Overpeinzingen

We boffen maar

Twee mooie dromen, een over vijf en zeven van iets, vraag me niet wat, mijn oude wiskunde leraar wilde ik het niet vragen, maar wel aan mijn oude schoolhoofd/annex geschiedenisleraar en een droom over mijn, dit jaar overleden, schoonzusje. Wat had ze grappig punkie haar, donkergroen en fluorgroen, mijn broer was erbij en die ging uit zwemmen, zodat ik uit de golf die onze spullen had overspoeld, de zijne kon vissen, een petje en een portemonnee. Weg golf en geen idee waar broer gebleven was.

Daarna een kalm ontbijt en op pad om de tramrit te gaan maken. Mooie stad, dat Debrecen. De hoeveelheid groen valt op, parken, bossen of grote tuinen om gebouwen heen, een aangename drukte, er kwam na twee haltes een zitplaats vrij. We reden mee tot het eindpunt bij de universiteit en daarna terug tot het andere eindpunt bij het treinstation. Daar zochten we de route voor het modern art museum, dat bleek vlakbij het hotel te zijn. Dus nog een stuk mee met de tram tot halverwege en in een kalme pas naar het museum. Op dinsdag en donderdag, legde een van de mannen daar omstandig uit, zou het pas om 13.00 uur open zijn en hij gaf daarbij direct een handleiding hoe bij een soort VVV te komen, maar we hadden het Oudheidkundig museum vlakbij al op het oog. Een prachtig gebouw aan een statig park, met beelden te over.

Geen verkeerde keuze bleek al gauw. Van het stenen tijdperk, via Egypte en Japan naar het heden. Duidelijke instructies via audio en beschrijvingen erbij in het Hongaars of Engels en, hoe kan het anders, ook hier suppoosten die alles nauwlettend in de gaten hielden. Geen vuil vingerwerk op de schone vitrines. Haha.

Vooral Japan sprong eruit, vond ik, zoveel mooie en herkenbare voorbeelden met de overbekende traditionele Japanse Geisha-Maiko-kunst op de muren geprojecteerd en prachtige kimono’s in de vitrines.

Er viel ook een aantal doeken van Hongaarse schilders te bewonderen van 1600 tot halverwege de vorige eeuw, helaas allemaal mannen, en daarna ook nog de traditionele klederdrachten van de dames, voor mij, als danser van een Hongaarse choreografie, bijzonder interessant.

De laatste zaal met opgezette dieren en de natuur van Hongarije kon er niet meer in, het hoofd zat vol met alle indrukken. Er viel genoeg te verwerken. We verlieten het gebouw en kwamen even bij in het museumpark, in de lommerrijke schaduw van een eeuwenoude boom. Alle twee hadden we hetzelfde idee. Een restaurantje gaan zoeken, daar een fijne maaltijd uit te kiezen en aan het eind van de middag op het hotel aan, om bij te komen van de vermoeienissen. Dat hadden we gisteren eveneens gedaan en was ons uitstekend bevallen. Morgen stond een koetstocht over de Poesta op het program en dat was iets om uitgerust aan te beginnen, want het zou enerverend genoeg zijn.

Loom en rozig kwamen we rond een uur of half vijf op de kamer aan. Één activiteit per dag was meer dan voldoende. Zo werd de energie in goede banen geleid. Terugkijken op de mooie beelden, waarmee we al het schoons hadden vastgelegd en nogmaals genieten in de avondzon die in de kamer scheen. Lief op balkon en ik zittend op bed om verslag te doen. We boffen maar.

Overpeinzingen

Zo snel kan het gaan dus

Onze oriënterende wandeling door het centrum van Debrecen zit erop. Met de vermoeide onderdanen languit zit/lig ik nu te schrijven.

We zorgden voor negenen in de eetzaal te zijn, waar het ontbijt tot tien uur geserveerd zou worden. Een verkapt buffet, omdat je een gang moest maken langs de ontbijtmogelijkheden. Ze waren niet, als de rest van het hotel, onovertroffen. Integendeel, een huis-tuin-en-keuken buffet. Een hardgekookt ei, die zijn hoedanigheid groenachtige eer aandeed, en twee koude spiegeleitjes. De meneer die er rond liep, was ook al niet de vrolijkste. Hij mompelde wat en begon in de andere vleugels vast de tafellakens te verschonen. Wij zaten stilletjes in het grootste gedeelte van de zaal op het koninklijke pluche, blauw met goud, terwijl de Hongaarse Hitparade via de luidsprekers binnen bleef stromen. Morgen wat eerder aanschuiven, was het goede voornemen.

Daarna begonnen we met de mogelijkheden uit te spitten. Er was genoeg te doen. Het is maandag en ook hier waren de musea dicht. Die konden we voor morgen bewaren. Alles leek aardig in de buurt te liggen. Ook wilden we ‘sightseeing Debrecen’ op eigen houtje ondernemen, door in de twee tramlijnen te stappen, de een naar Egyetem en de ander naar Nagyallomas, goed meelezen op de trambordjes et voila, een gratis rondritje langs de bezienswaardigheden van de stad, zodat je de volgende keer weet, waar je uit moet stappen. De proefondervindelijke wijze dus!

Maar eerst Kalvin Tér en haar prachtige gebouwen bezichtigen. Van binnen of van buiten, dat lag aan de uitdagendheid ervan. Onderweg vielen er prachtige oude deuren in een dunne brons-of koperachtige laag, te bewonderen. Stuk voor stuk juweeltjes. Een beetje jugendstil, een beetje barok, voor elk wat wils. De grandeur van de gebouwen bleek bij nader beschouwen wat sleets aan te doen, door verlaten bouwsels, afgekalkte cherubijnen, een stuk balkon, dat ontbrak en de bijbehorende ingegooide ramen.

Wat zou het jammer zijn als die klassieke Hongaarse stijl hier en daar vervangen zou worden, door de stijl van een reeds aanwezige aangebouwde vleugel. Strak, beton, zonder opsmuk, zonder tierelantijnen, een grijs Sovjet-imago. Poets die Cherubijnen op, zet een laag koperpoets op die deuren, krab de druiventrossen schoon, stel de guirlandes in ere! Doe iets om letterlijk en figuurlijk het verleden opnieuw glans te geven. Redden wat er te redden valt. Nu kan het nog.

We komen langs mijn favoriete verzorgingsproducten winkel. Ook hier? Dat wist ik niet. Snel naar binnen want mijn vloeibare make-up is aan haar laatste opleving bezig. Even verderop zien we steeds meer binnenhofjes met leuke piepkleine winkeltjes en restaurants. Een van die laatste ziet er heel verleidelijk uit. Grote oleanders, grote parasols die beschermen tegen plotseling opkomende buien en aangenaam rustig. Daar gaan we lunchen. Een Italiaans restaurant met een voortreffelijke Halasleves op de kaart. Soep met verse kreeft en verse mossel in schaal, doekjes voor de vingers, geroosterde brood erbij en een fles water en een Hongaarse droge witte Tokaj wijn. Lief trakteert. Hoe kom ik aan die mazzel. Een mooi begin van onze ontdekkingsreis in dit deel van het land.

Onderweg wordt iemand, die op een bankje ligt te slapen, zonder pardon door twee ordehandhavers met barse stem van zijn plekje verjaagd. Een vrouwtje zit bij de fontein haar lege flesjes te vullen met bronwater en is met een lapje haar bril aan het poetsen. Daarna gaat ze uitrusten op een bankje, haar hele leven in haar boodschappenkarretje. De dienders zien haar over het hoofd. Iets verderop staat een oude man, wat wankel op de benen, bedachtzaam een richting op te turen om vervolgens onvast naar de straat achter ons te lopen. Het is net half een ‘s middags. Ook hier duiken diverse mensen de vuilnisbakken in op zoek naar blikjes. Klein leed in een notendop.

Appje van zoonlief. We hadden een wespennest op het balkon in een hoekje onder de planten. Dat is me twee weken geleden niet opgevallen. Twee weken geleden. Niet te geloven. Toen was ik nog daar. Intussen heb ik een wereld aan belevenissen opgedaan. Zo snel kan het gaan dus.

Overpeinzingen

We zullen zien waar het schip strandt

Vannacht was er een complete wolkbreuk waar we de avond ervoor al een klein staaltje hadden gezien. Tante Pollewop en ik waren het liefst binnen terwijl de rest de bliksemflitsen en de daverende donderklappen met grote interesse tegemoet keken. Ieder zijn meug.

Er zou een klein marktje zijn in de boomgaard en die was, bleek later toen het droog was, naar het overdekte terras te zijn verhuisd. Ook de maaltijd, die doorgaans op woensdag en op zaterdag kon worden afgenomen, werd daar uitgedeeld. Tikkie chaotisch allemaal maar het had ook wel weer wat.

Ondanks de regen sliepen we redelijk goed in die kleine kajuit. Wat een verschil met dit ogenblik. We waren om een uur naar Debrecen vertrokken, na een beladen afscheid, altijd iets wat moeilijk is, voor dochter en mij zeker, en kwamen daar rond vijf uur in de namiddag aan bij het hotel. Dat bleek een luxe te zijn, die we in lang niet zo hadden mogen smaken. Aan de rand van het autoluwe centrum van de stad, royale kamer en een even zo royaal bed. Alles was ruim en later bij het zoeken naar een supermarkt voor de hoognodige slaapmutsjes bleek de stad zelf ook alles behalve benepen opgezet.

