Uncategorized

Die onbegrensde tijdloze wereld!

Dromenboek: 22 februari 2007.

‘G. mag een wens doen. We gaan naar een tuinencomplex. G is helemaal lyrisch en wil de wortel van een Cassandra. Die krijgt hij van mij. Daarna gaan we naar een huis, een appartement dat te huur was, maar degenen die het zouden huren, hebben een huis te koop aangeboden gekregen, dus kunnen wij het huren. Het wordt gemeubileerd verhuurd. Er staat iets in wat we heel leuk vinden, maar het bed is afschuwelijk, alle kanten zijn gecapitonneerd in een Bleke Betten-goud. Er ligt geen matras in. Het is een protserig geheel G. is heel moe als we terug willen naar huis. Hij wordt wit en valt bijna languit. We hijsen hem de auto in.’ De droom gaat nog verder, we komen op een verpleegafdeling en werken daar ook. Iemand wil nog met een paard de draaideur door, maar het paard raakt met zijn hoofd beklemd.

De G. uit de droom is een goede vriend. Wij kennen elkaar al jaren. Natuurlijk wil ik weten of die Cassandra echt bestaat. Het blijkt een blauwe Clematisstruik met die naam te zijn en ook is het de Nederlandse aanduiding voor de Crossandra, een oranjekleurige bloem. Ik kende tot vandaag de naam niet. Hoe zit dat toch met de droom, die ongekende begrippen op kan roepen.

Ergens vinden begrippen dus een weg door de ruimte en komen letterlijk aanwaaien in dromen. Sommige bestaande begrippen vervormen of gaan hand in hand met combinaties die niet mogelijk zijn, de droom trekt een eigen pad. De verbazing blijft hangen op de details, die soms loepzuiver zijn en tot in de puntjes beschreven. De Cassandra vermeerdert daadwerkelijk door wortelstokken. Ergens is er ooit informatie doorgesijpeld.

Het protserige bed herken ik uit de beelden die tijdens het sporten op de sportschool doorsijpelen op de kleine schermen. Tijdens het fietsen en lopen trekken deze wonderlijke werelden voorbij en al zappend vallen ze in flarden uiteen. De overdaad van de Kampers, die alles in overtreffende trap uitvoeren, meubels, huizen, auto’s, trouwerijen, graven. Die laatste mausoleums vroegen pas nog om aandacht op het kerkhof, toen we de bescheiden naam van mijn vader op het familiegraf van mijn moeder lieten plaatsen. Eigenlijk schreeuwden ze het uit, overladen met bloemen, grote engelen, enorme stenen, die je niet zomaar even neer kan vleien.

Ware graftombes zijn het en binnenin stel ik me een trappetje voor, waarbij men af kan dwalen naar de verschillende spelonken waar familieleden zijn bijgezet. De grote kerk in Delft, maar dan anders.

Toen de plechtigheid van Claus plaats vond, daar in die kerk, kon ik hem er boven zien zweven, met dat prachtige gebaar van hem, dat hij maakte tijdens een speech en de stropdas die over de hoofden van de menigte heen vloog. Totale bevrijding. Ik vond het een mooie toepasselijke en symbolische gedachte, met zijn stoffelijke lijfelijke aanwezigheid in de kist eronder. Fantasie is eigenlijk de basis van het voorstellingsvermogen. Hoe groter het is, hoe leuker, spannender, echter de droom en het leven zijn.

In een andere droom valt het een en ander te herleiden omdat ik het ooit zelf heb ervaren. Ik schreef op  april 2008: ‘Ik doe aan stervensbegeleiding. Het mevrouwtje is heel klein en mager en ligt op een gebloemd kussen zwaar te ademen.’ mueck

Het is de vrouw, die ik gezien heb in de Hallen in Haarlem tijdens een tentoonstelling met beelden van Ron Mueck. Als een klein vogeltje lag ze in haar bed. Ze ademde zwaar met half open mond en de ogen toe geloken maar net niet dicht. Vanuit die houding trok een spoor van intense weemoed over het beeld en voegde zich bij de oude gekrompen vrouwen uit mijn ziekenhuisbestaan van weleer, wiens laatste uren op een dergelijke wijze zijn verlopen. Fluisterend, schor, soms te moe om aan te geven dat ze er nog waren, een verdwaald klauwtje boven de dekens, die het hulpeloze niets wilde vatten. Beelden die voorgoed op het netvlies zijn bijgeschreven en derhalve komen aankloppen in die onbegrensde tijdloze wereld van de droom. Ik verlang naar een volgende en zal de verhalen weer vangen in dat immense dromenrijk.

 

 

Uncategorized

Een kleinood.

Ik vond een film op facebook van de Marokkaanse schilder Dani Zouhir. De ondertiteling is:’Wie loopt daar’. In de streek rond Auvers-sur-Oise, waar van Gogh de laatste jaren van zijn  leven doorbracht en samen met zijn broer Theo ook begraven ligt, loopt deze Dani door de velden heen om, helemaal aan het eind, de schilder te midden van de goudgele korenvelden aan de horizon te zien verdwijnen terwijl de kraaien krassend opvliegen. Het is een prachtige animatie, maar ik kan het niet delen. Wel zie ik op You tube meer animaties van deze veelzijdige kunstenaar. Dezelfde tocht heb ik nauwkeurig beschreven in een dagboek van 2008. Dat dagboek had ik gekocht in het museum van de Auberge, waar van Gogh zijn beroemde zolderkamer te bewonderen viel, duidelijk herkenbaar, dankzij het doek dat hij aan ons achterliet.

In dat kleine benepen mausoleum van zijn leven ademden op dat moment teveel bezoekers zuurstofarme, muffige lucht in. Ik wilde er alleen doorheen dwalen, mijmerend met de vingers de spijlen van het krakkemikkige bed volgen en de geest proeven door me te wanen in die tijd. We verlieten de herberg en gingen het open veld in. Dat was exact zoals deze Dani Zouhir het tot leven had gewekt. Het hele beeld van de akkers met de kraaien erboven viel er te bewonderen en de locaties waar de schilder honderd jaar daarvoor de waarneming had proberen te vangen, waren volledig te herleiden.

De toeristen uit de Auberge hielden het voor gezien en daarom konden dochter, zoonlief en ik door de geschiedenis heen trekken zonder pottenkijkers, stilstaan bij de twee sobere stenen op de scheefgetrokken begraafplaats met het verbleekte opschrift, half onder de klimop verscholen. Het enige wat daaraan ontbrak, was het opvliegen van de kraaien en hun schorre gekrijs dat de stilte doorscheuren zou. De lome drukkende warmte gaf de zindering weer, waar zijn landschappen in zijn gedrenkt. Bij het zien van zijn schilderijen voel ik die warmte tot in mijn ziel.

Lang geleden zei iemand me er niets aan te vinden. Het oordeel van iemand die je in hoog aanzien hebt, is altijd een verbuigende toevoeging aan je eigen beeld. Ineens ga je er anders naar kijken. Het stempel dat ze me meegaf was groot. Altijd als ik naar een van Gogh kijkt, komt haar beeltenis erbij. Ik zou wel weer eens onbevangen en vrij willen zijn.

Het heeft me aan het denken gezet en de impact duidelijker doen omlijnen. Waardeoordelen zijn te persoonlijk en zijn het eigenlijk niet waard om ze op de waarneming van een ander te plakken. Nu we bij Knock-art onder leiding van Mieke Siemons het proces proberen te doorgronden, krijgt de beleving een andere dimensie.

031

Het omzetten van de emotie, het volgen van de drijfveren om iets te willen uiten, de eigenzinnige benadering van iedere kunstenaar in het bijzonder trachten te doorgronden, is een boeiend avontuur. Van de impressionisten tot de Abstracten van Monet tot aan Howard Hodgkin, elk proces roept verwondering, verbijstering of vervoering op. Misschien wel omdat het moeizame trage, of de koortsachtige snelheid waarmee de kwast wordt aangevoerd de ziel van de kunstenaar met zich meetrekt, van het uitgemeten glaceren tot aan die dikke glinsterende klodders olieverf.

Ik oordeel niet meer, ik beschouw en stel de honderd vragen die diep in mij van binnen woeden gerust, door de antwoorden te vinden, die in het doek besloten liggen.  ‘Oordeel niet, maar verwonder je slechts’, zei de lieve wijze Noni Lichtveld me ooit en raakte daarmee de kern. Een kleinood, dat je ieder mens zou willen meegeven.

 

 

Uncategorized

Braakliggen.

Dingen gaan zoals ze gaan. In de trein terug van Groningen naar Utrecht stak een verdwaalde NRC uit een van de plastic netjes aan de rugleuning van de volgende stoel. Ha, even iets anders dan een boek. Boffen.

Op het moment zelf had ik kennelijk de rust niet om te lezen en vlogen de ogen, in dezelfde sneltreinvaart als de intercity in verhouding reed, over de koppen heen. Hier en daar dwaalden ze naar het artikel af, als er een aangrijpende of opvallende aanduiding de aandacht had getrokken. Rusteloos sprokkelde ik alle losse onderdelen bij elkaar en vouwden ze op tot handbagage-formaat, groot genoeg om in de bruine tas te passen, naast het boek over Camille Claudel, het opschrijfboek en de goudkleurige zakjes van de Hema, waar ik op de heenweg zorgvuldig het cadeau had ingepakt.

Een NRC laten liggen, is zoiets als geld weggooien. Ik was blij dat mijn voorganger zo achteloos was geweest. Nu, vannacht, werpt het zijn vruchten af, die bewaarwoede van je-kan-maar-nooit-weten-wanneer-je-er-tijd-voor-hebt. Ik heb zeeën van tijd op dit moment. De vakantie is nog niet eens begonnen, want weekenden tellen niet mee. Die zijn normaliter altijd al vrij.

Maar vannacht, morgen uitslapen, had ik dus nog deze kers op de taart liggen en viel ik recht in de armen van Francine Oomen, een van mijn geliefde kinderboeken schrijfsters. De ondertitel van de kop van het artikel: ‘Het was op, ik was opbracht, wat ik al vermoedde. Het artikel ging over de overgang in het algemeen en over die van Francine Oomen in het bijzonder. Het is wonderbaarlijk, dat over deze fysieke teloorgang van ons lijf veel geschreven wordt en dat het toch zo weinig aan empathie oplevert. Dat heeft alles te maken met de ervaring.

