Overpeinzingen

Avontuur genoeg

Het is kinderboekenweek. Het thema is ‘Vol Avontuur’. Tijdens dit soort hoogtepunten van het jaar vind ik het altijd jammer om geen groep te hebben. Zo’n thema maakt het dubbel uitdagend om aan de slag te gaan. Bij Jaapleest.nl wordt het boek Oskar en ik van Maria Parr aangeprezen, als bewijs dat er heel veel avontuur in en rondom het huis te vinden is. Het doet me denken aan de tijd dat we op kamp gingen. Doorgaans in de maand september. Daarbij werd steevast het projectverhaal gespeeld en verder uitgediept door ons en de ouders. Dat was op zich al spannend genoeg.

Er waren perioden met heel veel toeters en bellen om een decor te maken, maar er was ook een tijd dat we het bos zelf als decor gebruikten en dan blijkt dat je, heel simpel, met één bomenlaantje al een heel spannend avontuur kan beleven, door bij iedere derde boom of zo een opdracht te geven, of iets kleins te laten gebeuren. Tijdens de tocht werden we altijd weer geboeid door de kinderen zelf die vol vuur met het verhaal aan de haal gingen en er hun eigen grote avontuur van maakten. Voor ieder verschillend, afhankelijk van het inlevingsvermogen.

Het allerleukste is natuurlijk om je eigen avontuur te verzinnen. Wat vind jij spannend, hoe zie je dat voor je, wie kom je tegen, hoe loopt dat af. Kinderen zijn er meester in en hoe jonger hoe onbevangener. De wereld kan niet vol genoeg zitten met die plotselinge wendingen en verhalen op je pad.

In deze tijd mis ik natuurlijk ook mijn werk van nog niet zo lang geleden. Het recenseren van jeugdboeken voor het blad Mensenkinderen. Met ons redactieteam heerlijk brainstormen over de nieuwe items, boeken die over het thema gaan, alles wat niet gemist mag worden. Gelukkig zijn mijn kinderen volop met de kleinkinderen in de weer met boeken en kan ik af en toe uitpakken met een van die ‘klassiekers’ zoals het nieuwste boek ‘Krekel’ van Annet Schaap, die je als aanvulling met een gerust hart kan aanschaffen net als haar eerste boek ‘Lampje’. Een en al avontuur, deze nieuwbakken klassiekers.

Hier op de Hof hebben we zo onze eigen avonturen. Gisteren tijdens de brunch liep er een kleine Heidewitvlakvlinder over de tafel. Dat heb ik, met een foto erbij, natuurlijk opgezocht. Het was zo grappig om het beestje zijn acrobatische toeren te zien verrichten terwijl hij alle voorwerpen aan het verkennen was. Een afbeelding van het beestje liet een vrij stoere nachtuil zien met een kop vol ‘manen’ in dezelfde bruine kleur als de leeuw. Indrukwekkend. Ook als rups met al zijn wolligheid.

Lief was de bollen in de grond aan het stoppen en ondertussen droomden we het voorjaar in de Hof bij elkaar. Een waterval aan boshyacinthen, anemonen, irissen, Siberische tulpen, sneeuwklokjes die zich natuurlijk als een kleed van tere vrolijkheid zou uitspreiden. En met hun komst de Flower Fairies van Cicely Mary Barker. Dat kan niet anders.

Uit de grond die klaargemaakt werd voor de bollen kwam het oude puin naar boven, die de slopers van de grote paardenstallen overal hadden achtergelaten toen Lief het huis pas in zijn bezit had. Enorme bakkeien en stapstenen. Opnieuw een stukje geschiedenis dat was gaan leven in zijn hoofd. Zo is immers de hele Hof ontstaan, door het puin stukje bij beetje eigenhandig op te graven en te hergebruiken waar mogelijk om daarna een boom te kunnen planten en voort te borduren op de kleine verwaarloosde boomgaard die er lag.

De snel in elkaar geflanste bladerdeeg-appel/vijg baksels bij de thee maakten luilekkerland op de veranda van de Datsja met uitzicht op de bosnimf en haar zonnige bos. Terwijl ik terugliep naar huis pakte de hemel zich in donkere grijsblauw tinten samen. Avontuur genoeg.

Overpeinzingen

Mijn dagelijkse voeding

Een van de schrijfingangen van een tijdje terug had als thema: ‘Waar je geen genoeg van krijgt’. Er stonden wat voorbeelden bij van allerhande snoepgoed, gekke luchtjes, bezigheden. Vooraf laat ik er mijn gedachten op los. Chocola met advocaat kwam voorbij, patat met veel mayonaise, patchouli, de kinderen op school, mijn eigen schatjes, mijn grote liefde. Maar dat was niet wat ik zocht. De chocoladerepen en de patat waren een bevlieging en van voorbijgaande aard, de andere elementen had ik allang in mijn hart gesloten. Nee, er was iets wat er met kop en schouders boven uitstak. Bij de eerste aanslag op de Ipad, gingen de vingers los. Dit was het resultaat.

Taal, taal in al haar vormen. Geschreven, gesproken, gedrukt, gedacht. Gedicht, verhaald, gezongen, getekend, uitgebeeld, voorgelezen, voorgedragen. Taal in haar meest intense aanwezigheid. Een lettervreter, een woordenhapper, als er maar wat te lezen valt. Boeken, tijdschriften, artikelen, internetnieuwtjes, luisteren naar kritische stukken en schrijven, mijn hele ziel en zaligheid uitschrijven voor wie het lezen wil. Dit hier bijvoorbeeld. Voor de kinderen, voor later en voor mezelf, voor nu, om nog beter te leren verwoorden wat ik voel, om beter te leren schrijven, om het hoofd vol gedachten en ideeën leeg te maken. 

Het is het hoogste goed om te kunnen communiceren, te verbinden. Dat idee heeft zich vooral ontwikkeld toen ik op de afdeling Neurologie werkte in het Academisch ziekenhuis in Leiden. Daar lagen mensen na een hersenbloeding, waaraan sommige een afasie over hadden gehouden. Weten wat je wilt zeggen en het met geen mogelijkheid meer duidelijk weten te maken is een van die aandoeningen die als een gruwel zijn. Woorden die opgesloten blijven zitten in je brein. Hoe je ook probeert ze eruit te gooien. Ze komen eruit als ‘ruhderuhderuh’, zuchten, met grote ogen blijven kijken omdat de ander niet weet wat je bedoelt. Zo machteloos, zo opgesloten, zo naar. Zelfs woorden op papier willen niet lukken. De slagbomen zijn dicht en gaan óf helemaal nooit meer open óf moeizaam op een kier door veel te oefenen. 

Ik schrijf misschien dan ook wel om, als ik dat niet meer kan, toch nog iets te hebben waaraan te refereren valt. Hier ben ik ten voeten uit. Lees mij maar. 

Al van jongs af aan ben ik met taal bezig geweest. Gedichten voordragen op de Ulo, opstellen schrijven, aan de schoolkrant verbonden zijn, verhaaltjes verzinnen in een schriftje, dagboeken vol pennen, boeken verslinden, later Nederlands MO-A en genieten van het middeleeuws en het zeventiende eeuws, de boekdrukkunst, de naturalisten, nog veel meer gedichten. Ostaije, Slauerhof, Achterberg, Kinderboeken en jeugdliteratuur, verslonden heb ik het.

De verhalen tijdens de projecten op school schreef ik uit, of verzon ik samen met mijn lieve collega’s of helemaal zelf, niet voor niets was ‘Het Verhalend Ontwerp’ me zo op het lijf geschreven. Later verhalen maken en voorlezen per video voor de kleinkinderen tijdens de corona-periode en het recenseren van jeugdliteratuur voor het blad Mensenkinderen. Tussendoor de tekendagboeken waar ook handgeschreven een stukje van de dag wordt uitgelicht. Nu het voorlezen aan elkaar en discussiëren over de verschillende onderwerpen, de biografie-club, de boekenbabbel. Handen en voeten proberen te geven aan gedachten middels de mijmeringen en nu deze cursus. Het is een voorrecht om er mee behept te zijn, want taal in haar essentie is mijn dagelijkse voeding.

Overpeinzingen

Het blijft altijd afwachten

Het tuincentrum heet ‘Oázis’. Wat scherts mijn verbazing dat mijn oog door het linker portierraam onmiddellijk valt op de vlinder die daar de bloeiende witte lavendel bezoekt. Een opvallende soort, maar ook nog eens een betamelijk groot exemplaar, de kolibrivlinder. Uitgebreid gaat haar lange roltong tijdens het foerageren in elke kelk die ze ziet, zelfs als ik heel dichtbij kom, blijft ze wapperen met de vleugels. Dankbaar maak ik gebruik van deze gelegenheid om haar op de foto te zetten.

Hier is het een oase aan bloemen en planten. Voor buiten zijn de herfstasters, de violen en de heidesoorten in grote getale aanwezig, van de laatste komen er drie in de kar voor de heidetuin. De bomen laten we voor nu links liggen. We willen naar de bollen. Het blijft dwalen, zelfs hier in dit tuincentrum dat nauwelijks eenderde groot is vergeleken met de tuincentra in Nederland. Er is een afdeling rimram, vinden wij dan, protserige paddestoelen, plastic elven en kabouters, grote kikkers van beton, polyamide bladslingers, een grote pauw, buddhabeelden en beeldjes, nepvogeltjes, halloweenversieringen compleet met spinrag en plastic pompoenen en ga zo maar door.