Weidse pleinen met fonteinen en enorme bouwwerken die getuigden van een lange historie, een tram die er met drie lijnen doorheen denderde bij tijd en wijle. Terrasjes onder schaduwrijke bomen. Het ademde in een woord ‘Grandeur’ en wij zaten er midden in. Tegenover het hotel is een groot park. Morgen gaan we de boel uitgebreid verkennen. De polaroids van ons zessen, en die van tante Pollewop en ik en de filosoof en ik liggen hier vlak bij me, als aanwezige herinneringen van het voorbije vermaak en het aangenaam verpozen. Warme gevoelens maken ze los. Die zijn niet meer weg te nemen.

De eigenaren van de camping, Bernadette en Arnold, waren in hun nopjes van mijn geschetste versie van het varken Trudy, onvolprezen boegbeeld van het geheel. We namen hartelijk afscheid. Daarna kwam de man van de gehuurde caravan en inspecteerde de boel. Prima in orde en hij zou ze later meenemen, als hij klaar was met een volgende camper.

We reden voor het laatst de hobbeldebobbelweg af en daarna door een groot deel van het heerlijke bergachtige Slowaakse landschap. Onderweg een automaat als benzinepomp, maar in vlot Engels de gebruiksaanwijzing gekregen, dus een eitje. Met volle tank waren we in no time de grens over en kon de weg vervolgd worden. Een grote snelweg, recht naar Debrecen centrum toe. Hoe mooi kan je het hebben.

Nou ja, wat ik zei: Ongekende luxe en ook weer heerlijk na de klein caravan, of misschien wel extra daardoor zo ervaren. Na een opfrisdouche op pad om een winkel te zoeken en het halve centrum doorgestapt. Heerlijke temperatuur, mensen in zondagsmodus, fietsende en steppende mensen over de autovrije straten, terrasjes vol genieters, pleinen met toeristen, hier en daar fotosessies houdend voor een imponerend gebouw, die er in grote getale aanwezig waren. Daarna een terrasje vlak bij het hotel om met Nachos en een lafenisje de aankomst en dit nieuwe avontuur te vieren.

We zullen zien waar het schip strandt.

Overpeinzingen

De koningen te rijk

Vannacht heeft het met bakken geregend, afgaande op het gehoor, want we sliepen door de nacht heen als roosjes. Dat had een reden. Overdag waren we nogal bezig geweest met het verleggen van grenzen. Op de eerste plaats was de waanzinnig mooie plek een uitdaging. Het was opnieuw een oude steengroeve en hier was aan de voet een meer ontstaan dat op sommige plaatsen wel vier meter diep was. Het was particulier gebied en de eigenaars hadden het opengesteld voor iedereen die r maar van gebruik wilde maken. Je kon er zwemmen, suppen, beachvolleyballen, zonnebaden op de houten ligstoelen en er was zelfs een vakantiehuis te huur. Een klein restaurant ontbrak er ook niet aan. Koek en zopie of een heerlijke lunch, alles was mogelijk. Het was zo’n dertig minuten rijden van de camping vandaan.

In de voorbereidingen had ik mijn zwembroek en twee tankini’s meegenomen en tante Pollewop mocht zeggen welke ik aan moest trekken. Het was het exemplaar dat ik voor een habbekrats in de kringloop op de kop getikt had. Dat was dus al de eerste overwinning. Ik in badpak, zonder me in allerlei lappen te hullen. Lief trok ook zijn zwembroek aan, die ik in de haast toch maar had meegegrist, ook al wilde hij aanvankelijk niet. Maar de mooie omgeving, de stilte, de temperatuur van het water en de weinige zwemmers zorgden ervoor dat er allerlei nieuwe avonturen bedelden om aandacht. Op de eerste plaats zwemmen met dochterlief. Klein minpuntje, steengroeve betekent rotsen en stenen en daar waar het water toegankelijk was lagen verse kiezels op de grond. In het water zwommen vissen, grote en kleine, en hier en daar bij de kant wat waterslangen. Zonder plastic waterschoenen toch een tikkie afzien.

Tante Pollewop en de filosoof lagen met hun vader als eerste in het water. Lief acclimatiseerde in zijn kalme tempo op de kant. Toen dochterlief en ik eenmaal in het water gingen, bracht de grote band uitkomst. ‘Als ik daar in ga zitten, kan ik langzaam wennen,’ had ik bedacht. Me niet realiserend dat ik er dan wel in een keer door zou zijn. We moesten daar vreselijk om lachen en daarmee was al het ijs gebroken en de bravoure los. Op vier meter diepte liet ik me in het water zakken, maar daar kon ik natuurlijk niet staan en het werd zaak om snel aan de kant te komen. Maar snel en de longetjes gaan niet samen. Oops, weer te hard van stapel gelopen. Met de band redde ik het, maar moest, eenmaal op de kant geklauterd met hulp van dochterlief en Lief, eerst wel even flink lucht bijtanken.

Anders aanpakken was het devies. Schetsje van de kinderen aan de overkant, twee parende libellen vangen met mijn telefoontje, eerst maar eens de sup board proberen, zittend wel te verstaan. Lief maakte zich klaar om te gaan zwemmen. Het was zo fijn om hem zijn aarzelingen te zien overwinnen. Hij is altijd bevreesd voor de kwetsbare onderdanen. Hij zwom weg, meteen verkennend of het meer rondom te doen was. Voor mij was in eerste instantie zittend op de sup een uitkomst.

Dochterlief bleef bij me in de buurt, maar het was ook gewoon de lol om deze nieuwe ervaringen samen te delen. De twee waterratjes waren niet uit het water te slaan en tante Pollewop stond met haar drie diploma’s als een volleerde supper op de sup te peddelen en oogstte bewondering van de goegemeente om ons heen. Uit de bar klonk een vrolijk muziekje. Hoog boven ons cirkelden twee roofvogels en een koolmees at brutaal van een appeltje boven ons hoofd. Lief peddelde voor de eerste keer op de sup het meer rond en het leverde een magisch plaatje op, door dochterlief geschoten.

Ik nam me voor om in laag water te blijven bij de tweede poging en daar nog enkele slagen te doen. Beter en te onthouden voor een volgende keer. Wel even mijn skills vertonen aan de kinderen, natuurlijk, vanuit dat zwembestaan uit het verre verleden. Haha, iets minder soepel, maar toch.

Met een heerlijke gedeelde brie-salade en wat frietjes en voor de kinderen pannenkoek en later een ijsje, was het feest compleet. Op de terugweg in optocht achter een lange rij landbouwvoertuigen werd er naar ons gezwaaid vanaf de kant. We wuifden vriendelijk terug en voelden ons de koningen te rijk.

Overpeinzingen

Het allerlekkerste dat er is

Al vroeg in de ochtend klinkt een indringend melodietje dat voor de slapende camping niet te missen is. Een Slowaakse versie op het lied: ‘Hé, hé wordt wakker hier komt de bakker.‘ Een groepje fanatieke kampeerders staan al paraat op de plek waar hij stil zal houden. De eersten zullen toch ook echt de eersten zijn.

Er vlakbij staan een paar kinderen te dralen bij de plek, waar straks het dagelijkse rondje rijden met de paarden een aanvang zal nemen. Van jong tot ouder staan de kinderen met een nummertje in de hand te wachten tot ze aan de beurt zijn. Tante Pollewop is ook van de partij. Er zijn twee paarden, een met zadel en een met slechts een dikke dekenmat, als je van nummer wilt ruilen omdat je persé op een speciaal paard naar keuze wil, mag dat. Schoonzoonlief gaat naar de bakker en ik strijk neer op een bankje voor de kraal. Lief is wandelen in het bos, ten einde de voeten droog te kunnen houden.Hij is al heel lang weg, in mijn beleving. Zou je kunnen verdwalen in die immense bospartijen. Maar dan is er een app: ‘Ik hoor de bakker al’, en ik kan opgelucht adem halen, hij is in de buurt.

We ontbijten als iedereen er weer is boven op de berg bij de caravan van onze lieve schatten en gaan over tot de orde van de dag, die inwisselbaar is per minuut, dat dan weer wel. Heerlijk vrij buitenleven. Er wordt gedoucht, gezwommen, er wordt koffie gedronken en daarna nog een lunch voor wie wil. Dat is te veel voor mij. Twee keer eten volstaat. Ik neem genoegen met lucht.

We reizen af naar de stad Krupina, een stad met ongeveer 7000 inwoners. Wat opvalt is de drukke weg die dwars door de winkelstraat loopt en waar vooral ook veel zware vrachtwagens denderen, die overigens bij elke oversteek in de remmen gaan om ons voorrang te verlenen. en de hoge flats net even buiten het centrum. Kuprina betekent griesmeel. Ik probeer de reden te vinden, maar vang nul op request.

Eerst bezoeken we een postkantoor in erbarmelijke staat met als enige functionerende een viertal kloketten. De prijs van de postzegels voor de te versturen kaarten is mee omhoog gegaan met de tijd. We wandelen een rustiger straatje in met een terrasje en lopen door tot aan een rivier, waar het water laag staat en de begroeiing grotendeels het opperval vult. Riet en kattestaarten. Tante Pollewop wijst op een stenen hart temidden van de stroming. Na de rivier voor de flats is een speeltuintje, een uitgelezen kans om even stoom af te blazen.

Daarna gaan we op zoek naar ijs en spotten onderweg een kringloopwinkeltje. Dat bewaren we voor na de koude lekkernij. De temperatuur met de camping scheelt minstens zo’n 6 graden omdat het hier windstil is en de warmte tussen de huizen blijft hangen. Ik werk mijn t-shirt met lange mouwen onder mijn top uit. Ziezo, nu is het aanmerkelijk beter ademhalen. Grappig ijs, dochterlief en ik kiezen granaatappel, met een goedkoop uitziend horentje maar kraak-en-smaakvoller. Dan het beloofde kringloopje terwijl schone zoon de parkeermeters bij gaat vullen.