Alleen wij vrouwen die er middenin zitten of gezeten hebben, weten exact waar het over gaat. Voor de ander is het al gauw gezeur, een afdoener voor al die verantwoordelijkheden, waar mensen geen zin in hebben, een doekje voor het bloeden. Dat laatste kan je vergeten, dat bloeden wel te verstaan. Er komen schommelsgewijs nog wat druppels aan te pas, in sommige gevallen nog een paar keer een zondvloed, maar dan is de bron toch echt opgedroogd. Het ontrafelt daarmee wel precies de kern. Niet alleen voelt het zo, je bent zowel geestelijk als lichamelijk uitgeblust.

004.JPG

Francine heeft er een mooie term voor gevonden. Ze noemt het braakliggen. Een fase waarop de boer zijn ontgonnen land rust geeft om te kunnen regenereren. Dat laatste is nu net waar het omdraait. Als de mallemolen zich in gang zet, symptomen, die afgedaan worden als hyperventilatie, psychische druk, een verkeerd eetpatroon, je finaal van de sokken hebben gebracht en jij je tot op het bot uitgekleed maar niet gehoord voelt, valt daar plotseling de luwte.

Symptomen verdwijnen als sneeuw voor de zon, zoals ze, even plotseling, zijn gestart. De werkmodus verloopt van ambitieus naar begrip omtrent het oorspronkelijke, het waarachtige van het werk en het leven. Het lijkt op berusting maar het is verwerking.  Ik kijk naar de veel jongere Francine Oomen dan op de foto’s van haar middelbare teloorgang, alleen haar hangende oogleden heeft ze gecorrigeerd. De rest hoeft niet te hangen, daar  valt aan te werken. Na het braak liggen, het schudden van de kaarten, het ophogen van het restant aan hormonen, blijkt de soepelheid van geest groter dan ooit tevoren, mits er tijd en ruimte aan gegeven wordt. Het levert creativiteit en energie op. Het brengt een nieuwe golf van inspiratie met zich mee, die los staat van de knellende dwingende prestatiedrang.

Op dat punt, in die orde van grootte, was ze als ‘een emmer zonder bodem, zegt ze in het interview. Mijn eigen moeder waarschuwde cryptisch. ‘Het blijft water naar de zee dragen’ was de verzuchting bij zo’n vruchteloze dwaling in de queeste naar dwangmatig doelgericht, aanzien en schouderklop. Daarmee is alles gezegd. Die stuwing, het kolven en de afvloeiing om daarna ten leste braak te mogen liggen tot de geest weer vruchtbaar is en voedend. Hand in hand met de natuur en fijn als je weet dat dat het voorland is.

Uncategorized

Een pad naar de voldoening.

De titel van een essay van de filosoof en de auteur Joke Hermsen is ‘Melancholie van de onrust’. Ze schreef het voor de maand van de filosofie. Ze borduurt haar verhaal op het stramien van de natuurlijke aanwezigheid van deze angst en stemmingsstoornissen die tegenwoordig depressie heten, maar vroeger geschaard werden onder de noemer:’Melancholie’.  Ze ontvouwt met precisie het beeld. ‘We zijn in de tijd verzonken wezens en kunnen nadenken over wat is geweest of wat er nog komen gaat.’ Ik zou er middenin aan toe willen voegen ‘Wat is’. Ook haalt ze aan dat de gezonde melancholie lijdt tot reflectie en creativiteit en de ziekelijke vorm ervan angst en onrust brengt.

Ik heb vrienden die van me houden en bezorgd om me zijn. Ze vragen me bij iedere gelegenheid  hoe ik me voel. Daarbij kijken ze me lang en doordringend aan en monsteren het gezicht op iedere graad van vermoeidheid. Het luiken van een oogopslag, het zuchten na een inspanning worden nauwlettend geturfd en als het bloed uit het gezicht trekt komen de bezwerende gebaren. Ieder moment van hun aanwezigheid wordt ik op mijn onvolkomen lichamelijkheid gewezen. Ergens in mijn achterhoofd wordt rebellie aangewakkerd tegen het onuitgesproken vonnis. Ik voel me in zo’n situatie doorgaans gewoon goed en gezond vermoeid na inspanning, maar moeiteloos spreiden ze de diepe put, waar ik kniesorend het gebrek aan energie in kan storten om er vervolgens in te mogen hangen. Ik bedank voor de eer.

026‘Er ligt een oude meester in mijn afvalbak.’

De vriend, wiens levensloop niet ongemerkt voorbij gaat en die te dealen heeft met een aantal tegenslagen, had zich een fort gebouwd om ze te lijf te gaan. Enigszins verkluizeld viel hij ten prooi aan de overbezorgdheid van de omgeving. Het etiket werd geplakt, de ‘depressie’ deed hem zwijmelen in zijn eigen onmacht. Nu het weer beter gaat met zijn gezondheid en het leven lichter is geworden, beaamt hij het volmondig. Ik waag het te betwijfelen. Hij deed op het moment wat hij moest doen, toen de wereld zich verkleinde en hem in letterlijke duisternis opsloot. Hij hield vast aan zijn geschudde kaarten en vegeteerde zich een weg door het ongemak heen.

Dat het leven weer ‘Zin’ moest krijgen was buiten kijf. Er zijn vele wegen die naar Rome leiden en zijn diepe melancholie hadden hem in nevelen van alcohol gehuld. Dat was het allereerste obstakel dat uit de weg geruimd diende te worden en daarnaast moest het licht aan de horizon weer gaan schijnen. De eerste drempel verbleekte met hem het gevoel te geven, dat hij belangrijk was voor het algemeen maatschappelijk belang door een handvol aandacht in het bijzonder. Er kwam iemand een avond per week in zijn huis logeren, die er voor zorgde dat de grote onverschilligheid veranderde in zorg en aandacht voor zijn huis en niet op de laatste plaats voor deze persoon in kwestie. Die doelmatigheid leverde een optimistischer kijk op dan daarvoor. Zijn bloed ging stromen en zijn ideeën werden talrijker. Hij zocht en dacht weer in oplossingen.

Joke Hermsen schrijft: ‘Wat is er nodig om die melancholische gevoelens waarmee we behept zijn niet te laten omslaan in depressiviteit? „Het is belangrijk om onze melancholie een plek geven”, zegt Hermsen. „Daarvoor kunnen we de kunst en cultuur inzetten. Als je naar een muziekstuk luistert, een boek leest of een kunstwerk bekijkt, wordt die melancholie bemiddeld. Het leidt tot bezinning en verstilling.”

Die wandelgang van vriendlief heeft me geleerd dat de vorm van belangrijkheid minstens zo belangrijk is als het inzetten van kunst en cultuur. Zijn diepe melancholie heeft een plek gekregen door dat gevoel van relevantie. Het eigen gewicht dat in de schaal van het leven wordt gelegd en dat de tegenhang vormt voor het verleden, het heden en de toekomst. Bij pathologische melancholie heerst de angst, maar ook de berusting, die verneveld en verstikt. Die andere melancholie is de zingeving aan het bestaan. ‘Ik denk, dus ik ben’, zei Descartes. ‘Ik ben, dus ik besta’ vul ik aan en kleur mijn lichamelijke onbeholpenheid met de fantasie en de melancholie van het leven en hijg me een pad naar de voldoening.

Bewaren

Uncategorized

De oersprong.

De diepe duisternis, die vannacht rondwaarde en die de de aarde liet vervloeien in een troosteloze aanblik van glinsterend lantaarnlicht en de  late voorbijganger die luid schreeuwend zijn misbaar kenbaar maakte aan de wereld, pasten naadloos bij het boek dat ik opensloeg: ‘Camille Claudel, een vrouw’. De biografie door Anne Delbée geschreven kwam in 1982 in Parijs uit onder de oorspronkelijke titel”: Une Femme.

In flarden en frasen ontstond het beeld van een klein meisje met een grote passie voor  natuur, steen, aarde, aardetinten. De drang, het vormeloze om te vormen tot iets wat bruiste, diep van binnen in haar dolende kinderziel, had al bezit van haar genomen. Het kost geen  moeite me te verplaatsen in de dwingende omschrijving van haar schepper in dit verhaal.

Weken daarvoor was ik getroffen door de onpeilbare diepte in haar gezicht, zoals ze je aankijkt op de foto als jonge vrouw in 1884 en ik probeerde het in olieverf te vangen, maar de blik in haar ogen, onpeilbare diepte en het weerbarstige plukje aan de zijkant van haar opgestoken haar, geven er de bruisende ondertoon aan. Het brengt me naar een gedicht van Vasalis over plichtmatigheden, waaruit een mens het liefst ontsnappen wil, maar het niet kan ontduiken.

‘Onder het net en vlot gesprek,
dat mijn hoofd, met bruine hoed,
met de gastheer voeren moet,
denkt mijn hele ziel: verrek!’

023

De ogen ontsnappen ook op het doek. Ze laten zich niet vangen. Het boek is een zware tocht door haar innerlijk gemoed, de weg naar haar tragische einde. Vanaf het begin is daar de strijd met de moeder en in zekere zin ook met de broer, al volgt hij haar in haar ontsnapping aan de wegen der betamelijkheid en sliert hij met haar mee, dwars door alles heen, los van de materie. Tot er een kink in de kabel komt en ze haar broer onder haar veren uit laat schieten door zelf de bescherming te zoeken van de meesters in de beeldhouwkunst en tenslotte haar grote zielsverwant ontmoet die de beelden in zijn hoofd vorm geeft op een gelijke manier, haar evenknie. Ze mag bij hem in de leer, De grote Rodin en hij misschien ook bij haar als ze zijn beelden tot perfectie voert met haar handen en zijn ontwerpen ten uitvoer brengt. De muze en de beeldhouwer, de beeldhouwster en haar muze.

Haar aanwezigheid is haar moeder een doorn in het oog. Ze heeft de heilige plek van de eerstgeborene in het gezin ingenomen, ook al had ze part nog deel daaraan en er mankeerde beschaving. De broer is misschien wel door haar passie voor Rodin en de kunst, verbitterd geraakt. Niet langer is hij meer ‘Mijn kleine Paul’. Hij velde samen met de moeder op een cruciaal verward moment in haar leven het vonnis. Eenzame opsluiting in een gesticht ver weg van de moraal, uit het vizier van de gegoede burgerij.

