Overpeinzingen

Onmisbaar in een mensenleven

De hele dag op de benen met een hoofd zo vol van al het schoons dat we zagen, dat het nauwelijks te verwerken was en vandaag zou het staartje volgen. Het meisje achter de kassa in het Zsolnay cultuurcentrum vertelde dat we alles binnen drie uur konden bekijken, maar dat de kaartjes twee dagen geldig waren. Er waren minstens vier musea, een laboratorium, twee exposities, een conservatorium een niet te bezoeken keramiekfabriek in bedrijf en dan al die architectonische hoogstandjes van typisch Hongaarse makelij met tegeltjes om te zoenen zo mooi.

We keken onze ogen uit en waren voornemens om dag twee zeker terug te gaan. Vanmorgen bij het wakker worden, bleek al hoe al dat moois nog aan het nawerken was. Kon daar wel nog meer schoonheid bij. We moesten wijs zijn en bedenken dat we het voor de prijs niet hoefden te laten om een volgende keer er naar toe te gaan, als we bijgekomen waren van alles wat aan ons oog voorbijgetrokken was. Dat zou nog wel even duren.

Ik ben niet echt van het ach en wee om porselein al zie ik de kunst er wel aan af, maar gisteren op de afdeling Art Deco werd ik volledig geraakt door de voorstellingen die om de vazen heen gekruld waren, de prachtige ranke vrouwenfiguren en de faun en Pan en wonderlijke dieren die afgebeeld stonden in prachtige kleuren op het plateel. Vlak daarvoor was ik bijna onder aan de lange trap terecht gekomen toen ik het opschrift boven de deur fotografeerde en daarbij niet keek waar mijn voeten terecht kwamen. De engeltjes op mijn schouder grepen me stevig bij de lurven en trokken me weer omhoog. Met dank aan boven.

Nu we besloten hadden om de bezienswaardigheden opnieuw te spreiden en ons oude voornemen uit te voeren, één dag thuis, één dag weg of daaromtrent, het mag eens een dagje schelen, zag alles er al weer rustiger uit en werd het in het hoofd wat kalmer.

Bovendien was ik gisteren niet aan de vraag van zoonlief toegekomen die zich had afgevraagd welke rolmodellen er in mijn leven waren geweest en nog. Al sparrend met lief bedachten we dat je niet kon spreken van rolmodellen. Er is niemand bij waarvan ik denk ‘Goh ik wou dat ik zo was’. Er zijn echter met regelmaat mensen of ontmoetingen geweest die zaadjes hebben geplant of iets in werking hebben gezet, omdat ik er dieper over na ging denken en daardoor voor een bepaalde richting koos.

Mijn juf Nederlands op de ULO, ze heette juffrouw van Harte, was bijvoorbeeld iemand die me de literaire wereld heeft binnengezogen. Ze vond mijn opstellen goed, liet me gedichten declameren en ik ging er gedichten door schrijven, leerde op een podium te staan. In wezen bracht ze me de literatuur en het drama. Twee richtingen die mijn leven lang belangrijke factoren bij veel van mijn ondernemingen zijn geweest.

Zuster Adolpha op de kleuterkweek deed een goede duit in het zakje, door mijn tekeningen de hemel in te prijzen. Dat was voor mijn onzekere puberbrein een goede opsteker, waarbij ze me aanzette tot nieuwe technieken en experimenten.

Juffrouw Weldam van de kleuterschool op Kanaaleiland, ik heb haar al eens genoemd, gaf me regelrecht de visie op wat voor juf ik wilde worden en hoe perse niet( niet als de andere juffen op al die diverse scholen).

Tussen de mensen die ik in het ziekenhuis verpleegd heb, zat regelmatig ook zo’n zaadjesplanter. Er is niet veel voor nodig. Soms is een opmerking al voldoende om het een en ander te duiden, soms werden regelrecht de kaarten geschud. Bewust leven is wat er gebeurt als de kwetsbaarheid van de mens boven komt drijven. Even zo vrolijk was dat de interactie met mijn kinderen en de kinderen op school. Open staan voor nieuwe ontwikkelingen, niet vastgeroest zijn, zijn daarbij belangrijke voorwaarden.

Dat dat niet altijd gelijkgestemden hoeven te zijn moge duidelijk wezen. Juist de contradictie roept met recht nogal eens op tot zelfreflectie en daarmee tot nieuwe denkbeelden.

Met mijn klankborden is het goed toeven. Door te brainstormen ontstaat er een proces in mijn hoofd dat tot grote hoogten aan kan zetten. De fantasie en het beelddenken scheppen meer dan eens een volkomen nieuwe werkelijkheid. Of daar handen en voeten aan gegeven wordt, hangt van het moment af. Maar het moge duidelijk zijn, dat voeding voor de geest onmisbaar is in een mensenleven.

Overpeinzingen

Een stralende omlijsting

Tussen de antwoorden op de vraag van zoonlief door, was het weer tijd voor vijgenpluk en jampotjes koken. Heel veel vijgen blijven voor de natuur achter. Wantsen, zweefvliegen, wespen, vliegen, vlinders komen als bijen op de zoete Nectar af. Soms zitten er wel vijf of zes insecten op een vrucht en laven zich aan de heerlijke zoetigheid. Lief loopt rond met de grote snoeitang en modelleert het land naar eigen wensen en verlangens. Dat doet hij goed. Het beheer volgt het natuurlijke verloop en alleen als een tak een dakgoot of een dak bedreigt grijpt hij rigoureus in. Schilderen met de natuur noemt hij het.

Ondertussen is de vijgenjam klaar en in de potten gestopt, op z;n kop staan de potjes en potten af te koelen op een schone theedoek. Een restje voor nu, bij de oude kaas die we vorige week zondag op de markt hadden gekocht. Yummie.

De druiven waren zo vol zoemend leven, dat ik ze maar laat hangen. Ook de vogels komen regelmatig wat lekkernij halen. De bioclub heeft vanavond vergadering. Zoom werkt hier maar matig, dus hebben e afgesproken dat ik, als ik hier ben, de biijeenkomst oversla en dat we gaan plannen op de aanwezigheid. Ze willen me niet kwijt. Daar was ik even bang voor. Maar ik kreeg van allen zulke lieve reacties terug, dat ik me zeer vereerd en een tikkie verlegen voelde. Wel wil ik het boek gewoon nog uitlezen, want boeiend is het wel.

Vannacht spookte de auto door mijn hoofd. Die is rijp voor een onderhoudsbeurt na haar eerste 15000 kilometer, maar ja, we zitten hier en niet in Nederland. Een afspraak met de garage staat er al op maandagmorgen 6 november, maar ik meende twee dagen geleden wat lampjes te zien branden. Eerst maar eens goed kijken wat Truusje aangeeft over haar innerlijk gemoed.