Vier volle rekken, een klein beetje sieraden, beheerd door een vriendelijke man en genoeg te snuffelen dus. Dochter scoort al gauw met haar geoefend oog een mooie geborduurde bloes, tante Pollewop vindt vriendschapskettinkjes voor haar en haar vriendinnen en schone zoon heeft een t-shirt aangepast die de filosoof mega mooi vindt, maar dat nog te groot voor hem is. De man vraagt waar we vandaan komen, zijn zoon blijkt in Assen een classic motorzaak te hebben. Als dank voor de afname én het praatje krijgt tante Pollewop een skibroekje cadeau. Niet nodig maar je moet een gegeven paard niet in de bek kijken, dus nemen we het dankbaar aan. ‘Daga’ leren we. (Djaga fonetisch).

Na de woeste tocht terug, haarspeldbochten zonder beschermende hekjes erlangs, valt de avond, na een heerlijke maaltijd courgette-en-tomatensoep met stokbrood. Op dat moment: Het allerlekkerste dat er is.

Overpeinzingen

Een gebed zonder end

Gisteren hadden we een dagje camping ingepland. Voor de broodnodige rust en om dat het ook heel verruimend kan werken om pas op de plaats te maken en stil te staan bij datgene waardoor we omgeven zijn. Een andere vorm van genieten van de omgeving. Dochterlief had het lumineuze idee opgevat om iets voor de gastheer en gastvrouw van de camping te maken ter afscheid en te geven als we zondag weg zouden gaan. Er was maar een lumineuze ingeving. Natuurlijk moest er een tekening komen van het boegbeeld van ons onderkomen, namelijk, de uit de kluiten gewassen Trudy, het varken.

De famille zou een wandeling gaan maken. Lief wilde aanvankelijk mee, maar tijdens zijn eigen ochtendwandeling, altijd goed voor een uurtje of meer, waren zijn schoenen drijfnat geworden door de ochtenddauw en aangezien dat het enige paar was, wat hij bij zich had, op zijn pantoffels na, koos hij eieren voor zijn geld. Op zijn sloffen ging hij 6 kilometer niet redden, dus ging het feestje niet door. Rond twee uur gingen ze op pad. Het was ineens een stuk stiller op de camping, al was dat slechts het idee. Een vader was met twee zoontjes aan het voetballen en de oudste en hij waren voortdurend in discussie, waarbij de vader fanatiek iedere keer zijn zoon aanwijzingen gaf of terecht wees. Om de haverklap was de jongen in zijn wiek geschoten, omdat paps iets anders beweerde. Het voetbalveld ligt pal voor onze tent, met gelukkig ruim terrein er tussen, dus ik kon alles goed observeren.

Als lunch had de filosoof samen met dochterlief heerlijke springrols gemaakt. Snijden van de groente met de mandoline, rijstevelletjes erbij en een heerlijk sausje en klaar was kees. Om je vingers bij af te likken. Een van mijn lievelingsen. Er waren aanvullend nog empanadas bij die we in de ochtend hadden aangeschaft in de boomgaard. Pure huisvlijt, deze lunch.

Beide buurtjes naast onze caravan gingen weg en er kwam diezelfde middag een nieuw gezin. Terwijl zich dat allemaal voltrok konden wij heerlijk lezen . Ik las in ‘De Boekhandel in de Bergen’ van Donati. Lief in ‘Oever’ en in de Hongaarse versie van Pooh Bear. Rustiek campingleven.

In de avond kwamen twee vrouwen die voor de zich opgegeven gasten hadden gekookt, er was keuze tussen een vegetarisch maal en een vleesgerecht. In dit geval gefrituurde bloemkool met gebakken aardappelen, zoetzuur en saus of gebakken kip met rijst en zoetzuur. Er stond maar een tafel klaar en stiekem hadden lief en ik het idee, van gedekte tafels met campinggasten bij elkaar, maar niets bleek minder waar. Op de aangeklede tafel werd alles uitgestald en in een soort lopend buffet-optocht werden de maaltijden per klant verstrekt met de bijpassende betalingen in baar geld. Minder romantisch dus, maar even, of misschien zelfs, nog lekkerder.

Ondertussen trok het koud op, toen de zon verdween uit de boomgaard en de Noorderwind aantrok. Geen slecht plan om weer bijtijds onder het dekbed te kruipen, temeer omdat de buren ijverig los gingen op hun houtvuurtje, dat hier bij elke tent is toegestaan, een reden waarom de kampeerplek zo ruim is bemeten. Heerlijk natuurlijk en binnen had ik er geen last van.

Er schoot me een mooie actie van tante Pollewop te binnen die bij een mierenoversteek wilde wachten tot ze daar mee klaar waren. Wat een schattige gedachte. Handig om te weten dat mieren hun weg zowel heen als terug vervolgen in hoog tempo, ‘The Never Ending Story of the Ants.’ Is een gegeven. Zou je wachten tot ze klaar waren, dan werd het voor de wachtenden een gebed zonder end.

Overpeinzingen

Gouden glorie

Na een heerlijke nacht in het kajuitbed worden we wakker in een witte wereld. Huh, hoe dan. Simpel, bleek achteraf, de luifel was naar beneden gekomen en had zich als een beschermend vel om de caravan gedrapeerd. De lucht in de opstaanders was er uitgelopen of zo. We wachten even op schoonzoon en dochter, misschien weten zij, als ervaren trekkers met een caravan, van wanten.

Gisteren was zo’n dag om bij te schrijven in de annalen. Na een rustig ochtendje op de camping, poedelen, administratie afhandelen, de heerlijke rust tot ons nemen die er op deze ‘Lazy’ camping heerst, vatte schoonzoon het idee op om naar de steengroeve te gaan om haaientanden te zoeken.

Met twee auto’s op pad langs de heerlijke Slowaakse wegen tussen dicht begroeide bossen door en ineens, hoe komen we aan die mazzel, stak een hert over vlak voor de auto van onze lieve schatten. Wij en nog een auto erachter konden ruim op tijd stoppen en toen voltrok zich in een mum van tijd het volgende, te snel om eigenlijk op de foto te zetten; Een hele roedel van zo’n 15 herten renden erachter aan tot en met de kleinste van het stel, die iets later kwam. Hoe kan klein geluk het hart vervullen.

We moesten een dorpje in en een smal weggetje op dat ons naar de steengroeve zou leiden en ineens stonden we voor een immense, inmiddels weer begroeide, afgegraven groeve. De grote verrassing was de hoeveelheid nestenholen van een kolonie bijeneters, die zich daar zeer thuis voelden. De prachtige vogels kwetterden dat het een lieve lust was. Een lichte teleurstelling was de hoeveelheid kinderen, die aanvankelijk nog allemaal driftig aan het graven waren maar er langzamerhand een spelelement doorheen hadden gevlochten.

Wij hadden ons geposteerd aan de rand van de kuil, waar iedereen aan het graven was en ik probeerde de groeve met de holen vast te leggen in een kleine schets. Toen de kinderen om ons heen kwamen dartelen, meer om aandacht vroegen en tikkertje begonnen te spelen, verkasten we naar over het heuveltje verderop, waar dochterlief en co al snel de wijk naar toe hadden genomen. Wat een heerlijkheid en wat een serene rust vergeleken bij de grote kuil. Midden tussen het duingras en de kruisdistels, met de holen van de bijeneters hoog boven ons, het uitzwermen van de beestjes, met een verrekijker goed te observeren, en de kinderen die bij tijd en wijle hun vondsten lieten zien, was de volmaakte rust weergekeerd.

Een Slowaakse man met zijn drie kinderen gaf onze schatzoekers, zelfs Lief had zich aangetrokken gevoeld tot deze verslavende bezigheid, een zeef waarmee grond goed te zeven viel, en je het fijnere zand beter kon doorzoeken. Zo’n lief gebaar, ook kwamen ze nog even hun buit laten zien. Dat is het heerlijke van deze vakantie. Grenzen en verschillen vallen weg, mensen in de natuur, ik hou ervan.

Tante Pollewop kwam steeds even een tijdje verpozen met het maken van een eigen schets, geheel en al gebaseerd op haar eigen fantasie en iedere keer was er iets nieuws te bewonderen. Een grote dikke gouden tor, met zijn groene ruggetje en gouden voorkant, die zich doodstil hield op dochters hand en daarna met moeite los liet om zich vervolgens aan een strohalm vast te klampen, een heideblauwtje op de distels, de lome middagstilte met daar doorheen bij tijd en wijle het gekwetter van de bijeneters.

Met een tevreden schat van een aantal ieniemienie haaientanden trokken we verder, richting de stad om de boodschappen in te slaan voor een overheerlijke courgette soep aan de drietand, waar een grote pan gehangen werd boven een houtvuurtje. De filosoof en de schone zoon bemoeiden zich daarmee, dochterlief en tante Pollewop ontfermden zich over de tomatensoep en Lief en ik deden het betere snij-en -afwaswerk. Teambuilding met een sterretje.

Toen er ook nog marshmallows gebrand konden worden om marshmallowtaartjes van te maken kon deze feestelijke dag helemaal niet meer stuk. Gouden glorie.

Overpeinzingen

Geen straf

Gisterenmorgen na een nachtrust, waarbij de spieren nog even moesten acclimatiseren aan een lijf dat volledig was stil gevallen en het autoritme niet langer de ondertoon vormde, werd ik veel te vroeg wakker. Niet zo bijzonder. De avond ervoor lag ik al vroeg in de veren, eenvoudigweg niet meer bij machte om het hoofd rechtop te houden. Vanaf zeven uur waren alle ochtendrituelen gedaan en begon ik met in te pakken. De grote koffer. De ene helft voor Lief en de andere helft voor mij. Kasten leeg geplukt, gewikt en gewogen welke kleding er mee moest, gezien de twee verschillende omstandigheden, de eerste week een boerderijcamping in Slowakije en de tweede week een hotel in Debrecen, een van de grote steden in Hongarije. Dus wat voor het gemak en wat voor culturele uitjes.

