Overpeinzingen

Wij vermaken ons wel

Dankzij de schrijfingang van vanmorgen was ik even terug op de De Kerstavond van Mevrouw Klein Sprokkelhorst, een avond vol kunst en cultuur, die precies tien jaar in December vaste prik was in de stad IJsselstein. Ik denk dat ik er een aantal keren bij was, zo niet allemaal. Mijn aandeel was verhalenverteller in de meest uitgebreide zin van het woord. Niet zelden met een Kamishibai, waarbij de platen ter ondersteuning waren van de vertelling en de aankleding een uitdaging was om het zo sfeervol mogelijk te maken. Vaak in de huiskamer van mensen, waar dan plaatsen werden gecreëerd voor zo’n 10 tot 15 toehoorders.

Ik ben de verteller geweest van ‘Het geheim van de keel van de Chinese Nachtegaal’ in een depot van het plaatselijke museum, van ‘Krokodil en het Meesterwerk’ in het atelier van een kunstschilder, van het verhaal van ‘De Vos en de kleine Prins’, samen met een lieve collega en met haar een jaar later ook ‘Het Poppenhuis’ naar het poppenhuis van het museum Utrecht met Kamishibai en getekende figuren uit het verhaal op stokken in de poppenhuiswinkel en verkleed als de hoofdrolspelers uit het boek en twee jaar ‘Kikker en zijn vriendjes’ met een andere collega met handpoppen en de Kamishibai.

De rollen hadden we vaak zelf uitgekozen, de uitwerking samen bedacht. Het was kleinschalig en het werd door de huiskamers een knus en betrokken samenzijn met publiek dat zo dichtbij zat, dat ze helemaal konden opgaan in het verhaal en wij niet minder. Vaak vertelden we zeven tot tien keer op die avond en aan het eind was je compleet leeg maar zo gelukkig.

Na die tien jaar is de commissie andere manieren gaan verzinnen, die ook feestelijk of verrassend zijn geweest, maar wat de intieme sfeer van die kerstavonden, wat mij betreft, niet geheel en al heeft kunnen evenaren. Het toneelspelen bleef. Een soort midden tussen straattheater en een typetje. Ik merkte wel dat de jaren parten gingen spelen en op een gegeven moment heb ik het afgebouwd. Nieuw elan geeft nieuwe inspiratie.

Het zijn de herinneringen die af en toe boven komen drijven. Die me terugbrengen naar die glorietijden van weleer. School, de band, toneel, theater.

Met een brede glimlach denk ik eraan terug en aan ons eigen theater hier. Waar onze toehoorders de vlinders, de wespen, de bijen, de spinnen, de sprinkhanen, de hagedissen zijn en soms de reeën of een vos. Het stuk voltrekt zich zonder woorden met als muziek zinderende warmte of de wiegende wind. Pantomime op hoog niveau. ‘Tadaaa, hier zijn voor U de veldbloemen uit het duinriet verrezen, zorgvuldig ontward uit heggerank en braam, zij spelen voor U de voorstelling ‘Het voedselbos’ en geven ruim baan aan de nietigheid om ze in volle glorie te bejubelen. Hier zijn voor U; De Distel in al haar pracht, de Wilde Cichorei, de Veldsalie, het Boerenwormkruid, de Wilde Peen, het Grote Blaasjeskruid, de Wilde Malve, het Vlasbekje, en daar, hangend aan hun takken de Kardinaalmuts, de tweekleurige Hibiscus, de Vlierbes met in hun kielzog twee Olijfboompjes, vijf Walnoten en de grote Es. Zegt het voort’. Er is genoeg te doen. Wij vermaken ons wel.

Overpeinzingen

Een vredig tafereeltje

Wantsen vliegen rond snorrend als kleine drones, op zoek naar een plek om te overwinteren. Maar in huis is het niet goed voor jullie gekkies, daar drogen jullie uit. Ze luisteren nooit en blijven een weg naar binnen zoeken.

Een kop thee in de zon, die kleur brengt me altijd weer in vervoering. Lief plukt vijgen van de boom voor in zijn ontbijt. Vijgen, Cruesli en Griekse Joghurt. De vijgen zijn op z’n mooist. De boom is nog steeds afgeladen vol.

Ik droom een vreemde droom in mijn ochtendhazeslaap, over theater, optredens en nichtlief, we omhelzen elkaar, zo fijn en dan word ik bruusk gewekt door stemverheffing. Het klinkt als ouderwets kijven of zijn het de klanken. Maar er zit boosheid in de stem. Kijvende buurvrouwen, dat is lang geleden. Een aantal jaar terug hadden we een stel beneden wonen, die altijd vrolijk aan de avond begonnen, te veel dronken en dan begonnen met kijven, net zo lang tot de huisraad door de een of de ander naar buiten werd gegooid. Ze zijn uit huis gezet. Het was een onrustige tijd, vooral voor de mensen die er vlak boven woonden. Half vijf was ik klaar wakker. Vandaar na het dagelijkse Hongaars en het schrijven opnieuw overmand door slaap.

De stofzuiger kan gehaald. Hieperdepiep hoera, want officieel zou ze niet voor de tiende oktober klaar zijn. En nu dus toch. Het heeft te maken met hoe het hier gaat met afspraken en bevindingen. Die worden nog al eens tussendoor bijgesteld. De bank komt over tien dagen, drie weken, volgende maand. Afspraken met de klusser toen Lief nog alleen de vakanties kwam. Lijstje met verlangen gemaakt en beloofd het in orde te maken voor ze kwamen, maar er pas aan beginnen als ze kwamen. Het heeft ook te maken met vertrouwen. Als je aanwezig bent, zien ze wat er gedaan wordt. ‘S Lands wijs, ‘s lands eer’.

Het doek van de zussen gaat beter. Ze knappen er van op. Het blijft zoeken, maar die tijd is er ruim voldoende.

Bij jullie de herfst en hier nog hoogzomer, maar morgen gaan de temperaturen iets naar beneden. Een mooie nazomer in het verschiet. 23 á 24 graden en volop zon. Wat opvalt is de afwezigheid van de vogels. Voorheen hoorde je aan het eind van de zomer en het begin van de herfst de wielewaal. Het blijft op het gekakel van de kippen van de buurman en het getjilp van de mussen na, akelig stil. Achter hoorden we wel een vuurgoudhaan en een glanskoppie. Maar de bomen staan nog teveel in blad.

Het Kwartet is uit. De dames filosofen hebben bijna alle vier betamelijke leeftijden bereikt. Misschien houdt denken soepel. In ieder geval was het een boeiende manier om het omvangrijke werk te lijf te gaan. Door het tussendoor discussiëren leeft het veel meer en kunnen we tijdig aangeven wat we minder vinden en of dat voor ons beiden geldt, ja dan nee. Er is ook veel te herleiden naar deze tijd van verandering waarin we leven.

Gisteren was het de dag van de kleine dingen: De wants op de lepel, de thee in de zon, de glanzend gewassen vijgen, een spin die een web weeft tussen de penselen, de gefilterde avondzon als ik van de Datsja naar het huis loop. Een vredig tafereeltje.

Overpeinzingen

En aan te raden

Hoe moet dat als het gevoel van binnen blijft zitten en niet naar buiten komt. Nee, dit gaat niet over mij persoonlijk. Het komt boven drijven in mijn dagelijkse schrijven en slaat op een van mijn doeken waar de gelijkenis ver te zoeken is, terwijl ik krampachtig blijf speuren ernaar. Laat het gevoel stromen, zegt iemand. Maar hoe doe je dat als de ratio ervoor gaat liggen. Het Pietje Precies in mij, zo het ergens aanwezig is, verbeeld zich doornroosje te zijn. Eens komt het moment waarop ze wakker wordt gekust, maar of dat in dit leven ook gebeurt, waag ik te betwijfelen.

Gisteren heb ik het doek van de zussen overgekalkt. Ziezo, die vreselijke grimassen zijn weg. Vernietig je lievelingen. Als je het niet gelijkend krijgt, is het een splinter in je ziel.

Ik zag een gesprek tussen Adelheid Roosen en Hugo Borst en ik hou zo van de aandachtige manier waarop ze met elkaar praten. In vervoering kan ik raken als Adelheid haar mimiek inzet en met heel haar gezicht boekdelen spreekt. Een en al compassie is ze. Ik maak twee screenshots om misschien ooit eens te proberen om haar, of de indruk die ze op me maakt, te vangen. De empathie tussen die twee straalt er vanaf.

Ze vertelt een verhaal over een vriendin die in een verzorgingshuis op sterven ligt. Ze wil haar nog een keer bezoeken om afscheid van haar te nemen. De vriendin vraagt haar wat haar plannen zijn en ze brandt los. Beschrijft vol vuur wat er nog aan mogelijkheden zijn om aan te boren, hoe het zo gekomen is, wat er nog op de plank ligt. Tot de vriendin zegt: Ik geloof dat ik een beetje moe ben en dat ik wil rusten. Adelheid pakt gezwind haar jas en tas en geeft haar een knuffel en vertrekt. Maar als ze de deur achter zich sluit, bedenkt ze dat ze daar niet voor gekomen was. Natuurlijk wilde ze niet over haar toekomst praten. Wat had ze nou gedaan. En vol vuur zegt ze tegen Hugo, dat ze niet terug dorst te gaan, niet te zeggen dat ze de film terug had willen draaien en opnieuw had willen beginnen. De vriendin is overleden. Ze sprak er met zoveel schuldgevoel over, zo intens, dat ze pas achteraf besefte hoe anders het had moeten lopen, dat je het haar onmiddellijk vergeeft, juist door dat diepe berouw en die eerlijkheid. Het huis ligt op Adelheids dagelijkse fietsroute, maar iedere keer als ze er langs rijdt, roept ze uit dat ze nog veel aan haar dacht, dat ze nog altijd bij haar is, dat ze haar niet is vergeten.

