Uncategorized

Dag, dag

De trap ligt als een vesting voor me en ik weet hoe haar te trotseren. Met dank aan de fysio van het Antonius en de ademhalingstechnieken. Het hoogste Duin ligt bij Zoutelande en deze zomer liggen daar ook de meeste toeristen, maar we hebben een slimme zet onder handbereik, als we haastig de hitte en de drukte ontvluchten door het dorp weer uit te rijden. We komen bij Valkenisse en de naam alleen al is voldoende om een gebalanceerd evenwicht te brengen. Met de kleine Valk ter gedachtenis beklimmen we de eerste treden. De zussen gaan vooruit, maar staan toch ook verdacht vaak stil. Ik ben niet anders gewend dan een aantal treden en rust, zo hijs ik me in een twee-minutenwals naar de hoogste top. De afdaling is de bekroning en het prachtige uitzicht over het goudgele strand met plukjes mensen in een gemoedelijke samenstelling. Er zijn parasols en ligstoelen te huur, vooral de eerste zijn een onmisbaar element met deze verzengende hitte, ook al is het al vier uur. Wat een heerlijkheid.

De enorme, zeewaardige slagschepen stomen op, naar de andere kant van de einder, Rotterdam? Engeland? Als balletmeisjes glijden ze landingslicht over het water in gezwinde snelheid. De Zeeuwse kust scherpt in antwoord erop haar tanden. Alle golven op de, verder zo bedaarde zee, vangen ze in hun fuiken om het aanrollende water een halt toe te roepen.  De dijk waait binnen.  ‘Als het golft, dan golft het goed, niet te stuiten, niet te sturen…’  Deze eenzame oneliners spatten onder protest kreunend uiteen tegen de houten golfbrekers en hebben geen ander verweer.

Bovenaan de trap gaat Mats me voorbij op de terugweg. Hij is aan het tellen. Ik val in een openingstreffer. ‘Wat kan jij al goed tellen’. Twee glunderende ogen in een blond koppie. Hij vertelt trots dat er 900 treden zijn. ‘ Zo, dat zijn er net zo veel als de Dom en dat is de hoogste toren van Utrecht. En jij kan dus tot 900 tellen. Wat knap!’  Want met zijn drie turven hoog, schat ik hem op 5 a 6 jaar. Vader lacht, heimelijke trots achter zijn blik verborgen.

Twee mannen met glimmende bruine buiken lopen langs ons heen de trap af en volgen een deel van het gesprek. Een van hen vertelt over een queeste naar de Domkerk. Ze vonden het niet. Hoe hoger ze kwamen in de toren hoe minder kerk. Haha, op zoek naar een luchtschip. Ze waren er dichtbij, vertelde ik hen, en meer dan dat zou het nooit worden. Het dwarsschip was in het luchtledige opgegaan tijdens natuurgeweld in de 17e eeuw. Dom en haar kerk gescheiden voor de eeuwigheid. De mannen lieten het dwarsschip voor wat het was en vonden ten leste, de Domkerk zelf, door het Domplein over te steken. Nu overbrugden Mats en de mannen samen met mij de hoogste duinenrij van Nederland in die wetenschap in een ‘en passante’ conversatie. Hoog, hoger, hoogst. Mats groeide gedurende de tocht drie meter, want hij was uitgebreid en met veel armzwaai aan het vertellen. Ik stelde hem mijn zussen voor en gemoedelijk zette hij een hernieuwde boom met een van hen op. Bij het starten van de auto zwaaide een armpje op de achterbank, mijn bruine zomerarm zwaaide uit het raam hoog boven de auto terug. Tot aan de rotonde bleven ze achter ons rijden. ‘Doe de groetjes,’ had ik nog geroepen. ‘Ja aan mijn moeder’, schetterde hij. ‘Geef haar een dikke zoenepoen,…’ ‘Zal ik doen’.  ‘Dag lieve Mats.’ ‘Dag, dag.’