Mijn eigen gedachten strijden om voorrang en hebben zo een eigen beeld geschetst in een diepe bewondering om het vechten voor haar bestaansrecht en het feit dat de grote storm die in haar woedde, de aanhef ervan, nog altijd te bespeuren viel, ook al lagen haar handen dertig jaar lang als een albasten werkeloosheid in haar schoot. Ze wordt in ere herstelt. Door een romantische levensloop, boeken, wat films, een facebookpagina, lezingen en straks de baanbrekende biografie Camille Claudel Statuaire by Karin Haanappel. Er zullen exposities zijn en er is een eigen museum in Villeneuve en in Nogent.

Ik ga verder in het boek, dat pas gekomen is na het portret, dat zonder dat ik wist welke tragedie erachter school, al zo’n diepe indruk heeft achtergelaten en nu vorm krijgt door de woorden van Lydia Chiarelli en weer ben ik geraakt, ontroerd, in vervoering gebracht door een mensenleven. Dit leven aan banden dat ten leste in oneindige vrijheid, met de onzichtbare raven mee, de oersprong waagde.

Il y a toujours quelque chose d’absent qui me tourmente.― Camille Claudel. (19 octobre 1943)

Corbeaux invisibles

flottants dans le ciel de la Provence

nuages denses

le vent s’enrage

et ouvre des fissures bleues

 

petite fille étonnée

seule, tu écoutes la voix du silence

et regardes les grandes flaques

et l’argile brune

cadeau précieux

que la pluie de la nuit

a apporté

 

pour la dernière fois

dans une lumière irréelle

de cette boue

des créatures étranges

s’animent

caressées

par ta main tremblante

abandonnée à leur vie

 

c’est alors qu’un calme inconnu

te saisit

et tu souris

infiniment libre

en ce matin d’octobre

à Mont des vergues

 

 

Uncategorized

Het nu van net

Gisteren liep ik tegen de volgende spreuk aan. ‘Life is what happens to you, while your busy making other plans.’ Het staat op het conto van John Lennon en druist regelrecht in tegen het advies van mijn wijze moeder, die gedecideerd riep bij elke planning: ‘Regeren is vooruit zien’ en graag een stap of tien verder keek. Als ik verder zoek, blijkt het een quote te zijn die verwerkt is in een song voor zijn zoon Sean met de veelzeggende titel Beautiful Boy(darling boy).

Het speuren werpt nog meer vruchten af. De quote blijkt in 1957 te zijn geschreven door Allen Saunders, de Amerikaanse schrijver, journalist en cartoonist uit Amerika en komt voor in een thema van The Readers Digest. Als je iets gebruikt moet je het goed doen. ‘Beter goed gejat, dan slecht bedacht.’ John Lennon heeft er vleugels aan gegeven door het te verwerken in een tekst voor zoonlief. Het lied van kinderen voor kinderen schiet door mijn hoofd. ‘Met een been op de stoep en een been in de goot en als ik dat niet doe, dan ben ik morgen dood’. Groot zong ik toen dood nog een volstrekt taboe was. Het komt  door het hinkepinken. Die spreuk van Allen hinkt ook op twee gedachten. Met het ene been staat men midden in het leven en met het andere is men aan het vooruitzien. Het heeft vooral te maken met het tijdsgewricht en de hectiek van nu.

Ik ben al weken aan het plannen hoe de afsluiting van het project er vandaag uit zal gaan zien. Het slokte zeker de helft van de vrije tijd op, omdat er iets verzonnen moest worden en gemaakt, de cruciale afsluiter, daarnaast moest het gewone leven ook doorgang vinden. Het ei is nu, bijna letterlijk, gelegd en daarna zal de tijd zich weer vullen met andere taken die in het vooruitzicht liggen. Het is navenant aan de druk op school en de blokken van de thema’s waar het in gevat is, naast de andere beslommeringen. Dat ik me daarvan bewust ben is waar. Dat leven aan de gang is terwijl we maar blijven plannen is ook een feit. Dat dat op het moment niet anders kan is een gegeven.

Ik had een collega die gek was op het plannen. Haar schema’s voor het hele jaar waren ingenieus opgezette staaltjes van orde en netheid met mooie kleuren, afkortingen, jaren in blokken verdeeld en elke seconde van de tijd gevangen in een ‘te doen’ lijst. Aan het begin van het jaar kregen we het toebedeeld en ieder jaar weer vloog het me naar de keel. Ik weet dat we een aantal weken hebben en ik weet dat er elke week wel wat te doen staat, maar weten en willen is twee.

Ik wil het liefst op de toppen van het bestaan surfen, de dag nemen zoals ze wordt aangediend, meebewegen in de eb en vloed van het bestaan. Niets is heerlijker dan het ene moment te mogen kabbelen en het volgende moment met een stevige borstcrawl er tegen in te gaan.’Life is a cabaret, old Chum!’ ‘Vergeet niet te leven’,  zegt Allen over de grenzen heen. ‘Voordat je het weet is het al weer voorbij’.  John beaamde het en gaf het zijn zoon mee in een prachtig lied. Alles wat er nu gebeurt is straks verleden tijd, een herinnering. Vasthouden lukt niet, maar inprenten, beelden vereeuwigen in je hoofd, en straks de tijd , eindeloos de tijd, zeeën van tijd te hebben om te mijmeren in het hier en het nu van net.

‘Out on the ocean sailing away
I can hardly wait
To see you come of age
But I guess we’ll both just have to be patient
‘Cause it’s a long way to go
A hard row to hoe
Yes, it’s a long way to go
But in the meantime

Before you cross the street
Take my hand
Life is what happens to you while you’re busy making other plans

Bewaren

Bewaren

Uncategorized

De laatsten zullen de eersten zijn

Vandaag ga ik verjaardag vieren met mijn duocollega. Als ik alle verjaardagen die gevierd worden op school en thuis bij elkaar optel dan ben ik zo oud als Methusalem. Niet helemaal waar want thuis vier ik het praktisch nooit. Ik hou niet echt van feesten en partijen. Een en ander heeft te maken met het zondagse pak van vroeger. Ik weet dat mijn collega een extra mooi jurkje uit de kast trekt met voor vandaag een thermopanty, want koud wordt het wel. Glimmers in de oren, een mooi lippenrood en prachtige blozende wangen maken haar extra feestelijk. Ik zip aan mijn koffie en bedenk wat ik perse niet aan wil trekken. Dat is een ongewone volgorde en het verkeerde uitgangspunt.

Het is feest tralala. Tussen de bezwaren door schijnen de verwachtingsvolle toetjes van de kinderen, de pretogen als ze ons in het kamertje mogen halen, omdat de groep stiekem versiert is, waar wij zogenaamd nog niets van weten en het tafeltje vol staat met geschenken. Het wordt mijn laatste verjaardag op deze school. Ik zal nog een keer van de ene verbazing in de andere vallen met kinderlijke bijval en klappende handen. Voor de zoveelste keer weet ik niet of ik nu vóór of achteruit jarig ben. Word ik vandaag vier-of vijf(enzestig). Een luxe probleem, want in september is het daadwerkelijk zo ver.

Gisteren kreeg ik een brief van het stafbureau. In 2013 was ik al 25 jaar werkzaam in het onderwijs en in augustus ben ik 25 jaar bij de Stichting. Dat heeft men vastgesteld aan de hand van de gegevens, die ik heb ingebracht. Mijn vader werd als ‘bijna’ pensioengerechtigde op zijn zestigste afgeserveerd naar een afgelegen politiebureau en daarna getrakteerd op een jubileum feest. Hij bedankte stellig voor de eer. Ze hadden hem de kroon op het werk ontnomen dus er viel niet langer iets te vieren. Het voelde voor hem als een judaskus. Een jubileum met toeters en bellen is dat pas echt als het overrompelt, als je totaal onverwacht die dag de zon blijkt te zijn, een stralend middelpunt. Feesten zijn mijn ding niet echt.

002

We gaan naar een kinderboerderij annex speeltuin en vieren het als een echte belevenis voor de kinderen, met hapjes en drankjes en lieve ouders, broers en zusjes,  de hele rataplan mag mee. Het is een laatste verjaardag, dus dubbel feest, een lach en een traan. Nog één keer de repen, de douchegel, de roosjes of chrysanten, de beeldjes, de handcrème, de zakdoekjes en de de zeechocolaatjes. Nog één keer de bedrukte gezichten van de kinderen die niets hebben en het verrukte beamen als we veronderstellend vragen of ze toch ergens nog wel een dikke knuffel in hun binnenzak hebben zitten. Knelarmpjes, wangen tegen wangen, pretlichten in de ogen en de opgetogen afwachting bij het uitpakken van hun cadeau. Jarig met kinderen, taart, toeters en bellen! Niets is leuker, ook als je er niet van houdt!

Daarom sta ik straks toch voor de kast te dubben. Het feestelijkste feestelijk, dat tegelijkertijd ook praktisch is, want klimmen en bukken en buigen en reiken en dansen en springen moet mogelijk zijn en de modder van de boerderij, natte snuiten van het pasgeboren kalf en snotneuzen langs de mouwen moet het allemaal aan kunnen, betraande gezichten, slagroom, een schaterlach moet er in gewikkeld kunnen worden zonder dat het kreukt.

Even de knop om zetten en dan gaan. Ik ben jarig, voor of achteruit is geen issue meer, de laatste zal het zijn, dus voor deze ene keer weet ik zeker dat het vooruit tellen wordt. De laatsten zullen de eersten zijn! Het dak gaat eraf.

Bewaren

Uncategorized

Beter een goede buur….

Mijn buurman droomt van bloembakken die zo weelderig zijn als de reclamebladen van de tuincentra doen geloven. Wij wonen met zes mensen aan de galerij in onze maisonnettes. Het klinkt vriendelijker Frans dan het is, maar het zijn grote grijze uit beton verrezen comfortabele woningen, die ondanks welke handigheid dan ook te allen tijde de uitstraling zullen blijven behouden van betonblokken. Hij heeft over de afscheiding van de galerij grote bloembakken gehangen. Ze gapen me iedere morgen zwart en onheilspellend leeg aan. Het weer werkt niet met buurmans droom mee. Ze blijft op alle fronten winter voelen, waar lente wordt gedacht.