Dan is er nog een ander experiment waar ik een dezer dagen aan wil beginnen. Er staan twee schilderijen waar nog veel aan te verhapstukken valt, maar die met de authentieke olieverf zijn geschilderd. Dus niet met de wateroplosbare. Nu wil ik er met die laatste olieverf overheen zonder water te gebruiken. Toch eens zien of dat lukt. Ik heb namelijk wel heel veel baat bij het achterwege laten van de mediums die ik bij de gewone gebruik. Spannend, dat wel.

Ondanks de opkomende zon, die lief zo prachtig heeft vastgelegd aan het eind van het achterland, loopt het nu toch echt naar oktober toe en is het aardig fris in de vroege morgen. Ik ben naar binnen gevlucht om aan de keukentafel in de warmte de blog te schrijven. Ik had al een betamelijke tijd buiten gezeten. Het is Kuka-dag, lees vuilnisbakkendag, die hier nog aan huis worden opgehaald. Soms staan ze al voor achten voor je deur, dus lief schrok vanmorgen om zes uur wakker toen hij de buurvrouw haar Kuka buiten hoorde zetten. Weg droom, weg warm slaapgenot, wreed verstoord omdat de plicht riep. Nou ja, het voordeel was dan een schitterend plaatje van de opkomende zon. Tel uw zegeningen. Vandaag gaan we naar het grote cultuurcentrum in Pécs.

Het belooft een hoeveelheid aan kunst en schoonheid te herbergen. Tenminste, lief diept dat op uit verre herinneringen van lang geleden. Het is iedere keer weer een verrassing of alles er nog staat, of dat men het verbeterd heeft in de loop der jaren. Opnieuw een uit-dag dus. Het weer past zich aan aan ons schema en zorgt voor een stralende omlijsting.

Overpeinzingen

Een gouden stelregel

Jottem. Eindelijk regen. Nog niet in grote getale, maar de eerste buitjes zijn alweer achter de rug. De zon doet verwoede pogingen door het grijze dek heen te breken. Met succes af en toe. De verwachting is dat er nog veel meer nattigheid valt. De bomen ogen onmiddellijk groener en frisser, maar dat zal het verlangen zijn, dat zich in mij genesteld heeft. De bomen zijn taai. Ze zijn gewend om diep de grond in te moeten op zoek naar water. Dat komt hun onderlinge netwerk alleen maar ten goede leerde mij een van de plantenboeken die ik vorig jaar gelezen heb.

De vraag van zoonlief behelst mijn baantjes van het verleden en nu, incluis het vrijwilligerswerk. Soms haal ik de chronologische volgorde door elkaar, maar de verschillende banen weet ik allemaal nog. Als puber werden we geacht ons eigen zakgeld te verdienen. Er was geen geld om ieder te voorzien van een extra maandelijkse of wekelijkse bijlage. Dus stapte ik als veertien of vijftienjarige met trillende benen en een onrustig gemoed op mijnheer Heijmans van de Spar af op het gloednieuwe grote winkelcentrum in Overvecht en vroeg of hij nog mensen kon gebruiken. Daar begon mijn glorieuze carrière. Ervaring mocht ik opdoen op elke afdeling, groenten, brood, slagerij, uitbenen incluis, en als laatste op de kassa, wat lastiger was dan nu want je moest razendsnel uit je hoofd leren tellen. Rekenen was al nooit mijn beste vak. Aan het eind van de dag moest het saldo kloppend zijn. Dan stond je met bevend hart voor de baas, als er toch een verschil bleek te zijn. Later mocht ik ook één zomer het campingwinkeltje aan de camping in de Lage Vuursche runnen. Dat was feest. Ik voelde me een echte filiaalhouder.

Supertrots was ik toen ik met een zak appelen in de Spar mocht poseren voor het reclame-krantje in de huis-aan-huis-bladen. A star was born.

Daarna zou ik op gaan passen bij de poelier aan de Vleutense weg. De bedoeling was dat ik zowel op de kinderen zou passen met een zaterdagse bad incluis, het huis schoon zou houden, zou koken, op de winkel zou passen in de tijden dat het gezin aan tafel zat, de zaterdagse boodschappen zou doen in de Kanaalstraat en vervolgens de winkel zou opruimen en schoonmaken, die enorme, verschrikkelijk aangekoekte, kippengril incluis en dat alles voor de somma van 25 gulden. Ruim tien uur werk. Van mijnheer, die vriendelijker was dan zijn vrouw, kreeg ik dan wel een zak kippenvleugeltjes en maagjes mee, waar mijn moeder weinig anders mee kon dan soep trekken, maar de vader van een van mijn vrienden kon er geweldige mooie aspics van maken. Oeverloos geduld moest je hebben om vet, vel en vlees van de botjes af te schrapen.

Toen er getornd werd aan mijn vakantiewensen, nam ik ontslag en ging werken in de automatiek aan het Willem van Noortplein. Dat was, denk ik wel, de leukste baan. Je mocht eten zoveel als je wilde en dat was na een week patat met klodders verse mayonaise al snel klaar. De oude baas had zelf een slagerij ernaast en daarnaast was hij ook de eigenaar van de drogisterij. Wat niemand wist was dat je op de zolder van het pand in alle twee de winkels kon komen.

Omdat hij niet tegen de lucht van spiritus kon, begonnen we de slagerij daarmee al om vier schoon te maken. Dan vluchtte hij naar zijn huis, verderop aan het plein en hadden we het rijk alleen samen met Jan, de slagersknecht. Het was hard werken maar gezellig en we tarten de zuinigheid van de oude baas, door een schepje extra frieten op de puntzak te gooien en ook werd de trekker van de mayonaisehouder twee keer overgehaald. Klanten moet je verwennen niet waar.

Dan waren dit nog maar de puberbaantjes de eerste drie jaar van mijn werkzame leven. Dankzij het grote gezin thuis had ik wel leren aanpakken en dat werd niet altijd als loon naar werken gewaardeerd. Bovendien zocht ik de afwisseling, ook om zoveel mogelijk te leren met de gedachte in het achterhoofd, als je het niet probeert, leer je het nooit. Een gouden stelregel.

Overpeinzingen

Weer een mijlpaal gehaald

‘Blijf nog maar even lekker doezelen,’ adviseerde lief. Vannacht heeft iemand stiekem lood in mijn benen gestopt te hebben. Ik luisterde vervolgens naar een bosmaaier die aan de overkant dreinend door het gras tijgerde, naar een vrouwenstem die ergens naar toe riep en naar een meisje dat schril antwoord gaf. Geluiden van de straat die steeds meer aanzwellen vertellen dat het later wordt. De telefoon geeft kwart over zeven aan.

En dan opeens is er zon op de deurpost van de slaapkamer en schijnt uitnodigend op de muur. Het sein om op te staan.