Het ontroert me. Misschien ook wel omdat ze dit zo eerlijk vertelt. Een smetje op het blazoen? Voor het gevoel misschien wel, maar niet meer dan menselijk. Zoiets zou ons echt allemaal kunnen overkomen. Ik kijk naar die twee en bedenk dat waarachtig luisteren naar elkaar en je openzetten voor de verhalen van een ander zoveel waard is en dat het daar op heel veel fronten vaak aan ontbreekt.

Gisteren belde zoonlief op, maar ik was aan het voorlezen en belde hem na het hoofdstuk terug. ‘Wat was je aan het doen’. ‘Aan het voorlezen’. Voorlezen, met dubbele vraagtekens erachter. ‘Ja, uit Het Kwartet.’ Iedere avond al een maand lang, want het is een lekkere dikke biografie over vier vrouwelijke filosofen. Naar elkaar luisteren, er over in gesprek gaan, meningen delen en vergelijken. Verrijkend en aan te raden.

Overpeinzingen

We zullen zien

De schrijfingang van vandaag was Eindelijk; Met die puntkomma erbij. Het werd weer een indringende tocht door het verleden. Iets wat me vaker overkomt met deze ingangen. Het geeft een onbestendig gevoel daarna. Even moet je met je zelf weer in balans komen. Voor je begint, ook diep adem halen en moed verzamelen om het verleden in te duiken. In een van de verhalen van Jan Brokken over Béla Bartók komt de zinsnede van de filosoof Kierkegaard voor: ‘Durven is even je evenwicht verliezen, niet durven is jezelf verliezen’. Iets wat ik onderschrijf. Het is als echt duiken, je haalt diep adem, je mond sluit zich en je zet af: Daar ga je. Het diepe (lees ongewisse) in. Dus spring ik naar mijn vroegere zelf en schrijf het uit en van me af. Hoofdstuk gesloten. Het opent nieuwe wegen.

Eindelijk; had ook kunnen staan voor het bijwerken van het tekendagboek, waarin ik sinds eergisteren helemaal ben bijgesloft. Zo’n onafgemaakt werk blijft liggen pratten en slokt voor een deel de gedachten op, omdat je altijd zou willen beginnen en het er steeds maar niet van komt. En hoe meer de dagen zich stapelen, hoe hoger het bolwerk om te slechten. Zo werkt het een en ander in mijn hoofd tenminste.

Ik zag gisteren de boekenmars in Utrecht en was blij verrast. Als ik in het land geweest was, had ik beslist meegelopen. Vermoedelijk zou ik dan een van mijn lievelingsboeken, namelijk Alice in Wonderland, meegenomen hebben, al zou de dikte (om het meeslepen) nog een overweging waard zijn geweest. Alice werd verboden omdat het aan zou zetten tot het gebruik van drugs en voor sommige scholen, om de dieren met menselijke eigenschappen. Ik vind Alice een pleidooi voor de vrijheid van de verbeelding en het woord. Het zijn de verdorven geesten en de angsten van de verbieders zelf, die zien wat ze zien.

Hoe hypocriet het is om literatuur te verbieden en Antifa strafbaar te maken, blijkt wel uit de optocht in Den Haag. Zogenaamd een anti-immigratiemars die uitmondde in vernieling, brandstichting en het bestoken van het politie-apparaat met NSB vlaggen en al. Het was schrijnend om te zien. Wat een gotspe.

Door de hitte van gisteren, 31 graden en geen zuchtje wind, hadden we de klima aan in de keuken en was er tijd om een heerlijke Atjar Ketimoen te maken. Twee komkommers, zout, knoflook, lombok rawit (hier sambal badjak bij gebrek eraan) ui, koenjit, djahé en suiker, azijn.

De komkommers laat je twee uur uitlekken in een zeef door ze te bestrooien met zout. In de tussentijd worden de fijngemaalde kruiden even in de hete olie gedaan en daarna de azijn erbij en even doorkoken. Af laten koelen en bij de afgedroogde komkommer in schone potten gedaan. Heerlijk.

Tussendoor speelde ik wat met de fotofunctie van mijn iphone. Met de slowmotion kon ik prachtige opnames maken van de bijen en wespen op de herfstasters. Te zien is hoe elke meeldraad bezocht wordt, het snuitje gewassen wordt en er verder wordt gevlogen. Prachtig en haarscherp. Jammer dat ik hier geen filmpjes kan plaatsen. Die had ik jullie niet graag onthouden.

Tijd om aan de slag te gaan. Genoeg gelezen en geschreven. Nichtlief schrijft dat de herfst is ingetreden. Hier blijven de temperaturen tussen de 20 en 25 hangen. Wie weet, kom ik nog aan mijn atelier toe. We zullen zien.

Overpeinzingen

Licht in de duisternis

Er zijn van die dagen waarop ik plotsklaps een intens verlangen krijg naar iets, meestal het moeilijkst onbereikbare. We zijn in Nederland verwend met onze uitgebreide keuzes aan ingrediënten voor diverse wereldse gerechten.

Gisteren had ik ineens onbedaarlijke trek om een maaltijd te maken, die lief en ik zo vaak samen hadden gegeten toen we nog in Leiden woonden. Een tikkeltje nostalgie dus. In 1970 was er een kleine Toko in een van de steegjes tegenover de apotheek aan de Breestraat. Daar kocht ik mijn eerste gietijzeren wadjan en mijn Tjobek en haalde ik alle ingrediënten in huis om uit een eenvoudig Indisch kookboekje de eerste maaltijden te bereiden. Nasi goreng, Bami goreng, Gado Gado, Saté met Satésaus, Soto. Het werd een soort ode aan het kwart deel Indisch van Lief. Hij had er zijn zwarte haar en zijn bruine ogen aan over gehouden en een licht getinte huid. Maar zelfs zijn vader was niet op Nias geboren, waar hun roots lagen, en er ook nog nooit geweest.

Omdat ik toen al sterk van het improviseren was en praktisch ingesteld zal het toch een soort mengelmoes van twee culturen zijn geworden. Een snufje van dit en beetje van dat, een scheutje van zus en een lepel van zo. Maar ik was er trots op als het lukte. Geen voorbeeld en toch best veel geleerd.

Gisteren haalden we als flexitariërs, bij hoge uitzondering kippendijtjes en de rest had ik eigenlijk allemaal wijselijk mee van huis genomen. Een marinade was snel gemaakt. Ketjap, soja, citroen, knoflook, Djahé, sambal badjak in plaats van de ontbrekende rawit. Uurtje minstens laten staan. Ondertussen de saus met de pot pindakaas uit Nederland, de ketjap, de knoflook, een ui, bij gebrek aan Goela Djawa wat suiker en weer citroen en sambal badjak.

Witte rijst en voor de hand liggende kort gewokte groenten erbij, nl Chinese kool, paprika en champignons. De dijtjes wokken tot de marinade was opgenomen, de Saté saus maken en smullen maar. Grillen konden we ze niet en stokjes hadden we ook niet, maar dit was prima. We hebben zitten smullen. De hemel was niet ver weg. Voor vandaag staat er logischerwijs met de restjes Gado-Gado op het menu.

In De Weemoed van de Reiziger van Jan Brokken, lees ik het bijzondere verhaal van de schilder Matisse en de non. Ik zoek de doeken op die Matisse gemaakt heeft van het meisje Monique dat hem verpleegde toen hij dat nodig had en dat een aantal jaren later zou intreden als zuster Jacques-Marie bij de Dominicaner zusters in Vence, niet al te ver van Nice vandaan. Hij heeft zijn hele leven lang genegenheid gehouden voor haar en toen hij ontdekte dat hun armoedige kapel een voormalige garage was geweest, besloot hij er zelf werk van te maken. Een eenvoudige kapel met glas-in-lood-ramen en zwartwit tekeningen op de muren er tegenover, die kleur zouden vangen zodra het licht door de ramen viel. De arme non werd verguisd omdat ze een zondaar aan de kapel had laten werken die bovendien naakten had geschilderd(!). Ze verhuisde naar Parijs. Matisse overleed twee jaar later.

De schrijver die de kapel bezocht heeft, kreeg steeds meer begrip voor de uitspraak van Matisse: ‘Als ik aan het werk ben, geloof ik in God’. In de Rozenkranskapel voelde de auteur dat er een sacrale band tussen geloof en scheppen bestond, die even zichtbaar werd door het licht dat Matisse in de ramen van zijn kapel wist te vangen. Zoals de boom hier achter de varkensstalletjes die in de avond de zon op haar kruin vangt en ineens licht geeft. Licht in de duisternis.

Overpeinzingen

Drie keer raden

Al weken lang stonden de fietsen op het terras geduldig te wachten. Af en toe kregen we een ongeduldige hint. De banden van de oude racefiets van vriendinlief, waar Lief nu op reed, liepen een beetje leeg. Het wit van de hagelnieuwe elektrische fiets had een stoffig laagje gekregen en af en toe bekroop me hun lichte verwijt van onbruikbaar zijn door de uitgesproken aanwezigheid. Gisteren was het eindelijk zover. De temperatuur was op een normaal peil aangekomen, rond de 25 graden, het zonnetje scheen af en toe, ideaal fietsweer.