 

074

Straks als de kou uit de grond is gaat hij met zijn knoesten de bakken vullen met mooie zwarte aarde en Petunia Hybriden en Pelargonia Peltatum. Hij doet dat belangeloos voor alle galerijbewoners. De bedoeling is dat de planten weelderig het grijze beton zullen maskeren en dat de aanblik ervan zal gaan ogen als de vriendelijke Bauernhofen in de Alpen. Ik vind het dapper. Een Don Quichotte, die onvervaard vecht tegen het grauw van de moderne tijd, met als lans de beloftes der catalogi en als einddoel de hangende tuinen van Nieuwegein.  Waar een droom niet groot in kan zijn.

Niet lang geleden brachten de zussen en ik een bezoek aan Des Jardins Suspendus de Thuin, een middeleeuws dorp in de provincie Henegouwen in de buurt van Charleroi. De muren voor al die hangende tuinen waren er wel, maar weelderige begroeiing was er in de zomerluwte niet te vinden, wel heel veel trappen, die aangaven dat de namen van de hangende tuinen vooral zijn ontstaan door de ligging van de huizen. Schouder aan schouder zijn ze in een wirwar van straten en stegen tegen de berg aangeplakt. De afdaling was een aangenaam genieten, maar de terugtocht liep langs de trap der verzuchtingen. Een weg omhoog, die zich met gemak kon meten aan het beklimmen van de Domtoren door de dribbelpassen van weleer. Van plateau tot plateau vierden we de ouderdom.

Ooit behoorden de hangende tuinen tot de klassieke zeven wereldwonderen. De hangende tuinen van Babylon dragen de fluistering van een uitgestorven beschaving met zich mee, terwijl wetenschappers aanwijzingen hebben dat die tuinen een vierhonderd kilometer verderop lagen in Ninive. Het doet aan het mysterie en de feeërieke fantasie niets af. Ik zou de buurman zijn illusie kunnen ontnemen op grond van het feit dat de zes kleine bloembakken, vorig jaar, bleven pieren. Hij had ze nijver gevuld met goudgele en oranje afrikaantjes, die fier over de rand van de bloembak keken, maar zich niet mengden met elkaar of met de entourage. Gele stippen boven het beton bleven het. Buurman een illusie armer en een ervaring rijker.

Opnieuw vlast hij op een nieuw wereldwonder. Ergens in zijn hoofd zijn die bontgekleurde guirlandes vaste vormen aan gaan nemen. Ze bloeien weelderig naar de toppen van zijn fantasie en zijn de té bescheiden violen, heesterachtigen en afrikanen ontstegen. De Zwitserse Alpenweelde moet de betonnen aanblik bestrijden en zijn coulante zorgzaamheid streelt daarmee het hart van de galerij.

Wij spinnen er goed garen bij als de gapende zwarte bakken de bakens worden van die nieuwe lente. Nu eerst de vorst nog uit de grond, de gierzwaluwen onder de pannen en de zonnegloed op volle sterkte. Vroeger wist men het allang. Beter een goede buur, dan een verre vriend. Als het om bloembakken gaat, kan ik het volmondig beamen.

 

 

 

Uncategorized

Een blijvende herinnering.

‘De dagen der vergeten woorden’ staat er in het kleine dagboekje, dat ik gedurende een korte periode vorig jaar heb bijgehouden. Daarna raakte het in vergetelheid, zoals zo vaak tegenwoordig de dagboeken doen, omdat het digitale werk makkelijker wordt ingezet. Het ligt aan mijn concentratie of ik woorden vergeet of niet, aan de drukte in het hoofd, dat niet aflatend bezig is met het verzinnen van allerlei verhalen en ondernemingen. Daardoor zakken woorden verder weg, dwars door de mazen van de alertheid heen. De periode van ‘De dagen der vergeten woorden’ duurde zegge en schrijven een week.

Dat selectieve geheugen van mij is een allegaartje. De meest wonderlijke dingen kan ik tot in detail vasthouden en andere zaken, die belangrijker lijken, volkomen vergeten. Er zijn momenten geweest, dat ik naast een vriendin zat, waarbij ik op het moment suprême niet op haar naam kon komen. Met leeftijd had het niet van doen, want ik was jaren jonger. Ook niet met de moeilijkheidsgraad van de naam, maar er werd in het hoofd teveel met de deuren geslagen. De gedachten sprongen alle kanten op en het was chaos en onduidelijkheid daarbinnen. Het is vergelijkbaar met de gangen van Zweinstein waar Harry Potter cum suis rondwaren en de schilderijen leven en praten en elkaar dwars door al het gebruikelijke lawaai heen, niet zelden van ongezouten kritiek voorzien. Die hectiek dus. Zie daar maar eens een aanduiding in vast te houden.

Bernlef

Het is verstrooidheid van de eerste orde. Als het meer wordt of erger, als er iets niet meer werkt in die fabriek daarboven, is de wetenschap ervan dan in de kiem aanwezig, of verglijdt men ongemerkt in een dergelijke staat van zijn. In Hersenschimmen van Bernlef zie je de hoofdpersoon langzaamaan in zijn eigen mist verdwalen. Het is als een net dat zich om hem hen sluit, zoals  in de avondschemer, als in een donker bos de witte wieven de overhand nemen en de boomkruinen laten zweven door de stammen te verbloemen.

Geheugenverlies in een milde vorm heette vroeger Oostindisch Doof, maar dat werd doorgaans veroorzaakt doordat aan de andere kant van de lijn zo veel gevraagd werd Mijn opa was stokkedoof, maar ook ondeugend. Als oma een van haar heilige litanieën op touw zette, trommelden zijn vingers harder op de tafel en glinsterden zijn ogen rebelsheid in een vermeende stoïcijnse blik. Steevast ging zij dan over op orkaansterkte en schreeuwde boven zijn pom,pom, pom uit, maar hij verblikte of verbloosde niet en gaf geen sjoege.

In het Academisch ziekenhuis in Leiden op de afdeling neurochirurgie liep in de jaren zeventig een jonge glazenwasser rond. Hij was vanuit grote hoogte ongelukkig terecht gekomen. Zijn geheugen duurde een zin lang, daarna was hij alles vergeten en moest opnieuw beginnen, steeds maar weer opnieuw. Jeugd valt niet te rijmen met vervroegde aftakeling in die orde van grootte. Hij werd een blijvende herinnering.

Amnesie

een man liep op de gang van neurochirurgie

het lange silhouet in het gefilterd licht

versterkte de lengte van hemzelf en de gang

hij slofte, drie vier stappen dicht

langs de kale muur en bleef dan staan

hief zijn hoofd op, keek  zoekend om zich heen

en schalde ‘zuster…..ken u me zeggen waar het toilet is’

het sneed messcherp de stilte uiteen

 

ik wees hem op het einde van de gang

hij slofte voort , drie vier stappen

om daarna nog eens stil te blijven staan

en onbeholpen op zijn eigen voet te trappen

‘zuster….. ken u me zeggen waar het toilet is’

weer wees ik hem de weg en hij ging door

maar  in mijn ogen moest zijn te lezen

hoe dapper deze man de strijd beslechtte

 

door vanuit zijn diepste wezen

volhardend zijn eigen weg te gaan

overtuigd zelf een oplossing te vinden

omdat zijn geheugen hem liet staan

 

 

 

 

Uncategorized

Sint Juttemis.

Vandaag is het De dag van De herinnering. Lang geleden, alweer 27 jaar, kwam het telefoontje binnen. Ik stond tegen het grenen bed geleund op de vurenhouten vloer, een perfecte binnenkist voor de dood, maar als het bericht onverwacht komt, dan blaast het je van de sokken en benam het mij de adem. BLØF fluistert nu, op dit moment, op het ritme van mijn ademhaling: ‘Het is een mooie dag, een mooie dag….’

Ik duw ze weg en luister nog eens naar de woorden van mijn zusje. Zonder waarschuwing voelde ik de weekheid van mijn lijf de overhand nemen en zeeg ik neer op de harde houten rand, waar ik anders behoedzaam overheen zou zakken. Gedachten, woorden, spieren stromen weg door het grote open gat dat het bericht geslagen heeft in mijn leven en ongetwijfeld in dat van mijn vader, mijn broers en zussen. ‘Doodgaan duurt maar heel even, de liefde duurt wel zo lang’ zing Liesbeth List en neemt mijn gedachten mee.

Mijn lieve kleine oudste dochter van tien jaar kijkt me verschrikt aan. De onmacht, de hulpeloosheid balt zich samen in mijn uitgestrekte jammerkreet, het rauwe snikken laat haar kleine armen om me heen slaan, woorden verstommen, maar het troostende omhelzen slaat het ongeloof stuk. De werkelijkheid, de rauwe werkelijkheid omspoelt het kleine tafereel. Mijn moeder is vannacht plotseling dood gegaan.

048

Al die tijd, vanaf dat eerste moment zijn we op zoek gegaan, mijn zussen en ik vooral samen, soms met broer in het kielzog. Naar een glimp van haar in elk woord, gebaar, houding, neusvleugel, handen, haar. Het krulletjeshaar, mijn moeders eeuwige permanent au  naturel op het hoofd van zuslief, de lieve oogopslag in het gezicht van de andere zus, dezelfde zachte blik als ze lacht. De handen, die werkende handen, ze houden elkaar vast en wrijven over het knobbeltje als ze stil liggen in haar schoot, dat ene moment, dat er bijna nooit was. Het verende opspringen als ze een idee kreeg of even haastig nog wat wilde doen.

We sprokkelen en bouwen onze moeder weer heel, in onze hernieuwde relatie tijdens de trektochten door Nederland. De zilte zee en de wandelingen door bos en hei, de kringloop en de voorliefde voor malle kleine huis-tuin-en keukendingen, die altijd wel praktisch waren voor wat er straks vast komen gaat, de kleinkinderen in haar hoofd zochten naar de memory’s, een gebreide knuffel, mens-erger-je-niet en wij zoeken naarstig mee.

