Uncategorized

Tempo Doeloe

Gisteren was een oude vriend jarig. Traditiegetrouw gingen we samen uit eten en speelden een versie van ‘Oude mensen en de dingen die voorbij gaan’. Hij speelt het uit overtuiging en ik doe voor spek en bonen mee, omdat ik niet het gevoel heb, dat ik er al aan toe ben. Dankzij het werk en de kinderen sta ik volop in het leven . Dat wilde ik ook zo houden. Om Couperus in ere te houden, had hij voor zijn feestje toko Mitra op het oog. Ik kende het niet.

Heel veel formica tafeltjes, glimlachende bediening en een keur aan de meest heerlijke Indonesische gerechten. Jeugd kwam boven drijven. Mijn geploeter uit het verleden om deze, voor mij uitheemse ingrediënten, naar mijn hand te zetten. Het kleine, oude, vertrouwde Indonesische kookboekje met de kerrie kleurige omslag en de vetvlekken tot in hoge graad was daarbij mijn baken.

Mijn vader hield van lekker eten en ik denk dat hij tijdens zijn dienst regelmatig ook wel een hapje buiten de deur at. Mijn moeder kookte traditioneel Hollandse pot. Spruiten, boerenkool, witlof, koolraap, bonen en bieten. Aan het eind van de maand kwamen de blikken op tafel. Doperwten en bruine, witte en sperziebonen. Veel aardappelen en jus, gehaktballen en schouderkarbonaden of spek en haar onvolprezen vers getrokken soepen. Veel voor weinig.. Een gezin waar elf kindermonden gevoed moesten worden vroeg om een hoog improvisatiegehalte.

We gingen al vroeg op vakantie. De auto werd afgeladen en vol gestouwd met augurk, aardappel en hagelslag onder de banken en wij er allemaal in. Veel kleding hadden we niet, dus het paste bij wijze van spreken in twee valiezen. Een van de bestemmingen was Hilvarenbeek. Daar kregen we naast de opwinding omtrent het wildpark, ook nog de allereerste keer te maken met een echte Chinese maaltijd van de plaatselijke Chinees in het dorp. We schreven 1966. In mijn optiek opende zich de hemel. Mijn moeders pot was heerlijk, maar dit riep hele andere beelden op.

Multatuli en Couperus hadden boven aan mijn boekenlijst gestaan en ook al was het niet de officiële Javaanse keuken, toch kwamen de kruiden, de geuren, het hele kleurrijke land tot leven. De groene sawa’s tussen de dessa’s, waar het lied van Sarina mijn hele jeugd al doorheen zong terwijl ik geen idee had, wat padi was. Ik klampte me vast aan die onfortuinlijke liefdesgeschiedenis en huilde iedere keer weer om die twee in de kiem gesmoorde kinderen.

Toen destijds vriendlief ook nog een piezeltje Menadonees door de aderen had stromen, werd het tijd voor dat orakel, dat decennia lang mijn stut in de branding zou blijven en waaruit ik leerde koken, anders dan mijn moeder me ooit had geleerd. Alleen het verschil al met geuren waarin het huis zich wentelde. Weg met de lucht van spruitjes of koopraap. Het leven nam een aangename wending in het verre Leiden met de heerlijkste toko’s en het Haagse Indische leven in de buurt.

Gisteren, in toko Mitra, was ik weer even terug in de tijd. De tafeltjes, het neonlicht, de ontbrekende wijn, het gaf allemaal niets. Daar lag de lontong , de gebakken tempeh en de tahoe op mijn bord, naast de sajoer boontjes en de ketimoen en deed alles om me heen vervagen. Over de borden heen leek vriend jaren ouder. ‘He needs a bit of glow’, schreef ik naar onze gezamenlijke vrienden in Washington met een bijbehorende foto.

Soto. foto Wikipedia

Toen ik om me heen keek, zag ik dat ‘glow’ inderdaad bij eenieder de grote ontbrekende factor was. Wat wat kaarslicht en een schemerlamp al niet zouden toevoegen. De kern van de toko is de nooit aflatende zorg voor de innerlijke mens. Dat bezorgt ze een warm pleidooi en ons een uurtje tempo doeloe.