Dat lood in de benen kwam door gisteren. We zouden naar Mánfa gaan maar uiteindelijk werd het het Püspökszentlászloi Arboretum. Dat betekende, o zalig zijn zij die reizen in onwetendheid, dwars door het Mecsek-gebergte heen naar een van de kleine dorpen die daar tegen de helling aangeplakt liggen. Er stonden stippellijntjes bij. Dat bleek de toegangsweg naar het Arboretum, dat midden in een natuurgebied lag, waar auto’s niet gewenst waren. Truus werd onder aan de berg geparkeerd en daar gingen we in het kalme tempo over een losse keitjes-pad richting die aanlokkelijke tuin. Ergens halverwege rees ineens, als een Goliath, een enorme houten reus uit de grond vanaf zijn middel. Op zijn lange houten armen was het goed rusten. De omgeving was prachtig en vooral doodstil. De berg met haar lange en zo te zien aanmerkelijk oude woudreuzen oogde met het gefilterde zonlicht als een vredige oase.

Toch werd de stilte en het gekras van twee raven verstoord door het knerpen van de keien onder de banden van auto’s, die ook nog grijze stof als een spoor achter zich aan lieten slingeren. Wij als brave tweevoeters foeterden licht over het slordige der mensheid om milieuwensen te negeren als het gaat om eigen gemak. Te vroeg gefoeterd. Toen we eindelijk boven kwamen, daar waar we bijna moesten zijn, was er een dorp met bewoonde huizen. Ze zagen lieflijk uit met hun bloeiende oleanders en de geraniums onder ieder raam. De bewoners mochten hun auto of helemaal vooraan op een parkeerplaats parkeren of toch tegenover hun huizen. Dat verklaarde veel.

Verlangend keek ik bij iedere bocht omhoog, zagen we al een entree, was er ergens een bord waar de onuitspreekbare naam van het arboretum stond. Helemaal aan het eind van de weg, waar een bron was, die in een uiterst dun straaltje uit een pijp kwam lopen en waar voorbijgangers en bewoners hun flessen vulden, zagen we eindelijk een poort met een uitnodigende open deur. Eindelijk.

We hoefden niet te betalen en al gauw bleek waarom niet. Dankzij de droogte was er niet veel in bloei, maar de aanleg van het park was prachtig. Er was een vijver met waterlelies achter de treurende takken van een enorme wilg. Monet had er met liefde zijn penselen voor laten wapperen. Twee bankjes aan de zijkant bleken uit te kijken op…het te hoge riet met nauwelijks een doorkijkje op de romantische vijver.

Bij het omlopen een soort vlondertje met een put. Daar kon je goed in het water kijken en al vorsend ontdekte ik een roodwangschildpad, terwijl de ene na de andere kikker vliegensvlug een duik in het water nam met een forse kikkersprong. Veel zevenblad, verdroogde hortensia’s, maar nog bloeiende oleanders. De azalea’s waren vanwege de droogte ook niet voor een tweede keer gaan bloeien. Er stond een keur aan bijzondere bomen en boompjes. Helaas, een restaurantje om te laven was er niet. Wel bleek het huis als een bisschoppelijk kasteel te boek te staan en dat was te merken aan het bisschoppelijke teken boven op het dak van de kapel. Het was een indrukwekkend geheel. Natuurlijk kon je er de berg aflopen, maar dat deden we wijselijk maar niet. Een keer op en af was voldoende. Dat bleek na de terugweg wel. Bijna zeven kilometer gelopen, waarvan de helft bergopwaarts. Weer een mijlpaal gehaald.

Overpeinzingen

Een zegening voor de smachtende natuur

De vragen van zoonlief komen achter elkaar. Vanmorgen had ik de vraag over hoe ik de toekomst zag nog maar half uitgeschreven. Zoonlief dacht dat ik al klaar was. Maar een toekomstbeeld scheppen is iets wat langer tijd vergt en soms is het iets om absoluut langer over na te denken. Hij veronderstelde dat ik misschien er niet mee geconfronteerd wilde worden of het wilde ontwijken. Bij het ouder worden denk je natuurlijk over hoe het zou moeten gaan als een van beiden ziek wordt of hulp nodig heeft.

Met de zussen heb ik allang besloten bij de dag te leven. Mijn moeder was van de ene op de andere dag er plotseling niet meer. Nu zou me dat een ideale manier lijken, maar uit ervaring weet ik dat het voor de kinderen een hard gelag is. Het kostte moeite om zo’n sudden death te aanvaarden. Er lag nog zoveel open, er waren nog zoveel vragen, die hadden we nog moeten kunnen bespreken met elkaar.

Daarom was ik zo blij met het voorstel van zoonlief. Natuurlijk wil ik het verleden best voor een deel boekstaven. Helemaal uitschrijven is schier onmogelijk. Daarvoor was het al te lang. Er verandert veel en naarmate je ouder wordt, lijkt dat ook nog eens sneller te gaan. Vroeger was er nog geen telefoon en nu loopt iedereen er mee in de hand. Dat alleen al. Al die razendsnelle ontwikkelingen, waarvoor we ons uiterste best moeten doen om ze bij te sloffen. Het zorgt ervoor dat je af en toe de tijd stil wil zetten en dat is precies wat hier, in dit paradijsje, kan. De knop gaat om. Er zijn slechts nog koppen van kranten, maar verder vogels, bomen, bloemen, insecten te kust en te keur, fladderende vlinders en absolute stilte op de weg na.

Gisteren kreeg ik een filmpje door van de demonstraties op de A12. Vriendlief zat er midden tussen. Er was sprake van grote solidariteit onder de mensen daar. Er kwam een vleugje vroeger voorbij met dat filmpje. Waar hebben we ons vaker zo druk over gemaakt, dat we allemaal vredelievend gingen protesteren. Hier is het er niet. Hier sluiten we de wereld bewust een beetje buiten, omdat het haast niet te doorgronden valt wat er gaande is aan natuurrampen en oorlogen.

Vandaag hebben we een uit-dag. Eerst hadden we het plan opgevat om weer naar Kroatië te gaan en nu naar het gebied waar de Donau en de Drava samen komen, maar dat betekende opnieuw twee uur rijden er naar toe. Een keer per week een langere reis is voldoende, bleek na de broodnodige rustdag gisteren na de overweldigende bergtocht van de dag ervoor.

Lief heeft een Arboretum ontdekt hier niet ver vandaan en we wilden al naar de vallei ten westen van het Mecsek-gebergte. Nu slaan we twee vliegen in een klap. Om tien uur is het arboretum open en het plaatsje Mánfa ligt er vlak bij. Op de foto’s ziet het er prachtig uit. We gaan het zien en beleven, misschien kunnen we er ook nog een paar herfstasters op de kop tikken. Kroatië stellen we uit tot ergens midden in de week. Aan het eind wordt er onweer voorspeld. Dat zou een zegening zijn voor de smachtende natuur.

Overpeinzingen

Op nog meer overwinningen

We gingen naar Kroatië om een waterval te kunnen zien. Ze hebben ze hier ook in het Mecsekgebergte, maar niet bereikbaar met de auto, alleen langs een voor aangedane longen lange weg te hoog, letterlijk en figuurlijk. Het was ruim twee uur rijden, maar te doen. Negen uur waren we er klaar voor. Het was zonnig, niet te warm, helder zicht. Bij Barcs gingen we de grens, lees rivier de Drava, over. Het was ondanks de vrijdag rustig onderweg. Wat opvalt in Kroatië zijn de vervallen huizen, die op het erf staan met een gloednieuw huis ernaast, asof ze het oude nog niet willen afbreken, of een gloednieuw huis in aanbous, dat al bewoond wordt en dat eruit ziet alsof het al een hele tijd in aanbouw is, getuige begroeiing tegen het huis.