170

Vierstemmig zetten we de gedachte voort aan het huis in de Amandelstraat, de keuken, de vaat, die glazen vaat en zingen de toppen van de hemel en haar dichterbij. Geen mams, geen moeder of mama, maar moe of ma, geen poespas en geen polonaise voor dat sepia gekleurde meisje op de foto, lachend kijkt ze naar ons terug als we proberen haar levend te kijken op de oude foto’s en verbeeld ik het me, of draaide ze zich een kwartslag om in het hoge gras?

Waar is dat lichaam oud geworden.  Met dat jeugdige elan had ze het goed verstopt, een hartenslag die tot op de draad versleten was kan er niet in bij mij, bij ons, en toch… Pasen is niet de dag van de wederopstanding, Pasen is de dag van de teloorgang ‘Als Pasen en Pinksteren op een dag vallen, met Sint Juttemis’, ze lacht haar tanden bloot als we om iets aan het zeuren waren, waar ze geen gehoor aan wilde geven.

Sint Juttemis kwam vroeger dan we dachten, als een dief in de nacht. Nooit verwacht, nee nooit gedacht….Elkaar koesterend stappen we de kringloop van het leven binnen. Een onsje Moe, een pondje Ma en zoete herinneringen.

Bewaren

Uncategorized

Een wereld van verschil!

Er zijn van die momenten dat je in vervoering raakt. Letterlijk meegesleept wordt in de schoonheid van de aanblik. Het hoeft niet groots te zijn, niet buiten-proportioneel, niet spectaculair. Het heeft als enige eis dat het nieuw is, nog nooit ervaren, nog nooit gezien.

009

Gisteren was het er. Ik ging met de auto door de wasstraat. Gelukkig was zoonlief erbij, want het druiste nogal tegen het gevoel van veiligheid in om met draaiende motor een lopende band op te rijden en het te laten gaan. Niets eigen initiatieven, in eerste instantie zie je geen hand voor ogen en stuurloos onderga je de handelingen. Tot daaraan toe, maar tussen schuim en mist en watergekletter ontpopten zich voor mijn ogen de meest prachtige beelden.

013

Ik wist niet waar ik  kijken moest, wat een fantastische waarneming. Geen natuurschoon maar een proces. Het proces van het vallende water, de ruisende lappen, de draaiende borstels en wij in die cabine, als aan de heidenen overgeleverd, van binnenuit het van het begin tot het einde mochten beleven. Mijn zoon keek naar mijn begeesterde reactie en ik hoorde hem denken:’Een beetje naïef moeders’  Als hij het had uitgesproken had ik geantwoord: ‘Een kinderhand is gauw gevuld, zoon’.

028

Het zijn maar een paar foto’s van het hele proces. Maar wat een zinnenprikkelende ervaring, door de explosie aan kleur en beweging. Kunst in de wasstraat.

Daarna, al stofzuigend en met een mattenetende veelvraat in de orkaanwind, die uit het staartje van de wasstraat, overwaait, slaat het surrealisme toe. De auto’s als makke schapen in een hok, aan de stofzuigerslang, twee lange rijen. Zonnebrillen en hoge hakken, getoupeerde haren, de kleurrijke tattoos op gespierde armen, brede torso’s in t-shirts, waar ik me met warme winterjas en dikke sjaal tegen de kou tracht te beschermen, de snelle zwarte bolides, het is mijn wereld niet.  Dat verklaart, waarom ik er nog nooit geweest ben. Het ligt buiten mijn zichtveld, omdat ik niet naar een industrieterrein rij als de gewone wasgelegenheid achter het tankstation in de wijk ligt. Het knipoogt naar het buitenland, het ademt een tikje Amerika. Ik heb op een doodgewone zaterdag-namiddag een wonderbaarlijke reis gemaakt.

Zoon heeft gelijk. Kinderlijk onschuldig in het ontvangen van de beelden, die krakend vers en nieuw het netvlies binnen denderen en zich onuitwisbaar nestelen achter deuren in mijn hoofd. Met die onbevangenheid gebeurt er veel meer aan nieuwe toevoegingen, schoonheid ligt op straat, welke straat dan ook.

Even daarvoor, in de Hoogstraat, waar de verlamde halfkant van zijn vader aan het bijtrekken is achter de rollator en het ongeduld zich wringt tussen de rede en het vertrouwen, waar het verlangen naar huis en het leven in eigen hand groter wordt, dwaalt de verstilling. ‘Een ei is geen ei, twee ei is een half ei….’dreunt de deun door mijn hoofd. Verpleegkundigen op halve kracht, omdat het feest is, waar geen feest is. De troosteloze stemmen in dit verwerkingsoord, neurologie in de Hoogstraat, waar je bent maar niet wilt zijn.

Als afsluiting kunst die niet als kunst vermag. Het is me het dagje wel. Nu eerst maar eens de stilte van het ochtendlicht, terwijl de beelden over elkaar heen schuiven en de film nog een keer draait. Twee simultane werelden, maar een wereld van verschil.

Uncategorized

De Jas!

Vanmorgen bracht de Volkskrant een mooi en indringend stuk over Wim Brands. Het was geschreven door Arjen Peters en had als statement: ‘Poëzie was voor Wim Brands de nooduitgang’.

Daar moest ik eens recht voor gaan zitten. In mijn perceptie zijn gedichten altijd een uitlaatklep om onvoorziene, voorspelbare of andere fladderende gedachten te vangen in woorden. Ze komen en gaan. Op de meest gekke momenten dienen ze zich aan en als je per ongeluk niets hebt om op te schrijven, iphone leeg, geen bierviltje voor handen, geen pen in de buurt, verdwijnen ze weer uit mijn hoofd om later, als ik geluk heb, in flarden terug te komen en daardoor meer ‘to the point’ te zijn. Ze zijn me lief. Juist omdat ze die ene seconde in het licht zetten. Dat moment dat nooit meer te vergeten valt zodra het is. Iets in de trant van :’Ik dicht, dus ik besta’.

119Julianapark

Zo heb ik mijn moeder gevangen in woorden, het Julianapark met de voetstappen uit mijn jeugd en mijn meest dierbare verwarde patiënten in mijn eerste periode op de afdeling Neurologie, die diepe, diepe indruk maakte omdat ik daar voor het eerst begreep, hoeveel geluk de gemiddelde medemens heeft, als alles nog werkt zoals het bedoeld is. De kleine parels aan het snoer dat leven heet.

Beer

niet ouder dan een jaar of vijf

een warme zomerdag

het knarsende hek

de wandeling door knerpend grint

oneindig lang duurde het eer we er waren

blije opgetogenheid als we hem zien

de Beer met water uit zijn bek

het gladde ronde steen

We vouwen onze kleine armen erom heen

en kletsen hem liefkozend in zijn nek

Julianapark

kinderplek!

(c)lemvanderlinden.

De poëzie van Wim Brands was vooral gericht op dat vangen van de juiste woorden voor de tekenende levensloop van zijn vader. Hij had er aanzienlijk veel gedichten over dagelijkse beslommeringen voor nodig om af en toe dat ongrijpbare zware aan te kunnen. Zijn vader en diens zelf verkozen nooduitgang, de vlucht voor het leven in een eindigheid die rust bracht. Vorig jaar vrij abrupt voor het gros van ons, is Wim Brands hem nagevolgd. Zijn eigen ontsnapping, door gehoor te geven aan het neurologisch onverklaarbare transmittertje, dat een uitweg zoekt naar rust en daarvoor de eeuwigheid kiest.

Die andere gedichten lijken meer nog dan de nooduitgang op een vluchtroute, een dwaalspoor. De enige manier om het podium voor zijn angst, te eindigen als zijn vader, niet te groot te maken. Door het in te vlechten tussen ‘hond en scharrelaars en duiven’ werd de nadrukkelijkheid afgezwakt. Al vond ik het drentelen langs die  Kostverlorenvaart van een troosteloosheid getuigen, waar onmiddellijk onbeantwoorde vragen een weg naar boven plaveien in mijn hoofd.

Ik was verliefd op Wim Brands en op zijn keuzes, zijn schrijvers en diens boeken. Die andere keuze ligt verder weg, maar respecteer ik en probeer ik te begrijpen. Antwoorden sprokkel ik uit zijn gedichten, vooral die over zijn vader raken elke teergevoelige snaar van het hart.  ‘De Jas’ is de ultieme respons. Omdat we nu weten dat het achteraf een vooraankondiging was. Ze vonden elkaar en liepen samen op en tenslotte, uiteindelijk, van alle banden vrij, liepen ze jaren later samen door, de lange eindeloze weg naar nergens.

De jas

Maar eerst is er een oude jas. Nu hangt hij
aan de kapstok, binnenkort wordt hij
verbannen naar het hok.

En eerst is er een avond waarop ik aarzel
naar buiten te gaan. Buiten is het koud
In gedachten trek ik voor het eerst

die oude jas aan. Ik ben alleen op straat.
Wie had dat durven hopen. Ik kijk
in de ruiten en zie

voor het eerst mijn vader in deze stad lopen.
‘Waar ga je heen?’ ‘Nergens heen.’
‘Dan gaan we dezelfde kant op.’

Uncategorized

Het begin van de vrijheid!

Ik heb het boekenweekgeschenk in mijn bezit. Helaas was ik niet in de gelegenheid om ermee te gaan treinen. Ik had Tilburg gekozen en misschien wel vandaar uit naar Groningen. Lekker treinen, lezen en twee prachtige verre musea bezoeken. Naar De Pont ben ik nieuwsgierig omdat ze pas vernieuwd is. Soms kunnen kleine veranderingen zoveel uitmaken voor de beleving.

Het museum Voorlinden waar ik al die jaren op gewacht heb tot de verbouwing klaar was, poste iedere dag een prachtig, intrigerend of verstild boeiend werk op de facebook-pagina. Al die tijd kon je het museum zelf niet bezoeken. Het heeft lang geduurd. De kunstwerken op zich waren al zeer de moeite waard, maar zoals het een en ander bij mij binnenkwam in die verlichtende omgeving, een architecturaal hoogstandje, met de lange ruime zichtlijnen en de lichte hoge zalen kreeg alles wat er stond of hing nog een speciaal facet aan schoonheid erbij! De natuurlijke omlijsting van het gebouw gaf er  een extra dimensie aan, evenals de ligging en de wandeltocht er naartoe.