De banden werden opgepompt, het stof eraf geblazen, makkelijke kleren aan, die tegen een stootje konden, je weet maar nooit waar je terechtkomt…En gaan.

We fietsten richting Kispeterd en daarna door naar Botykapeterd, dat was het plan. Voorlopig hielden we ons nog aan gebaande wegen, maar toch bekroop ons steeds meer de drang om een avontuurlijker pad te kiezen. Al vaker heb ik de kwaliteit van de wegen genoemd. Ze zijn niet best en het blijft oppassen geblazen, dat je niet ineens door een weggeslagen stuk van je fiets aframmelt en het blijft laveren tussen alle oneffenheden door. Het went, maar het verlangen naar echte fietspaden blijft. Af en toe stuift er zo’n enorm landbouwwerktuig voorbij met het nodige stof en zand in het kielzog en de bus houdt ook van doorrijden, dat is wel duidelijk.

Spijtig is dat er zoveel landbouwgrond is aangelegd dat het de verbindende landweggetjes heeft opgeslokt. Het resulteert in einddorpen, waar niet meer verder is te gaan omdat elke vorm van weg ophoudt of het zelfs is afgesloten door diepe greppels of prikkeldraad. Barrières zijn er om te slechten, maar met een fiets aan de hand is dat een pittige moeilijkheidsgraad. Toen we dan ook bij Botykapeterd de weg overstaken om een weg te volgen achter een fabrieksterrein, strandde het weggetje in een grote akker. We bedachten dat we al lopend langs de bosrand, misschien dan daar toch de weg konden vervolgen, maar niets was minder waar. Aan den lijve ondervonden dat het echt een eindweg was. Er zat niets anders op de akker diagonaal over te steken terug naar de fabriek. Ik duwde de racefiets voort en Lief mijn zwaardere elektrische exemplaar. Voordeel van de eerste was dat ik om de paar meter kon uitrusten op de stang. Zuurstof happen en door.

Van Botykapeterd naar Kispeterd is het heerlijk fietsen, een goed onderhouden weg door de gemeente, namen we aan. Dan voel je de vrijheid even. We scoren wel altijd verbaasde blikken van omwonenden. Die fietsen hooguit van A naar B en het liefst zo snel mogelijk, dus ook over de grote drukke wegen, waar je je leven niet zeker bent. Daar wagen we ons niet aan.

Kenmerkend in de dorpen zijn de oude en verlaten huizen her en der. Ze staan stilletjes te vergaan tussen de normale huizen in, ingezakte daken, scheve muren, bomen die in het huis zelf groeien, overwoekerde tuinen en binnengeslopen klimop of blauwe regen. Als een gebit, waar de tandarts niet alert genoeg op is geweest. Het maakt de dorpelingen kennelijk niets uit, ze leven zelfs nog in hun huis met ingezakte stukken, een dak, een muur, noem het maar. Iets in de trant van ‘Wachten tot er geld is, want je kan geen ijzer met handen breken’.

Na de akker was ik blij weer op de fiets te kunnen zitten met een frisse wind door de wapperende haren. De schoonheid van de wilde natuur hadden we opgeslagen in ons hoofd en op de foto’s. De wilde hop met haar bellen, de onmetelijke vlakten, de uitgesproken boeiende luchten erboven. ‘Waar kun je geen genoeg van krijgen’, vroeg de schrijfcoach vandaag. De aarzeling voor mij persoonlijk was er tussen taal en natuur. Drie keer raden.

Overpeinzingen

Mensenkennis

Vannacht was ik weer even een interim wijkverpleegkundige en ik moest naar iemand toe, een gezin, dat ik daadwerkelijk verpleegd heb eind jaren ‘70. Er waren mensen uit Australie op bezoek en eerst moest ik omstandig kennis maken, daarna was het de beurt aan het bed van de man, dat nodig verschoond moest worden. Er lagen allerlei lagen stof op elkaar onder de matras en ineens haalde ik mijn leeuwtje van vilt te voorschijn, op een jute stramien geborduurd. Ik had het hem jaren geleden gegeven. Hoe kwam het daar? Ik vroeg het hem en hij sloeg achteloos met zijn hand naar achteren en met dat gebaar viel er een kakkerlak op de grond en voor ik het wist, stampte hij er al met zijn grote schoen op. Zo’n droom dus en ik werd wakker met mijn werk van vroeger in mijn gedachten.

De wijkverpleging in de beginjaren tachtig. Het was een heerlijk beroep. In de vroege ochtend langs de mensen gaan, die of nog in bed lagen en geholpen moesten worden met wassen, met orthopedische kousen, met wondverzorging of met een insulinespuit. Ieder huis was net zo divers als de bewoners. Schoon en opgeruimd, oud en versleten, zorgelijk rommelig, ouderwets tot in haar voegen.

In het immens grote huis van de oude melkboer, die daar woonde met zijn zus, kwam ik alleen in het achterkamertje naast de keuken, waar het stel ook woonde, de rest van de enorme kamers gebruikten ze niet. Een kamer was ingericht als de ‘Mooie kamer’ . Daar werd de dokter onthaald en de pastoor en ik mocht er een taartje eten op de verjaardag van de zus. De grote buffetkast stond ingepakt in plastic, dan werd het niet stoffig. Alleen bij het voornaamste bezoek ging het eraf. Het was mijn taak om haar te verzorgen in de ochtend. Het viel niet mee. Geen warm water, lampetkan en kom, washandje, handdoekje. Eens moest ik schone kleren halen boven. Het stond er vol grote ingepakte eikenhouten meubels. Krakende binten, oud behang, tikkeltje verwaarloosd goud van oud.

De man was zuinig. Gierig duidde het beter aan. Met gemak had hij een boiler of geiser aan kunnen schaffen, maar dat gebeurde niet. De eenvoudige keuken en dat kleine opkamertje met die zwijgzame vrouw in bed en de barse man ernaast, zomers ging het nog, maar ‘s winters was het er bitter koud.

Na de melkboer moest ik naar een van de oudsten van het dorp. Hij kreeg zijn steunkousen niet meer zelf aan. Dat was onze taak. Maar het viel niet mee. De man had geen toilet in huis dus gebruikte hij daar een emmer voor, die in de ochtend tot de rand gevuld was en geleegd moest worden in het putje buiten op het pleintje waar zijn antieke huisje aan stond. Voor ik naar binnen stapte nam ik een grote hap verse lucht en hield de adem in tot ik met emmer en al weer buiten stond. Wijkverpleging was vaker adem in en adem uit. Maar dat woog niet op tegen de grote voordelen van het iets kunnen betekenen voor de mensen. Je was vaak het praatje van de dag, de enige afleiding in een eenzaam bestaan. Ze waren lief, eigenzinnig, gevoelig en vaak ook bang, maar gaven zich in het volste vertrouwen over aan ons. Het was een mooie tijd, een dankbare tijd ook. Het leverde loon naar werken, waar ik nog dagelijks uit putten kan. Mensenkennis.

Overpeinzingen

‘Het houd je van de straat’ zullen we maar zeggen

Ik lees een blog van Schrijfhart over luisterboeken. Ze dwaalt daarbij af naar haar jeugd waar haar moeder met haar zachte stem of haar vader op zijn kolderieke manier haar en haar broer iedere avond voorlas. Ze haalt aan dat het delen van verhalen de oudste vorm van vermaak is die er bestaat en ergert zich aan de discussie of iemand die verhalen beluisterd wel of niet een echte lezer zou zijn. Ik heb daar eigenlijk nooit zo bij stil gestaan. Lezen doe je voor je plezier. Om bijvoorbeeld af te reizen in een verhaal, om de mooie taal die gebezigd wordt, om geprikkeld te worden in het beeldend vermogen, om geïnspireerd te raken, om de uitdaging, om eenvoudigweg te genieten. Er zijn zoveel verschillende redenen om op te noemen.

Op school vond ik het een van de leukste activiteiten om te doen. Heerlijk. Ik in het verhaal, de kinderen in het verhaal en samen op avontuur. Iets mooiers was er niet. Geen kind die niet genoot van elk nieuw boek, dat ik uit mijn voorleesbieb toverde. Soms nam iemand een spannend boek mee. Zo staat de laatste sinterklaas in mijn geheugen gegrift, omdat een van mijn oudste jongens het boek van de Gorgels van Jochem Meijer had meegenomen en met glimogen van trots kwam meedelen dat hij het op pakjesavond had gekregen. Dat betekende een paar maanden lang elke dag de spannende belevenissen van Melle, de Gorgels en de vervelende Brutelaars. Iedereen van de groep, de jongsten zowel als de oudsten, kwamen aan hun trekken omdat het verhaal bijzonder geschikt was om er je eigen beleving eruit te halen. Het was vooral spannend met grappige woorden. We ‘joebelabambamden’ wat af in die tijd.

Als het woord je maar bereikt en hoe, dat maakt niet uit. Er zijn immers vele wegen die naar Rome leiden en iedereen heeft zo z’n eigen voorkeuren. Voor mij is dat een boek, knisperende bladen, de geur en de manier waarop het jouw boek wordt als je het gelezen hebt. Een vriendin van mij wil, voordat ze een boek opent, dat niemand het nog bezoedeld heeft of ingekeken. Het is haar kleine zoete wens om als eerste de bladzijden om te slaan en het boek op die manier eigen te maken. Zo hebben we allemaal eigen wensen en verlangens en daar is niets mis mee. Leven en laten leven.

