Uncategorized

Zo gek nog niet

Vandaag vloeide er bloed. letterlijk. Verdwaasd keek ik naar de onderkant van de bovenarm. Een grote veeg vurig rood sierde  het tot aan de elleboog. Ik kan de kleur hebben. Het stak af zoals het een Sneeuwwitje betaamt. Helrood op een lelieblanke huid,  lokkend, lachend. ‘Nanananana’. Dat laatste voegde zich pas toe in mijn hoofd. Sentimentele dwaas.

Het schrammetje was oppervlakkig, het bloedverlies stond gelijk aan een heftige wond. Te doen gebruikelijk, de laatste tijd, nu de bloedverdunners wel erg serieus bezig waren met hun taak. Nauwelijks te stelpen als de bloedstroom op gang was gekomen. Nou, tikje overdreven, maar met een kern van waarheid. Soms was er niet eens een directe aanleiding voor. Het moest niet gekker worden.

IMG_4133.jpg

Er was nu wel degelijk een aanleiding voor. Episode twee in de tuin van de buurman. Het eerste deel was begaanbaar, nu zou ik langzaam maar zeker de andere helft van het leger der woekeraars overwinnen. Eerst maar maaien met de enorme benzinemaaier op de hoogste stand, die voor dit terrein geschikter was dan mijn eigen inkiepinkie grazer. Dat ik daarbij rücksichtslos door zou halen, was evident. Als het bakbeest eenmaal liep moest je er wel achteraan. Aantrekken was zo zwaar, dat je dat probeerde te vermijden. Dus hing ik met regelmaat in de Seagull, in de Japanse bes en de roos terwijl er een ratelend gegrom aan vooraf was gegaan. Blind mijn neus en in allerijl het machientje achterna.

berenjacht

‘Wij gaan op berenjacht, wij gaan op berenjacht we zijn niet bang’ Vol bravoure stapten we voort in het speellokaal, de kinderen en ik. Het hoofd geheven, de kin vooruit en tot in elke vezel bereidt om elk gevaar te trotseren. Dapper stappen we voort. Plots blijven we staan en roepen, terwijl de dreiging door de stemmen klinkt: ‘O jee, gras, lang wuivend gras. We kunnen er niet boven over, we kunnen er niet onderdoor, maar we moeten er dwars doorheen…Zwieperdezwiep, zwieperdezwiep, zwieperdezwiep…’ We banen ons een weg door het verstikkende dichte groen, armen maaien, benen stappen hoog over, gezichten wenden zich af, lijven krommen zich en duwen voort tegen de zwaaiende halmen in. Als we er door zijn halen we opgelucht adem. Kloppen de kleren af. Blije gezichten en trots ook. Op naar het volgende obstakel. ‘Wij gaan op berenjacht, wij gaan..etcetera’

Het is ons lievelingsspel en we kunnen er geen genoeg van krijgen. Dankzij het boek van Michael Roosen en Heleen Oxenbury hebben heel wat kinderen met dit drama spannende avonturen beleefd en gezegevierd. telkens weer. Als overwinnaars komen ze  uit de strijd. Trots en glorierijk. Een zegetocht voor iedereen, omdat je zelf mag invullen hoe je zwiept, en hoe je plonst en hoe je graaft.

img_4131.jpg

Zo voel ik me, wat verloren in de lome stilte van de middag, de zon scherpt alles aan. Ik ga op berenjacht. Mijn beren zijn de onherbergzame stukken van de tuin. Er vliegt, tijdens het maaien allerhande aan insect om mijn hoofd en ik ben blij dat het nog niet de tijd van de bloeddorstige dazen is. Vooralsnog is het enige wat prikt de horde brandnetels en de scherpe doornen. Ik zegevier. Ik worstel en kom boven. Tweederde is nu ingetoomd en aangepakt. De butsen zijn talrijk, maar met rede en weliswaar te blauw. Morgen toch maar weer eens navragen hoe lang bloed nog dunner moet. Ik krijg sterk de indruk dat het zo voldoende is. Als ik het sleuteltje van de grasmaaier op de geheime stopplek laat vallen, hoor ik aanzwellend gezoem. In het houten vogelhuis erboven zitten geen koolmezen, maar een zwerm wilde bijen. Nijverheid met vlijt. Geleden is het leed van zo even. We schrijven geschiedenis met deze natuur. Soms is op z’n beloop laten zo gek nog niet.

One thought on “Zo gek nog niet

Comments are closed.