Overpeinzingen

Vertrouwde klanken

Eindelijk heb ik door wat ik moet doen om alle ballen hoog te houden, sinds ik van de week de intrigerende spreuk las: ‘Om alle ballen hoog te houden, moet je ze soms flink laten stuiteren’. Een spreuk van Zinvol.nu op Facebook.

Ik wist allang welke ik moest laten stuiteren. Die van het ongeorganiseerd doorgaan met alles tegelijk willen doen. De chaos mocht heel hard stuiteren en in dit geval ketste ik hem tegen de muur van de structuur. Met de deadlines en het vele lezen dat stond te gebeuren schoot het maar niet op. Misschien was het de moedeloosheid, veroorzaakt door de veelheid ervan, die nekte. In een vlaag van organiserend vermogen besloot ik de bladzijden op te delen naar de dagen, die nog restten voor de bijeenkomst van bijvoorbeeld de biografie-groep of de boekenclub. 35 bladzijden voor Toonder, 21 bladzijden voor Pieter Waterdrinker en 15 bladzijden voor Roxanne van Iperen. Daar tussendoor de kinderboeken die nu hopelijk snel zullen komen. Lief ondersteunt me van harte bij dit voornemen en stemt zijn bezigheden er op af.

Het essay van Roxanne van Iperen is helder geschreven en legt wat mij betreft exact de vinger op het verschuiven van het naoorlogse geloof in kansengelijkheid en het belang van goede publieke voorzieningen naar gewenning aan een veel rechtser gedachtegoed. Het overherkenbare Hullie-Zullie-idee.

We praten hier thuis over Ollie B. Toonder, omdat Bommels fameuze ikgerichtheid zoveel overeenkomsten vertoont met zijn schepper. Het is boeiend om in een leven te duiken en vooral de tijdgeest daarbij scherp in het oog te houden. Bovendien is het stoïcijnse najagen van zijn hoofddoel, het maken van een Nederlandse Tom Poes-tekenfilm, die Disney in kwaliteit en grootheid voorbij zou moeten streven, een interessant gegeven om te bestuderen. In een interview met Joop van Tijn in de jaren negentig geeft hij als antwoord op diens opmerking ‘U heeft, ik zou haast zeggen, harmonieuze oorlog gehad’, het antwoord: ‘Zo kunt U het stellen ja, ik ben nooit verbaasd geweest’. Een wonderbaarlijk karakter heeft deze bedenker van al die scherpe maatschappelijke figuren met hun hebbelijkheden.

Gisteren was er voor het eerst sinds lang weer de vertrouwde fysio-stagiair met zijn afwisselende en stimulerende oefeningen. Hangen aan de rekstokken en in hurkenzit gaan zitten, balanceren op de bozobal en het evenwicht bewaren als hij links of rechts port, op en afstappen van het kussen zonder afzet, wat me al zo goed heeft geholpen bij het trappenlopen naar de galerij toe.

Lief was mee gegaan omdat we daarna een kapper wilden bezoeken en voorts wilden kijken of er nog luchtige broeken in de aanbieding waren. Zijn jeugdige tropenlijf had plaatsgemaakt voor een overmatige vochtstroom bij de hitte van de afgelopen dagen en bijbehorende stijging van de lichaamswarmte. Hij had er hinder van. In de winkels lag reeds de wintercollectie, helaas pindakaas, dus zouden we online moeten kijken of er nog iets te vinden was. De kapper zat niet in het winkelcentrum zelf. Dan maar een vertrouwde naam uit het verre dorpsverleden en wel de volgende dag pas, vandaag dus. ‘Als het mislukt, groeit het gewoon weer aan’, zei hij laconiek. Daar is absoluut geen speld tussen te krijgen. Uitdunnen en knippen in laagjes zal de opdracht zijn. Kappers interpretatie kan er wel eens een heel ander geheel ervan maken.

De kauwtjes zitten in de dakgoot en kletsen wat met elkaar. Korte kakelgeluiden, takken tegen een dakpan, hippende poten. Vertrouwde klanken.