In het boek van MacEwan dat ‘Lessen’ heet, is bijvoorbeeld lichte waterschade ontstaan omdat de plantenspuit, waar ik mijn te bedrukken papier mee bevochtigd, gelekt had, terwijl het boek in dezelfde tas zat, op weg naar de Datsja. Haastig in de zon gelegd, uit elkaar een beetje en nu knisperen de bladeren nog veel meer. Dat verhoogt enkel de leesvreugde.

Gisteren hebben we geprobeerd de zware Auping spiralen in de ledikanten te leggen. Dat ging maar net. Twee oudjes aan het zwoegen met die zware last. Het moest immers over de zijkanten getild worden. En wat bleek? De matrassen zijn te groot. Nijvere Jut en Juul slaan aan het denken. Nu moeten we wat nu middenin is naar de buitenkant doen en dan de iets te grote matrassen over de leemte die op die manier ontstaat tussen de twee binnenkanten om ze zo te overbruggen met de dikke matras. Nog een keer de schouders eronder, dan maar. Het houd je van de straat, zullen we maar zeggen.

Overpeinzingen

Er is nog zoveel dat aan de uren knabbelt

Nog maar een maand en dan zijn we allemaal weer samen. De kinderen met alles en iedereen en wij. We zullen een week samen doorbrengen in een grote B&B met een verwarmd zwembad buiten. Een keer in een paar jaar ondernemen we zoiets. De laatste keer was zelfs lang geleden in Frankrijk. We sparen er voor, door iedere maand wat geld door te sluizen naar onze superheld, die van sparen weet. Er zijn een aantal voorwaarden. Voldoende kamers, ieder een eigen plek dus, veel ruimte en vertier binnen of buiten voor de kinderen zoals dat zwembad. We gaan van zaterdag tot zaterdag en ik kijk er naar uit.

WordPress vraagt hoe we de feestdagen doorbrengen. Doorgaans maken we onze eigen feestdagen en het kan ook zomaar spontaan andersom beginnen. Zodra we allen samen zijn, is het feest. Zo simpel ligt het. Er zijn geen verplichtingen. Elke datum die beter uitkomt voor iedereen telt. Kerst drie dagen eerder? Geen enkel probleem. Oud en nieuw wel of niet, maakt ook niets uit. Uit de tijd van ons jonge gezin staat de spagaat die we moesten maken me nog helder voor de geest. Een dag bij de ene en een dag bij de andere familie en voor jezelf ergens iets tussendoor. Dat is gewoon niet fijn. Vier het samen en maak afspraken met anderen erna of ervoor. Dat geeft mij in ieder geval oneindig veel meer feestelijke gevoelens.

Nu ik een aantal maanden hier vertoef, zijn de familiedagen dubbel zo veel meer waard geworden. In de wintermaanden ben ik zeker vijf maanden in Nederland en Lief ongeveer twee. Op de hoogtijdagen zijn we samen. Dat is heel plezierig maar een grotere winst is de intensiteit van dat samenzijn. Diep van binnenuit de beleving delen en er vervolgens weer op teren, want daar helpt het uiteindelijk bij, tot de hereniging en dat geldt dan voor alle partijen als ze weer de achterblijver zijn.

In de verhalenbundel van Jan Brokken ‘De weemoed van de reiziger’ komt het Rietveldhuis en haar bewoonster Truus Schröder-Schräder voor in een verhaal over die markante muze van Rietveld. Het huis hebben ze samen na de dood van haar man ontworpen en Truus is er altijd blijven wonen. Nichtlief had het me al verteld, een boek met snufjes kunst, snufjes reizen, snufjes Utrecht, snufjes filosofie en ze vond het allemaal bij mij passen. Er staat een hele verhandeling in over de beroemde Rood-Blauwe stoel en de Steltman stoel. Ontwerpen van zijn hand, die voor een deel zowel handmatig als fabrieksmatig in elkaar zijn gezet.

Een vriend van Jan woonde twee jaar in de kamer beneden, waar oorspronkelijk het architectenbureau van Rietveld en Schröder gevestigd was. Voor Utrechtse begrippen is het een uniek huis. Truus zegt over haar verhouding met Rietveld: Hij gaf mij het medicijn waarmee ik zou durven leven. Leven vanuit je zintuigen en vanuit die gewaarwording jezelf opbouwen, bewust worden. Wat je zintuigen ervaren dat moet je hoog aanslaan. Elementair zijn. Niet de hoeveelheid die telt, maar de kwaliteit. Ik was er rijp voor en hongerig. Ik had zoveel gemist’. Truus volgens Rietveld: ‘Jij strooit ideeën om je heen’ en ‘Wat ik het meest in je bewonder is je verwondering’.

Iets om even op je in te laten werken vooral als Truus aan het eind van haar leven nog schrijft: Als je in staat bent om van uit jezelf te leven, kun je spreken van een geslaagd leven.’ Al moet ze toegeven, dat dat slechts zelden lukken zal.

De Weemoed van een Reiziger brengt je op veel plekken en het heerlijke is dat je het na een verhaal kan laten rusten tot er een moment is voor het volgende. Op dit ogenblik past het zeer in de tijd. Er is nog zoveel dat aan de uren knabbelt.

Overpeinzingen

We gaan het zien en beleven

Een toertje maken en dan een geschikte plek vinden om je auto kwijt te kunnen zodat er gewandeld kan worden is hier soms zoeken naar een speld in een hooiberg. Maar aan de rand van het Duna-Drava Nationaal Park zagen we een parkeerplek liggen en zoefden er vervolgens even zo vrolijk langs, helaas. Om dan een plek te vinden om te draaien is ook mijl op zeven, maar het lukte. Agaath mocht uitrusten en wij wandelden het bos in, terwijl ik nu voor het eerst eigenlijk echt, de GPX tracker inschakelde. Deze wouden zijn zo immens groot, dat je er makkelijk kan verdwalen ondanks een wandelroute.

Met sandaaltjes aan kom je niet zo ver en we hadden ook het draagbare stoeltje vergeten, waarop ik af en toe kon rusten als we langer zouden willen lopen dan twee kilometer of daaromtrent. Zaak was in ieder geval om op de paden te blijven wat de wandeling minder spannend maakte, maar wat wel zo veilig was. Alles bij elkaar genoten we toch even van dit kleine stukje natuur, de enorme bomen met hun grillige basten, de zandpaden, de stilte met name. We kwamen uit bij een spoorwegovergang en besloten de volgende keer, beter uitgerust, daar verder te wandelen.

Vlak daarvoor waren we op de bonnefooi een dorpje ingereden, waar wonderlijk werd gereageerd, argwanend gekeken naar de auto en terwijl we twintig reden gemaand tot nog zachter, een meisje met een jonger broertje dat alleen maar in de ban van haar telefoontje was en niet op of om keek, een vrouw die daar weer boos om werd, huizen die onbewoonbaar leken en toch bewoond waren en we wisten intuïtief, hier konden we maar beter niet gaan wandelen. Qua sfeer nodigde het in ieder geval niet uit.

Na de boodschappen wachtte ons thuis nog een reddingsactie. Er zat een grote groene sabelsprinkhaan tussen twee deuren in vast in het spinrag maar hoe zij ook trok met haar poten, ze kon niet echt van dat plakkerige goedje af. Papiertje en voorzichtig richting gras schuiven, ze kon af en toe haar vleugels alweer uitslaan en even later hield ze zich vast aan de grote grasspriet waar ze op was gezet. En toen we even later keken was ze al weggesprongen of gevlogen.

Voor de avond hadden we een film uitgezocht. Het was The Unlikely Pilgrimage of Harold Fry naar het boek van Rachel Joyce door de regisseur Hettie Macdonald. Het gaat over een spontane wandeltocht van een oude man dwars door Engeland heen, een tikkeltje sentiment, een vleugje romantiek, een piezeltje maatschappelijke onrust, een staartje massa hysterie, een wolk van vaderschaamte en een altruïstische dappere daad op een hoop en je hebt het beeld van de film zo’n beetje. Toch was het fijn om temidden van de onheilspellende berichten die hier in flarden neerdalen een staaltje goedheid der mensen te mogen smaken. Soms is daar ineens veel behoefte aan.

Prinsjesdag, maar naast de hoeden en hoedjes kunnen ze beter ook grote zakdoeken meenemen om het tranendal te stelpen dat vandaag als regen over de hoofden neer zal dalen. Welk verhaal heeft men voor ons gebrouwen. We gaan het zien en beleven.

Overpeinzingen

Daar gaan we dankbaar gebruik van maken

Enkele dagen geleden schreef ik over de brievenbus op de begraafplaats. Het was een passage uit het boek De Weemoed van de Reiziger van de schrijver Jan Brokken. Ik vond het een tof idee. Het verhaal ging aan het eind van het hoofdstuk nog verder. Het bleek namelijk te gaan over het graf van de Andalusische dichter Antonio Machado in Collioure, France. Het graf trok veel bezoekers, die allemaal iets achterlieten, een brief, een gedicht, woorden van bewondering, een vraag om voorspoed, foto’s, zakjes Andalusische aarde, noem maar op. De burgemeester wilde hier paal en perk aanstellen omdat het hele kerkhof bezaaid lag met deze parafernalia als er een flinke wind had gewaaid. Dus verzon hij het lumineuze idee van een brievenbus. Een keer per week trok de postbode naar de begraafplaats en eens in de maand werd de brievenbus geleegd door een vrijwilliger van de Stichting Vrienden van Antonio Machado. Het bewijs, dat zijn grootste wens, ‘Dat zijn woorden bleven voortleven’ een feit was.