064

Groningen is altijd een brug te ver. Maar treinen en wegdommelen als je te moe bent, of het landschap indrinken, dat mooie oer-Hollandse landschap door zoveel meesters bezongen en vereeuwigd, ja, dat was goed te doen geweest. Rodin had ik al bezocht, maar ik had dan alle aandacht willen richten op de tentoonstelling van Maarten Baas en zijn Hide & Seek. Dat kon er na Rodin niet meer bij.

Soms is een werk al genoeg. Als het vol is daarboven, door wat iets oproept of aanraakt, stop ik. De rest is voor later. Zo gaat het ook met lezen. Bepaalde zinnen schreeuwen om de volledige aandacht. Ik was in het boekje van Herman Koch begonnen. Makkelijk leven. Alleen de titel al is er een om even op te zitten broeden. Er valt op velerlei manieren vorm aan te geven.

Er staat een zin in  die mij ongewoon lang bezig houdt. Waar ik nu, naar een aantal overpeinzingen nog steeds niet klaar mee ben. Sommige zinnen doen dat. Die houden een geest gevangen tot in het oneindige, sterker nog, die blijven meezingen in het achterhoofd tot in lengte der dagen. De hoofdpersoon uit het boek, die met zijn zelfhulpboeken zichzelf financieel naar een jaguar heeft toe geholpen, mijmert over deze aankoop en over de drijfveer die hem ertoe bracht zijn boeken te schrijven. In een van die overpeinzingen doemt ineens de zin op: ‘Het pensioen – de te lange epiloog van een niet – geleefd leven.’

087.JPG

Ik ben van de generatie die de keuze moet maken. Hoe lang is het werken nog een noodzaak. Moet de omschrijving van deze Tom Sanders niet precies andersom zijn. Voor mijn gevoel gaat het straks pas beginnen. ‘Und jetzt geht los’ host mijn episch centrum zinderend. Groots, opwindend en meeslepend wil ik ‘pensioenen’, op de toppen van het leven in de volle vrijheid van het moment. Die trekkende longblazen en die wrokkige spieren sleur ik gewoon met me mee in de vrijheid van het bestaan en weet dat het verzachtend werkt in alle omstandigheden. Want als de geest gelaafd mag worden, verbleken de kwalen als sneeuw voor de zon.

Niet langer is het pensioen het begin van het einde, maar is het het begin van de vrijheid om te mogen kiezen voor de hartenwens en niet voor de afgebakende grenzen van het bestaan. Nee lieve Tom Sanders, en misschien ook Herman Koch, opzij….ik kom eraan, met een tas vol nieuwe mogelijkheden na een ‘te lange start van een beperkt geleefd leven’.

Uncategorized

Leven en laten leven!

Er was een lied van vroeger, dat me bezig hield vanaf het moment dat ik het voor het eerst hoorde. Melanie nam me er in mee met een kinderlijke twist door het overbekende, wat hese stemgeluid heen. Het leek alsof ze me wenkte, terwijl ze een tip van de sluier oplichtte over haar fijne jeugd. Niets van wat ik nu vertel is op waarheid geschoeid op de eerste zin na. Het waren kleine gedachtekronkels in mijn hoofd, die om het lied heen een compleet eigen wereld hadden geschapen. Het lied heette Alexander Beetle.

Veel later kwam ik erachter dat het om een gedicht ging van A.A.Millne, de geestelijke vader van Christopher Robin en zijn onvolprezen Pooh bear. Melanie had de primeur mij er deelgenoot van te maken, dus kreeg zij de credits en zag ik in haar handen de kleine luciferdoos met de kever erin. Dat een klein avontuur het hele leven met je oploopt is een bijzonderheid op zich. Millne’s woorden zijn magistraal, omdat ze een wereld ontvouwden, die elke leeftijd boeide. De kleine Pooh Bear roert met zijn oprechte simpele berenhart vele gelijkgestemde zielen.

Kevers  worden op het lieveheersbeestje na, al gauw ‘ajakkie bah’ weggeduwd en er zijn de laatste tijd op school kinderen bij, die ik zelfs moet behoeden voor het doodtrappen van al wat vliegt en kruipt. Met een totale verwonderde blik in de ogen snappen ze niet dat het niet mag van mij, geen enkel levend wezen. Het is een groot verschil met de beleving van mijn insectenwereld, omdat Erik of Het Klein Insectenboek  de deuren wijd open had gezet voor een hele nieuwe fantasie, die van een ondergronds rijk. Rijk was tweeërlei op te vatten.

De luciferdoos waar Alexander Beetle in opgesloten zat, bleek ook een belangrijk onderdeel van de nostalgie, die het lied opriep. De spanen doosjes met hun gemengde geur van hout en zwavel en een tikje kruid roken heerlijk. Als alle lucifers op waren bouwden we er hele kamers van in een schoenendoos, compleet met stoelen, tafels, banken,  poppenbedden en kabinetten op vingerpop-grootte. Met splitpennen gaven we de kastlades gouden knoppen en van restjes stof werden de kleden gemaakt. Een Beetlehuis, dat zijn weergave niet kenden. Maar bij ons woonden er hele kleine poppetjes in.

Toen ik Melanie leerde kennen zat ik op de opleiding voor kleuterleidsters waar we ons mochten bekwamen in het verkrijgen van die grote fantasie. Ze kreeg gestalte middels de bordtekeningen die we maakten en door de kracht van het woord die er namen aangaf. Ze bestonden al dan niet en overal viel verwondering en beleving, sterker nog, leven in te blazen. We sterkten ons met die terugkeer naar de eigen kinderziel en maakten er een handelsmerk van. Zo dicht bij het kind in jezelf te blijven als je een kind benaderde bleek de oorsprong van het wezenlijk begrip voor wat een kind bezielde.

056

De kleine kever in mijn hoofd op het ritme van het lied van Melanie, de spin Sebastiaan, de wespenfamilie Vliegvleugel, de Vlinder, de Guido Gezelle Schrijverkens op het water, de libellen er boven, openden de weg naar een tweede natuur. Als kinderkenner heb ik voor ieder kind een verrijkend recept.  Dagelijks voor het slapen gaan één verhaal van Toon Tellegens meesterlijke boek: ‘Misschien wisten zij alles’, letterlijk even wegkruipen in zo’n mooie filosofische wereld en het doodtrappen van die kleine onschuldige kruipers en fladderaars zal niet langer een optie zijn.  Ze boffen, net als wij vroeger met ‘onze’ Godfried Bomans en diens onuitputtelijke fantasie! Leven en laten leven. Het kan niet vroeg genoeg beginnen.

Bewaren

Uncategorized

Een koekje van hetzelfde deeg.

Als je met kinderen werkt, ben je altijd op zoek naar een weg die ervoor zorgt dat kinderen de essentiële paden van het leven beter begrijpen. Als er een poes is doodgegaan, dan ontstaat in de kring spontaan een collectieve droevenis, die verder reikt dan de poes. Opa en oma’s komen voorbij, soms een oom, soms een vader of moeder. De volgende fase die we samen oplopen is dan het gemis, met in het kielzog de onvermijdelijke scheidingen en daarna volgt het pad der verwerking. Het verbeelden van de dood op de onvermijdelijke wolk of door de ster, die over hen waakt of schijnt en de rijkdom van de scheiding met twee kamers en twee bedden en twee keer zoveel materiële troost.

De kringen zijn me lief, omdat kinderen zo wezenlijk kunnen denken, heel puur en direct. Verdriet mag er altijd zijn en als er iemand huilt, wordt er getroost en vaker huilen kinderen in een saamhorig collectief  met hen mee.

133Anish Kapoor. Museum de Pont

Op mijn pad kwam de grote Koreaanse zenmeester Seung Sahn Soen-sa en zijn beleving van het universum en daarmee de dood.  Een zevenjarige meisje vroeg hem waar de kat van het Cambridge Zencentrum naar toe was gegaan, nu hij was overleden en een traditionele boeddhistische begrafenis had gehad. Omdat aan deze zeven jarige uit te leggen vroeg Soen-sa het kleine meisje eerst waar ze zelf vandaan kwam. ‘Uit haar moeders buik’, wist ze. Na de volgende vraag bleef ze stil. ‘Waar kwam je moeder vandaan’.

Ik had in een filosofieles van twee weken geleden praktisch dezelfde vraag gesteld aan kinderen van vier, vijf en zes jaar en toen antwoordde er iemand:’Van de moeder van mijn moeder ‘En hoe heet die dan?’ ‘Oma, en die…’ Zo gingen we terug tot de bet-bet-bet- overgrootmoeder van de moeder. Het was een mooie manier om het begrip ‘tijd’ aan te duiden, want op de tijdbalk maakten we steeds een sprongetje van ongeveer zeventig jaar terug.

Soeng-sa vertelde het meisje dat stil bleef op de vraag het volgende: Alles in de wereld komt van het ‘Ene’ ding. Om het begrip dichterbij te halen vergeleek hij het met een koekjesfabriek waar verschillende soorten koekjes werden gemaakt. Leeuwen, tijgers, olifanten, huizen, mensen. Ze hebben allemaal verschillende vormen en verschillende namen maar ze zijn allemaal gemaakt van hetzelfde deeg en ze smaken allemaal hetzelfde. Alle verschillende dingen die je ziet…een kat, een mens, een boom, de zon, de vloer….al deze dingen zijn wezenlijk hetzelfde. Mensen geven namen aan de dingen, maar diep van binnen zijn er geen woorden voor ze. ‘ Een kat zegt niet, ik ben een kat. De zon zegt niet Ik ben de zon, mensen maken de woorden voor hen’

Het meisje had het goed begrepen en zei geen woorden te willen gebruiken om iets te benoemen. Als spelletje sloeg Soen-sa op de grond bij alles wat hij vroeg aan haar. Wat is Buddha? Hij sloeg op de grond. ‘Nu jij’ Wie is God? Het meisje sloeg op de grond. Wie is je moeder. Het meisje sloeg op de grond, Wie ben jij. Het meisje sloeg op de grond.