‘Onwetend reizen’, daar schreef joost Conijn over en dat het werkt bleek deze reis.

We hadden een route uitgestippeld naar het Park Prirode Papuk zonder te weten hoe de weg in elkaar stak. Het had een betamelijk aantal haarspeldbochten. Op het laatst leek ik wel een echte coureur, soepeltjes door de bochten maar wel met aangepaste snelheid, want gelukkig was de weg er naar toe en de weg terug op een haar na, of een auto of drie, leeg en helemaal voor ons. Als ik het vooraf geweten had, waren we er misschien niet eens aan begonnen. Dat is precies wat onwetend reizen inhoud. Als je het niet weet, maakt het niet uit en is de verrassing er een die om directe oplossingen vraag. Voordeel? Kom maar op, Mecsek gebergte. Ik lust je rauw, want nu waren we hoger dan hoog geklommen. Even wennen, dat wel!

Vier kilometer voor het hoogste punt van Papuk ging het asfalt over in een weg met stenen en steentjes. Tamelijk ruig nog hoger. Ik zette de auto aan de kant en we liepen een stuk omhoog tot het prachtige uitzicht op de bergkammen aan de overkant, bezochten een gedenkteken voor elf mensen die allen in 1991 waren overleden. Er stond uitleg bij, maar in het Kroatisch en dat beheersten we nog niet. We besloten na een klein stuk naar beneden te hebben gereden toch de weg te nemen naar een andere geasfalteerde weg naar boven. We kwamen tot onze verrassing uit bij een slagboom en een vriendelijke dame, die uitleg gaf over wat er op het park te vinden was. In goed Engels vertelde ze over een sportveld, een speelparadijs voor de kleintjes, een waterval en een restaurant. Een waterval, we hadden het niet verkeerd verstaan. Even geïnformeerd of dat niet te veel klimwerk was. Ze wees vaag met haar duim en wijsvinger een eindje uit elkaar. Niet zo ver dus. Doen. Het kostte drie euro, die we op moesten duikelen, omdat we de hele tijd met forinten in de weer waren geweest.

Eerst het moois en dan het lekkers besloten we, en lief hoefde niet zo nodig een rondje schommels. Wel hadden we in een kleine beek een zoetwater-kreeft gespot die kal voortkroop door het heldere water.

De onwetendheid gebied te zeggen dat de logica in het begin ook afwezig bleef. Watervallen vallen neer, dus die moeten een heel eind de berg af, wij ook. En een berg af moet vervolgd worden door een stijgende lijn, zonder bankjes. Maar het zicht op de geweldige rotsen en de kracht van de natuur had ik voor geen goud willen missen. Het waren smalle maar sterke stromingen, die klaterend neerdaalden op verschillende punten en voortgleden over de gladde uitgesleten rotspartijen. Ik voelde me Alice in Wonderland. Het was voor het eerst dat ik aan de voet van die immens grote rotspartijen stond. Zo indrukwekkend had ik ze nog niet gezien. We genoten allebei met volle teugen, maar tja, de weg ging voort. Omhoog dus. Gelukkig waren er genoeg omgevallen boomstammen en rotsblokken, waar ik even op adem kon komen en we hoorden alweer stemmen dichtbij.

Het was nog nooit zo van toepassing geweest als nu. Moe maar voldaan op alle fronten. Over mijn persoonlijke zege en overwinning, over de ontmoeting met de natuur in deze oorspronkelijke staat van moeder aarde en over het ontzag die die onmetelijk grote rotsen hadden opgewekt ten opzichte van de nietigheid van de mens. Tijd om dit te vieren met een herdersstoofpot en een klassieke authentieke bonenstoofpot met natuurlijk een vaasje alcoholvrij bier. Proost en op nog meer overwinningen.

Overpeinzingen

Een dag met een gouden randje

De nieuwe vraag van zoonlief voor het verslag; ‘Mama vertelt’, zoals hij het genoemd heeft, lijkt geloof ik zo op het oog makkelijker dan het in werkelijkheid is. ‘Welke talenten bezit je? Welk talent had je nog meer willen gebruiken in je leven tot nu? En als je zou mogen kiezen, welk talent had je willen bezitten?

Ik bedenk me dat de kleuterkweek een goede basis was. Ik was een laatbloeier en vrij naïef. Maar daarna had ik misschien toch beter kunnen kiezen voor een studie Nederlands en kunstgeschiedenis, vervolgens de kunstacademie om dan als creatieve vormgever in de meest brede zin van het woord te gaan werken. Dan zou mijn talent vanzelf aan bod gekomen zijn en hebben kunnen uitgroeien. Nu blijft het rommelen in de marge. Als aanvullend talent had ik wel graag wat meer organisatievermogen op alle vlakken willen hebben en wat meer doorzettingsvermogen in het afmaken van waar ik mee bezig ben geweest. Inlijsten van schilderijen bijvoorbeeld. Een groeiproces, dat laatste maar nu veel moeizamer door het zelf uit vogelen.

Aan de andere kant denk ik ook dat het begeleiden van kinderen in hun ontwikkeling vanaf vier jaar me ook past als een handschoen en dat ik gaandeweg mijn schoolloopbaan daar toch wel een hele duidelijke visie op heb ontwikkeld. In de overdracht zou ik nog wat handiger mogen zijn. Als mijn passie aan bod komt, komen mijn emoties altijd mee en dat belemmert me zeer om te vertellen wat ik beoog. Ziezo, daar zijn toch wat antwoorden komen meeliften met deze blog. Straks weet ik wat te antwoorden.

Gisteren was het een uit-dag. We wilden naar de Bron in Széchenyi Forrás in Pécs, maar misten een afslag. De weg door het Mecsek gebergte verloopt nogal grillig met veel haarspeldbochten en het is een onoverzichtelijk geheel daardoor. Vooral als de concentratie bij de loop van de weg is. Wat we wel vonden en de vorige keer gemist hadden, was de weg naar de hoogste toren van Hongarije, boven op de top van de berg, de televisietoren, de TV Torony, met een prachtig uitzicht over Pécs en het aangrenzende gebergte. Er bleek hard gewerkt te worden om de oude toren een aangename toeristische attractie te laten zijn. We konden met de lift naar boven en dat was maar goed ook, want het gevaarte was 80 meter hoog. Op de verdieping net beneden het hoogste punt was het restaurant, dat was voor later. Eerst het uitzicht bewonderen.