Gisteren werden we overvallen door een enorme stortbui. Het had weliswaar wat gerommeld, maar toch bleef de zon schijnen. Er was boven duidelijk een gevecht gaande om het recht van de sterkste, want terwijl de regen met bakken tegelijk naar beneden kwam, bleef de zon stug volhouden, bijna tot aan de laatste snik. ‘Eigenzinnig en niet bang’, om met Annie M.G. Schmidt te spreken. En wonderlijk, geen regenboog te bekennen tegen die dieppaarse dreigende lucht.

De hagedissen op het terras hebben een leven als een luis op een zeer hoofd. De overrijpe vijgen vallen bij bosjes als pap uit de bomen en alles wat vleugels heeft en zoemt komt zich tegoed doen aan dat heerlijke goedje. Om beurten sneaken hun grote vijanden naar dat luilekkerland en snaaien snel met hun tongetjes een dikke wesp of vlieg weg. De vlinders, die ook dol zijn op dat heerlijke zoete goedje, worden door de wespen verjaagd. Een atalanta ging daarom maar eens overmoedig met de vleugels plat op het beton doodstil liggen. Een baken van rust. Had ze zich groot gemaakt en zo de wesp afgeschrikt. In ieder geval lieten ze haar toen wel met rust.

In de potten waarin de kantige look zo uitzonderlijk lang en uitbundig hadden gebloeid, zijn nu nieuwe asters gezet, prachtig violet van kleur, haar paarse zusjes staan al volop in bloei en trekken vooral de bijen aan. De look verhuisde naar de tuin. Vriendlief had opgemerkt dat je door Duitsland en Oostenrijk rijdt met een redelijk schone ruit om vervolgens binnen een mum van tijd in Hongarije onder de insectenspetters(helaas)te zitten. Hier is veel wilde en ongerepte natuur en relatief weinig verkeer, al neemt dat wel enorm toe de laatste jaren.

Dochterlief belde gisteren lang en uitvoerig. Zo gezellig altijd op zondagochtend. Het hele stel nog in pyjama met een slaaphoofd, maar uitgelaten en vrolijk. Ze heeft af en toe last van wat echte vrouwen perikelen. Dus daar waren de overbekende vragen. ‘Had jij dat nou ook?’ of ‘Hoe ging dat bij jou?’. Dat had ik ook graag van mijn moeder willen weten, die in mijn ogen vrij soepeltjes door dit soort processen heen rolde. Maar ik was 38 jaar toen ze overleed en was argeloos en zorgeloos en er totaal niet mee bezig van wat er eventueel nog zou kunnen komen. Dus waren er ook geen vragen in die richting. Er waren zes broers boven me en die zaten nergens mee. ‘Het kan verkeren zei Bredero’ en zo werd ik wijs door de ervaring. Wat fijn dat ik nu mijn lieve schatten het een en ander in kan fluisteren. Daar gaan we dankbaar gebruik van maken.

Overpeinzingen

Om zelf sjeu aan het leven te geven

Een nieuwe schrijfingang: Wie ruikt lekker.

De wereld ruikt alleen nog maar scherp. Scherp zoet, zout of bitter, scherpe rook of chemisch en verder gaat het leven reukloos voorbij, al een paar jaar. Verliezen van geuren gaat geleidelijk. Tot voor twee jaar terug waren lekkere geuren als knoflook, kaneel of anijs nog bij me. Maar nu vult mijn geheugen alles in voor dat werkloze trilhaarepitheel. Vooral zonder ui-, knoflook-, munt- en basilicumgeuren te moeten,  vind ik een verlies. Maar daarom niet getreurd. Het staat me nog vers voor de geest hoe het allemaal gegeurd heeft. Combinaties kan ik feilloos op mijn herinnering maken. Koken is een van mijn liefste bezigheden. 

Nu ik terug wil naar mijn jeugd en naar hoe mensen roken en wie, dan wordt het diep graven. De eerste geurherinneringen die opkomen zijn de mottenballen in mijn moeders klerenkast. Maar dat rook minder aangenaam toen dan dat ik me nu voor de geest kan halen. Elke zondag naar de kerk. Daar waren mensen die naar kamfer roken met hun zwarte kamgaren winterjassen, waarbij die geur zich bij de mannen nog mengde met sigarenrook of pijp. Zo’n zware lucht. Niet echt lekker maar wel heel vertrouwd, want zo rook opa ook. Naar sigaar en kamfer. Opa was lief. 

Iets later lagen er maja-zeepjes uit Spanje tussen mijn moeders kleren in hun zwart met rode papiertjes en kwamen er zakdoekjes met eau de cologne erop, een paar druppels uit de grote fles met het blauwe etiket en de krullerige letters en als ze de was deed rook zij en de hele keuken naar sunlight zeep, die wij dan mochten kloppen. Zachte geuren. Later werd dat vervangen door Dreft en Biotex, mijn moeder zwoer bij Biotex. Dat waren de lekkere geuren van het verleden, samen met de wierook, de brylcreem en de scheerzeep. Ze werden extra lekker omdat er een groot contrast was met hele nare geuren. Die van de fabriek van de Benenkluif op de Lange Lauwerecht, een penetrante geur van verbrande botten en verschroeid vlees die over alle straten hing en de zware koolraap- en bloemkoollucht in huis, als ze tot pap gekookt werden. 

In Frankrijk leerde ik de frisse Marseille-zeep kennen. Wat een heerlijk goedje was dat. Je waande je in een veld vol bloemen als je een bloes aanhad, die gewassen was met Marseille-zeep. 

In mijn puberteit kwamen er heerlijke geuren bij, die van Musk, Patchouly en Afghaanjassen. De allerlekkerste grond-geuren die je maar kan denken, zelfs als de jassen nat waren. Musk rook heel sterk en stoer, maar de patchouly maakte alles in me los wat er aan beleving te halen was. Ik droeg de druppeltjes achter mijn oor of op een van de polsen met verve. Dat je zo in een geur past. Toen ik ‘m in de verpleging niet meer opdeed, vergat ik het een beetje en werd die eigen-wijze geur gesmoord in de Chanel 5 om me heen, die in de verpleging in de mode was in die dagen, maar eenmaal opnieuw geroken wist ik: Dat is mijn geur. Daar wil ik alleen nog maar naar ruiken. Vanaf die tijd in de jaren negentig nooit meer zonder mijn Patchouly de deur uit. Ook dat ruik ik niet meer, maar wat zou ik dat toch nog graag een keer willen opsnuiven.

Bijvoorbeeld ook de geur van boeken, ieder nieuw boek weer, vers van de pers en daarna alle oude boeken in hun kasten of de simpele dingen als hoe ene krant ruikt of de pas gewassen baby-haartjes met Zwitsal, iets lekkerders, mooiers en onschuldigers bestaat niet. Zijdezacht en heerlijk om tegen je aan te koesteren en diep op te snuiven opdat je nooit vergeten zal hoe dat intense gevoel was.

Je weet pas wat je mist als het er niet meer is. 

Er gloort hoop aan de horizon, want er is iets uitgevonden tegen Anosmie. In de wintermaanden ga ik daar achteraan. Wie weet wat het oplevert. Vroeger zei men bij het moeten maken van een keuze: ‘Nee heb je en ja kan je krijgen’ en ‘ Niet geschoten is altijd mis.’ Zo is het maar net. Het is de moeite van het proberen waard, want zonder geur en smaak is het leven wat minder spannend geworden, een tikkeltje vlakker en moet je alle zeilen bij zetten om zelf sjeu aan het leven te geven.

Overpeinzingen

Weidsheid, schoonheid en stilte

Confetti was de schrijfingang van vanmorgen. Onmiddellijk moest ik denken aan de spikkels op de golfjes van een kalm water als de zon er laat haar licht op laat schijnen. Maar ook aan de lol die we met de kinderen van de groep hadden, als de wind alle bladeren op een grote hoop had laten waaien in de herfst. Niets leukers dan er doorheen ritselen met je voeten en daarna met handen vol ze in de lucht gooien, zodat ze weer naar beneden zouden vallen.Staaltje confetti-leut van de natuur. Natuurlijk konden de bloesembomen ook niet uitblijven. Hier op de Hof met al haar wilde pruimen en kersenbomen, mirabellen en kroosjesbomen dwarrelen er na de lente aardig wat wolken confetti naar beneden en in de zomer of de herfst met de val van het fruit het doen ze het nog eens dunnetjes over. Om over de Japanse bloesembomen maar te zwijgen. Confetti genoeg.

Stef Bos heeft het in zijn nieuwe column in de Zin over Voltaire en Nietzsche, en hoe we in deze tijd de grote denkers missen. Hij haalt een bekend zinnetje van vroeger aan: ‘Wat je zegt ben jezelf’ en hoe waar het is wat daar staat. Als een ander wat over jou te zeggen hebt, zegt het meer over degene die dat zegt. Dat is mooi hè. Als je dat kan bedenken en je niet gelijk in de emotie schiet. Dat geduld en die wijsheid zou ik wel willen hebben.