De bollen liggen in een schap verderop. De enorme tulpen en narcissen exemplaren vooraan, maar als we verder zoeken komen de scilla, de sneeuwklokjes, de kievietsbloemen, de boshyacinthen, de anemonen en de irissen tevoorschijn en springen in ons karretje. Een grote zak gemengd bloemenzaad voor de voedselhof en een mengsel voor de bloementuin. Lief tikt nog een solide bladhark op de kop en na een vriendelijke caissière laden we alles tevreden in Agaath. Mooie foto’s, en mooie vooruitzichten rijker.

Het boek ‘De Narcis’ van Judith Fanto bevalt goed. Dat wil zeggen, ik lees iedere avond een of twee hoofdstukken voor. We zijn getroffen door haar prachtige manier van schrijven, erg op het detail, humoristisch en met kennis van een heleboel onderwerpen en historische feiten. De kern van het verhaal wordt, naarmate we in het boek vorderen, steeds aangrijpender. De eerste barstjes in de vriendschappen ontstaan al, maar op een hele subtiele wijze. Tijdens dat ene sfeervolle uurtje in de vroege avond zitten we allebei volledig in het verhaal en leven met de vriendengroep mee. Het voorlezen is inmiddels een meerwaarde geworden.

Lief is nu in de ochtend de landjes in orde aan het maken, hij noemt ze de ladang, zoals er vaker eigen namen komen voor hele delen van de tuin. Het filosofenpad loopt in een keer van voor naar achter in het bos en nu de bomen hun blad verliezen kan je zelfs nog verder naar achteren toe kijken. Al mijmerend over alles wandel je er overheen, langs wat objecten die de natuur zelf kunstig heeft opgeworpen met hier en daar een object door Lief toegevoegd. Oude houten Afrikaanse beelden bijvoorbeeld op of aan een stam. Met straks dan sneeuwklokjes en boshyacinthen onder het uitbottende groen. Daar droom ik graag over, al dan niet wandelend. We gaan eens even een paar geschikte ladangs uitzoeken. En dan maar hopen dat het aanslaat. Het blijft altijd afwachten.

Overpeinzingen

Ook dat maakt de wereld een stukje mooier

Het wordt toch een echte herfstweek. Gisteren zag ik de buurvrouw al houtblokken uit de stapel naast het huis trekken. Er is een toom ganzen neergestreken in de tuin van de buurman, of heeft hij ze gekocht. Ze snateren zich door het gras. Dat hadden we nog niet eerder gezien.

We gaan naar het tuincentrum in Pécs om bollen te kopen. Lief heeft een aantal perken of grondjes vrijgemaakt, dus ze kunnen er zo in. Een aantal bollen bij het beeld op de Olympus en de rest in de drie grondjes op de citadel. We gaan voor de stinzenplanten, de boshyacinthen en de sneeuwklokjes en kopen zaden van inheemse planten die nu in het najaar te zaaien zijn, waaronder de daslook, het vergeet-me-nietje, het grasklokje, de zonnehoed, de klaproos en de papaver.

Via de proeftuin van Anke Riesenkamp, omdat we toch altijd naar nieuwe inspiratie en andere proeftuinen of voedselbossen speuren, kom ik terecht bij de Dorodango, het zijn modderballetjes, die gedraaid worden van grof gezeefde grond die daarna met fijn gezeefd zand glanzend worden gemaakt. Ik zocht er naar, omdat ik aanvankelijk dacht dat het zaadballen waren, maar dat is het dus niet. Het is een Japanse kunstvorm en het uitgangspunt spreekt me aan, want het was in Japan een bezigheid voor kleine kinderen op school.

Professor Fumio Kayo bezocht een ‘nurseryschool’ in Kyoto in 1990, waar kinderen en zelfs leraren deze ballen van klei aan het maken waren. In een notendop leer je een flinke dosis geduld te hebben, je doorzettingsvermogen te sterken en te leren van je fouten. Mooie eigenschappen voor kinderen om zich eigen te maken. De techniek door Kayo geïntroduceerd bij groter publiek, viel in de smaak en werd vervolmaakt tot een kunstvorm ‘Hikaru Dorodango’, door de kleiballen na het uitharden met verfijnd zand te polijsten.

Kleien in de lek, de vlasbek, de abutilon en de toom ganzen

Geen zaadballetjes dus, wel mooie objecten. Het lijkt me enig, omdat eens uit te proberen met een hele groep kinderen. Een aantal jaren geleden waren vriendinlief en ik aan het spelen met rivierklei in de uiterwaarden van de Lek. Het was een heerlijke bezigheid. Er stond een harde wind, er was voortdurende beweging in het water. Onze haren wapperden in ons gezicht, alles was zon, wind, wolken en water. Klei uit de rivier opgediept en boetseren maar. Soms ronde vormen, soms om het even wat het worden zou, het gaf zo veel voldoening om letterlijk een met de natuur te zijn. Het is een prachtige herinnering en heeft natuurlijk ook niets met zaadballetjes te maken en heel in de verte misschien iets met de Dorodango.

Met dat in mijn achterhoofd, één zijn met de natuur, gaan we naar dat grote tuincentrum aan de rand van de stad en zullen eens kijken of ze ook die inheemse soorten hebben, waarmee wij zo graag onze andere inheemse kruiden en planten, die nu vanzelf opkomen in de voedselhof, aan te zouden willen vullen en uitbreiden.

Een leuk alternatief voor de vindstenen en vindschelpen die je als vriendelijke groet achterlaat voor wie het maar vindt, zijn de zelfgemaakte zaadbommetjes, die je overal waar maar grond te vinden is, kunt lanceren. Bloemenvelden toveren, hoe leuk is dat. Ook dat maakt de wereld een stukje mooier

Overpeinzingen

Ik teken ervoor

Gisteren was het een dag van de bijzondere ontmoetingen. Ik liep naar de Utvar om de crackerkruimels uit de broodtrommel voor de mussen te strooien, toen ik nog net op tijd een juveniel slangetje weg zag glijden. We waren verheugd. Na onze vondst van vader of moeder slang in de caravan van ruim een meter twee jaar geleden en de grote esculaapslang in het bos had ik ze niet meer gezien. Dit was een teken aan de wand dat er veel meer zullen zijn en dat de Hof nog altijd garant staat voor een zeer divers leven.

Na de brunch was het atelier aan de beurt. Ik liep het pad af en het trapje op en daar zag ik een keutel op de mat liggen. Een hard en langwerpig drolletje. Peinzend haalde ik de stoelkussens en de schapenvachten te voorschijn en vestigde me op de veranda in de grote witte rotan stoelen om eens te bekijken wie er dit keer bij wijze van spreke ‘Op mijn kop gepoept had’. (ken Uw klassiekers).

Peinzend keek ik af en toe op om eens goed na te denken over vorm, consistentie en kleur, toen er plotseling een roofvogel op ooghoogte voor de bomenrij tegenover de veranda wegvloog, zo op het eerste gezicht qua kleur een buizerd. Zo dichtbij, ik had hem bijna kunnen aanraken of hij mij. We hebben er al langer een in de bomen op de Hof gezien, maar hij is ons telkens te snel af voor een foto. Heel bijzonder, want zo dichtbij zag ik hem nooit.

Bij een wandeling naar het achterbos kwamen we nog twee keer van dergelijke keutels tegen. Bij de thee analyseerden we dat het waarschijnlijk van een egel zou kunnen zijn, al dacht ik eerst dat het niet mogelijk was vanwege het trappetje dat hij dan had moeten beklimmen. Het blijkt dat ze over een groot territorium beschikken en heel goed kunnen klimmen. Dan zou het kunnen. Drie leuke ontdekkingen tilt de dag een eindje op.

De opdracht voor vandaag zorgde ervoor dat ik in de wereld van de Bumperstickers werd gezogen. Nooit, maar echt nooit, zelfs het woord zelf niet, is iets dergelijks in mijn gedachten komen rondzingen. Ik las even daarna de column van Lidewij Edelkoort. ‘the Future is Handmade’. Ze schrijft over Birgitta de Vos. Zij is een vriendin en een creatief talent die uitgroeide tot een succesvol en vernieuwend ondernemer met een reeks voortdurende successen. Dat zorgde na 15 jaar ervoor, dat ze zich afkeerde van de marketing. Ze stapte er uit en ging sabbatical waarmee ze gehoor gaf aan haar innerlijke zelf. Ze ging terug naar minimalisme en natuurlijke stoffen en besloot te kiezen voor het leven en de liefde en de vrijheid om te gaan waar de wind haar naar toe zou voeren. Ze maakte fotografische reizen naar India en Afrika, die gebundeld werden tot een boek: ‘Out of Fashion/The New Fashion en ging ‘handgemaakte iconische boeken maken.’ Er volgden meer publicaties. All InNothing/Nothing In All is haar meest radicale boek tot nu toe, dat draait om principes met het oog op minder doen om meer te worden – een pelgrimstocht waarbij papier het conceptuele materiaal van expressie wordt’.

Dat zou een mooie bumpersticker zijn: ‘Minder doen om meer te worden‘.

Ik teken ervoor.

