondernemer mocht met mij mee. Lage stand van de zon noopte tot extra opletten en nog zag ik een auto over het hoofd bij het invoegen. Vervaarlijk getoeter en een intens woedende blik. Bewust van mijn uiterst kostbare lading met extra argusogen verder op huis aan.

Daar wachtte eerst de warme kop thee om de ziel en de koude vingers aan te laven en daarna een heerlijke Franse kerstborrel. Behaaglijk bij hun gloednieuwe verwarming, ongekende luxe, omdat voor de verbouwing het hele huis slechts één gashaard telde, werden de de heerlijkste kazen uitgestald. Beaufort, Morbier, de Comte, de Mont d’or, een Brie de Melun, de Camembert, het was er allemaal, met een heerlijke Bourgogne er naast. Vraag een Fransman om een borrelplank en de samenstelling volgt au naturel. Een desem/notenbrood eronder met de zwierige Franse slag en het kon niet meer stuk. Wat een goed idee en wat een aangenaam toeven op zo’n doorgaans te vol gestopte eerste kerstdag. Heerlijk verwarmd door die ronde soepele zoete wijn op huis aan, knellende armen om de benen, dag, dag. Allemaal getest op Dribbel na, die een chronische verkoudheid had en straks aan de buisjes moest geloven.

In het eigen warme honk, kaarsjes aan, op de bank, de meest melige feelgoodfilm ever op de buis. Nou vooruit, tot een boek zou het niet meer komen. Een verkapte Robert ten Brink en nog meer lookalikes van het crème de la crème, het dagelijkse buizenvermaak, kweten zich naarstig van de taak om samenhang in het verhaal te brengen. Slaapverwekkend gelukkig. Rozig en warm naar bed.

Het verhaal van Lale Gul bracht me vannacht waar ik een beetje huiverig voor was. Een welhaast oneerbiedige benadering van het, in veel opzichten te begrijpen, verzet tegen het ouderlijk gezag. Voor een liefhebber van het woord, tenenkrommende aanduidingen waarbij geen enkel misverstand over de verhoudingen kon ontstaan, samengebalde afkeer verpakt in een bittere afdronk. Een oordeel valt nog niet te vormen, maar de eerste hoofdstukken voelden als een stuiterbal aan een elastiek om het been. Naar je toe, van je af, naar je toe, van je af, keer op keer. Als de vlag de lading dekt: ‘Ik ga leven’, dan hoop ik dat ze aan het eind van het boek glashelder heeft, hoe dat kan, zonder wrang oordeel maar met die eigenzinnige strijdkracht en met hetzelfde open vizier, dapper en helemaal klaar om de eigen weg te volgen.

Kerst

Een weldadige heerlijkheid

Een zonovergoten eerste kerstdag. Voor de wandeling straks alleen maar grote vreugde. Dribbel en zijn broers moeten nog even zin maken. Oma ook. Die ligt nog lui te bedde met poes Pluis op schoot, zoals altijd aandacht opeisend. Haar lijfje dient als ipadhouder.

Kerst vroeger. Dat betekende opblijven of wakker gemaakt worden voor de nachtmis. Een mis met drie heren, dus ook drie keer het hele riedeltje achter elkaar. Zittend, staand en knielend in de kale banken, klem tussen de kamgaren of scheerwollen zwarte jassen in een mengelmoes van wierookwalm en de zware geur van kamferballen. Zondagse kleren haalde je tussen de mottenballen vandaan, even opschuieren, wat pommade in de haren en het zwarte hoedje op het hoofd.

Het werd een voorbeeldig plaatje als je tussen je ouders, broers en zussen over de krakende sneeuw mocht lopen. Contrasten van licht en donker die door de lichten van de lantaarns uitgerekt werden tot het spel der silhouetten. Zodra je oud genoeg was brandde het pepermuntje in je zak, straks voor het zingen mocht er op gesabbeld worden. Boven in de kerk voor het grote orgel voelde het feestelijker en duurde het minder lang. Broers stalen in hagelwit en rood met de frisgeboende wangen de show op het podium, daar tussen het heilige en het altaar en sleepten af en aan met boeken, kelken en wierookbranders. Toonbeeld van deugdzaamheid.

Er werd gekucht, gefluisterd, goedertierende preken afgestoken en natuurlijk, U zei de glorie, kwam het hele kerstverhaal voorbij. De stal met levensgrote beelden pinkelde tussen het licht van de kaarsen als je de ogen tot spleetjes kneep. Soms was er een harde bonk te horen, dan wat beschaafd tumult en werd iemand uit het zwarte cordon afgevoerd naar de frisse lucht buiten de zware deuren van de entree of via de zijbeuken.

De hele voorstelling duurde lang maar eenmaal aan het laatste eindje van de derde mis maakten de bleke strakke gezichten plaats voor de glans en de blijdschap in de wetenschap straks aan het nachtelijke ontbijt te mogen zitten en de weeë magen te vullen met heerlijkheden die normaal uitgesloten waren op het wekelijkse menu. Eieren, vers brood, rosbief, roomboter, kaas en krentenstol met jus d’orange op een fond van wit damast.

Nooit smaakte iets lekkerder dan dat na het lange vasten van de avond. Na de maaltijd werden de kaarsjes voor het stalletje aangestoken en mochten we om de beurt een eigen kaarsje uitblazen. ‘Het is kinderbedtijd’, zei vader, ‘vooruit, de kaarsjes die moeten nog uit. Wie heeft er de beurt om te blazen vandaag, dat is kleine Coenie, die doet dat zo graag. Fuut fuut, fuut fuut, fuut fuut, dan blaast hij de kaarsjes uit’. Na de jongste was het de hoogste tijd. Feest van samen en feest van vrede, maar nu naar bed.

Het is nooit meer geëvenaard. In al mijn kerstnachten na die kindertijd niet en dat kwam door het ontbreken van dat lange vasten en wachten, de Latijnse mis, de drie heren, het gouden licht, het overdadig, de luxe, uitgepakte opsmuk voor een bijzonder feestelijke gebeurtenis en de dodelijke ernst, de plechtige riten, die naarmate de tijd vorderde, veranderde in een verzaligde blijdschap. De wierookbrander sloeg net iets joliger in de handen van de misdienaars, de wijwaterkwast werd een graadje losser gehanteerd. God zei geloofd en geprezen, maar straks mocht eindelijk de maag gestild worden met al die lekkernijen in het vooruitzicht. ‘U zei de glorie’, maar ons wacht een weldadige heerlijkheid.