Soen-sa eindigde de kleine anekdote met het slaan op de grond als grappige metafoor voor het zonder woorden spreken, maar in feite was het een getuigenis tegen onze moderne westerse manier van les geven om de grootste gemene deler van het bestaan te ontkennen.

Het meisje zei , dat ze nog geen antwoord had gekregen op haar vraag. Maar Soen-sa zei haar, dat ze het antwoord nu allang wist. Het meisje keek hem aan en sloeg op de grond. Daarna barsten ze alletwee in lachen uit. Toen ze wegliep zei ze: ‘Maar als ze me morgen op school wat vragen, antwoord ik niet op deze manier, maar geef ik de gewenste antwoorden.’ Soen-sa glimlachte.

Mijn moeder sprak vroeger over ‘een koekje van eigen deeg’. Daar had ze vast en zeker niet een existentiële gedachtegang achter, maar de nuchtere constatering, dat de oorsprong van bepaalde eigenschappen altijd te herleiden waren op het gen van de voorouder. Met dit verhaal als informatie komt het ineens vanuit een andere hoek. Nuchtere Zen uit de Hollandse klei. Het is te herleiden met de tijdbalk bij mij in de groep. We gaan terug en terug en terug in de tijd en uiteindelijk zijn we allemaal een koekje van hetzelfde deeg. Daar ga ik nog eens even op kauwen!

Bewaren

Uncategorized

Het Puttertje.

Afgelopen zondag reed ik mijn twee lieve vrienden naar Schiphol. Onderweg hadden we het over diverse onderwerpen die een mens konden raken. Dat kunnen mooie ontmoetingen zijn of grootse ervaringen, maar even intens kunnen het de letterlijk en figuurlijke kleine stillevens zijn, die zich diep in de ziel nestelen. Een van mijn ontmoetingen is al weer van een paar jaar geleden, maar het was zo’n ervaring die altijd met me op zal blijven lopen, ook al, en dat is heel bijzonder, had ik het nog niet in levende lijve mogen aanschouwen.

Diep geraakt door het gelijknamige boek van Donna Tart, verborg ik mijn passie met de passie van de hoofdpersoon Theo in dit zorgvuldig ingepakte en op geheimplaatsen verstopte kunstwerk. Het boek kreeg hier van gerenommeerde recensenten het predikaat ‘saai’. Er was geen moment dat ik me heb verveeld in het soelaas van de jongen en zijn schilderij, het weven van de theatrale gebeurtenissen en de uiteindelijke ontknoping. Integendeel. Ik kon niet wachten tot er een gaatje was om verder te lezen.

Niet alleen had ik het verhaal beelden meegegeven, ook het Puttertje, dat op de voorkant was afgebeeld, het beroemde schilderij van Fabricius, bleef op het netvlies hangen. Sterker nog, mijn kleine geringde vriend nam me in deze papieren vrijheid mee naar Brussel waar in het Bozar, zijn twee gevederde vrienden, twee erg dode mussen , deerniswekkend uitgestrekt lagen in al hun eenvoud en nietigheid. Michaël Borremans was hun geestelijk vader en minstens zo indrukwekkend als Fabricius.

Ik had lang voor het kleine schilderij gestaan en elke vezel ingedronken. Het kleine geketende puttertje op de voorkant van het boek van Donna Tart had op mij hetzelfde effect. Misschien meer nog doordat de vrijheid zo abrupt aan banden werd gelegd dan door de rake verfstreek.

Brussel (21 van 78)

In die mooie overpeinzing met mijn beide vrienden, de prachtige stralende en wat weemoedige dag en wat stoeien met een boardingpass, die er voor gezorgd had dat het afscheid abrupt was verlopen, bleef het puttertje mijn weg bepalen. In een opwelling besloot ik niet naar zee af te buigen, maar naar Den Haag naar het statige historische Mauritshuis. Ik reed dwars tegen de stroom van zeeminnende gezinnen in lange files in en met een rust en uitstraling die paste bij mijn missie stapte ik uit de donkere krochten van de parkeergarage het zonovergoten plein op.

het puttertje(Mauritshuis)

Wat een aangenaam toeven was het in dat prachtige Mauritshuis, dat alleen al om de grandeur van het verleden een bezoek waard is. Maar waar was mijn Puttertje. Ik ving het meisje met de parel van Vermeer en de lachende jongen met zijn aandoenlijk smoezelige tanden van Frans Hals en eindelijk, na een verborgen lift, ik wilde hardnekkig naar de tweede verdieping waar een prachtig plafond dat ten enenmale onmogelijk maakte, maar ergens, achter een deur van een van de kamers, zat de verlossing verstop en gleed ik naar boven.  Nu eens niet uitgeput voor het Puttertje staan, maar ademloos raken van het doek zelf in al haar schoonheid en met het vrije zicht.

Ik prees mezelf tot grote hoogte, want alleen al daarom, het beeld in mijn hoofd te mogen verzinnebeelden, te laten versmelten met de werkelijkheid, was een unieke daad. Wat een helder moment van geest al niet vermag en de vrije inloop van een museumjaarkaart, die het mogelijk maakt om zo intens van dit pièce de résistance te kunnen genieten. Mijn dag kon niet meer stuk.

Buiten scheen de zon nog verlichter en dichtte het badende plein een koninklijke aanblik toe. Ik ben naar huis ‘gevlogen’.

Uncategorized

Een waarachtig mens.

Gisteren kwam er op facebook een film langszij, die ik ademloos heb bekeken. Het was een uitgebreide inkijk in het leven en werken van Lita Cabellut. Portretkunstenaar. Als men naar haar kijkt, kan het niet anders of ze raakt je. Het is haar sprankelende uitstraling, die bevlogenheid en passie uitstraalt. Het is haar werk, dat raakt aan de kracht en de doorleefde verbeelding. Het is haar innerlijke schoonheid, die achter iedere verfstreek zit en het is de wijde blik, die in haar magistrale doeken is terug te vinden.

https://www.npo.nl/close-up/19-03-2017/AT_2075638

Haar levensverhaal is onwaarschijnlijk en romantisch, omdat er een prachtige kentering heeft plaatsgevonden, die een bedelende Lita de kans gaf uit te groeien tot deze geëngageerde  vrouw, die wereldwijd beroemd is en wiens schilderijen als zoete broodjes over de toonbank gaan. Haar bestaan is geworteld in een zigeunerfamilie uit Aragon, waar haar moeder een bordeel had. Ze leefde voornamelijk op straat, tot een rijke Catalaanse familie haar onder hun hoede had genomen.

Als ze voor het eerst van haar leven oog in oog staat met de groten der aarde in het Prado in Madrid, Velasquez, Goya, Ribera en Rembrandt, wordt ze diep geraakt en het zorgt voor een keerpunt in haar leven. Ze is zo onder de indruk van de Nederlandse meesters dat ze besluit naar de Rietveld academie te gaan en daar leert ze de expressie toe te voegen aan haar basis, de techniek. Waar ze eerst vast zat in diezelfde techniek, weet ze zich los te maken door de experimentele kunst en weet ze, door te oefenen en te oefenen, het niet aflatende proces van telkens weer opnieuw, zich los te maken. Ze zegt letterlijk in deze documentaire: ‘Daar heb ik geleerd dat kunst Kungfu is. Repeteren, repeteren, repeteren tot je de meester wordt van jou kunnen en dan heb je vrijheid’.

Je kan niet anders dan bewondering krijgen voor deze vrouw, die met ziel en zaligheid op de meest uiteenlopende manieren de verf op de doeken brengt in grote losse streken, met grote kwasten, met roller, met spatel, met voegmes. Tot op de keper nauwkeurig krijgt vooral de beleving een podium. Het kan niet anders of die ene snaar, die diep van binnen zit, wordt los getrild door haar eigen individuele expressie van de emotie. ‘Erkennen dat de grootheid niet in jou zit, maar in het proces’, zegt ze bescheiden en hoe moeilijk het is om dat te blijven zien als de erkenning van de buitenwereld zich vertaalt in euforie, lyrische aanbidding en prijzen, die een ‘symbool van waarde’ worden.

Het grote worstelen, de strijd die het in jezelf oplevert om vooral dicht bij jezelf te blijven als de aanbidding tot grote hoogte stijgt, is de tol van die erkenning. Ze neemt ons in de documentaire mee terug naar het terrein van haar jeugd. Het plein en de nauwe straten van Barcelona, waar ze als een groep bedelende kinderen het de slachtoffers moeilijk maakte, maar als je in haar sprankelende ogen kijkt, terwijl ze dit verhaal vertelt, zie je onmiddellijk dat het kind in haar nog steeds aanwezig is, leeft en zingt boven alle zinnen uit.

Het plein waar de fontein staat en waar ze muntjes uit haalden bij het vallen van de avond noemt ze het plein der mogelijkheden. Even verderop, bij het zien van een groep schoolkinderen die neerstrijkt, met een lerares en hun goed gevulde boterhammen, is ze blij dat het beter gaat met de kinderen in het algemeen en het plein in het bijzonder, maar ze voelt de aanwezigheid van haar maatjes nog, zonder wiens steun ze het niet gered zou hebben.

Haar hele fijnzinnige manier van ervaren, doordrenkt met die grote gevoelsdiepte, maken haar tot deze vrouw, die je niet los kan zien van haar grootheid. Haar bescheiden afkomst en de bijbehorende overlevingsmythe kleurt de waarneming van haar leven. Ze leeft op de toppen van haar hart en daarom zal ze altijd zichzelf zijn. Vrij en los gemaakt. Een waarachtig mens!

Uncategorized

Er is alleen die weg te gaan.

Het ratelde en buitelde nog lang door in mijn hoofd. Dat kwam door twee tegenstrijdige momenten van levenservaring, waar ik gisteren getuige van was.

In alle vroegte liep ik mijn race tegen de klok om én te schrijven én om negen uur in Amersfoort te zijn, waar ik zou spreken op een apothekersassistenten-symposium als ‘De patiënt’. Zo stond het ook op mijn naambordje. De Patiënt. Het voelt gek om onder een vlag te varen, die je zonder vragen in de schoenen is geschoven. Een titel, dat wel, maar ik beschouwde het dan maar als een geuzentitel, omdat ik twee keer een uur uit de doeken zou doen hoe het is om met een beperkte opname aan zuurstof in het leven te staan. Het was een prachtige nieuwe beleving, want ik ontdekte dat ik 40 mensen in de ban van mijn verhaal kon houden. Een eyeopener. Wat is het toch leuk om nieuwe ervaringen op te doen!