Overpeinzingen

Lieflijk als de nachtegaal

‘Er kan er maar één de liefste zijn.’ Dat zeiden ze vroeger altijd. Met elf kinderen thuis begreep ik de uitspraak maar snappen deed ik het niet. Mijn vader had duidelijke lievelingetjes en daar hoorde ik niet bij. Of was hij altijd zo boos omdat we juist de lievelingetjes waren en hij wilde dat we het goed deden. Ik weet het niet. Wat wel zeker is: Van mensen heb ik teveel lievelingetjes en om met Annie. M. G. Schmidt te spreken, die zijn me allen even lief. (uit: De zeven beren van mijn vader’).

Nee, in eerste instantie gingen mijn gedachten uit naar de poezenelletjes die we hebben gehad. Coco, Vledder en Nemo samen, en Pluis, die allerliefste Pluis. Maar daar wilde ik het niet over hebben, want er is nog iets waardoor er een grote vreugde door mijn aderen stroomde en dat was het geluid van een nietig bruin vogeltje. 

Jaren geleden hoorde ik het voor het eerst, of misschien werd ik er toen pas opmerkelijk op gemaakt. Het was een heerlijke zonnige zinderende ochtend. Ik zat met een kop oploskoffie op de hoogste tree van het trappetje naar ons logeerverblijf, de kelder van de grote verbouwde zijdefabriek in Ambroix, een riant verblijf met pigeonnier, waar vriendin woonde en doorgaans in de kamers en het terras boven vertoefde. Als ik op dat plekje zat, keek ik uit op de zonnige gele tegels en de enorme tuin, een landgoed eigenlijk, naast de rivier. Van over de rivier, waar nog meer bossen glooiden tegen de heuvels, klonk het gezang van een vogel. ‘Het is de nachtegaal’ wist vriend. ‘In het Frans ‘Le Rossignol’. Beide woorden dekten de lading, want ze klonken in mijn oren zo melodieus als die wonderschone zang zelf, mooier nog dan de merel of de lijster. Ieder jaar dat we een week daar naar toe gingen, wachtte ik op de eerste tonen ervan en nooit werd ik teleurgesteld. 

Toen ik met mijn lief jaren later voor het eerst de Hof in Hongarije bezocht en hij me trots de Datsja toonde, waar ik mijn atelier kon maken, was ik in de wolken. We toverden het alras om tot een sfeervolle en fijne plek, sleepten twee oude rieten stoelen naar de veranda en zochten er een schapevelletje bij die ook op zolder had gelegen. Ik had uitzicht op ons bos.  Daar zat ik te werken met het raam open, toen ik plotsklaps een wonderschoon gezang hoorde, vlak boven mijn hoofd. Het waren de nachtegalen. Niet één, maar meer. Een van hen begon met zingen en de anderen gaven antwoord. Hun klanken waren buigzaam als de halmen van het wuivende riet op het achterland. Ze zongen van ‘s morgens heel vroeg tot in de middag, dan werd het stil en om vier uur begon het concert weer tot in de avond. Zo adembenemend prachtig, dat ik niet anders kon doen dan zitten en luisteren naar die kleine bruine vogeltjes, waar ik af en toe een glimp van op mocht vangen in die boom boven ons hoofd.

En bijna elk jaar zijn ze er weer en jubelen hun blijdschap om het weerzien en klinken ze ons verlangen in, om, als we niet hier zijn, te wensen dat we daar waren. Niets is zo lieflijk als de nachtegaal

Overpeinzingen

De vervoering van de kinderen

Ik las net in de boekenrubriek van het NRC dat Thomas de Veen zich afvraagt hoe we de verbitterde geest weer in de fles kunnen krijgen. Stel je voor dat er een Aladin is die dat voor je kan bewerkstelligen. Na het debat van gisteren zou ik er onmiddellijk gebruik van maken. Niet de geest in de fles, maar alle demonen van het kwaad graag en anders nemen we de Hasselbramen uit het Hasselbramenbos van Pluk en onze befaamde Annie M.G. Schmidt, zodat iedereen weer gaat touwtje springen, tollen, steppen, flierefluiten, kaatseballen, krijgertje spelen of bokkie Pié met z’n allen, zodat ze alles wat kwalijk is, vergeten zijn. Dromen van vergetelheid helpen een beetje, maar als ik dan in de ochtend wat dingen lees, zakt me de moed nog meer in de schoenen.

De Datsja, geen Hasselbraam te vinden.

Klein berichtje. Hans Rijkhof, oud-eigenaar van drogisterij Woortman op de Neude, is afgelopen vrijdag overleden. Voor Utrechters was hij een begrip. We zijn er allemaal wel eens aan de hand van vader of moeder binnengelopen, om kamfer te halen of talkpoeder, uierzalf of haarlemmerolie. Hij stond ruim vijftig jaar lang in zijn witte jas in de winkel. Aan het interieur was al die tijd niets veranderd. De tijd had er stil gestaan. Toen hij vorig jaar ziek werd, was er niemand die de iconische drogisterij zou overnemen en na 174 jaar sloot de winkeldeur zich voorgoed en daarmee ook een hoofdstuk uit het verleden.

De bioclub kwam vanmorgen bij elkaar. We hebben afgesproken om niet meer te gaan zoomen. Het is niet goed verstaanbaar en ook te onrustig, omdat een gesprek opgang komt waaraan het moeilijk deelnemen is. Wel heb ik een brief gestuurd met mijn bevindingen, waarbij ik aangaf vooral in het boek te missen hoe de dames het voor elkaar kregen om én een gezin te hebben, kinderen te krijgen, Elizabeth Anscombe had er zeven, les te geven, te blijven studeren en filosie-lezingen te houden, boeken te schrijven en nachten door te halen. Daarnaast verzette ze bergen werken voor de filosoof Wittgenstein. Hoe dan, vroeg ik me af.

Toen ik twee dochters had en zwanger was van de tweeling zat ik in het laatste jaar van MOA Nederlands. Ik studeerde ‘s nachts en het gebeurde meer dan eens dat ik dan de tijd vergat en in de vroege ochtend nog snel een hazenslaapje kon doen alvorens het gewone leven weer een wending nam. Maar bij deze vrouwen was de keuze voor het leven.

Ik hoor het de volgende keer. De biografie die nu uitgekozen werd, is die van De Machineman, de tijden van Eise Eisinga door Sandra Langereis. Eise was een amateur astronoom en bouwer van het planetarium in Franeker, dat in 2023 aan de Unesco-Werelderfgoedlijst werd toegevoegd. Geen lichte kost stel ik me zo voor. Wel weer leuk om te bezoeken. Het komt op de lijst.

Met de beide dochters hebben we viltpakketten aangeschaft. In November gaan we een weekend naar Staphorst en dan zorgen we altijd voor wat huisnijverheid, zo heb ik ze voor twee jaar terug leren etsen in tetra en wordt het nu wolvilten. Ik koos voor een muisje, zodat Piep gezelschap heeft onderweg, als ik en route ben.

Op FB zie ik een filmpje van mijn lieve vriendin in zinnige zaken, waarin de 84 jarige Tamahara Nagata uit Tokyo te zien is. Hij is een verhalenverteller en hij heeft een concept bedacht om eerst met twee kleppende houtstaven door het buurtje te wandelen om vervolgens, als de rattenvanger van Hamelen kinderen uit de buurt op zich toe te zien snellen, die hij allemaal voorziet van een zelf samengestelde lollie waarop de voorstelling kan beginnen. Een verhalenverteller met op zijn kar een Kamishibai. Het is te vinden op Street Storytellers[Kamishibai} op YouTube. De kinderen kijken ademloos toe. Prachtig om te zien en dan in het bijzonder de vervoering van de kinderen.

Overpeinzingen

Wat een luxe

Door een van mijn inspiratiebronnen vond ik uit dat je tortilla-wraps ook kon frituren. Bakken wist ik wel en enchilada kende ik ook, maar aan frituren had ik nooit gedacht en zou ik ook niet verzinnen als ik het niet had gezien. Ook leuk voor het voorjaar. Gefrituurde vlierbloesem. Leuk om te weten, al die nouveauté’s. Ik krijg bijna weer zin in een periode zoals de 80 dagen om de wereld in gerechten, of een ‘Dwars-door-de-koelkast’-cyclus.

Maar gisteren maakte ik een lekker prutje bonen en bakte de overgebleven drie wraps een voor een in een laagje olie. Wat een grappig proces is dat. Net als de Indiase Chapati zwellen ze op. Als de olie goed op temperatuur is krijgen ze binnen een paar seconde een fantastische bruine kleur. Knapperig en heerlijk was onze unanieme mening. Daar gaan we meer mee doen.

Dochterlief aan de lijn. Ze zitten een week in de caravan op een camping in de buurt van Amelisweerd en vieren nog even het leven. De kinderen gaan wel gewoon naar school en zij naar hun werk, maar daar tussenin is het ineens weer een beetje vakantie. Na deze week gaat het schatje de winterstalling in om er pas volgend voorjaar weer uit te komen. Sinds ze 7 maanden en route zijn geweest, missen ze dat leven samen op die paar kleine meters. Je raakt zo op elkaar ingesteld. In huis kan je je wel eens verliezen.

Ondertussen denk ik na over het vervolg als zoonlief en schone dochter iets gevonden hebben om te kunnen wonen. Ik ben er de helft van het jaar niet, maar wil toch een eigen stek. Niet te groot en ruim genoeg voor ons tweeën. Een klein huisje in de natuur is onze grootste, waarschijnlijk, onvervulbare wens, denken wij al op voorhand. Een en ander moet financieel natuurlijk wel op te brengen zijn, ook in je eentje. Daar zijn we realistisch genoeg in. Een mooi en betaalbaar appartement zou zeker kunnen lukken. Ik gooi hier vast een balletje op. Je weet nooit hoe een koe een haas vangt.