We waren gisteren de film 45 Years aan het kijken in navolging van The South Path. Ook een ouder echtpaar en een wonderlijk ontdekking, waardoor hun leven vooral een moeizame wending neemt. Jaloers zijn op iemand die nooit met de man getrouwd is geweest met in je hoofd de veronderstelling dat dat had kunnen gebeuren als niet…Als/Dan is geen slimme leidraad en jaloezie op zo’n leeftijd is bijna niet meer mogelijk, bedacht ik me. Of in ieder geval, dat zou er niet meer moeten zijn. Blijf in gesprek, praat het uit, stop niets weg in die donkere krochten van je ziel. Daar worden we niet vrolijker van, integendeel. Midden in de film werd ik gebeld. Het was vriendinlief die video-belde omdat de kamer vol zat met de reünie-gangers. Zo gaaf om al die vertrouwde koppies te zien. Geen idee hoe ik er aan de andere kant uitzag, want moe en murw, haha. Ze herkenden me in ieder geval nog, maar verstaan kon ik ze nauwelijks. Toch was het heel fijn.

Klaas Vaak was kennelijk door zijn zand heen, want ik was om twee uur klaar wakker. Ik begrijp hier de honden niet, die buiten op het erf de wacht moeten houden. Ze slaan geregeld aan en ik heb niet de indruk dat er dan gekeken wordt of er iets mis is. Zelfs het bejaarde mottige scharminkeltje van de buurvrouw doet mee, vlak onder ons open raam wel te verstaan. Dat is vast ook een van de oorzaken. Maar als je niet op onderzoek uitgaat, dan sla je de plank toch mis als er ineens wel wat zou zijn. Blaffende honden en bosmaaiers zijn helaas alom vertegenwoordigd. Zaak is je er niet aan te gaan ergeren. Soms lukt dat de ene keer beter dan de andere.

Gisteren zaten we op de grens van het bos en de nieuwe voedselhof en we hadden het uitzicht over de grote wolkenpartijen die langzaam maar gestaag langs dreven als grote schepen van licht en lucht en ik bedacht hoe dankbaar je kan zijn voor zo’n uitzicht met die weidsheid, schoonheid en stilte.

Overpeinzingen

Altijd weer een feest

Nog snel de rijpe vijgen geplukt voordat ze voos door de wespen uit de boom op de grond ploffen. Iedere dag een maaltje. Gisteren wilde ik gekarameliseerde vijgen met kip maken, maar door het schilderen, twee doeken afgemaakt en aan het grote doek verder gegaan, was ik eigenlijk te laat en te moe om er nog aan te beginnen. Wel heerlijke gebakken spruiten met ui, paprika en kip en aardappeltjes gemaakt. Zo’n tijd geleden.

Gisteren hadden we zin in een échte film en hadden het Zoutpad gekozen. We hadden het boek alle twee gelezen en het lag ons zeer na aan het hart. De beschrijvingen van de natuur en het gevecht ermee door de ziekte van Moth was iets dat we ons heel goed voor konden stellen. Alle drukte om de reputatie van de schrijfster en wat nu wel of niet waar is van het verhaal boeide ons eigenlijk niet. Het was een pakkend verhaal, goed beschreven en daar draait het wat ons betreft vooral om. We hebben elk detail van de film dan ook goed in ons opgenomen, vooral omdat we het op de Ipad keken, omdat de televisie het al een tijdje heeft begeven. Dan word je letterlijk en figuurlijk met je neus op de feiten gedrukt. Naar onze bescheiden mening komt de film, met het boek in je achterhoofd, heel goed uit de verf. De strijd, de natuur, de summiere aanwijzingen naar de beginsituatie en het waarom ervan. Goede acteurs, mooi beelden van de natuur en van de worsteling en gaandeweg de film verbreden de beelden zich, net als hun blik op de wereld, zoals er in de VPRO-recensie wordt gezegd, waarin het camera werk van Hélène Louvart wordt geprezen. Wij hebben er met veel genoegen naar gekeken en bedacht, dat we hier ons eigen (zout)pad hebben om te ontginnen. (De voedselhof). Werk tot in de Eeuwigheid.

Zoonlief belt en zit met de kleine Njong aan het ontbijt. Maar die is allang niet klein meer en praat, als hij niet verlegen is, al heel wat. De reis naar Ambon en Bali is heel goed bevallen en vooral de laatste tien dagen op Bali, een wonderschone plek met veel zee, zon en schoonheid. Ze hebben een pan vol met de prachtigste schelpen. Geweldig mooie exemplaren zitten er tussen. ‘Parels van de zee’ vind ik.

In het boek Het Kwartet vindt een kleine kentering plaats als de vier vrouwen zich meer gaan roeren binnen de wereld van de filosofie. Ze verwerpen de filosofie van het logisch positivisme van Ayer, die met zijn boek Language, Truth en Logics aardig wat te weeg had gebracht in Oxford en Cambridge. Zijn analytische filosofie liet geen ruimte voor levensvragen. Maar de vier vrouwen, met de oorlog nog maar net achter hen, verzetten zich tegen die rationalisering, waar het gevoel niet meer aan te pas kwam. Samen pleitten ze voor de herwaardering van de moraalfilosofie.

In onze gesprekken over het boek voelen we onze verbondenheid des te meer en niet alleen is het boeiend om samen over de verschillende vormen van die filosofiegeschiedenis te praten, maar onderscheiden we ook op onze eigen manier de zin van de onzin. Ik vertel Lief hoe boeiend het was als je begint met het principe van de filosofie aan kinderen van vier tot zes te leren. Namelijk het stilstaan en de bewustwording van een object, een glas, een stuk fruit, een sleutelhanger, door te observeren, te voelen, te ruiken, te kijken en eventueel te proeven en door het te laten omschrijven. Het leverde in de filosofielessen altijd prachtige momenten op, waarbij de kinderen in de groep feilloos de diepte in konden gaan door hun schrandere opmerkingsvermogen. Dat is de waarde van de aandacht voor de filosofie in het bijzonder. Altijd weer een feest.

Overpeinzingen

Omdat woorden zo helend zijn

‘Wat is je lievelingswoord,’ vraagt WordPress aan haar gebruikers. Ik heb er een die alleen mijn collega’s kennen, omdat het een verbasterd woord is dat voor mij uit de koker van Annie M.G.Schmidt komt. Het is het woord ‘Stekeletee’, in de betekenis van een nijdasserig prikje in de discussie, een steek onder water, olie op het vuur. Steketee is een achternaam die zowel in Annie’s Beertje Pippeloentje als in het Nederlandse namenregister voorkomt. Maar Stekeletee is door mij naar een heel ander niveau verheven. Wat mij betreft dekt hier de vlag geheel en al de lading. Je voelt het prikken in je nek.

Het is regenachtig buiten, maar heerlijk weer om te werken in het atelier, deur wagenwijd open, frisse lucht erin en gaan. Er waarde een goede vibe rond. Twee doeken afgemaakt naar volle tevredenheid en door zoonlief nog even op een kleinigheid gewezen, altijd fijn als de familie meedenkt. Mijn eerste criticasters.

Met het tekendagboek ben ik nog steeds een inhaalslag aan het maken. Ik loop nu nog een weekje achter. Stug doorgaan maar. Even zonder inkleuren, dat kan altijd nog. Ik ben nog een beetje op zoek naar een betere invulling ervan, misschien een zonder woorden tekendagboek?

Het boek dat ik van nichtlief heb gekregen voor mijn verjaardag: De Weemoed van de Reiziger van Jan Brokken begint aanstekelijk en zet me onmiddellijk aan het denken. De hoofdpersoon uit het eerste verhaal loopt op een snikhete dag over de begraafplaats en ontdekt ineens bij een grafsteen een brievenbus. Brieven aan de overledene? Eerbiediger dan bloemen. Zeker als de overledene een dichter is. Twee intrigerende dingen. De brievenbus, brieven aan een overledene, zet aan het denken tot wie ik me zou wenden voor een dergelijke brief. Waarom is een brief eerbiediger juist voor de dichter, dan voor een ander.

Met het doek in mijn achterhoofd, dat op een kleinigheid na af is is de brief natuurlijk voor haar, mijn schoonzusje. Op haar begrafenis of crematie ben ik niet geweest, maar dankzij het verhaal van Jonathan de zeemeeuw die ze zelf heeft uitgekozen als omlijsting voor haar heengaan, was ik er toch bij. De zeemeeuw wil bij het vliegen steeds nieuwe beperkingen overwinnen en wordt daardoor het symbool van het verlangen van de mens naar onbegrensde vrijheid. Het wordt een dankbrief voor alle tijd die ze heeft gestopt in de hulp aan haar broer, de vader van de kinderen, om hem te helpen bij de moeizame weg die hij de laatste jaren te gaan had. Steeds stond ze klaar om hem op te halen of weg te brengen als dat nodig was of voor een goed gesprek en bracht op die manier meer balans in de situatie. Ik zou ook willen vragen hoe ze op het idee is gekomen om het verhaal van Jonathan als leidraad voor het afscheid te gebruiken, omdat ik het een geweldige vondst vond. Het past haar als een handschoen. In ieder geval een brief in liefde.

Als ik zo’n brievenbus tegen zou komen bij een grafsteen, dan zal het moeite kosten om niet even stiekem te kijken of er brieven in zitten, én zo ja, om ze dan niet even stiekem te lezen. Maar dat zou ongepast zijn. Handgeschreven brieven erin denken is misschien wel net zoveel waard. Bij nader inzien lijkt het me wel wat. Geen grafsteen maar een brievenbus en heel veel post. Het mes snijdt aan twee kanten. Aandacht voor de lieverd die er ligt en troost voor degene die schrijft, omdat woorden zo helend zijn.

