De brillenverkoper van Rembrandt, een vroeg werk, geschilderd in 1624 toen hij 18 jaar was, is een van de serie van vijf allegorieën over de zintuigen van de mens. Een zigeuner probeert een echtpaar over te halen om een bril te kopen. Hij draagt een exotische tuniek en een tulband. Voor zijn buik hangt een kistje waarin allerlei brillen liggen. De man van het echtpaar wil feitelijk alleen een bril die op zijn bloemkoolneus past en de vrouw’s ogen zijn half gesloten. Ze steekt tastend haar hand uit, bijna blind of half blind, bril of geen bril.
Door die passage uit de biografie over Christiaan Huygens van Hugh Aldersey Williams in het hoofdstuk ‘Zand, Glas en Licht’ borrelen een paar beelden op. Tijdens een tentoonstelling van Caravaggio in het Centraal Museum van Utrecht een aantal jaar geleden, dwaalden vriendinlief en ik door de oude schilderijen heen op zoek naar brillen. Heerlijk om met zo’n onderwerp, naast de schildervaardigheden, je onder te dompelen in de geschiedenis. We vonden er een en later meen ik nog een. Men weet niet zeker wanneer de eerste bril werd uitgevonden, maar voor zover bekend was het in 1284 de Italiaan Salvino D’armate die voor het eerst en bril gebruikte. Dat moesten we opzoeken.
Het tweede beeld was mijn staaroperaties aan beide ogen, waarbij ik in het begin behoorlijk moest wennen aan de ronde randen van de lens(neem ik aan), omdat je daar tegenaan denkt te kijken. De blik is begrensd, zeg maar, net als bij een bril, waarbij je aan de zijkanten het montuur waarneemt. Natuurlijk went dat, maar het moment van de eerste keren staat me nog helder voor de geest en het heeft even geduurd voor het me eigen werd.
Gisteren scheen de zon volop en dat was maar goed ook want ik wandelde naar de tuin met mijn nieuwe Japanse zaagje, om de boel eens grondig aan te pakken. Dochterlief was al bezig in haar tuin. Ze wilde de doorgang realiseren tussen onze beide tuinen, maar eerst zou ze helpen met knotten van de wilgen. Ik had me weer soepel en jong gerekend, maar het zagen van een tak lukte al niet eens meer. Ik had de dunne twijgen kunnen knippen. Buurman had nog een handige hoogzaag en een scherpe schaar, met een les over hoe te zagen met een Japanse zaag.

De oudste dochter kwam met het hele gezin ook helpen. Dat wil zeggen, manlief zorgde voor een versgebakken appeltaart. De oudste moest leren voor school en de jongste dartelde tussen alles door. Zijn bevindingen: De grote schaar te groot, de kleine schaar te zwaar, dunne takken afknippen op de grond te saai en de glijbaan, de bal en de trampoline waren achteraf leuker. Zijn harde stemmetje als gevolg van de buisjes in zijn oren schalde door de stilte.
Ik posteerde mezelf op de stoel en begon alle dunne en iets dikkere twijgen van de afgezaagde wilgentakken af te knippen om kale staken over te houden waar ik weer een hek mee zou kunnen vlechten. De middelste kleinzoon hanteerde even voortvarend de voorhande zijnde zagen als zijn moeder en zijn tante. Met hun gedrevenheid spiegelde ik mezelf jaren jonger. Precies zó heb ik altijd gewerkt. Geen pauzes, één doel en verbeten voortgaan tot het is bereikt.
Er gingen vier kruinen aan gort tot mooie knotten. De berg takken voor mijn voeten zwelde aan. Nee, ik heb het niet gered om ze allemaal te slechten. Vandaag ga ik er mee door. Kalmpjes aan, dan breekt het lijntje niet.



















Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.