Ik zit in de keuken op mijn vertrouwde plekje bij het raam. De was draait. Buiten sluipt de herfst op rasse schreden naderbij, al hadden ze ons eerst nog twee weken warmte beloofd. Die voorspellingen zijn verdwenen als sneeuw voor de zon. Als de bladeren gaan vallen gaat het hard. Boven de druif torenen de fluweelbomen met hun grote prachtige parasol vol in de vlammende herfsttinten. Je zou er mee willen verven, maar het sap kan bij mensen met een cashew-allergie een reactie veroorzaken.

Met het voorlezen van iedere avond gaan we gewoon door. Ik vind het heerlijk om te doen en Lief luistert bedachtzaam. Bovendien gaat het boek nog veel meer tot de verbeelding spreken. We lezen het boek Narcis van Judith Fanto. We dwalen met de hoofdpersoon mee door het huis van zijn benepen tante en leren een deel van Wenen van dichtbij kennen, zien de kroeg op de hoek, de Paulanerkerk en haar verval, de engelenbron, de lantaarns en alles wat tot in detail humoristisch en helder beschreven wordt. Een heerlijk boek tot zoverre. Wenen staat op het verlanglijstje. Misschien wel met dit boek in de hand.

Het hotel in Regensburg is geboekt. Nog drie weken en dan zien we ze allemaal tegelijk. Wat een luxe.

Overpeinzingen

Wij vermaken ons wel

Dankzij de schrijfingang van vanmorgen was ik even terug op de De Kerstavond van Mevrouw Klein Sprokkelhorst, een avond vol kunst en cultuur, die precies tien jaar in December vaste prik was in de stad IJsselstein. Ik denk dat ik er een aantal keren bij was, zo niet allemaal. Mijn aandeel was verhalenverteller in de meest uitgebreide zin van het woord. Niet zelden met een Kamishibai, waarbij de platen ter ondersteuning waren van de vertelling en de aankleding een uitdaging was om het zo sfeervol mogelijk te maken. Vaak in de huiskamer van mensen, waar dan plaatsen werden gecreëerd voor zo’n 10 tot 15 toehoorders.

Ik ben de verteller geweest van ‘Het geheim van de keel van de Chinese Nachtegaal’ in een depot van het plaatselijke museum, van ‘Krokodil en het Meesterwerk’ in het atelier van een kunstschilder, van het verhaal van ‘De Vos en de kleine Prins’, samen met een lieve collega en met haar een jaar later ook ‘Het Poppenhuis’ naar het poppenhuis van het museum Utrecht met Kamishibai en getekende figuren uit het verhaal op stokken in de poppenhuiswinkel en verkleed als de hoofdrolspelers uit het boek en twee jaar ‘Kikker en zijn vriendjes’ met een andere collega met handpoppen en de Kamishibai.

De rollen hadden we vaak zelf uitgekozen, de uitwerking samen bedacht. Het was kleinschalig en het werd door de huiskamers een knus en betrokken samenzijn met publiek dat zo dichtbij zat, dat ze helemaal konden opgaan in het verhaal en wij niet minder. Vaak vertelden we zeven tot tien keer op die avond en aan het eind was je compleet leeg maar zo gelukkig.

Na die tien jaar is de commissie andere manieren gaan verzinnen, die ook feestelijk of verrassend zijn geweest, maar wat de intieme sfeer van die kerstavonden, wat mij betreft, niet geheel en al heeft kunnen evenaren. Het toneelspelen bleef. Een soort midden tussen straattheater en een typetje. Ik merkte wel dat de jaren parten gingen spelen en op een gegeven moment heb ik het afgebouwd. Nieuw elan geeft nieuwe inspiratie.

Het zijn de herinneringen die af en toe boven komen drijven. Die me terugbrengen naar die glorietijden van weleer. School, de band, toneel, theater.

Met een brede glimlach denk ik eraan terug en aan ons eigen theater hier. Waar onze toehoorders de vlinders, de wespen, de bijen, de spinnen, de sprinkhanen, de hagedissen zijn en soms de reeën of een vos. Het stuk voltrekt zich zonder woorden met als muziek zinderende warmte of de wiegende wind. Pantomime op hoog niveau. ‘Tadaaa, hier zijn voor U de veldbloemen uit het duinriet verrezen, zorgvuldig ontward uit heggerank en braam, zij spelen voor U de voorstelling ‘Het voedselbos’ en geven ruim baan aan de nietigheid om ze in volle glorie te bejubelen. Hier zijn voor U; De Distel in al haar pracht, de Wilde Cichorei, de Veldsalie, het Boerenwormkruid, de Wilde Peen, het Grote Blaasjeskruid, de Wilde Malve, het Vlasbekje, en daar, hangend aan hun takken de Kardinaalmuts, de tweekleurige Hibiscus, de Vlierbes met in hun kielzog twee Olijfboompjes, vijf Walnoten en de grote Es. Zegt het voort’. Er is genoeg te doen. Wij vermaken ons wel.

Overpeinzingen

Een vredig tafereeltje

Wantsen vliegen rond snorrend als kleine drones, op zoek naar een plek om te overwinteren. Maar in huis is het niet goed voor jullie gekkies, daar drogen jullie uit. Ze luisteren nooit en blijven een weg naar binnen zoeken.

Een kop thee in de zon, die kleur brengt me altijd weer in vervoering. Lief plukt vijgen van de boom voor in zijn ontbijt. Vijgen, Cruesli en Griekse Joghurt. De vijgen zijn op z’n mooist. De boom is nog steeds afgeladen vol.

Ik droom een vreemde droom in mijn ochtendhazeslaap, over theater, optredens en nichtlief, we omhelzen elkaar, zo fijn en dan word ik bruusk gewekt door stemverheffing. Het klinkt als ouderwets kijven of zijn het de klanken. Maar er zit boosheid in de stem. Kijvende buurvrouwen, dat is lang geleden. Een aantal jaar terug hadden we een stel beneden wonen, die altijd vrolijk aan de avond begonnen, te veel dronken en dan begonnen met kijven, net zo lang tot de huisraad door de een of de ander naar buiten werd gegooid. Ze zijn uit huis gezet. Het was een onrustige tijd, vooral voor de mensen die er vlak boven woonden. Half vijf was ik klaar wakker. Vandaar na het dagelijkse Hongaars en het schrijven opnieuw overmand door slaap.

De stofzuiger kan gehaald. Hieperdepiep hoera, want officieel zou ze niet voor de tiende oktober klaar zijn. En nu dus toch. Het heeft te maken met hoe het hier gaat met afspraken en bevindingen. Die worden nog al eens tussendoor bijgesteld. De bank komt over tien dagen, drie weken, volgende maand. Afspraken met de klusser toen Lief nog alleen de vakanties kwam. Lijstje met verlangen gemaakt en beloofd het in orde te maken voor ze kwamen, maar er pas aan beginnen als ze kwamen. Het heeft ook te maken met vertrouwen. Als je aanwezig bent, zien ze wat er gedaan wordt. ‘S Lands wijs, ‘s lands eer’.

Het doek van de zussen gaat beter. Ze knappen er van op. Het blijft zoeken, maar die tijd is er ruim voldoende.

Bij jullie de herfst en hier nog hoogzomer, maar morgen gaan de temperaturen iets naar beneden. Een mooie nazomer in het verschiet. 23 á 24 graden en volop zon. Wat opvalt is de afwezigheid van de vogels. Voorheen hoorde je aan het eind van de zomer en het begin van de herfst de wielewaal. Het blijft op het gekakel van de kippen van de buurman en het getjilp van de mussen na, akelig stil. Achter hoorden we wel een vuurgoudhaan en een glanskoppie. Maar de bomen staan nog teveel in blad.

Het Kwartet is uit. De dames filosofen hebben bijna alle vier betamelijke leeftijden bereikt. Misschien houdt denken soepel. In ieder geval was het een boeiende manier om het omvangrijke werk te lijf te gaan. Door het tussendoor discussiëren leeft het veel meer en kunnen we tijdig aangeven wat we minder vinden en of dat voor ons beiden geldt, ja dan nee. Er is ook veel te herleiden naar deze tijd van verandering waarin we leven.

Gisteren was het de dag van de kleine dingen: De wants op de lepel, de thee in de zon, de glanzend gewassen vijgen, een spin die een web weeft tussen de penselen, de gefilterde avondzon als ik van de Datsja naar het huis loop. Een vredig tafereeltje.

Overpeinzingen

En aan te raden

Hoe moet dat als het gevoel van binnen blijft zitten en niet naar buiten komt. Nee, dit gaat niet over mij persoonlijk. Het komt boven drijven in mijn dagelijkse schrijven en slaat op een van mijn doeken waar de gelijkenis ver te zoeken is, terwijl ik krampachtig blijf speuren ernaar. Laat het gevoel stromen, zegt iemand. Maar hoe doe je dat als de ratio ervoor gaat liggen. Het Pietje Precies in mij, zo het ergens aanwezig is, verbeeld zich doornroosje te zijn. Eens komt het moment waarop ze wakker wordt gekust, maar of dat in dit leven ook gebeurt, waag ik te betwijfelen.

Gisteren heb ik het doek van de zussen overgekalkt. Ziezo, die vreselijke grimassen zijn weg. Vernietig je lievelingen. Als je het niet gelijkend krijgt, is het een splinter in je ziel.