Om half tien begon het lijf te protesteren. Pas op de plaats rust, betekende dat. Liggen, ogen sluiten en helemaal niets, niet denken, niet bewegen, niets doen. Met een uurtje ging het beter. Alles ingepakt, ook beddengoed en handdoeken en Agaath en haar Tommetje liefdevol ingelicht. Farm en Kemping Lazy, Slowakije. Er was opnieuw regen voorspeld rond Budapest, maar dat bleek niet het geval te zijn. We tuften vrolijk over de wegen onder een blauwe lucht met witte watten wolken. De grensovergangen golden nog als overgangsgebied. Hongaarse, Slowaakse en Duitse woorden op de borden.

Het landschap ging langzaam over in glooiende dichte bossen. Minder strak, minder ‘onderhouden, met veel meer kreupelhout en ook hier rijen stammen naast de weg, die bijna achteloos leken neergegooid. Hetzelfde gold voor de weggetjes door zo’n bos heen, die we geacht werden te volgen om op locatie te kunnen komen. Nauwelijks verkeer. Gelukkig maar. Passeren was een moeilijkheidsgraad van passen en meten. De berm kon je namelijk niet in, omdat met geen mogelijkheid te zeggen was of die onder het weelderige struweel recht naar beneden ging of eerst nog wat grond.

Stoppen voor een spoor, waar een man nog handmatig de wissel moest omzetten. Lang niet gezien. Het duurde en duurde voordat er een tweede trein kwam na de eerste boemel. Al die tijd gebeurde er niets.

Ergens in een van de bossen wilde een ree oversteken vlak voor een auto voor ons, maar schrok, en bleef van de weeromstuit uithijgen aan de rand. Foto, voordat ze weer verdwenen was. Toen we langzaam optrokken, hinkstapsprong ze met haar hindebeentjes het bos in. Mooi moment.

De camping lag in een dal. Heerlijk ruim opgezet, iedere tent of caravan een vuurplaats, geen haringen van de buuf in je voortentje. Hartelijke omhelzingen met dochterlief, schone zoon en de filosoof en tante Pollewop, die ons onmiddellijk meesleepten om de dierenhave te laten zien. Ze werden net gevoederd. Het enorme varken Trudy en haar kompaan, het hangbuikzwijntje Ukkie. Knorrend deed Trudy zich voornamelijk te goed aan het veevoer.

Het verhaal rondom het varken was als volgt: Er was in de boomgaard een goed pruimenjaar geweest en de varkens,Trudy en haar zus, hadden ze veel te eten gekregen. Maar zuslief stierf en Trudy werd doodziek. Eenmaal opgekalefaterd hoefde ze niet meer, net als haar voorgangers, na zes maanden naar de slacht, maar mocht ze blijven. Pruimen waren in feite haar redding geweest. Er waren geitjes en kippen en iedereen en alles dartelde om de dieren, lagen in diverse hangmatten, sprongen op de trampoline rond. Er was een winkeltje met het hoognodige waar je kon pakken en schrijven. Het ouderwetse vertrouwen.

Dochterlief had een heerlijk feestmaal bereid bij hun caravan en werd vooral het feestelijke ruimschoots omlijst met de laatste avondzonnestralen, een warm gesprek en een biertje of een wijntje.

De caravan stond op een mooie plek en was van alle gemakken voorzien. Even wennen aan de afmetingen, maar wel met een toilet, voor ons een zege.
We sliepen achterin, het leek bijna een kajuit of een kleine bedstee, maar knus om dicht tegen elkaar aan te kruipen en dat was na maanden gemis geen straf.

Overpeinzingen

Tijd om in de benen te gaan

Gisteren begon de dag om half vijf. Hongaars als egalisator. Eerst dat en dan staat het hoofd weer aan. Ken je gewoontes. Ik hoorde geluiden uit de ontbijtkamer beneden, een zware mannenstem, ruim voor de ontbijttafel gereed zou zijn. Het was een gast, die ieder jaar ruim 500 kilometer met zijn traktor uit Duitsland komt rijden om boven, in Vichtenstein, bij het een of andere evenement te zjjn, Hij spreekt onverstaanbaar Duits. ‘Swabisch’ zo verklaart hijzelf. Gaandeweg rijgen de woorden zich toch aan elkaar en verstaat er een leesbaar verhaal. Ik beloof de lieve zorgzame gastvrouw, na het ontbijt, een mooie review te geven. Ze kijkt verheugd op. ‘Echt waar’, vraagt ze, ‘Meestal geven mensen alleen commentaar als iets niet goed is.’ Dat verbaast op mijn beurt mij weer hooglijk.

Ik zit inmiddels aan de keukentafel, uitzicht op de ontplofte druiven, die zich explosief laten zien. Ook de vijgenboom voor het terras heeft meer vruchten dan er in de potten jam zullen gaan.

We drinken op de thuiskomst en ik giebel om het effect. Eindelijk thuis, ondanks de wolkbreuken vanaf Wenen tot aan Budapest, het was heftig. Geen weg te zien. Focus en doorgaan is het devies en zo geschiedde. Het laatste stuk duurde te lang.

Het leven vereenvoudigd zich tot de dagelijkse beslommeringen en het samenzijn staat even centraal. Alles is zo herkenbaar. Lief heeft allerlei kleine attenties, voornamelijk op het land. Hier iets in bloei en daar ruimte gemaakt, hier iets weggehaald en daar iets toegevoegd. Op het schone en opgemaakte bed staat een klein porseleinen vaasje met rozemarijntakjes als welkom. Kleine uitingen van liefde, in dank afgenomen.

Inmiddels is het de volgende ochtend. De koffers staan nog onuitgepakt om het bed. Straks een nieuwe koffer samenstellen voor de komende twee weken. Rond elven willen we weg. Na de ochtendspits en voor de avondspits. Het is ruim vier uur rijden vanaf hier en we zullen weer een regenfront passeren bij Boedapest. Ik ben benieuwd. Kalmpjes aan, dan breekt het lijntje niet.

De caravan is gearriveerd op de camping en dochterlief en schone zoon zijn op zoek gegaan naar een mooi plekje. Ben benieuwd hoe of het bevalt om met onze oude lijven in zo’n kleine ruimte te zijn. Vandaag was er regen op komst, maar de rest van de week ziet het er goed uit. In ieder geval kan ik daar de lange ritten laten bezinken, van mijn lieve schatten, Lief incluis, genieten en van de omgeving en van de aanwezige dieren op de camping.

Het wakker worden bij de vertrouwde geluiden door het open raam, de kraaiende hanen, de koerende duiven, het rommelen van de buurvrouw, een piepend hek, het blaffende kleine hondje. Duiven spreken alle talen bedacht ik gisteren toen ik er een hoorde koeren door het raam van de gasthof. Ze zijn overal.

Er sijpelen mooie berichten door van zoonlief uit Indonesie, wat een schoonheid straalt er van de genomen foto’s en filmpjes af. Vandaag zal de hele familie met elkaar verenigd zijn en kunnen ze aan het avontuur op Ambon beginnen.

En nu opschieten, het is de hoogste tijd om in de benen te gaan.

Overpeinzingen

Morgen ontbijt om half acht

Gevonden. Het was even puzzelen maar dan maak je nog eens wat mee. Bijvoorbeeld een hele berg vol haarspeldbochten om de griebels van te krijgen. Maar in mijn, voor bewoners haatdraagmakende, tempo, slakje die een vingertop beklimt, lukte het opperbest, soms zat zelfs de schwung erin. Even niet op gerekend…In de bergen nauwelijks tot helemaal geen internet, ergo geen werkend tomtommetje. Op de ouderwetse toer en de mond gebruiken. Gelukkig in het Duits, wat me beter afgaat dan het Hongaars. Een ouderwetse gasthof met een vriendelijke gastvrouw, die ongeveer even oud was, schatte ik in. Weer niet goed gekeken, ik leer het nooit. Geen lift aanwezig en wel een bordes m et trappen om de ingang te bereiken. Morgen ga ik terug langs de Donau, vlakker dan vlak.

De reis ging voorspoedig, duurde twee uur langer door files, een hele lange net na Regensburg, maar de muziek en een vermakelijke podcast voor de afleiding zorgde ervoor dat het in een mum van tijd voorbij was. Bij Wurzburg kwam ik ineens in een voorstadje terecht. Vraag me niet hoe. Het ging verkeerd bij een Raststätte. Voor Vichtenstein-Kasten moest ik dus niet in Vichtenstein zelf zijn, maar beneden in het dal. Had het kunnen weten, want het hotel heel Donautal. Nu lekker uitrusten, ook van een onrustig nachtje vannacht. Onrustig, veel wakker en om vier uur eruit. Vijf uur was ik er klaar voor. Dankzij de file en de zoektocht arriveerde ik om 16.15 het hotel. En toen begon het te regenen en stevig ook. Ben benieuwd hoe het morgen na het ontbijt is.