Overpeinzingen

Een lange weg te gaan

Het was gisteren hagedissendag. Ze hadden kennelijk besloten om het terras tot hun wandelgebied te maken. Eerst wandelde een grotere hagedis met zijn mooie groen/bruinige kleurtjes rond, dook tussen de bloeiende basilicum en vervolgde daarna de weg vice versa over het terras weer terug. Even later kwam spuit elf ook langs, een ieniemienie bruine versie van zijn pa of ma. Wat zijn ze toch grappig deze bijna préhistorische beestjes met hun geschubde huid, de grote kaken en die kleuren. Het grut is klein, glad en bruin en ze schieten voor je voeten weg als je door het veld loopt. Vorig jaar hadden we per ongeluk de eieren opgegraven bij het planten van de tijm. Ze leggen de eieren in de vroege zomer en in deze maanden komen die dan uit, getuige de vele jonkies.

Ik weersta de verleiding om aan de rozenbotteljam te beginnen. De wilde rozen bottelen overal. Prachtig om te zien. De informatie op internet leert dat het in januari de beste tijd is om ze te plukken, als de eerste vorst er over is geweest zijn ze zoeter en zachter. Als ik in mijn geheugen graaf, kom ik de rozenbotteljam in de kelder van ons ouderlijk huis tegen, gekocht wel te verstaan, en toen de kinderen klein waren gaven we ze rozenbottelsiroop. Ook dat is kinderlijk eenvoudig om zelf te maken. Toch eens proberen van de rozen op de volkstuin straks.

Het portret begint te komen, ineens was haar koppie er. ‘Moeilijk lijkt me,’ schrijft vriendinlief. Maar het is ook fijn aan de andere kant, om zo intens met haar te leven nu ze er niet meer is. Het is wel zoeken en de kalmte bewaren, niet toe te geven aan de drang om overnieuw te beginnen, maar stug door te blijven zoeken.

Dochterlief belde gisteren lang en uitvoerig. We hadden het over de tocht tegen femicide die in Utrecht was gelopen door veel vrouwen en mannen en ze vertelde dat de filosoof opmerkte dat iedereen wel boos leek op hem. Hoe leg je uit aan je zoon, waar je alle hoop van de wereld aan mee wil geven, hoe dit gegroeid is en dat het niet gaat om mannen in het algemeen maar bepaalde mannen in het bijzonder. Dat we de opvoeding misschien anders moeten aanpakken op gebied van respect en taal, dat we moeten leren elkaar ruimte te geven en hoe moeilijk dat is in tijden dat je zelf nog volop aan het zoeken bent, bijvoorbeeld tijdens de pubertijd. Dat het om bewustwording draait en rekenschap geven, verantwoordelijkheid nemen, maar ook geven. Met Lief filosoferen we er over door, na het voorlezen van Het Kwartet, waar de vrouwen ook worstelen en dan zijn dit nog wel de meest bevoorrechte vrouwen van hun tijd, want ruimdenkende of rijke ouders. Ga er maar aanstaan. Het begint met acceptatie van jezelf.

Het is fijn om zo met elkaar verweven te zijn dat je alles, maar dan ook alles met elkaar kan bespreken. De schrijfingang van vandaag was: ’Bij wie ben je kind aan huis’. Vroeger of nu. Het sluit aan bij onze gedachtengang van gisteren. Mijn slotconclusie was: ‘Kind aan huis-zijn is vooral daar waar je je veilig voelt en je geen schone schijn hoeft op te houden. Waar het vertrouwd ruikt en voelt en waar een sfeer is van huiselijke geborgenheid. Waar je jezelf mag zijn.’

Dat betekent, dat met die kennis van het eigen ik, je de wereld onbevangen tegemoet kan treden. Hier ben ik en ik weet wat ik waard ben. Vaak is er, om dat te bereiken, een lange weg te gaan

Overpeinzingen

Dat geeft de burger moed

Dochterlief belde, ze had een vijg en een clematis in de aanbieding plus schone zoon die wel een plantgat wilde graven op de volkstuin. Waar zou het allemaal kunnen staan? Van mij kreeg ze groen licht om dit naar goeddunken te doen. Later een videobelletje van de door brandnetels en Nicandra overwoekerde tuin en daarna de foto’s van een deels opgeschoonde tuin, de vijg zolang voor de composthoop,, omdat die eruit gaat in november als ik er weer zelf aan de slag kan en de clematis tegen het hek tussen dochterlief en mij in.

Wat een heerlijk begin van de dag. Het werd al snel broeierig warm. Ik trotseerde de vele wespen en plukte de rijpe vijgen uit de boom. Na het wassen, sneed ik ze in vieren. Deksel op de pan. Na de boodschappen mocht de kook erover. Vijgenjam was de bedoeling. Er staan al drie potten vijgenchutney. Dit zou ook weer een beste voorraad worden. En de boom hangt nog boordevol.

Voor de uitgebloeide kantige look uit de grote potten hebben we plek in de border gemaakt. Daar mogen ze voor vast blijven staan. Het blijkt dat de hele plant te eten is. Stengel, blad en vrucht zijn als een geurige look te gebruiken. Eens kijken of we zaad kunnen overhouden.

Na de boodschappen alweer een verrassing. Post met een QR-code waarachter oudste dochter met haar gezin bleek te zitten, ze zongen drie verjaarsliedjes door elkaar en je kon de snelheid ervan verhogen of verlagen. We hebben hier zitten schuddebuiken van het lachen, wat een heerlijk alternatief voor ‘even langs komen’ wat hier ten enenmale onmogelijk is.

De vijgen gingen voorspoedig en tegelijkertijd maakte ik een overheerlijke paprikasoep met vis en aardappel. Multitasken is ons al zolang gegeven. Een oog op de vijg, een oog op de soeppan. Beide waren goed gelukt. Geen kleine potten meer voor de jam, dan maar grotere. Wel even de staafmixer erdoor. Dat resulteerde in 2 1/2 pot.

Het voorlezen in het Kwartet van Clare Mac Cumhaill en Rachael Wiseman houden we goed vol. Iedere avond zakken we, in de luie stoelen buiten, af naar de perikelen van de vier vrouwen in en rond oorlogstijd. De oorlog is inmiddels afgelopen en er dolen door Europa enorme hoeveelheden ontheemde mensen rond zonder huis en haard. Berooide vluchtelingen zonder bezit. Iris Murdoch ontmoet Sartre en dat levert een interessant hoofdstuk op. Sartre losgeweekt van de Beauvoir biedt een ander perspectief. De paralellen met de huidige tijd zijn opmerkelijk.

De nieuwe Groene heeft de gids als bijlage en een bijlage van 20 jaar Muziekgebouw. Lange artikelen, veel leesvoer. Nichtlief vroeg vorige week of ik ‘m altijd helemaal uitlas. Nee, dat niet. Ik heb zo mijn lievelingsrubrieken. Als iets me niet trekt sla ik het over. De keuze van de vrije wil. De concentratie is er ook niet altijd. Soms merk ik dat ik weg dwaal en moet ik teruggaan om te lezen wat ik eigenlijk al gelezen heb, maar zonder me er bewust van te zijn omdat ik aan de tuin dacht, aan de kinderen, aan een kolibrievlinder, aan de wolken, aan een ander boek. Wegdromen. Dat is eigenlijk een zeer aangename bezigheid, die we wel eens wat serieuzer zouden mogen beoefenen.

Aanstaande vrijdag is er een reünie van de collega’s van de Jenaplanschool. Ik ben er niet bij. Ik wilde erbij schrijven ‘spijtig genoeg’, maar toen bedacht ik me. Spijt is het niet. Jammer ja, maar het kan altijd in de herhaling. Ik mis wel meer. Als dat altijd spijtig wordt gevonden, zwelg ik hier van heimwee en dat is het niet. Nu zijn er de videoboodschappen van thuis, de vrolijke kaarten, nicht en haar man als vrienden voor het leven, straks zijn er de kinderen, de collega’s, de familie, de zussen, de week uit met de twee dochters. Andere leest, nieuwe verhalen. Dat geeft de burger moed

Overpeinzingen

De Sprong

Het schrijven van vandaag wil ik jullie niet onthouden. Het kriebelt vast wat herinneringen los. De schrijfingang was ‘De Sprong’.

Dag 19) De Sprong

Er stond een lange rij voor mij. Zoals altijd was ik als achterste aangeschoven. Hoe langer je het moment kon uitstellen, des te beter. De gymleraar stond naast de bok. Er was nog geen afzetplank. Voor de meesten was dat niet nodig. Immers we waren de hele dag buiten aan het bokkie pie-en zoals dat op straat heette. Niet dat ik daar ooit aan mee deed. Het lokaal waarin we waren was hoog. Aan de muren grote klimrekken, hoog boven ons de ringen, die je naar beneden kon laten zakken. Een onbestendige grijze vloer. Er hing een lucht dat een mengelmoes was van gummi en zweet, onaangenaam, in mijn geval kwam daar ook nog angst bij. De houten lange banken aan weerskanten tegen de hoge muren. Er viel licht door de ramen hoog bovenin de ruimte, die met een hendel open waren te trekken. 

Nog een halve klas voor me. 

Verderop stond de lange bok met de twee steunen erop. Vandaag was de kleine aan de beurt. De vloer trok koud op onder onze blote voeten. Hierna zouden de ringen en het touw aan de beurt zijn. De bedoeling was langs het touw omhoog te klimmen. Dan bungelde ik als een hoopje ellende onderaan en probeerde wanhopig maaiend met mijn benen om omhoog te komen. Iets wat eenvoudigweg niet lukte. De ringen gingen beter, maar een vogelnestje maken was voor iedereen die magerder was dan ik een peuleschil. Zwaaien was al wat ik kon. Springen was helemaal mijn stiel niet. Eigenlijk was de hele gym niet aan mij besteed. Gaf mij maar een boek, dan sprongen mijn ogen gretig over de letters en las ik soepeltjes mijn hele hoofd vol. 