Ik zag een gesprek tussen Adelheid Roosen en Hugo Borst en ik hou zo van de aandachtige manier waarop ze met elkaar praten. In vervoering kan ik raken als Adelheid haar mimiek inzet en met heel haar gezicht boekdelen spreekt. Een en al compassie is ze. Ik maak twee screenshots om misschien ooit eens te proberen om haar, of de indruk die ze op me maakt, te vangen. De empathie tussen die twee straalt er vanaf.

Ze vertelt een verhaal over een vriendin die in een verzorgingshuis op sterven ligt. Ze wil haar nog een keer bezoeken om afscheid van haar te nemen. De vriendin vraagt haar wat haar plannen zijn en ze brandt los. Beschrijft vol vuur wat er nog aan mogelijkheden zijn om aan te boren, hoe het zo gekomen is, wat er nog op de plank ligt. Tot de vriendin zegt: Ik geloof dat ik een beetje moe ben en dat ik wil rusten. Adelheid pakt gezwind haar jas en tas en geeft haar een knuffel en vertrekt. Maar als ze de deur achter zich sluit, bedenkt ze dat ze daar niet voor gekomen was. Natuurlijk wilde ze niet over haar toekomst praten. Wat had ze nou gedaan. En vol vuur zegt ze tegen Hugo, dat ze niet terug dorst te gaan, niet te zeggen dat ze de film terug had willen draaien en opnieuw had willen beginnen. De vriendin is overleden. Ze sprak er met zoveel schuldgevoel over, zo intens, dat ze pas achteraf besefte hoe anders het had moeten lopen, dat je het haar onmiddellijk vergeeft, juist door dat diepe berouw en die eerlijkheid. Het huis ligt op Adelheids dagelijkse fietsroute, maar iedere keer als ze er langs rijdt, roept ze uit dat ze nog veel aan haar dacht, dat ze nog altijd bij haar is, dat ze haar niet is vergeten.

Het ontroert me. Misschien ook wel omdat ze dit zo eerlijk vertelt. Een smetje op het blazoen? Voor het gevoel misschien wel, maar niet meer dan menselijk. Zoiets zou ons echt allemaal kunnen overkomen. Ik kijk naar die twee en bedenk dat waarachtig luisteren naar elkaar en je openzetten voor de verhalen van een ander zoveel waard is en dat het daar op heel veel fronten vaak aan ontbreekt.

Gisteren belde zoonlief op, maar ik was aan het voorlezen en belde hem na het hoofdstuk terug. ‘Wat was je aan het doen’. ‘Aan het voorlezen’. Voorlezen, met dubbele vraagtekens erachter. ‘Ja, uit Het Kwartet.’ Iedere avond al een maand lang, want het is een lekkere dikke biografie over vier vrouwelijke filosofen. Naar elkaar luisteren, er over in gesprek gaan, meningen delen en vergelijken. Verrijkend en aan te raden.

Overpeinzingen

We zullen zien

De schrijfingang van vandaag was Eindelijk; Met die puntkomma erbij. Het werd weer een indringende tocht door het verleden. Iets wat me vaker overkomt met deze ingangen. Het geeft een onbestendig gevoel daarna. Even moet je met je zelf weer in balans komen. Voor je begint, ook diep adem halen en moed verzamelen om het verleden in te duiken. In een van de verhalen van Jan Brokken over Béla Bartók komt de zinsnede van de filosoof Kierkegaard voor: ‘Durven is even je evenwicht verliezen, niet durven is jezelf verliezen’. Iets wat ik onderschrijf. Het is als echt duiken, je haalt diep adem, je mond sluit zich en je zet af: Daar ga je. Het diepe (lees ongewisse) in. Dus spring ik naar mijn vroegere zelf en schrijf het uit en van me af. Hoofdstuk gesloten. Het opent nieuwe wegen.

Eindelijk; had ook kunnen staan voor het bijwerken van het tekendagboek, waarin ik sinds eergisteren helemaal ben bijgesloft. Zo’n onafgemaakt werk blijft liggen pratten en slokt voor een deel de gedachten op, omdat je altijd zou willen beginnen en het er steeds maar niet van komt. En hoe meer de dagen zich stapelen, hoe hoger het bolwerk om te slechten. Zo werkt het een en ander in mijn hoofd tenminste.

Ik zag gisteren de boekenmars in Utrecht en was blij verrast. Als ik in het land geweest was, had ik beslist meegelopen. Vermoedelijk zou ik dan een van mijn lievelingsboeken, namelijk Alice in Wonderland, meegenomen hebben, al zou de dikte (om het meeslepen) nog een overweging waard zijn geweest. Alice werd verboden omdat het aan zou zetten tot het gebruik van drugs en voor sommige scholen, om de dieren met menselijke eigenschappen. Ik vind Alice een pleidooi voor de vrijheid van de verbeelding en het woord. Het zijn de verdorven geesten en de angsten van de verbieders zelf, die zien wat ze zien.

Hoe hypocriet het is om literatuur te verbieden en Antifa strafbaar te maken, blijkt wel uit de optocht in Den Haag. Zogenaamd een anti-immigratiemars die uitmondde in vernieling, brandstichting en het bestoken van het politie-apparaat met NSB vlaggen en al. Het was schrijnend om te zien. Wat een gotspe.

Door de hitte van gisteren, 31 graden en geen zuchtje wind, hadden we de klima aan in de keuken en was er tijd om een heerlijke Atjar Ketimoen te maken. Twee komkommers, zout, knoflook, lombok rawit (hier sambal badjak bij gebrek eraan) ui, koenjit, djahé en suiker, azijn.

De komkommers laat je twee uur uitlekken in een zeef door ze te bestrooien met zout. In de tussentijd worden de fijngemaalde kruiden even in de hete olie gedaan en daarna de azijn erbij en even doorkoken. Af laten koelen en bij de afgedroogde komkommer in schone potten gedaan. Heerlijk.

Tussendoor speelde ik wat met de fotofunctie van mijn iphone. Met de slowmotion kon ik prachtige opnames maken van de bijen en wespen op de herfstasters. Te zien is hoe elke meeldraad bezocht wordt, het snuitje gewassen wordt en er verder wordt gevlogen. Prachtig en haarscherp. Jammer dat ik hier geen filmpjes kan plaatsen. Die had ik jullie niet graag onthouden.

Tijd om aan de slag te gaan. Genoeg gelezen en geschreven. Nichtlief schrijft dat de herfst is ingetreden. Hier blijven de temperaturen tussen de 20 en 25 hangen. Wie weet, kom ik nog aan mijn atelier toe. We zullen zien.

Overpeinzingen

Licht in de duisternis

Er zijn van die dagen waarop ik plotsklaps een intens verlangen krijg naar iets, meestal het moeilijkst onbereikbare. We zijn in Nederland verwend met onze uitgebreide keuzes aan ingrediënten voor diverse wereldse gerechten.

Gisteren had ik ineens onbedaarlijke trek om een maaltijd te maken, die lief en ik zo vaak samen hadden gegeten toen we nog in Leiden woonden. Een tikkeltje nostalgie dus. In 1970 was er een kleine Toko in een van de steegjes tegenover de apotheek aan de Breestraat. Daar kocht ik mijn eerste gietijzeren wadjan en mijn Tjobek en haalde ik alle ingrediënten in huis om uit een eenvoudig Indisch kookboekje de eerste maaltijden te bereiden. Nasi goreng, Bami goreng, Gado Gado, Saté met Satésaus, Soto. Het werd een soort ode aan het kwart deel Indisch van Lief. Hij had er zijn zwarte haar en zijn bruine ogen aan over gehouden en een licht getinte huid. Maar zelfs zijn vader was niet op Nias geboren, waar hun roots lagen, en er ook nog nooit geweest.

Omdat ik toen al sterk van het improviseren was en praktisch ingesteld zal het toch een soort mengelmoes van twee culturen zijn geworden. Een snufje van dit en beetje van dat, een scheutje van zus en een lepel van zo. Maar ik was er trots op als het lukte. Geen voorbeeld en toch best veel geleerd.

Gisteren haalden we als flexitariërs, bij hoge uitzondering kippendijtjes en de rest had ik eigenlijk allemaal wijselijk mee van huis genomen. Een marinade was snel gemaakt. Ketjap, soja, citroen, knoflook, Djahé, sambal badjak in plaats van de ontbrekende rawit. Uurtje minstens laten staan. Ondertussen de saus met de pot pindakaas uit Nederland, de ketjap, de knoflook, een ui, bij gebrek aan Goela Djawa wat suiker en weer citroen en sambal badjak.

Witte rijst en voor de hand liggende kort gewokte groenten erbij, nl Chinese kool, paprika en champignons. De dijtjes wokken tot de marinade was opgenomen, de Saté saus maken en smullen maar. Grillen konden we ze niet en stokjes hadden we ook niet, maar dit was prima. We hebben zitten smullen. De hemel was niet ver weg. Voor vandaag staat er logischerwijs met de restjes Gado-Gado op het menu.