Gisteren gingen de voorbereidingen voorspoedig, alhoewel. Er was nog een bangmakertje. Bij het verhelpen van de productiefout aan Agaath meldde de deskmedewerker dat ze een onderhoudsbeurt nodig had. Nooit meer te doen voor de volgende dag natuurlijk. Toch voor de zekerheid maar even langs de eigen garage. Die wist te vertellen dat ze in februari groot onderhoud had mogen meemaken. Een dooie mus dus, met impact, dat dan weer wel. Door naar de tuin. De nieuwe aanwas staat grotendeels in bloei. Zelfs de ‘Hot Lips’, dat is de naam van deze Salvia, bloeide met twee bloemetjes al. Ouwe tuinstoelen zoals beloofd weggehaald achter het atelier en op de bolderkar van dochterlief gelegd. Sorry, lieve dochter. Twee boeken naar de oudste gebracht, Spijker mee teruggekregen, die kan mooi mee naar Slowakije, want ik had het boek aan beide dochters beloofd. Alles dus in kannen en kruiken. Inpakken een fluitje van een cent. Inmiddels is het droog. Maar ik blijf lekker op bed schrijven. Het is een eerlijke oud-Oostenrijkse kamer, niets op af te dingen. Rustiek zoals het betaamt.

De noodkreten uit de Alpen sijpelen door, maar dit is Niederdonau gebied als ik het wel heb. Geen stress, morgen komt er weer een dag en dan zien we wel weer. Geen zorgen voor de dag van morgen.

5G op de telefoon doet het gelukkig weer, anders hadden jullie verstoken moeten blijven van de informatie. Nu eerst maar eens slapen, na een goed glas wijn. Morgen ontbijt om half acht.

Overpeinzingen

Dat lijkt me belangrijker

Rond een uur of twee was de winkel aan de beurt om kleding in te slaan voor Lief. T-shirts in allerlei kleuren, twee lange broeken, twee korte broeken en een dik hemd dat aan kan als het net wat kouder is. De tas laat ik in de auto staan, want anders moet ik de toch behoorlijk zware last mee naar boven slepen.Een zwembroek is nergens meer te vinden, ja, korte modellen. Zijn de bermuda’s uit het modebeeld verdwenen? Geen idee.

Zoonlief zit in Ubud met de kleine Njong, ze moeten zich even samen vermaken. Iedere dag is er een hoofdactiviteit. Een wandeling naar de rijstvelden, zwemmen, een scootertochtje, waarbij de kleine parmantig voorop zit met een helm op. Er druppelen meer vakantiekiekjes binnen maar gelukkig ook een heleboel berichten van de stations, waar het pannenprotest voor hulp aan Gaza te horen is. Het levert altijd weer zo’n wee gevoel op als ik er aan denk en dat is heel vaak op een dag. Mijn hart huilt.

Als troost vloog er gisteren een libel op het hekje tussen het balkon van de buren en het onze. Zoonlief zag hem het eerst met zijn scherpe vogelaarsblik. Het beestje had nagenoeg dezelfde kleur als het hekje. Het blijkt voor 76% zeker een heidelibel te zijn, zegt de app. Weinig heide hier in de omgeving. ‘Dan is ie verdwaald’, zegt zoonlief lakoniek. Ja, constatering van een feit. Lang leve deze hulpmiddelen. De clematis kwam ter meerdere eer en glorie van mij in bloei, hoera. Zo fraai om te zien en te weten dat er zo nog veel meer komen. Ook de lavendel tiert welig. Ik ben benieuwd hoe die in de kruidentuin in Verweggistan erbij staat.

Gisteren kon ik de medicijnen ophalen. Het hele pakket compleet en alle puffers zitten erbij. Ik zorg wel dat het drama van de vorige keer zich niet hoeft te herhalen. De Groene wordt voor drie maanden opgestuurd. Als ze hier op de stapel komen te liggen, blijven ze liggen, is de ervaring. Daarginds kan ik me iedere dinsdag verheugen op nieuw leesvoer. Digitaal lange artikelen lezen gaat moeizaam of ik vergeet het zelfs. Geef mij maar een knisperende papieren versie.

Straks ga ik met Agaath naar de garage. Er is een constructiefout, die in al deze types zit en dat moet verholpen worden. Ze zijn er een half uurtje zoet mee, dat is te overzien. Misschien willen de mannen ook de bandenspanning even nakijken. Dat zou heel lief zijn. Het is namelijk niet mijn eigen garage. Durf te vragen. Je weet nooit hoe een koe een haas vangt.

Dan wachten op de tuin nog de vier stoelen achter het atelier. Die moeten daar weg. Het zijn brandvoorschriften. Geen punt. Dan zet ik ze zolang er voor. De sleutels gaan daarna naar dochterlief. Ik neem gelijk twee fijne vakantieboeken voor haar mee. ‘Het Zoutpad’ van Raynor Winn en het boek dat er opvolgt: De wilde Stilte. Er is een hoop ophef over het feit of het boek naar waarheid is geschreven, maar dat interesseert mij niet. Het is een goed geschreven boek en er valt een hoop aan inspiratie uit te halen. Wat een geneuzelarij. Ze dealt er zelf mee. Dat is genoeg. Daar hoeft niet heel de mensheid over te struikelen. Er is genoeg leed om wel over te struikelen. Dat lijkt me belangrijker.

Overpeinzingen

Goed gezelschap dus

Vannacht wilde de goeie ouwe Klaas Vaak maar niet komen, of tenminste, hij had te weinig zand gestrooid, want om twee uur was ik klaar wakker. Hongaars is een fijne moemaker en dat kan ik doen zonder muggeprikkelend licht te maken. Rond zessen viel ik eindelijk in slaap en schoot pas om kwart over negen wakker, toen mijn telefoon driftig aan het zoemen was. Jaja, wie belde op dit onzalige uur. O jee, gat in de dag geslapen, Lief zou om negen uur bellen. En ja, natuurlijk was hij het, maar hij weet dan ook dat hij me op ieder uur van de dag en de nacht wakker mag bellen. Ik belde terug na het halen van het gebruikelijke ochtendbakkie.

Nog maar drie dagen en nachten, we tellen af. Het duurt zoals altijd met een ‘bijna-is-het-zo-ver-gevoel net te lang. Het is vandaag tijd voor de laatste loodjes. Wat kleren voor Lief: Broeken, t-shirts en een zwembroek. Dat laatste is weer een nieuwe uitdaging. We willen toch eens het thermaalbad gaan verkennen in Debrecen en in Szigetvar en op de camping is een zwembad en een meer, maar of die het gaan worden weet ik niet. Mijn nieuwe badspullen zijn binnen. Eindelijk geheel naar het zin, met een iets langer broekje en een mooie tankini, aanvankelijk een van zuslief gekregen en toch ook een nieuwe er bij gekocht op de door haar aangeraden site.

Eergisteren was de kapper een belevenis op zich. Ik werd geholpen door de andere kapster, die nog zorgvuldiger te werk ging en erg goed keek naar de behoefte van mijn pruik. ‘De volgende keer zet ik je op een uur, dan mag het langer intrekken. Het zwart haal ik er uit, want dat kleurt roze op.’ Ze mengde als een volleerde alchemist de plantaardige kleuren. De platte brede kwast zou ook een mooie schilderskwast zijn, had ik al eerder geconstateerd. Het uitwassen en de knipsessie gebeurde door de Japanse stagiaire. We hadden, net als de vorige keer, een aangenaam gesprek over het leren van talen met duo en het ontbreken van de grammatica daarbij. Lief gaat me daar straks wegwijs in maken. Zij dacht erover om een degelijke taalschool te zoeken. Verder moet de praktijk het nodige aandragen. We zullen zien. Nieuwe afspraak over drie maanden.

Gisteren had ik met de twee dochters en de kinderen afgesproken naar de tuin te gaan, maar met de regen vielen de plannen letterlijk in het water. Dan maar een lunch bij het Ford vlak bij de tuin. De kinderen konden naar buiten om te spelen met de waterpomp en het zand als het droog was. Zakenlieden en oude vriendinnen, een klein beetje de chique met champagnelunch en gezinnen, een goed gemêleerd gezelschap dus. Een vegetarische en veganistische kaart erbij die goed oogde. Tijd voor een bataat-pompoen soepje. Gezellig bij babbelen zo vlak voordat we weer de wijde wereld in zouden trekken, de oudste met iedereen naar La Douce France en de andere dochter en het gezin zien Lief en ik zometeen terug in Slowakije. Dikke knuffels bij het afscheid. Loslaten op hoog niveau.

Rond een uur of drie ben ik thuis. Ik had in de ochtend al gelezen dat ik een EHIC nodig had, een Europese zorgpas, die ik allang onder de app van mijn zorginstelling bleek te hebben, maar dat was me weer ontschoten. Straks gaat een lijstje met telefoonnummers bij het kenteken, morgen gaat Agaath nog een keer naar de garage en dan zijn we er klaar voor. Piep de Muis verkneukelt zich zichtbaar op de lange reis. Ze grijnst van oor tot oor. Goed gezelschap dus.

Overpeinzingen

Ondraaglijk leed

Er kwam een bericht door van vriendinlief. Vandaag lezen zij en haar vrouw twee uur lang de namen op van de ruim 65.000 mensen die in Gaza omgekomen zijn en dit zal van woensdagochtend 8.00 uur tot zondagavond 20.00 uur onafgebroken duren. Het is bedacht door Getuigen van Gaza, een groep inwoners van Utrecht, iets wat ze doen vanuit een moreel besef dat ze niet kunnen zwijgen of wegkijken. Vijf dagen lang, dag en nacht, op twee plekken tegelijk, zowel op de Stadhuisbrug als op het Moskeeplein. Het is vooral bedoeld om te getuigen van de tragedie die zich voltrekt. Dat wordt sober en respectvol gedaan, zonder opsmuk, slechts de namen. Na Middelburg en Nijmegen is Utrecht de derde stad, waar burgers het initiatief nemen tot deze wijze van getuigen.