375

“s Middags was de longarts Sander de Hosson aan het woord. Hij schrijft columns over de palliatieve zorg. Zijn hoofdpersonen staan met beide benen in hun late, nee hun laatste, herfst. Zijn verhalen over de wegen die hij samen met zijn patiënten bewandelt, dwingen respect af. Met zijn mooie timbre valt het lijden mijn hoofd en hart binnen. Ik krijg diepe bewondering voor de man, die letterlijk verlichting betekent door zijn handelen. Zijn zieke medemensen dwingen samen met hem respect af door hun queeste naar een menswaardig sterven. De voorkennis, de belijdenis, de beleving en het lijden vallen in luttele seconden ineen. Twee gelijkgestemde handen verstrengeld op de deken en het grote weten, dat sterven mag en geen marteling hoeft te zijn.

De dag vulde zich met minder existentiële zaken, altijd weer een overschakeling naar dat dagelijkse leven. ’s Avonds, op de bank, met een wijntje en de benen languit in een warme plaid gewikkeld, valt het gekwelde hoofd van Kurt Cobain binnen. Ik zie de animatiefilm. Zijn droeve jeugd na de scheiding van zijn ouders, dat daar een aanvang nam en net zo uit elkaar viel als de verbleekte romantiek van het gezin. Zijn barre trektocht langs puberrebellie en verzet, onnavolgbaar voor zijn omgeving, meegezogen in de neerwaartse spiraal van geestverruimende middelen, die uiteindelijk precies het tegenovergestelde zouden bewerkstelligen. Ik hoor zijn schreeuw uit onmacht, de snerpende pijn om het onbereikbare en de omzetting ervan in de kwaliteiten die hij met Nirvana naar buiten schreeuwde. Intens maar schrijnend voor iedereen in zijn omgeving.

En ergens middernacht was ik getuige van de keuze, naar mijn beleving opgedreven, door opgelegde bezorgdheid, angst en liefde en uiteindelijk uitgevoerd in absolute afzondering. In bed met een schot hagel door het hoofd om drie dagen lang onbereikbaar eenzamer dan alleen te zijn.

Het was een dag van uitersten en de slaap, die door mijn vermoeide lijf trok, werd ook gevoed door de onnavolgbaarheid van het bestaan. Zij die de keuze hebben en anderen die het moeten ondergaan. Hier blijft de vraag wat er kapot ging in het kind, dat negen jaar lang gelukkig was en ramde op zijn kleine gitaartje met een stralende glimlach in het blonde koppie. De weg te gaan, ongeacht of het verkozen of toegeworpen pad de juiste is. Er is alleen die weg te gaan. Het is aan ieder van ons om er onze eigen contouren aan te geven.

Uncategorized

De Pechvogel.

De pechvogel was van oorsprong een vogeltje van stof, gevuld met zand, zaagsel of erwten, dat de leerkracht naar een leerling toesmeet, die het terug moest brengen en het dan moest bezuren met een tik op de vingers of een pak slaag.

Mijn oude geschiedenisleraar mijnheer Wieman gooide als remedie een krijtje om de aandacht te trekken. Mijnheer Link ging op het puntje van de voorste tafel zitten, trok zijn pijp uit zijn binnenzak en begon die met zijn zakmes schoon te krabben, terwijl hij doordringend naar ons keek. Als er een sarcastisch lachje om zijn mond kwam krullen dan wisten we wel hoe laat het was.

Eshof trok lijntjes vanuit zijn mondhoeken, dunne witte strepen, die naast de rook van zijn sigaret, duidden op een allergie voor onhandige stotterende leerlingen. Een van ons moest het bekopen. Wij lazen onze leraren aan hun wonderlijke manieren van imponeren. Het was zelfs zo nadrukkelijk aanwezig, dat ik ze stiekem verdacht van een sessie voor de badkamerspiegel om te weten wat het grootste effect zou sorteren. In ieder geval waren de laatste twee superieur boven alles. Zij maakten de dienst uit en niemand anders. Met Wieman viel een potje te breken, zeker als je het jaargetal van de slag bij Arnhem zonder te verbleken op kon lepelen.

De strafmaat was niet voorbehouden aan de raddraaiers, maar doorgaans aan hen, die niet mee konden komen. De grootse straf was namelijk, dat men als dom werd betiteld als je een som of een grammaticale vervoeging niet snapte. Het kon niet anders of je moest wel in opstand komen, op z’n minst protesten uiten in een veilige onzichtbaarheidsmantel, op een manier die hout sneed.

Er waren naast deze twee cynici ook de zachte zalvende leerkrachten, die snapten hoe het werkte om een groep gelijkgestemden te kweken door ze te masseren met het roemen van hun kwaliteiten. Hoe meer complimenten hoe harder men vloog om het hen naar de zin te maken.

Ik was de pineut. Ik kon het glasharde ontkennen of het onschuld bewijzen niet aan. Mijn angst snoerde de keel en liet op voorhand de voeten schoorvoetend toetreden en de ogen neerslaan. De houding bij uitstek om een verbolgen leerkracht uit zijn dak te laten gaan. Die verlammende angst is lang blijven hangen en pas toen ik eindelijk gezien werd op talenten met tekenen en schrijven schoot het wat los en vond ik het ontspannen leren terug.

257

Het zal niet verwonderlijk zijn, dat een strafmaat iets is, waar ik geen gebruik van maak.  Ik zoek naar de oorzaak en focus me niet op de afrekening. Altijd is ergens een kiem gezaaid voor dit gedrag. Als een groep onrustig is, ligt het aan het systeem of aan de wijze waarop men beoordeeld wordt en niet aan die ‘lastige ‘leerlingen zelf. Een leerling die in je gelooft, je vertrouwt om dat dat wederzijds is, wil zijn mooie kanten laten zien.

Die hebben ze allemaal, stuk voor stuk. Laten we de geluksvogel  in het leven roepen, die toegedicht wordt, bij alles wat briljant is in het smeden van de groepssfeer.  Mijn geluksvogels krijgen hun dagelijkse portie erkenning en ze varen er wel bij. Ik spiegel me er aan en krijg die erkenning ruimschoots terug. Niet smijten maar de gedachte vleugels geven, dat is het geheim van de vogelaar.

Bewaren

Bewaren

Uncategorized

De reünie.

Gisteren hadden we een reünie van de vriendinnen van de kleuterkweek. Ooit in het grijze verleden als jonge bakvissen, waren we kleine eilanden in een grote groep. De meesten van ons hielden nog contact, nadat we allemaal waren uitgewaaierd over het land of zelfs over de grenzen heen. Na verloop van tijd verwaterde een en ander op een natuurlijke wijze. Je werd opgeslokt door een gezin, het werk, een gekozen bestemming. Er viel een hiaat van jaren.

De hechte groep van vier, waartoe ik behoorde, besloot, na de eerste grote reünie, wat vaker af te spreken. Een keer per jaar waren we van de partij en eigenlijk hoorde daar nog een vijfde vriendin bij, maar ze kon het niet altijd opbrengen om te gaan. Dat kwam deels door haar manier van haar leven in uitersten. Als ze ergens was kwam er een vrolijke, druk pratend en altijd lachend mens boven, die zich voor de volle honderd procent gaf. Dat vergde een enorme dosis energie van haar. Thuis zakte ze dan terug in een verstild bestaan, waar sombere gedachten de overhand konden nemen.  Zo schommelde ze heen en weer.

Een van ons was nauw bevriend met haar en daardoor liep ze toch met ons mee, ook al hadden we sporadische ontmoetingen. Wij hadden slechts die blije vrolijke gulle lach op het netvlies. Als donderslag bij heldere hemel kwam de boodschap, dat ze op eerste kerstdag was overleden. Uitgerekend op een dag waar geboorte gevierd werd, een hoogtepunt, een blijde gebeurtenis. Wij stonden geschrokken aan onze zijlijn genageld. De dood was onnavolgbaar dicht genaderd. Als generatie waren we nog veel te jong.

118

Gisteren hoorden we de lange lijdensweg die ze gekozen had. De lange weg er naar toe was er een van lijden geweest.  Het hele verloop van haar ziektebeeld deed me denken aan ‘Die leiden des jungen Werthers’ van Goethe. Niet om de aard van het verhaal, maar om de zwaarte van het onoverkomelijke verdriet dat zij, net als de jonge Werther, in eenzaamheid onderging. De zware keuzes, die hij en zij steeds weer, dwars door alle gebeurtenissen heen, moesten of wilden maken.

Ze besloot geen medicijnen te nemen of naar een dokter te gaan. Angst en overtuiging scherpten die gekozen route. Ze had haar pijn lange tijd stil gehouden en toen dat niet meer mogelijk was, besloot ze naar India te gaan naar een Ashram. Ze logeerde in een hotelletje erbuiten. Na drie maanden kwam ze terug. Fysiek leek het allemaal wat sterker, dankzij de dagelijkse acupunctuur daar. Het bange, eenzame was echter zo schrijnend geweest, als ze het tot dan toe niet had gevoeld.

Thuisgekomen ging alles in een stroomversnelling. Haar gezondheid holde achteruit onder de voortwoekerende kankercellen en eindelijk had men haar letterlijk meegesleept naar een dokterspost, waar de arts uit onmacht haar keuze letterlijk vervloekte om daarna pas weer palliatieve zorg te kunnen verlenen. Haar eerste keuze had haar lot bepaald, het einde was in zicht, de weg was onomkeerbaar.

Respect voor de weg,  die zo zwaar en lijdend moet zijn geweest en uiterst pijnlijk. Ze leefde in uitersten. ‘Himmelhoch jauchzend, zum tode betrübt’. Ze heeft haar blijde masker, waar al het leed achter lag, tot het laatst toe volgehouden voor de buitenwereld. Van binnen sneed schrijnend de pijn met scheermessen het leven eruit.

Op de dag van de geboorte mocht ze eindelijk het licht weer zien. Dappere, lieve, kleine, goedlachse vriendin, die op een tweesprong de weg van het lijden koos.

Bewaren