In De Weemoed van de Reiziger van Jan Brokken, lees ik het bijzondere verhaal van de schilder Matisse en de non. Ik zoek de doeken op die Matisse gemaakt heeft van het meisje Monique dat hem verpleegde toen hij dat nodig had en dat een aantal jaren later zou intreden als zuster Jacques-Marie bij de Dominicaner zusters in Vence, niet al te ver van Nice vandaan. Hij heeft zijn hele leven lang genegenheid gehouden voor haar en toen hij ontdekte dat hun armoedige kapel een voormalige garage was geweest, besloot hij er zelf werk van te maken. Een eenvoudige kapel met glas-in-lood-ramen en zwartwit tekeningen op de muren er tegenover, die kleur zouden vangen zodra het licht door de ramen viel. De arme non werd verguisd omdat ze een zondaar aan de kapel had laten werken die bovendien naakten had geschilderd(!). Ze verhuisde naar Parijs. Matisse overleed twee jaar later.

De schrijver die de kapel bezocht heeft, kreeg steeds meer begrip voor de uitspraak van Matisse: ‘Als ik aan het werk ben, geloof ik in God’. In de Rozenkranskapel voelde de auteur dat er een sacrale band tussen geloof en scheppen bestond, die even zichtbaar werd door het licht dat Matisse in de ramen van zijn kapel wist te vangen. Zoals de boom hier achter de varkensstalletjes die in de avond de zon op haar kruin vangt en ineens licht geeft. Licht in de duisternis.

Overpeinzingen

Drie keer raden

Al weken lang stonden de fietsen op het terras geduldig te wachten. Af en toe kregen we een ongeduldige hint. De banden van de oude racefiets van vriendinlief, waar Lief nu op reed, liepen een beetje leeg. Het wit van de hagelnieuwe elektrische fiets had een stoffig laagje gekregen en af en toe bekroop me hun lichte verwijt van onbruikbaar zijn door de uitgesproken aanwezigheid. Gisteren was het eindelijk zover. De temperatuur was op een normaal peil aangekomen, rond de 25 graden, het zonnetje scheen af en toe, ideaal fietsweer.

De banden werden opgepompt, het stof eraf geblazen, makkelijke kleren aan, die tegen een stootje konden, je weet maar nooit waar je terechtkomt…En gaan.

We fietsten richting Kispeterd en daarna door naar Botykapeterd, dat was het plan. Voorlopig hielden we ons nog aan gebaande wegen, maar toch bekroop ons steeds meer de drang om een avontuurlijker pad te kiezen. Al vaker heb ik de kwaliteit van de wegen genoemd. Ze zijn niet best en het blijft oppassen geblazen, dat je niet ineens door een weggeslagen stuk van je fiets aframmelt en het blijft laveren tussen alle oneffenheden door. Het went, maar het verlangen naar echte fietspaden blijft. Af en toe stuift er zo’n enorm landbouwwerktuig voorbij met het nodige stof en zand in het kielzog en de bus houdt ook van doorrijden, dat is wel duidelijk.

Spijtig is dat er zoveel landbouwgrond is aangelegd dat het de verbindende landweggetjes heeft opgeslokt. Het resulteert in einddorpen, waar niet meer verder is te gaan omdat elke vorm van weg ophoudt of het zelfs is afgesloten door diepe greppels of prikkeldraad. Barrières zijn er om te slechten, maar met een fiets aan de hand is dat een pittige moeilijkheidsgraad. Toen we dan ook bij Botykapeterd de weg overstaken om een weg te volgen achter een fabrieksterrein, strandde het weggetje in een grote akker. We bedachten dat we al lopend langs de bosrand, misschien dan daar toch de weg konden vervolgen, maar niets was minder waar. Aan den lijve ondervonden dat het echt een eindweg was. Er zat niets anders op de akker diagonaal over te steken terug naar de fabriek. Ik duwde de racefiets voort en Lief mijn zwaardere elektrische exemplaar. Voordeel van de eerste was dat ik om de paar meter kon uitrusten op de stang. Zuurstof happen en door.

Van Botykapeterd naar Kispeterd is het heerlijk fietsen, een goed onderhouden weg door de gemeente, namen we aan. Dan voel je de vrijheid even. We scoren wel altijd verbaasde blikken van omwonenden. Die fietsen hooguit van A naar B en het liefst zo snel mogelijk, dus ook over de grote drukke wegen, waar je je leven niet zeker bent. Daar wagen we ons niet aan.

Kenmerkend in de dorpen zijn de oude en verlaten huizen her en der. Ze staan stilletjes te vergaan tussen de normale huizen in, ingezakte daken, scheve muren, bomen die in het huis zelf groeien, overwoekerde tuinen en binnengeslopen klimop of blauwe regen. Als een gebit, waar de tandarts niet alert genoeg op is geweest. Het maakt de dorpelingen kennelijk niets uit, ze leven zelfs nog in hun huis met ingezakte stukken, een dak, een muur, noem het maar. Iets in de trant van ‘Wachten tot er geld is, want je kan geen ijzer met handen breken’.

Na de akker was ik blij weer op de fiets te kunnen zitten met een frisse wind door de wapperende haren. De schoonheid van de wilde natuur hadden we opgeslagen in ons hoofd en op de foto’s. De wilde hop met haar bellen, de onmetelijke vlakten, de uitgesproken boeiende luchten erboven. ‘Waar kun je geen genoeg van krijgen’, vroeg de schrijfcoach vandaag. De aarzeling voor mij persoonlijk was er tussen taal en natuur. Drie keer raden.

Overpeinzingen

Mensenkennis

Vannacht was ik weer even een interim wijkverpleegkundige en ik moest naar iemand toe, een gezin, dat ik daadwerkelijk verpleegd heb eind jaren ‘70. Er waren mensen uit Australie op bezoek en eerst moest ik omstandig kennis maken, daarna was het de beurt aan het bed van de man, dat nodig verschoond moest worden. Er lagen allerlei lagen stof op elkaar onder de matras en ineens haalde ik mijn leeuwtje van vilt te voorschijn, op een jute stramien geborduurd. Ik had het hem jaren geleden gegeven. Hoe kwam het daar? Ik vroeg het hem en hij sloeg achteloos met zijn hand naar achteren en met dat gebaar viel er een kakkerlak op de grond en voor ik het wist, stampte hij er al met zijn grote schoen op. Zo’n droom dus en ik werd wakker met mijn werk van vroeger in mijn gedachten.

De wijkverpleging in de beginjaren tachtig. Het was een heerlijk beroep. In de vroege ochtend langs de mensen gaan, die of nog in bed lagen en geholpen moesten worden met wassen, met orthopedische kousen, met wondverzorging of met een insulinespuit. Ieder huis was net zo divers als de bewoners. Schoon en opgeruimd, oud en versleten, zorgelijk rommelig, ouderwets tot in haar voegen.

In het immens grote huis van de oude melkboer, die daar woonde met zijn zus, kwam ik alleen in het achterkamertje naast de keuken, waar het stel ook woonde, de rest van de enorme kamers gebruikten ze niet. Een kamer was ingericht als de ‘Mooie kamer’ . Daar werd de dokter onthaald en de pastoor en ik mocht er een taartje eten op de verjaardag van de zus. De grote buffetkast stond ingepakt in plastic, dan werd het niet stoffig. Alleen bij het voornaamste bezoek ging het eraf. Het was mijn taak om haar te verzorgen in de ochtend. Het viel niet mee. Geen warm water, lampetkan en kom, washandje, handdoekje. Eens moest ik schone kleren halen boven. Het stond er vol grote ingepakte eikenhouten meubels. Krakende binten, oud behang, tikkeltje verwaarloosd goud van oud.

De man was zuinig. Gierig duidde het beter aan. Met gemak had hij een boiler of geiser aan kunnen schaffen, maar dat gebeurde niet. De eenvoudige keuken en dat kleine opkamertje met die zwijgzame vrouw in bed en de barse man ernaast, zomers ging het nog, maar ‘s winters was het er bitter koud.

Na de melkboer moest ik naar een van de oudsten van het dorp. Hij kreeg zijn steunkousen niet meer zelf aan. Dat was onze taak. Maar het viel niet mee. De man had geen toilet in huis dus gebruikte hij daar een emmer voor, die in de ochtend tot de rand gevuld was en geleegd moest worden in het putje buiten op het pleintje waar zijn antieke huisje aan stond. Voor ik naar binnen stapte nam ik een grote hap verse lucht en hield de adem in tot ik met emmer en al weer buiten stond. Wijkverpleging was vaker adem in en adem uit. Maar dat woog niet op tegen de grote voordelen van het iets kunnen betekenen voor de mensen. Je was vaak het praatje van de dag, de enige afleiding in een eenzaam bestaan. Ze waren lief, eigenzinnig, gevoelig en vaak ook bang, maar gaven zich in het volste vertrouwen over aan ons. Het was een mooie tijd, een dankbare tijd ook. Het leverde loon naar werken, waar ik nog dagelijks uit putten kan. Mensenkennis.

Overpeinzingen

‘Het houd je van de straat’ zullen we maar zeggen

Ik lees een blog van Schrijfhart over luisterboeken. Ze dwaalt daarbij af naar haar jeugd waar haar moeder met haar zachte stem of haar vader op zijn kolderieke manier haar en haar broer iedere avond voorlas. Ze haalt aan dat het delen van verhalen de oudste vorm van vermaak is die er bestaat en ergert zich aan de discussie of iemand die verhalen beluisterd wel of niet een echte lezer zou zijn. Ik heb daar eigenlijk nooit zo bij stil gestaan. Lezen doe je voor je plezier. Om bijvoorbeeld af te reizen in een verhaal, om de mooie taal die gebezigd wordt, om geprikkeld te worden in het beeldend vermogen, om geïnspireerd te raken, om de uitdaging, om eenvoudigweg te genieten. Er zijn zoveel verschillende redenen om op te noemen.