Het geheel deed me denken aan Panorama Mesdag, maar dan in het echt. Je kon helemaal rondom lopen en de omgeving aan alle kanten bekijken. Het was een beetje mystieke sfeer door de heiige aanblik op sommige punten. Was het beneden nog pufheet geweest, hier viel het weg door de wind die om het gebouw blies. Panorama Pécs was het bewonderen waard, de nietigheid van de mensheid kregen we er bij cadeau. Wat een mooie plek en wat fijn dat we de reis in onwetendheid na de gemiste afslag doorgezet hadden. De term Reizen in onwetendheid komt van Joost Conijn en stond in zijn boek ‘Piloot van goed en kwaad’. Het is de waarborg voor avontuur en ontdekking en absoluut een aanrader, behalve als je een hotel wilt hebben en er geen voor handen is.

Toen we tot in detail de stad en haar omgeving hadden uitgeplozen streken we beneden in het restaurant neer en bestelden een Hongaarse rundvleessoep en ik hoopte ernstig op een heerlijke heldere bouillon. Die wens ging ook nog daadwerkelijk in vervulling en we kregen een krachtig getrokken soepje voorgeschoteld. Ik proefde mijn moeders kookkunst en het feest kon niet meer stuk. Wat een heerlijke dag.

Toen de Aldi ook nog Chinese mie, sojasaus en gebakken uien in de aanbieding had, was het geluk compleet. Een dag met een gouden randje.

Overpeinzingen

Aan al wat in ons broedt en leeft

De vijg gonst van leven. Letterlijk en figuurlijk. Er komen nog wel een paar potten jam vanaf. Gisteren was het nog een rustdag omdat het 32 graden beloofde te worden. Bovendien wilde ik verder aan het doek werken. Het spiegelbeeld was moeilijk. Het ging niet zoals ik me wenste. Dan brengt een gordijn uitkomst natuurlijk. Nog niet helemaal klaar, maar toch vordert het gestaag.

Zuslief heeft op de cruise die ze aan het maken was, covid opgelopen. Een hoofd vol watten. Zwager ook, maar die was eerder begonnen en al weer bijna klaar. Zo’n schip met al die mensen op elkaar gepakt wil wel, natuurlijk. Hier horen we er niet over. Maar dat is niet zo vreemd. We lezen geen Hongaarse kranten.

Gisteren had ik mijn agent van de auto aan de lijn. Eigenlijk waarschuwde Truus dat ze een onderhoudsbeurt nodig had, maar wat zoon al vermoedde en ik nu zeker weet, is dat het in deze staat van de auto nog niets uitmaakt of dat pas over een paar duizend kilometer meer gebeurt. Op aanraden van de man heb ik wel alvast een afspraak geboekt voor november en heb ik weer een vaste garage. Altijd fijner.

Ik zit voor het eerst met een sweater aan buiten. Tot gisteren kon dat nog een korte mouw zijn, maar nu had ik er zelfs een wollen sjaal bij nodig om te genieten van de opkomende zon en het toch warm te hebben. Nu tegen achten breekt ze goed door en kan er weer wat uit. Herfst in aantocht, dan wordt het hier op de tuin met al haar bomen extra mooi.

In een van mijn oude Groene Amsterdammers haalt de Opheffer de zolderkamergesprekken uit de jaren zeventig aan met de vraag: ‘Wat is nou literatuur. Als Nabokov literatuur is kan Annie M.G. Schmidt het dan ook zijn. Waarom wel en waarom niet? Staat Nabokov hoger dan Schmidt? Of is dat onzin?’

Jaren later interviewde hij Annie, die als antwoord het volgende zei: ‘Ik heb altijd het gevoel gehad dat ik een dienstmeisje ben met zo’n schort voor en dat ik even binnen mag komen en dat de hoge heren aan tafel zeggen: Goed gedaan, Annie. En dat ik dan een knicksje maak en dien te vertrekken’.

Hoe herkenbaar wat Annie daar omschrijft. Zo werd er neergekeken op kinderboeken en werden boeken, door vrouwen geschreven, al snel veroordeeld tot de ‘damesromannetjes’, het badinerende verkleinwoord incluis. Waanzin ten top naar mijn bescheiden mening en achteraf gezien volkomen achterhaald. We mogen ons gelukkig prijzen dat jeugdliteratuur steeds vaker de plek krijgt dat het verdient, dat auteurs genoemd worden en dat sekse er steeds minder toedoet bij het predikaat goed boek. Het criterium zou moeten zijn: Word ik geraakt door het boek, het verhaal, de taal, de poetische omschrijvingen? Dan mag je het verheffen tot literatuur, al was het alleen al om wat het voor jou betekend heeft. En juist jeugdliteratuur is zo belangrijk omdat het als eerste vormend is voor de modus waardoor je blijft lezen.

De verkorte versie van de vraag van zoonlief vandaag is: ‘Waarin lijken we op jou en waarin op papa?.

Die is een stuk makkelijker te beantwoorden dan de vraag van gisteren. Die heb ik in de middag in de Datsja voor het open raam, in de vredige rust van de tuin, uitgebreid uitgeschreven en hier en daar een traan weggepinkt. Het diende zich trouwens vanzelf aan. Het lijkt bij de vragen van zoonlief wel alsof mijn vingers op het toetsenbord van de ipad een volstrekt eigen leven leiden. De stroom aan woorden is niet te stoppen. Het moet eruit. Zoals vroeger. ‘Tot de pen was leeggeschreven.’ Met dank aan Annie, die haar woordenschat heeft gedeeld met ons en waardoor we zo in staat zijn om handen en voeten te geven aan al wat in ons broedt en leeft.

Overpeinzingen

Omdat in zwart water niet te zwemmen valt

Een wolk heggemusjes stijgt op en daalt neer, tak op, tak af. Voortdurend zijn de struiken aan de zijkant in beweging. Het worden er steeds meer. Lief maait het gras voor met de kleine damesmaaier, hij houdt haar iets hoger, dan blijft er nog gras staan. Haha. Anders maait deze tante de grassen eruit met wortel en al. Ze kan maar op een stand. De tuin zelf is gisteren gemaaid met de grote maaier.

Het probleem van de onzichtbare specht en de nog meer onhoorbare wielewaal is opgelost. Het blijkt dat het vrouwtje Wielewaal, die ik vanmorgen vroeg de vijgenboom in zag vliegen en die zich overduidelijk tegoed deed aan een sappige zoete vijg ook een gaaiachtig gekrijs en een spechtachtig geroep kan laten horen. Goed om te weten, dan hoeven we niet langer te zoeken. Een foto zat er niet in, want zodra ik bewoog was ze weer weg.

Aan mij de eer vandaag om zoon de mooiste herinneringen aan mijn vader en moeder te vertellen en de andere opa en oma te omschrijven. Dat kost me niet zo veel moeite, want ook al was mijn vader thuis echt streng, de keren dat hij ontspannen was staan ook nog in mijn geheugen gegrift. Met mijn moeder was de band veel inniger. Dat kwam ook doordat ze op een gegeven moment moest mantelzorgen voor mijn vader en ze de problemen die daarbij opdoken graag wilde delen. Op zondag nam ik haar mee voor een wandelingetje. Even weg uit de sfeer. Dan hadden we gesprekken over onze opvoeding vroeger, hoe ze in godsnaam elf kinderen kon opvoeden naast dat enorme huishouden. Waardevolle en verrijkende gesprekken. Maar wat had ik graag dezelfde vragen willen stellen als zoonlief nu aan mij doet. Er waren erbij, maar lang niet zo diepgaand als nu.