Nog een/derde klas voor me. 

In een nis lagen de matten en de hoepels. Dat laatste kon ik wel. Zelfs met zes stuks tegelijk. Er is nog ergens een foto met afgetrapte gympies, een pony tot bijna over mijn ogen en al die hoepels om mijn lijf. En maar draaien. Zo heerlijk. Tollen ging ook altijd goed. Een flinke zwieper aan de tol en prrrrrrrrrt daar danste hij over de stenen, zo snel dat je alleen een egale kleur zag.

Nog vijf kinderen voor me

Ik stelde me voor dat ik vleugels had en weg kon vliegen, ontsnappen uit de rij. De barse stem van de gymleraar, het tellen, de afzet op je blote voeten lagen ver onder mij en ik vloog en vloog, recht het raam uit, als een veertje zo licht, de vrijheid tegemoet. Langs de kerktoren, boven het klooster en hoger en hoger. Kijk eens, ik vlieg!

‘Van der Linden’ Dertig paar ogen waren op mij gericht. ‘Stond je weer te dagdromen.’ Ook daar was ik goed in. ‘Nee, meneer.’ ‘Nou, je bent aan de beurt. Aanloop, afzet, spring!’

Het klonk zo simpel en als je geluk had, hield ie je vast bij een arm en sleurde je erover heen. Alleen, bij mij ging dat anders. 

Ik haalde diep adem, nam een aanloopje, zette af en…Klapte met bok en al omver. ‘Wat doe je nou’ riep de man verschrikt. ‘Uh…Ik sprong’. De joelende kinderen langs de kant hoorde ik niet omdat ik verwoed de tranen aan het wegslikken was. Ik nam me voor om nooit, maar dan ook nooit meer mee te doen met gym. 

_________________________

Overpeinzingen

Net als de bellen aan de hop

Hoera, we hebben Hop met bellen. Dat wil zeggen: We hadden hop met bellen. Die mooie eigenwijze plant was in de den gekropen en Jozef had zonder te kijken de boom al vrijgemaakt. Voor volgend jaar mag deze prachtige hop gewoon de boom in, letterlijk dan en niet figuurlijk, natuurlijk.

Vandaag is er een feestje in de familie en schitteren we door afwezigheid, maar in gedachten zijn we erbij. Zoonlief beloofde te videobellen. Dat is het mooie van deze tijd. Afstanden zijn met gemak te overbruggen. Veraf is ineens dichtbij. Gelukkig maar.

In de kunstbrief van See All This staat een schrijven over een opmerkelijke vrouw. Isabella Ducrot, die zich zelf ‘een oude dame uit Napels’ noemt en kunstenaar is. Ze is pas na haar vijftigste begonnen om haar fascinatie voor alledaagse voorwerpen, haar grote liefde voor textiel en haar gevoel voor schoonheid om te zetten in grote mixed-media werken. Ze stralen fragiliteit en zachtheid uit maar ze zijn oersterk. Ze is nu 94 jaar oud en nog altijd aan het scheppen. In deze fase van het leven kun je niet meer liegen. Je kunt niet anders dan dingen zeggen die waar zijn… Laat de waarheid eruit snikken. Er is geen morgen, er is geen morgen.’ Wat een mooie omschrijving van haar ouderdom. Van de laatste zin zou ik willen maken: ‘En er is altijd de hoop op een nieuwe morgen.’ Anders klinkt het zo eindig.

Ze is ervan overtuigd dat het leven voor veel vrouwen pas echt begint na hun zestigste. ‘-Het moment dat we vrij worden-‘. Dat laatste is achterhaald. Tegenwoordig ligt het aan de keuzes die je maakt, of je al dan niet tijd hebt om je aan iets te wijden. Na je pensioen, merken we hier, is er een veel grotere vrijheid. Maar die komt eigenlijk wel erg laat. Dan is het zaak om ruim voor die mijlpaal met een goede planning toch het nodige te kunnen doen.

Toen mijn moeder alleen nog de tweeling had rondlopen, besloot ze dat ze voor het grootste gedeelte klaar was met de opvoeding en kon ze aan haar zelfontplooiing beginnen. Ze had naast het drukke huishouden altijd al veel gelezen, maar na haar vijftigste waren de gespreksgroepen in de parochie aan de beurt. Ze zette zich in voor de oecumene en zaken als vrouwen op het altaar en struinde tweedehands boekenwinkels af op zoek naar nog meer voeding. Daarnaast werkte ze als vrijwilliger bij de telefonische hulpdienst en ging ze langs de eenzame oudjes in de wijk. Het kerkkoor en de clubjes van het vrouwengilde en de katholieke huisvrouw heeft ze altijd wel aangehouden naast alle drukke bezigheden .

In principe maakte mijn vader hetzelfde door. Zijn grote hobby, sportmasseur, had hij uitgebreid naar een opleidingsinstituut voor fysiotherapie en daar gaf hij enthousiast les aan de jonge studenten. Dat was na een vervroegd pensioen en dat heeft gelukkig nog een aantal jaren geduurd tot een hersenbloeding een einde maakte aan deze opleving. Heel spijtig en wat wisten we toen nog weinig van de aard van die aandoening en wat het teweeg bracht.

Dat betekende voor mijn moeder eveneens het terugdraaien van de activiteiten, al probeerde ze de gespreksgroepen er wel in te houden, want dat was dé voeding voor haar geestelijk leven samen met haar leesuurtjes. Mijn moeder kon verdwijnen in haar boeken en dat bleek een zegen toen er steeds minder mogelijk werd. Een weg vinden om boven jezelf uit te kunnen stijgen. Of je nu kunst maakt of je verliest in een boek. Beiden zorgen voor persoonlijke groei. Iets om te koesteren, net als de bellen aan de hop.

Overpeinzingen

Druiven in de pan en zeven maar

Nichtlief en ik hebben via de app wat oude foto’s uitgewisseld. Mijn moeder in haar dienstje, opa voor het huis in de Meloenstraat, in middels tegen de vlakte, mijn moeder en haar opoe in de Dahliatuin. Een gekleurde trouwfoto van haar ouders. ‘Wat een mooie rijzige vrouw was jouw moeder’ vond ze. Inderdaad en vergeleken bij mijn iets kleinere vader zonder haar viel dat nog meer op. Het huis in de Meloenstraat is tegen de vlakte gegaan, maar ik vind wel een oude foto van het huis ernaast van de kruidenier van mijn moeder. Hij bracht altijd de boodschappen aan huis en je mocht er aan het eind van de maand op de pof kopen. Dat was wel nodig met ons grote gezin. Grappig. Ik kende de foto niet. Nostalgie ten top.

Gisteren kon ik geen foto’s bij de blog plaatsen omdat er geen ruimte meer was, dus vanmorgen begon ik met opschonen hier en daar. Als je je nou verveeld, is dat een klus die je aan kan pakken. Mijn hemel wat is het toch altijd een werk. In het begin liet ik de foto’s groot staan en dan verlies je nog meer ruimte.

Het schrijven van vanmorgen ging over veren en alle sprookjes, boeken en verhalen met en over veren kwamen langs. Achter dat deurtje verbeelding in mijn hoofd zit nog altijd aardig wat opgeborgen, een onuitputtelijke bron welhaast, kan ik stellen. Iedere keer als ik het op een kiertje zet of langs de planken speur rollen er verhalen naar beneden, bestaande en nieuw verzonnen verhalen. ‘Wil je geen kinderboek schrijven’, vroeg nichtlief. Maar ik ben geen afmaker. Ik verzin ze, schrijf ze uit en dan is het klaar. Die andere dingen, verhalen opsturen, uitgevers proberen te vinden en dat soort werk, ligt me niet heel goed. Illustreren ervan dan weer wel. Er zijn hele grappige tekeningen naar aanleiding van de verhalen ontstaan.

Ach ja, zoals ik eerder schreef, de dagen zijn te kort of de wensen te lang. Gisteren een snelle opzet gemaakt in grisaille van mijn, dit jaar overleden, schoonzusje of was het alweer vorig jaar. De tijd vliegt ook op vleugels. Het was fijn om in een paar streken toch al een rake gelijkenis te schetsen. Nu eens kijken of het wil lukken met het aanbrengen van de glacis.

Tussendoor heb ik gisteren aardig wat aan druif van takken en takjes ontdaan. Ze gaan zometeen in mijn pannetje voor de druivensap. De vijg smeekt me om zijn rijpe vruchten bijtijds te plukken, maar die geeft zo overdadig dat we echt wat laten hangen voor de vogels. Ze vallen er dan wel van af en dan wordt er nog aardig door het grondvolk van gesmikkeld.

De laatste was is gedaan. Zoonlief belde. Ze zijn weer een beetje bijgekomen van de lange reis. Zo’n vlucht gaat je niet in de kouwe kleren zitten. Ik ben benieuwd hoe het met zuslief gaat, die direct bij aankomst dezelfde dag met mijn andere twee zussen een paar dagen naar Wijk aan zee gingen. Spijtig om dat te missen, maar ook fijn voor hen, dan konden ze naar hartenlust wandelen zonder mijn zen-tempo. Maar nu even haast maken. Druiven in de pan en zeven maar.