Op school vond ik het een van de leukste activiteiten om te doen. Heerlijk. Ik in het verhaal, de kinderen in het verhaal en samen op avontuur. Iets mooiers was er niet. Geen kind die niet genoot van elk nieuw boek, dat ik uit mijn voorleesbieb toverde. Soms nam iemand een spannend boek mee. Zo staat de laatste sinterklaas in mijn geheugen gegrift, omdat een van mijn oudste jongens het boek van de Gorgels van Jochem Meijer had meegenomen en met glimogen van trots kwam meedelen dat hij het op pakjesavond had gekregen. Dat betekende een paar maanden lang elke dag de spannende belevenissen van Melle, de Gorgels en de vervelende Brutelaars. Iedereen van de groep, de jongsten zowel als de oudsten, kwamen aan hun trekken omdat het verhaal bijzonder geschikt was om er je eigen beleving eruit te halen. Het was vooral spannend met grappige woorden. We ‘joebelabambamden’ wat af in die tijd.

Als het woord je maar bereikt en hoe, dat maakt niet uit. Er zijn immers vele wegen die naar Rome leiden en iedereen heeft zo z’n eigen voorkeuren. Voor mij is dat een boek, knisperende bladen, de geur en de manier waarop het jouw boek wordt als je het gelezen hebt. Een vriendin van mij wil, voordat ze een boek opent, dat niemand het nog bezoedeld heeft of ingekeken. Het is haar kleine zoete wens om als eerste de bladzijden om te slaan en het boek op die manier eigen te maken. Zo hebben we allemaal eigen wensen en verlangens en daar is niets mis mee. Leven en laten leven.

In het boek van MacEwan dat ‘Lessen’ heet, is bijvoorbeeld lichte waterschade ontstaan omdat de plantenspuit, waar ik mijn te bedrukken papier mee bevochtigd, gelekt had, terwijl het boek in dezelfde tas zat, op weg naar de Datsja. Haastig in de zon gelegd, uit elkaar een beetje en nu knisperen de bladeren nog veel meer. Dat verhoogt enkel de leesvreugde.

Gisteren hebben we geprobeerd de zware Auping spiralen in de ledikanten te leggen. Dat ging maar net. Twee oudjes aan het zwoegen met die zware last. Het moest immers over de zijkanten getild worden. En wat bleek? De matrassen zijn te groot. Nijvere Jut en Juul slaan aan het denken. Nu moeten we wat nu middenin is naar de buitenkant doen en dan de iets te grote matrassen over de leemte die op die manier ontstaat tussen de twee binnenkanten om ze zo te overbruggen met de dikke matras. Nog een keer de schouders eronder, dan maar. Het houd je van de straat, zullen we maar zeggen.

Overpeinzingen

Er is nog zoveel dat aan de uren knabbelt

Nog maar een maand en dan zijn we allemaal weer samen. De kinderen met alles en iedereen en wij. We zullen een week samen doorbrengen in een grote B&B met een verwarmd zwembad buiten. Een keer in een paar jaar ondernemen we zoiets. De laatste keer was zelfs lang geleden in Frankrijk. We sparen er voor, door iedere maand wat geld door te sluizen naar onze superheld, die van sparen weet. Er zijn een aantal voorwaarden. Voldoende kamers, ieder een eigen plek dus, veel ruimte en vertier binnen of buiten voor de kinderen zoals dat zwembad. We gaan van zaterdag tot zaterdag en ik kijk er naar uit.

WordPress vraagt hoe we de feestdagen doorbrengen. Doorgaans maken we onze eigen feestdagen en het kan ook zomaar spontaan andersom beginnen. Zodra we allen samen zijn, is het feest. Zo simpel ligt het. Er zijn geen verplichtingen. Elke datum die beter uitkomt voor iedereen telt. Kerst drie dagen eerder? Geen enkel probleem. Oud en nieuw wel of niet, maakt ook niets uit. Uit de tijd van ons jonge gezin staat de spagaat die we moesten maken me nog helder voor de geest. Een dag bij de ene en een dag bij de andere familie en voor jezelf ergens iets tussendoor. Dat is gewoon niet fijn. Vier het samen en maak afspraken met anderen erna of ervoor. Dat geeft mij in ieder geval oneindig veel meer feestelijke gevoelens.

Nu ik een aantal maanden hier vertoef, zijn de familiedagen dubbel zo veel meer waard geworden. In de wintermaanden ben ik zeker vijf maanden in Nederland en Lief ongeveer twee. Op de hoogtijdagen zijn we samen. Dat is heel plezierig maar een grotere winst is de intensiteit van dat samenzijn. Diep van binnenuit de beleving delen en er vervolgens weer op teren, want daar helpt het uiteindelijk bij, tot de hereniging en dat geldt dan voor alle partijen als ze weer de achterblijver zijn.

In de verhalenbundel van Jan Brokken ‘De weemoed van de reiziger’ komt het Rietveldhuis en haar bewoonster Truus Schröder-Schräder voor in een verhaal over die markante muze van Rietveld. Het huis hebben ze samen na de dood van haar man ontworpen en Truus is er altijd blijven wonen. Nichtlief had het me al verteld, een boek met snufjes kunst, snufjes reizen, snufjes Utrecht, snufjes filosofie en ze vond het allemaal bij mij passen. Er staat een hele verhandeling in over de beroemde Rood-Blauwe stoel en de Steltman stoel. Ontwerpen van zijn hand, die voor een deel zowel handmatig als fabrieksmatig in elkaar zijn gezet.

Een vriend van Jan woonde twee jaar in de kamer beneden, waar oorspronkelijk het architectenbureau van Rietveld en Schröder gevestigd was. Voor Utrechtse begrippen is het een uniek huis. Truus zegt over haar verhouding met Rietveld: Hij gaf mij het medicijn waarmee ik zou durven leven. Leven vanuit je zintuigen en vanuit die gewaarwording jezelf opbouwen, bewust worden. Wat je zintuigen ervaren dat moet je hoog aanslaan. Elementair zijn. Niet de hoeveelheid die telt, maar de kwaliteit. Ik was er rijp voor en hongerig. Ik had zoveel gemist’. Truus volgens Rietveld: ‘Jij strooit ideeën om je heen’ en ‘Wat ik het meest in je bewonder is je verwondering’.

Iets om even op je in te laten werken vooral als Truus aan het eind van haar leven nog schrijft: Als je in staat bent om van uit jezelf te leven, kun je spreken van een geslaagd leven.’ Al moet ze toegeven, dat dat slechts zelden lukken zal.

De Weemoed van een Reiziger brengt je op veel plekken en het heerlijke is dat je het na een verhaal kan laten rusten tot er een moment is voor het volgende. Op dit ogenblik past het zeer in de tijd. Er is nog zoveel dat aan de uren knabbelt.

Overpeinzingen

We gaan het zien en beleven

Een toertje maken en dan een geschikte plek vinden om je auto kwijt te kunnen zodat er gewandeld kan worden is hier soms zoeken naar een speld in een hooiberg. Maar aan de rand van het Duna-Drava Nationaal Park zagen we een parkeerplek liggen en zoefden er vervolgens even zo vrolijk langs, helaas. Om dan een plek te vinden om te draaien is ook mijl op zeven, maar het lukte. Agaath mocht uitrusten en wij wandelden het bos in, terwijl ik nu voor het eerst eigenlijk echt, de GPX tracker inschakelde. Deze wouden zijn zo immens groot, dat je er makkelijk kan verdwalen ondanks een wandelroute.

Met sandaaltjes aan kom je niet zo ver en we hadden ook het draagbare stoeltje vergeten, waarop ik af en toe kon rusten als we langer zouden willen lopen dan twee kilometer of daaromtrent. Zaak was in ieder geval om op de paden te blijven wat de wandeling minder spannend maakte, maar wat wel zo veilig was. Alles bij elkaar genoten we toch even van dit kleine stukje natuur, de enorme bomen met hun grillige basten, de zandpaden, de stilte met name. We kwamen uit bij een spoorwegovergang en besloten de volgende keer, beter uitgerust, daar verder te wandelen.

Vlak daarvoor waren we op de bonnefooi een dorpje ingereden, waar wonderlijk werd gereageerd, argwanend gekeken naar de auto en terwijl we twintig reden gemaand tot nog zachter, een meisje met een jonger broertje dat alleen maar in de ban van haar telefoontje was en niet op of om keek, een vrouw die daar weer boos om werd, huizen die onbewoonbaar leken en toch bewoond waren en we wisten intuïtief, hier konden we maar beter niet gaan wandelen. Qua sfeer nodigde het in ieder geval niet uit.

Na de boodschappen wachtte ons thuis nog een reddingsactie. Er zat een grote groene sabelsprinkhaan tussen twee deuren in vast in het spinrag maar hoe zij ook trok met haar poten, ze kon niet echt van dat plakkerige goedje af. Papiertje en voorzichtig richting gras schuiven, ze kon af en toe haar vleugels alweer uitslaan en even later hield ze zich vast aan de grote grasspriet waar ze op was gezet. En toen we even later keken was ze al weggesprongen of gevlogen.