Ik krijg het beeld van de moeder, die bij haar stervende zoon van veertien de wacht houdt, niet meer van mijn netvlies. Ondraaglijk leed.

De eerste strofe van een gedicht om over na te denken, door Herman Gorter:

Ik wilde ik kon U iets geven

tot troost diep in Uw leven,

maar ik heb woorden alleen,

namen, en dingen geen.

Overpeinzingen

Tijd te over

Om half een was ik bij dochterlief die na een poosje naar buiten kwam stommelen met Dribbel en zijn oudere broer. Heerlijk. Een paar spierballen erbij. Hij hield wel van aanpakken. Dribbel was in de contramine omdat de wacht was aangezegd op zijn schermtijd. In de vakantietijd een extra beperking erop, was het gegeven. Dus wat doe je als je je zin niet krijgt? Bedelen, smeken, vleien en als dat allemaal geen zoden aan de dijk zet, dan draai je je resoluut om en loop je terug.

‘Gewoon doorlopen,’vond zijn moeder, ‘Hij trekt vanzelf weer bij’. Maar hij bleef parmantig in marstempo doorstappen langs de sloot tot naar de parkeerplaats, waar we hem niet meer konden zien. Ik adviseerde om toch maar even te gaan kijken. Je weet maar nooit wat voor ideeën er in zijn creatieve hoofd op komen zetten.

De grasmaaier was voor mijn toppertje en hij had er maar wat schik in. Op nog een standje lager kon het mooi kort gemaaid worden. Ondertussen trok ik wat grassen uit het nieuwste bed en wilde doorgaan met het middelste, toen dochterlief al weer aan kwam lopen met het verloren schaap, die inmiddels was afgekoeld en een spel met levels en stokken ging spelen in de tuin van zijn tante, naast die van mij.

We hadden niet op het weerbericht gelet en ik had wel wat dreiging waar genomen maar net zo snel weer genegeerd, misschien als wens van het verlangen. De eerste dikke droppels vielen en we trokken ons terug in het atelier, dat ineens veel kleiner leek met die grote jongenslijven. Zoete koek en water was een mooie afleidingsmanoeuvre op een nieuwe aanval van schermverleidingen.

Na de eerste bui besloten we nog drie kwartier onkruid te trekken en dan de kuierlatten te nemen en dat was maar goed ook. Het begon te stortregenen vlak voordat ik ze thuis kon afzetten. Vlak bij de flat parkeren en daar konden ze een run nemen op de deur met de sleutel in de aanslag. Ik reed door naar huis. Voordat ik naar de tuin reed, had ik de pakjesman onderschept die met zijn bus de straat in kwam rijden. Hij bleek inderdaad een pakje voor mij te hebben. Hoera. De autostofzuiger.

Bij thuiskomst probeer ik hem uit. Het is een handzaam klein ding dat in de deur past en, als het opgeladen is, beter zuigt dan de turboslangen van het pompstation. Ziezo, dat is één ingelost voornemen voor de reis. Straks gaat de tweede ingelost worden. Nog een extra kapperbezoek, knippen en kleuren door een natuurbehandeling.

Van Bali komen mooie beelden. De kleine Njong vermaakt zich kostelijk voorop de scooter bij zijn vader, in een zwembad en met de marketentsters voor vrolijke kraampjes met inheemse vruchten, die allemaal in zijn wangetjes willen knijpen, stel ik me zo voor. Een video van een tocht over een binnenweg met prachtige bossen, velden, palmen en bananenplanten oogt alsof ik er zelf langs rij. Ze zijn zo ver weg en toch zo dichtbij.

Zoonlief komt me koffie brengen voor hij naar zijn werk gaat. Wat lief. Hij weet hoe adembenemend het is om de trap op te moeten in de ochtend. De voorbereidingen voor de reis gaan onverdroten voort. De boeken liggen op een stapeltje en en nog meer leesvoer aan tijdschriften. De Groene wordt als het goed is, doorgezonden en de tekenspullen moet ik nog bij elkaar zoeken. Vandaag is ook de apotheek aan de beurt. Toch eens vragen naar dat medicijnen-paspoort. Geen overbodige luxe na de laatste speurtocht naar de vergeten puf. En voor de rest, we hebben nog een paar dagen, dus tijd te over.

Overpeinzingen

En daarna zien we wel verder

Contacten verwateren. Het gaat vanzelf. Door drukte, door allerlei wijzigingen in de omstandigheden. Ziekte, nieuwe baan, kinderen, verhuizen, uiteenlopende levens, zo sluipt het uit elkaar groeien binnen of gewoon het gescheiden zijn. Als je elkaar weer tegenkomt is het goed, als vanouds, dezelfde warmte, dezelfde verbondenheid. Even makkelijk ook weer los te laten. IJkpunten in de vriendschap.

Maar wat als de persoon in kwestie er stiekem tussenuit geknepen is en je hem niet meer hebt kunnen zeggen dat er een tijd was waarin je van hem leerde of op z’n minst waardoor je in een andere wereld, de wereld van beeldende kunst en muziek, getrokken werd. Ik kan het hem toedenken in de hoop dat hij die gedachte nog vangt tussen hier en daar.

Dat is de wonderlijke kant van ouder worden. Vrienden verdwijnen. Niet voor even, maar voor altijd. Natuurlijk, er zijn de herinneringen, nog net zo scherp als toen ze pas gemaakt werden. Een uitvoering van de Erlkönig op de bank in het vakantiehuis, strokransen in de haren, een wandeling over de oorlogsgraven in Limburg, rode wijn, picknicken met de hele kinderschaar en manlief, de Oude was er bij. Een meningsverschil tussen die twee te midden van de brocante op een markt in Maastricht, zijn prachtige beeldentuin, zijn beelden, de haag met nissen waar ze in stonden en die de hele tuin omzoomden. Een paradijs. Zijn feesten voor het grut en de ouderloze echtparen. Er waren meer verdwenen mensen bij. Zolang ze niet vervagen is het goed. Ik neem ze mee in de gedachten.

Twee kippies door beide dochters gemaakt op zo’n feest.

Redelijk vroeg in de morgen reed ik naar het huis van zoonlief, de jongste van de tweeling. Ze hadden zwager en diens lief op bezoek. Ze zouden in de middag naar het oosten van het land vertrekken en ik had al aangegeven dat het slecht weer zou worden . Derhalve was ik tamelijk vroeg op bezoek. De drie rakkertjes waren beneden, maar kleindochter moest nog een middagslaapje. Daarna zouden ze vertrekken. Heel goed, dan kunnen beiden, zij met haar hernia en hij met zijn knie, eindelijk wat meer rust pakken, al werkt lieve schoondochter liever door de pijn heen. Ik weet hoe dat is. Als je er niet bij kunt stilstaan dan is het er even niet.

Ze waren zoetjes aan het spelen en daarna smikkelden ze van een lichte lunch. Het ging met de knie een stuk beter. Straks mag hij zonder krukken lopen, dan ben je alweer meer mobiel al is het gevaar op een onverwachte beweging groter.

Iedereen was druk in de weer, dus na een gemoedelijk gesprekje besloot ik te vertrekken, dan konden ze de rest in alle rust voorbereiden. Langs dochterlief om de accu’s op te halen voor vandaag. De tuin roept deze week extra hard. Nog even flink de beuk erin en dan kan ze er weer even tegen.

Er was thee en we verkneukelden ons alvast op wat we op de camping zouden tegenkomen. Ik kijk uit naar het enorme varken dat daar in de modder rolt en een van de hoogtepunten voor de filosoof en tante Pollewop betekent. Lazy is een camping met dieren, dat maakt het dubbel leuk. Je kunt er ook zwemmen, maar het meertje heeft een rotsbodem en het zwembad hoge zijkanten. We gaan het zien en beleven. Ze vertrekken ongeveer tegelijk met mij of iets eerder. Ik reis eerst af naar Verweggistan om Lief op te halen en dan rijden we de volgende dag naar Slowakije.

Nu eerst de laatste loodjes in de tuin, terwijl in mijn parallelle leven in Nagypeterd ook alles in stelling wordt gebracht om de Hof twee weken te laten overleven. Zo werkt dat. En daarna zien we wel verder.

Overpeinzingen

De mijne

Even een oude blog die nooit gepubliceerd is volgens mijn data. Het is van oktober 2023, de 21e dacht ik. Zonde om het op de plank te laten liggen.

We ontbijten voor de laatste keer waarschijnlijk buiten op het terras, nu de zon minder extreem is en de temperatuur aangenaam, rond de twintig graden. Een zwoele nazomerse bries houdt het in balans. Lief is bezig met de laatste noodzakelijkheden om het land winterklaar achter te laten. Hij snoeit alles nog met de hand en doet dat uit eerbied voor het leven van de boom. Alles wat gesnoeid is wordt ook teruggebracht tot de natuur, als haag of afscheiding waar straks weer tientallen beestjes hun weg in kunnen vinden, de eekhoorn, de egel, de marter, de heggenmussen, tor en kevers. Het krioelt van leven in dat hout, dat op die manier een tweede leven krijgt. Voor hemzelf is het ook goed. Hier kan hij uit de voeten en is in zijn element. Hij loopt tak voor tak op zoek naar een vreedzame plek. Dood doet leven.

