Uncategorized

Wij zijn erbij

We zien ze vliegen, Pluis en ik. In het stralende  zonlicht dwarrelen er, met het schudden van de boom door een niet aflatend windje, met regelmaat wat bladeren van de boom. En zoals het blad betaamt, wiegen ze zich op de aanhoudende vlagen naar beneden. Pluis denkt haar jachtinstinct groter en ziet vogels, ontelbare hoeveelheden vogels, langszij komen. Ze blijft met gespitste oren in de vensterbank zitten, waagt af en toe een sprong in een richting en mekkert haar vertrouwde onvermogen uit. Herfst sluit af en Winter zet in met groot vertoon. Straks, vandaag…morgen zal de boom een mooie boom zijn om de maan door te laten schijnen als de vermeende hoeven van Americo over de daken galopperen, kataklop, kataklop.

0191.jpg

Herfst voltooid haar onstuimige aanwezigheid nog steeds in een zee van zon en goud. Al drie keer heb ik samen met anderen verzucht dat we dankbaar waren voor de vier jaargetijden, die zich zo uitgesproken van elkaar manifesteren hier op dit bescheiden stukje van de aardkloot. Straks gaan we de verjaardag vieren van onze grote kleine man, vader van de kinderen, die kwistig helpt strooien met al die schoonheid, daar boven op zijn wolk. Troostende gedachte voor ons, achterblijvers. Hij maakt er zijn hoogst persoonlijke eigen feest van en wij mogen ten volle meegenieten.

016.jpg

Gisteren tijdens het oude Rockerfeest, oude bekenden, herinneringen,is er de gedachte aan die andere makker, zanger van onze band. Als we zijn, nee…onze liedjes horen, staan we bij tijd en wijle met de armen om elkaar en denken terug in weemoed, vers, nog te vers, ligt het tijdperk achter ons. We brullen de pijn weg in de teksten. Je moet schreeuwen om boven de decibellen te stijgen en we willen zo graag dat hij het hoort. ‘Ik kan het niet….Ik kan het niet alleen’ en ‘Iedereen is van de wereld’. Maar de wereld is allang niet meer van iedereen. Stiekem pinken we een traantje weg of slaat de weemoed toe. Ik zie de vreugde en ik zie het leed, ze liggen in groeven op de gezichten, ze zijn verstopt in de symbolen, de zwarte kleding, het panterprintje, de sieraden en het lange haar. Ze blijven haken achter het kostuum van jeugdigheid, dat menigeen heeft aangetrokken in edele overmoed. Zijn als toen, heel even maar.

Terug naar huis staat oom agent met een heel bataljon. Of ik even wil blazen. Ik biecht mijn wijntje op en blaas het onvermogen, het gebrek aan zuurstof. Het ging niet helemaal zoals het moest, maar ik kan zijn alarmerende bliepjes niet lezen. Hij is nieuw, maar niet piepjong. Denkt misschien aan zijn eigen moeder. Het antwoord verwaait in het gebrek aan blaaskracht. ‘Niet meer drinken dan, hoor’, geeft hij als advies. ‘Nee joh, ik ga naar huis, wil naar bed, ben zóóóó moe. Dag dag’, maar ik kreeg geen ‘wie is de bob’-sleutelhanger. Hij vertrouwde zijn eigen uitslag niet.

 

Ik lok Pluis naar beneden om even aan zijn eigen waakzame instincten te ontsnappen, laat hem de kou snuiven op balkon, ze zet de haren van haar vacht uit en wordt dan helemaal een Wollebol. Als ik haar weer binnen wil laten, rolt ze haar ongenoegen uit over de grond. Kom malle poes, tijd om aan de nieuwe dag te beginnen. Het gaat winteren en wij zijn er bij!

 

One thought on “Wij zijn erbij

Comments are closed.