Ik krijg net de volgende vraag(nummertje 8) opgestuurd. ‘Wat was de moeilijkste tijd van je leven’. Oef, die is wel heel ruim. Normaliter maken we allemaal geregeld ups en downs mee. Er zijn er nogal wat geweest. Zoals altijd werd het daarna toch weer lichter. Vergeten gaat niet, maar het tij zo keren opdat er mee te leven valt, is altijd mogelijk gebleken. Een mensenleven als dat van mij bestrijkt niet voor niets 71 jaren. Misschien moet ik het uitsmeren in gradaties van de verschillende emoties, de verdrietige, de pijnlijke, de eenzame, de onhandige, de onrechtvaardige. Maar het zou een zwaar verhaal worden en dat moet toch altijd tegen de lichte kanten gewogen worden anders krijg je een verkeerd beeld. Naast elk dal was er ook een berg of vice versa. Na elke wolk steeds weer de zon. Of vice versa. Al heeft het vaak tijd nodig. Soms was die me niet gegund en dan ga je door tot het niet meer gaat. Vroeger zeiden ze ‘Na regen komt zonneschijn’. Uit ervaring kan ik zeggen dat het klopt, ook al lijkt die dikke regenwolk soms oneindig te duren.

Tegen de kinderen op school zei ik altijd bij een naderende regenbui tijdens een dag Kamp, ‘Blazen schatjes, zo hard je kunt. Dan verdwijnt ie vast en zeker’. Dat deden ze dan braaf en vaak hielp het echt. Maar ja, ik kon ook de zon bellen om mooi weer te bestellen. Hoe was het ook al weer: Als je er zelf maar in gelooft. Zoals er een Antonius mijn beste vrind bestaat om kwijtgeraakte dingetjes te zoeken, zo vallen of staan we bij geloof in het leven en dat alles weer ten goede keert. Het kan kort of lang duren, het kan al die emoties oproepen die ik hiervoor beschreven heb, het kan ongelooflijk veel kosten en soms is er een hele lange adem voor nodig, maar toch blijf ik geloven in ‘veerkracht’ en het ‘in oplossingen denken’. Eenvoudigweg omdat in zwart water niet te zwemmen valt.

Overpeinzingen

Een zwoele bries

Het uitzicht. Half twee in de vroege middag. Ik zit op de veranda van de datsja in de afgebladderde rieten stoelen die nog altijd op een verfbeurt wachten en geniet van de rust. Er zijn al diverse acties geweest. De normale huishoudelijke beslommeringen. Was gedraaid, was opgehangen, ontbeten, medicijnen…Het gebruikelijke riedeltje. Maar ook het antwoord op de zesde vraag van zoonlief afgeschreven.. Een om flink over na te denken, daarom duurde het wat langer. ‘Wat vond je belangrijk in onze opvoeding. En nu terugkijkend, zou je dingen anders hebben gedaan.’Volgens lief was het antwoord ontroerend, maar daar ga ik niet over oordelen. Het was recht uit mijn hart geschreven, dat zeker, want daar hebben ze recht op, al die schatjes van mij.

Vanmorgen was er ook de rust om in het boek van Laura van Hasselt te beginnen. Een biografie over Piet van Eeghen, een van de aanleggers van het Vondelpark. De titel: ‘Geld, Geloof en Goede vrienden.’

In dat boek beland je pardoes midden in de negentiende eeuw. Een stinkend Amsterdam met gasthuizen die eerder sterfhuizen dan ziekenhuizen konden worden genoemd. De gegoede burgerij trok des zomers naar de buitenhuizen langs de Vecht en elders in het land. Amsterdam stond te boek als erbarmelijk in die dagen, tot er een arts was die de handen uit de mouwen stak en opkwam voor betere gezondheidszorg. Hij stichtte met enkele vrienden uit zijn netwerk, waaronder Piet van Eeghen, die met een dochter van de burgervader was getrouwd, een Vereeniging voor Ziekenverpleeging. Deze had een Protestante insteek. Er kwam dankzij de kennis van de bouwwereld van van Eeghen een modern ziekenhuis aan de Prinsengracht. Drie oude pakhuizen werden omgebouwd en uitgerust met de nieuwste snufjes. Eer de gasthuizen werden aangepakt gingen er nog wat decennia overheen. Het ziekenhuis berustte op een klassensysteem en werd grotendeels betaald met giften, aandelen, de elite. Het grote voordeel van dit nieuwe ziekenhuis was,, dat er ook verpleegsters werden opgeleid. Zo konden vrouwen uit de gegoede stand toch werken en tegelijk onderwezen worden, mits protestant en ongehuwd of weduwe.

Het is moeilijk voor te stellen dat in die dagen de hele bestuurlijke macht in handen was van voornamelijk mannen. Pas na die periode kwamen er ook vrouwen in het bestuur van de VvE. Een boek dat een doekje open doet over hoe macht en bestuur, bezit en rijkdom en niet te vergeten geloof een rol hebben gespeeld in de welvarende groei van Amsterdam. Dit is niet de eerste biografie die me bijzonder intrigeert. Ze maken je vooral bewust van rolverdelingen en patronen en geven daarmee een beter zicht op waar we vandaan moesten komen als vrouw om eindelijk dat mannelijke bolwerk te kunnen doorbreken.

Een van de vriendinnen van school is met haar gezin in IJsland en zit op een rots, als een soort kleine zeemeermin van Kopenhagen en vraagt zich af, bij het zien van de prachtige en overweldigende natuur daar, maar ook in de wetenschap dat er veel voorgoed verdwenen is, hoe we zelf op een duurzame manier een steentje kunnen bijdragen tegen die afkalving. Volgens mij is alleen al de bewustwording van het feit an sich, dat er zoveel veranderingen plaats vinden, de juiste stap in de goede richting. Een aantal gewoonten maken op die momenten plaats voor een weloverwogen keuze om ‘liever te zijn voor moeder aarde’ in de diepste zin van het woord.

Twee koolwitjes spelen hun wervelende late zomer-middagdans. Ze draaien om elkaar heen en dartelen omhoog en omlaag. Vanmorgen zag ik twee koninginnenpages en een klein icarusblauwtje. We horen de grote bontespecht en horen hem ook hameren, maar hij laat zich niet zien. De wielewaal vliegt af en aan, maar laat zich niet horen. Misschien vinden ze het ook te warm.