In de Groene van twee maanden geleden staat een artikel over films over parallelle werkelijkheden. Het is maar spel zegt een actrice op de bühne tegen haar publiek, vergeet het niet. Vaak willen we dat niet weten en willen we juist wel verdwijnen in wat die alternatieve werkelijkheid is, die we ons zelf aanmeten. Via boeken, via gedachten, via films en tv-series. Er zijn films die er mee aan de haal gaan en het Droste effect hanteren,een realiteit, in een realiteit in opnieuw een werkelijkheid, als een matroesjkapop bijvoorbeeld, in Asteroid city van Wes Anderson., een film over een tv-film, over een toneelstuk. Verhalen verstopt in verhalen die weer verstopt zitten in verhalen, schrijft Basje Boer in zijn artikel’

Iets om over te mijmeren. In hoeverre laten we ons meeslepen of welke waarde hechten we aan het ontsnappen aan de realiteit van het moment, een wereld die gebukt gaat onder het teveel aan leed. Hoe fijn is het om even af te stappen van die immer aanwezige onderliggende gedachten van wat/als. Ik heb het nodig. Hier in Hongarije valt de wereld stil. Er is alleen maar dit. Het land dat winterklaar gemaakt wordt, de vraag wat we zullen eten vandaag, het vormgeven van de gedachten die spinnen in mijn hoofd. De stilte, de vrede.

Gisteren zag ik één journaal en dat was al weer bijna een teveel aan het gevoel van onmacht, aan het hart dat huilt om het ondraaglijke leed, aan de angst die het oproept als ik aan de toekomst denk en aan ieder die daar straks in voort zal moeten leven. Ik mag graag ontsnappen en hier kost dat geen moeite. Het is ons persoonlijke konijnenhol en het is goed. Straks zal er voldoende bewustzijn worden aangewakkerd als we terugkeren naar dat andere volle leven.

Vannacht droomde ik een volstrekt andere parallelle werkelijkheid. De Oude Gracht was bedekt met sneeuw, in de gracht stonden vier van die enorme Hannibal-olifanten, aan de zijkant stond een prachtige wolf en aan het eind van de werf, die daar ophield te bestaan, dobberde een ree met vredige blik in de ogen. Ik maakte me ondertussen druk over de parkeergarage en het bedrag dat ik onvoorzien, zou moeten dokken omdat het feest waar ik was de hele in plaats van de halve avond duurde. Toch ontwaakte ik met een voldaan gevoel door de droom. Dat gelukzalige eruit te kunnen filteren, al is het maar spel, een nep realiteit, dan is het alles waard om er bij tijd en wijle in te verdwijnen.

Het boek van vandaag is een verzamelbundel van Vasalis, waar haar drie eerste boeken in zijn opgenomen. De oude kustlijn kwam pas later uit.

Oorwurm komt me afleiden. Lang niet meer gezien. Ze zaten in de dahlia-tuin van mijn oma veel. Hier zijn ze af en toe. Hij kwam omlaag gevallen. Uit mijn haar of van de balken van het terras, wie zal het zeggen. Mijn oor heeft hij gelukkig met rust gelaten. Bij lange na was ik daar vroeger niet zeker van. Ook een werkelijkheid destijds. De mijne.

Overpeinzingen

Er over peinzen is alvast een begin

Wakker worden in je eigen bed, het vertrouwde uitzicht, de hele nacht met open raam, geen angst voor muggen. Licht opbollende vitrage laat de dag kalm doorsijpelen rond het vertrouwde ochtenduur. De spiegelende zonsopgang omlijst haar alvast met een gouden randje.

Gisterenochtend was ik net zo vroeg wakker. Maar daar sloop ik uit bed, alhoewel zus niets hoort als ze slaapt, en nam telefoon en Ipad mee naar de soezende woonkamer. Gordijnen en luxaflexen open, water opzetten voor de cappuccino en, nog steeds in ochtendschemer, starten met het dagelijkse ritueel. Hongaars en schrijven voor de zussen zouden ontwaken, nu er nog focus mogelijk is.

Voor elven zijn we alle vier ruim klaar. Alles zit in de auto. De vaatwasser is voor de laatste keer uitgepakt en de laatste vuilniszakken, restanten van een losbandig leven, zijn in de container beland. On y va.

Via dorpen afzakken en eventueel aanwezige kringlopen aandoen, was het idee, maar na de eerste grote kringloop, die te veel en te vol was, en het zoeken naar een plek om te lunchen, waarbij half Groningen de tent gesloten had, had de tocht alle energie opgeslurpt. Na de thee ergens na Zwolle, waar we een pakje moesten afgeven, reden we toch via de snelweg in een ommezien naar mijn huis. Tegenliggers stonden in een lange file te wachten. De vakantie in Midden Nederland was aangebroken. Wat een heldere ingeving om mijn eigen reis naar Lief pas volgende week te boeken.

Zoonlief kwam na mijn app al naar beneden om mijn spulletjes naar boven te dragen en werd uitbundig door de zussen begroet en bewonderd. Ze hadden nog twijfels gehad of het wel alleen te sjouwen was voor hem, maar die verdwenen als sneeuw voor de zon. Inderdaad, dat kon hij. Omhelzen, uitzwaaien en de vier trappen op naar boven. Toch nog eerst even de boodschappen halen, zag ik, toen ik binnen was. In mijn eigen oude vertrouwde Agaath, heerlijk om zelf te kunnen rijden, naar de winkel. Er was een nieuwe smeerboter van mijn vertrouwde merk in een kartonnen kuipje. Hoera, leve de bewustwording.

Op de bank zitten suffen dus vroeg naar bed. Nu ligt de dag weer aan mijn voeten. Uitpakken, wassen, overpeinzen en later de volgende reis voorbereiden en het adres bij het abonnement op de Groene tijdelijk veranderen, zodat ik iedere week in Verweggistan nieuw leesvoer in handen heb.

De Groene opent zijn dikke vakantienummer met het thema ‘Niksen’ en de twee kanten die er aan zitten. Opgehemeld of verguisd, daar draait het wel zo’n beetje om. Een artikel gaat over de verwildering van verlaten plaatsen. Die zie je in Hongarije veel. Temidden tussen de huizen van de dorpen, kunnen hele ingestorte en overwoekerde exemplaren staan, hangen, of leunen. Die natuur die dan ontstaat is door een Duitse Hoogleraar ecologie ooit ‘Natuur van de Vierde Soort’ genoemd, omdat op een afbraakterrein in Berlijn een verbluffende hoeveelheid planten-en-dierenleven was ontstaan, waaronder ook zeldzame of bijna uitgestorven exemplaren.

Bij zo’n krot op het platteland bloeit er in het voorjaar een weelderige blauwe regen door alle kapotte ramen heen of reikt tot ver over het dak, wat het direct weer schoonheid geeft, even als bramen, frambozen en zelfs bomen die in alle gaten en kieren gekropen zijn teneinde een houvast te zoeken. Ook in Groningen zagen we soms een volledig kreunende en overwoekerde schuur tegen een goed en bewoond huis aanleunen of een bedrijven terrein dat volledig verlaten oogde en langzaam opging in de vegetatie. Het heeft iets, zo’n verstild leven. Rutger van der Hoeven, de schrijver van dit artikel, over De Vierde Natuur: Misschien moeten we anders naar die landschappen gaan kijken. Of ze in ieder geval beter leren begrijpen. Want er zullen over de hele wereld meer van dit soort plekken komen. Verlating is onze toekomst.

Niksen voor jezelf is fijn, maar achterover leunen als iets in verval is, vergt een ander inzicht ter meerdere eer en glorie van al het leven om ons heen. Er over peinzen is alvast een begin.

Overpeinzingen

In de herhaling

De regen sijpelde naar beneden en de nacht ervoor stortte het zelfs. Dagje Zuidlaren hadden we bedacht, een klein uitstapje naar het land van Bartje. Het is een gezellig stadje vol winkels en horeca, kent maar liefst zeven brinken en mag zich daarom met verve een Brinkdorp noemen. Het is altijd gezellig toeven zo rond een dorpsplein. In de eerste de beste winkel kom ik een meevaller tegen. Een mooie dunne wijde bloes met een oosters printje voor niet meer dan tien euro. Hoe kom ik aan die mazzel. Aangekleed gaat uit. We beginnen direct maar met een lichte lunch. Op deze laatste dag is het een gewoonte geworden om uitgebreid te gaan dineren. Dan kijken we niet op een cent meer of minder. Omdat we altijd in het voren sparen voor dit jaarlijkse uitje en omdat we nu een paar dagen korter gaan, zitten we nog ruim in de slappe was.

We reizen af via Hoogezand, waar onze familiewortels van vaderskant liggen en speuren twee begraafplaatsen af, een met de veelbetekendende naam ‘De Stille Hof’, maar vinden geen naam terug. Museum Molman zou derhalve er van afgeleid kunnen zijn. Broerlief is onze geschiedenisvorser, dus die kan er vast mee aan de slag.

In Zuidlaren kan je niet om het standbeeld van Berend Botje heen. Het blijkt een knokelig oud mannetje te zijn en geen beer zoals vaak wordt gedacht. Bij het beeldje lag een stenen boek met de inscripties van het bijbehorende vers. ‘Berend Botje ging uit varen met zijn scheepje naar ZuidLaren…‘ Hoe komen we aan Berend Botje? Het Historisch Portaal geeft de verschillende versies weer, die de ronde doen. Een ervan is dat het een boer uit Borger zou zijn geweest, die met zijn scheepje over de slingerende Hunze naar Zuidlaren voer, op de markt terecht kwam, te diep in het glaasje keek en op de terugweg schipbreuk leed en verdronk, waarbij anderen weer geloven dat hij door was gevaren naar Amerika. Zo komen de mythes in de wereld.