Voor de avond hadden we een film uitgezocht. Het was The Unlikely Pilgrimage of Harold Fry naar het boek van Rachel Joyce door de regisseur Hettie Macdonald. Het gaat over een spontane wandeltocht van een oude man dwars door Engeland heen, een tikkeltje sentiment, een vleugje romantiek, een piezeltje maatschappelijke onrust, een staartje massa hysterie, een wolk van vaderschaamte en een altruïstische dappere daad op een hoop en je hebt het beeld van de film zo’n beetje. Toch was het fijn om temidden van de onheilspellende berichten die hier in flarden neerdalen een staaltje goedheid der mensen te mogen smaken. Soms is daar ineens veel behoefte aan.

Prinsjesdag, maar naast de hoeden en hoedjes kunnen ze beter ook grote zakdoeken meenemen om het tranendal te stelpen dat vandaag als regen over de hoofden neer zal dalen. Welk verhaal heeft men voor ons gebrouwen. We gaan het zien en beleven.

Overpeinzingen

Daar gaan we dankbaar gebruik van maken

Enkele dagen geleden schreef ik over de brievenbus op de begraafplaats. Het was een passage uit het boek De Weemoed van de Reiziger van de schrijver Jan Brokken. Ik vond het een tof idee. Het verhaal ging aan het eind van het hoofdstuk nog verder. Het bleek namelijk te gaan over het graf van de Andalusische dichter Antonio Machado in Collioure, France. Het graf trok veel bezoekers, die allemaal iets achterlieten, een brief, een gedicht, woorden van bewondering, een vraag om voorspoed, foto’s, zakjes Andalusische aarde, noem maar op. De burgemeester wilde hier paal en perk aanstellen omdat het hele kerkhof bezaaid lag met deze parafernalia als er een flinke wind had gewaaid. Dus verzon hij het lumineuze idee van een brievenbus. Een keer per week trok de postbode naar de begraafplaats en eens in de maand werd de brievenbus geleegd door een vrijwilliger van de Stichting Vrienden van Antonio Machado. Het bewijs, dat zijn grootste wens, ‘Dat zijn woorden bleven voortleven’ een feit was.

Gisteren werden we overvallen door een enorme stortbui. Het had weliswaar wat gerommeld, maar toch bleef de zon schijnen. Er was boven duidelijk een gevecht gaande om het recht van de sterkste, want terwijl de regen met bakken tegelijk naar beneden kwam, bleef de zon stug volhouden, bijna tot aan de laatste snik. ‘Eigenzinnig en niet bang’, om met Annie M.G. Schmidt te spreken. En wonderlijk, geen regenboog te bekennen tegen die dieppaarse dreigende lucht.

De hagedissen op het terras hebben een leven als een luis op een zeer hoofd. De overrijpe vijgen vallen bij bosjes als pap uit de bomen en alles wat vleugels heeft en zoemt komt zich tegoed doen aan dat heerlijke goedje. Om beurten sneaken hun grote vijanden naar dat luilekkerland en snaaien snel met hun tongetjes een dikke wesp of vlieg weg. De vlinders, die ook dol zijn op dat heerlijke zoete goedje, worden door de wespen verjaagd. Een atalanta ging daarom maar eens overmoedig met de vleugels plat op het beton doodstil liggen. Een baken van rust. Had ze zich groot gemaakt en zo de wesp afgeschrikt. In ieder geval lieten ze haar toen wel met rust.

In de potten waarin de kantige look zo uitzonderlijk lang en uitbundig hadden gebloeid, zijn nu nieuwe asters gezet, prachtig violet van kleur, haar paarse zusjes staan al volop in bloei en trekken vooral de bijen aan. De look verhuisde naar de tuin. Vriendlief had opgemerkt dat je door Duitsland en Oostenrijk rijdt met een redelijk schone ruit om vervolgens binnen een mum van tijd in Hongarije onder de insectenspetters(helaas)te zitten. Hier is veel wilde en ongerepte natuur en relatief weinig verkeer, al neemt dat wel enorm toe de laatste jaren.

Dochterlief belde gisteren lang en uitvoerig. Zo gezellig altijd op zondagochtend. Het hele stel nog in pyjama met een slaaphoofd, maar uitgelaten en vrolijk. Ze heeft af en toe last van wat echte vrouwen perikelen. Dus daar waren de overbekende vragen. ‘Had jij dat nou ook?’ of ‘Hoe ging dat bij jou?’. Dat had ik ook graag van mijn moeder willen weten, die in mijn ogen vrij soepeltjes door dit soort processen heen rolde. Maar ik was 38 jaar toen ze overleed en was argeloos en zorgeloos en er totaal niet mee bezig van wat er eventueel nog zou kunnen komen. Dus waren er ook geen vragen in die richting. Er waren zes broers boven me en die zaten nergens mee. ‘Het kan verkeren zei Bredero’ en zo werd ik wijs door de ervaring. Wat fijn dat ik nu mijn lieve schatten het een en ander in kan fluisteren. Daar gaan we dankbaar gebruik van maken.

Overpeinzingen

Om zelf sjeu aan het leven te geven

Een nieuwe schrijfingang: Wie ruikt lekker.

De wereld ruikt alleen nog maar scherp. Scherp zoet, zout of bitter, scherpe rook of chemisch en verder gaat het leven reukloos voorbij, al een paar jaar. Verliezen van geuren gaat geleidelijk. Tot voor twee jaar terug waren lekkere geuren als knoflook, kaneel of anijs nog bij me. Maar nu vult mijn geheugen alles in voor dat werkloze trilhaarepitheel. Vooral zonder ui-, knoflook-, munt- en basilicumgeuren te moeten,  vind ik een verlies. Maar daarom niet getreurd. Het staat me nog vers voor de geest hoe het allemaal gegeurd heeft. Combinaties kan ik feilloos op mijn herinnering maken. Koken is een van mijn liefste bezigheden. 

Nu ik terug wil naar mijn jeugd en naar hoe mensen roken en wie, dan wordt het diep graven. De eerste geurherinneringen die opkomen zijn de mottenballen in mijn moeders klerenkast. Maar dat rook minder aangenaam toen dan dat ik me nu voor de geest kan halen. Elke zondag naar de kerk. Daar waren mensen die naar kamfer roken met hun zwarte kamgaren winterjassen, waarbij die geur zich bij de mannen nog mengde met sigarenrook of pijp. Zo’n zware lucht. Niet echt lekker maar wel heel vertrouwd, want zo rook opa ook. Naar sigaar en kamfer. Opa was lief. 

Iets later lagen er maja-zeepjes uit Spanje tussen mijn moeders kleren in hun zwart met rode papiertjes en kwamen er zakdoekjes met eau de cologne erop, een paar druppels uit de grote fles met het blauwe etiket en de krullerige letters en als ze de was deed rook zij en de hele keuken naar sunlight zeep, die wij dan mochten kloppen. Zachte geuren. Later werd dat vervangen door Dreft en Biotex, mijn moeder zwoer bij Biotex. Dat waren de lekkere geuren van het verleden, samen met de wierook, de brylcreem en de scheerzeep. Ze werden extra lekker omdat er een groot contrast was met hele nare geuren. Die van de fabriek van de Benenkluif op de Lange Lauwerecht, een penetrante geur van verbrande botten en verschroeid vlees die over alle straten hing en de zware koolraap- en bloemkoollucht in huis, als ze tot pap gekookt werden. 

In Frankrijk leerde ik de frisse Marseille-zeep kennen. Wat een heerlijk goedje was dat. Je waande je in een veld vol bloemen als je een bloes aanhad, die gewassen was met Marseille-zeep. 

In mijn puberteit kwamen er heerlijke geuren bij, die van Musk, Patchouly en Afghaanjassen. De allerlekkerste grond-geuren die je maar kan denken, zelfs als de jassen nat waren. Musk rook heel sterk en stoer, maar de patchouly maakte alles in me los wat er aan beleving te halen was. Ik droeg de druppeltjes achter mijn oor of op een van de polsen met verve. Dat je zo in een geur past. Toen ik ‘m in de verpleging niet meer opdeed, vergat ik het een beetje en werd die eigen-wijze geur gesmoord in de Chanel 5 om me heen, die in de verpleging in de mode was in die dagen, maar eenmaal opnieuw geroken wist ik: Dat is mijn geur. Daar wil ik alleen nog maar naar ruiken. Vanaf die tijd in de jaren negentig nooit meer zonder mijn Patchouly de deur uit. Ook dat ruik ik niet meer, maar wat zou ik dat toch nog graag een keer willen opsnuiven.

Bijvoorbeeld ook de geur van boeken, ieder nieuw boek weer, vers van de pers en daarna alle oude boeken in hun kasten of de simpele dingen als hoe ene krant ruikt of de pas gewassen baby-haartjes met Zwitsal, iets lekkerders, mooiers en onschuldigers bestaat niet. Zijdezacht en heerlijk om tegen je aan te koesteren en diep op te snuiven opdat je nooit vergeten zal hoe dat intense gevoel was.

Je weet pas wat je mist als het er niet meer is. 

Er gloort hoop aan de horizon, want er is iets uitgevonden tegen Anosmie. In de wintermaanden ga ik daar achteraan. Wie weet wat het oplevert. Vroeger zei men bij het moeten maken van een keuze: ‘Nee heb je en ja kan je krijgen’ en ‘ Niet geschoten is altijd mis.’ Zo is het maar net. Het is de moeite van het proberen waard, want zonder geur en smaak is het leven wat minder spannend geworden, een tikkeltje vlakker en moet je alle zeilen bij zetten om zelf sjeu aan het leven te geven.