Hier is het in ieder geval heerlijk. Hoog en droog en een zwoele bries

Overpeinzingen

De schoonheid en de stilte

Twee dagen van drukte. Gisteren die mooie maar volle overdekte markt in Pécs, dat een echte voedingsmarkt was en vandaag om acht uur onderweg naar de zondagmarkt in Kaposvar, die uit de meest uiteenlopende artikelen bestond én nog een betamelijk stuk vlooienmarkt. Die van gisteren was druk, die van vandaag was kneiterdruk. De ingang dat uit zo’n typisch mooi Hongaars huis bestond met in het midden een open poort, leek vandaag de functie van poort naar de bijenkorf op zich genomen te hebben omdat mensen erin en eruit zwermden. De meest kleurrijke types van allerlei ras en stand. We wandelden langs de bonte kramen, zagen kinderhanddoeken met hun poppenlijven aan een hangertje hangen, paraplu’s te kust en te kleur, netjes uitgeklapt staan en arme ganzen die ze aan een knijper aan hun snavel van groot naar nog groter hadden gehangen.. Ach goshie. Gelukkig waren ze van pluche.

Als je stil stond bij een kraam kwam er onmiddelijk iemand met een vraag op je af. Ik stelde het me zo voor dat ze vroegen of ze me konden helpen. Temidden van alle wonderlijke verzamelde koopwaar stond daar stralend wit een frisse kaascaravan met twee hele jonge mensen erin. Aanvankelijk hadden we niet door dat het bord met de aankondigingen over de kaassoorten in het Nederlands geschreven was en wilden we in het Hongaars een beste beentje voorzetten. Toen ik ze goed bekeek vroeg ik voorzichtig maar eens of het Nederlanders waren. Bevestiging en een fijn gesprek over markten, kazen en hun vader volgde. Ze stonden ook nog in Kaposvár op de overdekte markt maar dan op vrijdag. Leuk om ze nog eens te ontmoeten en tegen die tijd was de oude kaas, die wij bij hen kochten, allang opgesoupeerd met verse vijgenjam en zouden we aan een nieuwe toe zijn.

Deze bijzondere vlooienmarkt was een echte toeristenmarkt. ‘Kijken, kijken, en niet kopen’. Een bekend en veel gebruikt principe. Daarom stonden ze veel liever op de stadse weekmarkten. Dit was eigenlijk een terrein, dat ook gebruikt werd voor circussen en op zondag die ene toeristen-attractie.

Voor 2,60 per stuk, 1000 forinten schafte ik twee nieuwe bovenstukjes aan. Sommige dingen zijn nog altijd waanzinnig goedkoop.

Daarna wandelden we naar onze witte Truus, die blakend in de zon stond te schitteren en reden ermee naar het centrum van Kaposvar. Gratis parkeren en om half elf een zondagse rust over de stad. De brede winkel-allee’s oogden nog breder, omdat er nauwelijks mensen liepen. Een handvol toeristen uit eigen land, een zwerver met uitgestoken hand die daarna alle prullebakken onder de loep nam op zoek naar voedsel. Ze doen hier nog niet aan statiegeld voor blikjes. Ook liep er een figuur, die duidelijk een hemiplegie had doorgemaakt, zwaar leunde op een wandelstok en schuifelend en trekkend een wankele gang van bank naar bank vervolgde. Luid ‘Jó Napot’ (goede dag) roepend naar iedere voorbijganger, waarbij een kind verschrikt in de benen van zijn moeder vloog en anderen met een stugge pas de vaart erin zetten. Vaker ving hij bot dan een vriendelijk woord. De laatste die voorbij kwam kreeg een tierende scheldkanonnade over zich heen. Eigenlijk tegen niemand in het bijzonder en de mensheid in het algemeen.

Achter een verkoelend 0.0 bekend Hollands biertje zagen we de stad ontwaken en het lied van Jacques Dutronc kwam zomaar op: Il est cinq heure, Paris s’éveille.’ Heerlijke herkenning en overeenkomsten. Een balkon dat schoongemaakt werd, een meisje dat haar auto in de winkelstraat parkeerde om hem uit te laden, beierende kerkklokken, twee electrische steppen die de glooiende straten door zoefden. Zondagmorgen, een ideale ochtend om te genieten van de schoonheid en de stilte.

Overpeinzingen

Tijd om aan de slag te gaan

Na gedane arbeid was het zoet rusten gisteren. We zaten onder de hazelnootboom en de zon filterde zachtheid er onder. Af en toe kwam er een koele bries langs. Het is hier dan ook niet warmer dan zo’n 25 tot 29 graden. Alles is wel kurkdroog en de bomen hebben zich alvast hier en daar maar een herfsttint aangemeten. Volgende week woensdag beloven ze pas weer regen.

Luieren is een kunst op zich. Na dat een uurtje gedaan te hebben, bedacht ik dat ik misschien alvast een achtergrond op het doek kon schilderen, tot ik wist welk onderwerp zich zou aandienen, want dat dat zo moest gebeuren was al een vanzelfsprekendheid geworden. Dus wandelde ik met leesboek, Ipad en telefoon naar de Datsja, waar het nog betrekkelijk koel en donker was. Ramen wagenwijd open, deur open en de schapenvachten op de stoel. De complete nocturnes van Frédéric Chopin in een uitvoering van Jan Lisiecki op de Ipad en aan de slag. Een opzet in Siena en eenmaal bezig had ik de smaak weer te pakken. Toch de stoute schoenen aangetrokken en met een zelfportret in de weer, dubbel omdat de spiegel erachter stond.

Het was zo’n sfeer waar niets meer op af te dingen viel. Lief was inmiddels ook naar de veranda getrokken en zat met zijn gezicht naar ons bos te lezen in het boek van Piloot van goed en kwaad, dat door Joost Conijn geschreven was. De kalme natuur, de zoete klanken van de nocturnes, de rust die er uitstraalde van de lezende man voor mijn open raam waren de juiste ingrediënten om de penselen met verve hun werk te laten doen.

Vogels bleven ten enenmale weg. Het was waarschijnlijk een tikkeltje te warm, maar lief had in de vroege ochtend toch een soort gaai gespot. Die horen we steeds, maar hij weet buiten beeld te blijven. Hij zat toen ook bij de Datsja en ik zat op het terras achter het huis te schrijven. Af en toe viel er met een zware plof een overrijpe vijg op de grond. Goed voor de vlinders en alles wat rondvloog aan kever, vlieg, bij en wesp. Van de laatste zien we weinig dit jaar. Wel kwam er een gifgroen, bijna neon, klein spinnetje bij mij kijken. Misschen werd hij aangetrokken door de groentinten in de schilderjurk die ik aanhad. Haha. Hij bleef angstvallig dicht in de buurt.

Lief pakt nog wat dode takken aan nu het niet te heet is en straks willen we naar de overdekte markt in Pécs. We hebben uien nodig voor de basis-ingrediënten en kunnen dan ook gelijk langs de Tesco om er wat ieniemienie jampotjes op de kop te tikken voor het thuisvolk. Een lapje erover met een elastiekje en klaar is een origineel Hongaars aandenken.