We vermaken ons kostelijk in een winkel, waar we vanaf twee comfortabele fauteuils zicht hadden op de pasperikelen en overwegingen van een drietal dames, die uitgebreid elkaars outfit van advies voorzagen op een hele prettige aandachtige manier. Zuslief en ik schatten in dat het twee zussen en een schoonzus waren. Het bleek en echtpaar en een hele goede vriendin. Ze reageerden jolig op onze aanmoedigingen. De verkoopster vond het allemaal maar wat gezellig, zei ze. Altijd een leuk moment. Sinds ik niet meer zo goed uit de voeten kan en regelmatig ga zitten, ben ik in de wereld van de wachtenden, lees in 2/3 van de gevallen ‘mannen’ voor de paskamerhokjes terecht gekomen. Heel vermakelijk vaak en de moeite van het wachten waard, want het levert stof tot verhalen.

Zuslief tikte nog een paar mooie wandelschoenen van een goed merk met fikse korting op de kop. Winkel in, winkel uit, is bar vermoeiend, maar met alle rustpunten tussendoor is het prima op een regenachtige dag. Wel geloof ik dat de wandelingen steeds korter en de terrastijden steeds langer worden, naarmate we vorderen in jaren.

Rond een uur of zes wandelen we vanaf onze vakantiestek langs het meer naar het restaurant. Het is vrij nieuw en ruim van opzet, met een podium en hele spontane en vriendelijke jonge bediening. Als we moe maar verzadigd en voldaan weer teruglopen, hebben we er toch al met al precies tienduizend stappen aangetikt. Dat wil zeggen, ik dan. De zussen hebben vast wat meer gelopen. Twee van ons wandelen veel in de omgeving in de vroege ochtend of in de avond. We hebben zo allemaal onze momenten.

Het is veel te snel voorbij, maar we gaan volgend jaar gewoon weer in de herhaling.

Overpeinzingen

En daar gaat het maar om

We zouden wat dorpen en wat stadjes aandoen, om te beginnen Delftzijl. Misschien hadden we Appingedam voor het laatst moeten bewaren, want dat was toch erg idyllisch vergeleken bij de havenstad, die met zijn havens, een woud van windmolens en haar industrie meer leek op Rottterdam. Het gaf niet want de jongste zus houdt er ook van. Dat is zo leuk als je met z’n vieren op stap bent. Soepeltjes water bij de wijn doen en ruim baan voor elk wat wils aan bezienswaardigheden.

Het dorp Termunterzijl ligt aan de Eems Dollard en maakt onderdeel van de waddenzee Werelderfgoed. Het dorp heeft een jachthaven, een strandje, er zijn musea en een aantal restaurantjes met een theetuin. Voor de laatste kiezen we door de gezellige ligging aan de Eems. Zitjes onder de bomen, uitzicht over het groen, een super gezellige eigenaresse, die ons hartelijk te woord staat. We proberen de bubble thee uit, Jasmijn groene thee met vruchtensiroop met gelparels en laten ons verrassen. Broodjes Wiener worst als lunch. Het is een zaligheid. De drankjes zijn kleurrijk en de gelparels gaan door een dik rietje en bij de laatste slok stik je er bijna in. Ik wel tenminste, omdat ie met kracht de luchtpijp in vliegt.

We zitten er heerlijk. Een openbaring. De zussen wandelen nog over de sluis van 1725 en langs het museumgemaal terwijl ik in de buurt van de auto blijf.

Onderweg naar deze plek toe kwamen we nog langs een verdwenen dorpje Oterdum, waar alleen de grafzerken bovenop de oude begraafplaats er nog getuigen van zijn, maar dan enkele meters hoger, op de dijk. Kerk en boerderijen van het dorp werden opgeofferd aan de uitbreiding van de industrie en de zeewering moest op deltahoogte worden gebracht. In het beeld van de hand, dat er staat (oorspronkelijk van brons, maar weggekaapt en vervangen door een replica)werden kerk en dorp afgebeeld ter nagedachtenis. Ten offer gevallen aan de modernisering en vooruitgang, zoals zoveel tegenwoordig.

Daarna door naar Winschoten. We kwamen langs een stuk land dat volledig omzoomd was door een brede strook wilde bloemen. Wat heerlijk dat er nog steeds boeren zijn die op alle fronten mee willen participeren met het milieu en het teruglopen van de bijen. een luilekkerland temidden van de akkers voor deze noeste arbeiders.

Winschoten was niet wat we ons er van voorgesteld hadden. Er moet een historische fundatie zijn, maar die hadden we niet ontdekt doordat er kaarten gekocht moesten worden en een brievenbus gezocht, waardoor we door de zo eenvormige winkelstraten als in de meeste andere steden van Nederland moesten wandelen. Uit wiki blijkt dat de bijnaam voor Winschoten ‘Lutje Mokum’ was of klein Amsterdam, door de vele Joodse mensen die er woonden. De stad was ook bekend om zijn rozenkwekers rondom de stad en het Rosarium, dat we overigens ook hebben gemist. Winschoten wordt ook gepromoot als de ‘Roos in de Regio’ en we vrezen dat we aardig wat gemist hebben. Wie weet, komt er nog een herkansing.

We hadden in ieder geval geen puf om nog ergens te gaan borrelen en reden terug naar het huisje, en genoten daar van een borrel en van een hele lichte maaltijd en opnieuw werden herinneringen bijgeschreven. En daar gaat het maar om.

Overpeinzingen

Per slot van rekening

Met z’n vieren ontbijten is heel gezellig.Gekookt eitje, cruesli, kwark, brood, crackers, kaas, sandwichspread, jam, gekleurde muisjes en lekkere boter, maar gezond voor het hart, haha. We zijn alle vier al op leeftijd natuurlijk. Het gesprek kabbelt. Er rollen verschillende onderwerpen over tafel of, en dat kan ook natuurlijk, er heerst heerlijke ochtendstilte. We bespreken onder andere de plannen voor vandaag. Appingedam staat op de eerste plaats door de verwachte regen. Er is een voortdurende samenspraak met de drie verschillende buienradars die worden gebezigd. Regen, is de oer-Hollandse voorspelling in ieder geval. Waar en wanneer en hoe laat wil nog wel eens verschillen. Het ontbijt is in ieder geval binnen, want buiten staat een fris windje.

Daarna gaan de twee jongste zussen aan de wandel in rap tempo om de omgeving te verkennen en blijven wij tweeën thuis om op te ruimen, te douchen en verloopt de rest van het ochtendritueel in een soepele opeenvolging van jarenlange ervaring. Wij gaan al 11 jaar met elkaar één week per jaar weg.

Rond twaalven rijden we weg. Appingedam is zegge en schrijve zeven kilometer bij ons vandaan. Het is het stadje van de hangende keukens. Het is weer eens wat anders dan de hangende tuinen in de Ardennen. Deze bezienswaardigheid nodigt uit om de eeuwenoude huizen, de grachten, de gemoedelijke sfeer in de straatjes te bewonderen en vooral hier en daar een verscholen terras aan het water of een aanlokkelijke winkel te bezoeken. Het is opruiming dus dikke pret.

In een winkel passen we alle vier hetzelfde broekpak, de verkoopster speelt olijk mee en we constateren dat ieder figuur om een andere aanpak vraagt. Heerlijk om zo uitbundig en zorgeloos te kunnen lachen om zoiets kleins. Wat een goed idee, vond de verkoopster. Zij en haar zussen waren nog aan het bezinnen wat te doen om de band goed te houden. In dezelfde winkel spot ik mijn merk schoenen voor weinig. Buitenkansje.

We strijken neer voor de lunch en vluchten dan, na lang aarzelen, toch naar binnen als de eerste zware druppels naar beneden vielen en dat was maar goed ook, want tegen de wolkbreuk die volgde, zou zelfs de parasol niet voldoende beschermd hebben.

Als we langs het Museum Stad Appingedam lopen met drie prachtige grote rode beuken in haar tuin, bewonderen we kort de stijlkamers met haar bedstee en het kinderbedje, het zilver, de houtbewerkers werktuigen, waar mijn oom en opa zelf nog uitgebreid mee aan het werk waren geweest. Er is een gammel liftje naar boven, maar niet naar de zolder. Zuslief neemt foto’s van waar ik van verstoken blijf. Appingedam is naast Groningen de enige stad die nog uit de middeleeuwen stamt en die sfeer is hier goed op te pakken.

De snoepwinkel van ome Jan is daar ook een mooi voorbeeld van. Vermakelijk als er een Duits gezin drop aangeboden krijgt door de eigenaar, waarbij aan hun gezichten is af te lezen, dat ze het maar rare Hollanders vinden, als je van dit goedje houdt.Echte spekkies met krakende suiker erin, ulevellen, we zingen het liedje van jarig jetje nog even, duimdrop, meterdrop, karamel, zuurstokken en kaneelstokken, toverballen en Massee van aardappelzetmeel, alles staat in mooie transparante potten voor het kiezen, achter een ouderwetse toonbank in de even oude schappen.

Het winkeltje bestaat pas en de eigenaar Jan, een joviale goedlachse man, werkt met vrijwilligers. De opbrengst is voor het goede doel. De enige eis is dat de vrijwilligers Opa-of-Oma-waardig zijn. Ze mogen allemaal om de beurt een goed doel uitkiezen voor de jaaropbrengst. Wat een heerlijk initiatief.

We mijmeren nog wat na op de steiger en ontdekken dan pas dat de privétuin met steiger die bij het huisje hoort, er naast ligt. Haha. Zuslief en ik maken de lichte maaltijd.

Terwijl ik dit schrijf, staat er voor het raam een oude Meidoorn, die heel veel koolmeesjes herbergt. Ze vinkentouwen op de takken. Tak op, tak af. Het is bewolkt. Wandelen, stadje, natuur, het ligt allemaal nog in de pen. Eerst maar wachten tot we alle vier weer aan het ontbijt zitten. De tijd is aan ons per slot van rekening.