Gisteren ben ik ook in het boek begonnen die we uitgekozen hebben met de leesclub: ‘Het ongelukskind’ van Beatrice Salvioni. De proloog is even slikken en begint nogal rigoureus. Ze schrijft echter prachtig en het verhaal zelf leest als een trein. Het rijke Roomse leven komt er ook uitgebreid aan bod. Dat roept weer de nodige herinneringen op. Dat komt dan goed uit, want met de vragen van zoonlief ben ik daar toch volop mee bezig.

Vraag 5 was wat makkelijker te beantwoorden: Op welke plek in je leven heb je je het meest thuis gevoeld? Daar hoefde ik hier niet zo lang over na te denken. Langzamerhand neemt mijn geschrijf de omvang van een boek aan. Tel daar deze dagelijkse blogs bij op en reken maar uit. De schatjes hebben heel wat om terug te lezen. Het is inmiddels kwart over acht. De stapel takken slinken, tijd om aan de slag te gaan.

Overpeinzingen

Nu doorstomen

Klaas Vaak kon de weg niet vinden. Zeker verdwaald op de uitgestrekte poesta. Er is anders zand genoeg. Daar ligt het niet aan. De oorzaak: Een droom over een overleden kennis, die zo levensecht bleek, tot twee maal aan toe, dat ik er wakker van werd. Dus luisterde ik in het donker naar de nog steeds een beetje vreemde geluiden. De honden die af en toe luid blaffen, het geruis van de doorgaande weg, waar het verkeer maar overheen blijft gaan en weer de honden. Om half vijf hou ik het voor gezien. Koffie en een puzzeltje of twee, maar de slaap blijft zich verstoppen.

De uitleg op een dromen-site is duidelijk. Je sluit negatieve eigenschappen af of laat ze voor wat ze zijn. Een schone lei om mee te beginnen. Dat is wat ik er uit filter. Er zijn meerdere interpretaties.

We hebben besloten deze week te gebruiken om te aarden. De vermoeidheid van de reis achter ons te laten, het huis te omarmen, de noodzakelijkste bezigheden als eerste aan te pakken. Daar zijn we dan ook druk mee bezig. Ik zal twee flesjes druivensap maken en vier potten vijgenjam en de rest is voor de vogels, de vlinders, de wespen en de vliegen, die allen er een koningsmaal aan hebben.

Het boek van Zebedeus en het ganzenbord van Wisse is uit. Het is teveel in flarden gelezen en voor mooi zal ik het nog een keer in één vlucht moeten lezen. De biografie blijf ik voor me uitschuiven. Het heeft te maken met de druk die hier vanzelf weg valt. Als je het toelaat, heerst er een weldadige kalmte. Niets moet, alles mag. Natuur speelt een grote rol. De grote wereld komt binnen via app en in nieuwsflarden, alléén de koppen.

Ik lees ‘Het gelukkige eiland’ van Marit Törnqvist uit. Een boek waar veel in te zien valt en dat veel overpeinzingen oplevert. De korte teksten erbij. Kleine filosofische bespiegelingen in een zoektocht naar het gelukkige eiland. Op iedere bladzijde prachtige tekeningen in verschillende technieken. De schoonheid in een boek. De toekomst is hier geen gesloten boek. Het eiland is leeg, er is niemand, het is er stil. Hier kan en mag alles. Schrijf je eigen eiland. Schrijf je een weg naar geluk.

De drie stammetjes van de fluweelboom die over zijn van de dikkere bundel mogen blijven staan totdat we weten welke wijsheid daarin te betrachten valt. Ze schutten toch een beetje het privé-karakter van de tuin af. Dat willen we graag zo houden. Maar de blauwe regen die weer ver in de stam klimt, moet eruit.

Wat je moet doen als je over een nijlpaard struikelt/gedichten waar je wat aan hebt een boek van Edward van de Vendel & Martijn van der Linden. Het kookboek voor het oplossen van je problemen, met grappige, fantasievolle, irreëel oplossingen of toch minder onnatuurlijk als je denkt. Hoe gekker, hoe leuker. Maar er is ook mooie poetische en tedere raad, bijvoorbeeld in ‘Wat je moet doen als je moeder huilt’ : Ga/ naast haar zitten/tegen haar aan geschoven:/je armen van onder tot boven/dicht op die van haar./…En dan verderop: Als ze voelt dat ze eventjes op je mag leunen/spoelt er een beetje gedoe/uit haar hoofd/Hoe?/dat doet er niet toe/

Of ‘Wat je moet doen als je tante dood is gegaan,, die je niet zo goed kende’

Mooie afwisseling in absurde en tedere poëzie. Een boekje waarbij de taal gewoon binnen komt vliegen, spelenderwijs, elk woord is goed. Verzin er zelf eens een paar. Ook hier zijn de tekeningen een waardevolle aanvulling. En als je zelf iets wil verzinnen, begin dan met het gedicht ‘Wat je moet doen als je superblij bent’ dat aanraadt om dan wat aandacht te besteden, aan de spullen die het sullige werk voor je deden. Je sokken bijvoorbeeld, of de knoop aan je broek, je zuchten, het wc-papier, het zweet…Goede raad is niet duur en in dit boek krijg je het gratis en voor niks, nou ja, bijna dan.

Tussen de bedrijven door zit er nieuwe oogst in de pan. Druiven, vijgen en citroensap samen met een beetje suiker. Eens zien wat het wordt. Er zijn nog twee potjes om te vullen.

Fijn dat er een leesbegin is gemaakt, nu doorstomen op alle fronten.

Overpeinzingen

En geldt het niet voor alles wat we doen

Lief voert hele stukken fluweelboom naar achteren. De bomen achter het prieel moeten er aan geloven. Ze zijn te oud en vallen om bij de minste of geringste storm. Het zijn eigenlijk mooie parasollen, maar als je er een in de tuin zet, heb je er binnen een oogwenk ontelbaar veel staan aan spruiten. Dat is het mooie van de natuur. Ze geeft zelf het werk aan dat staat te gebeuren. Als je er voor open staat, helpt zij mee beslissen.

Hij kwam trouwens met twee glanzende pruimen aan. Er staat een boom volop met vrucht helemaal achter in het bos, bij de oude appel en perenboom. Die had ik nog niet ontdekt. Iedere wandeling is er een van wonderen. Steeds weer ontdek je nieuwe veranderingen.

De vierde vraag van zoonlief is er ook een om langer over te peinzen:‘Welke dag of welk moment uit je leven zou je willen herbeleven als dat zou kunnen en waarom?’

Eigenlijk zijn er diverse mooie momenten in het leven. Parels noem ik ze meestal. Dat is wat ik schrijven moet, denk ik. De ketting die leven heet en die me siert, dat zijn de dagen die fijn zijn om aan terug te denken. De geboorte van de kinderen op de eerste plaats. Een opnieuw geboren worden als vrouw, als moeder met alle oerkracht die er in ons huist. Dat waar mannen jaloers op zouden kunnen zijn. Dat ons nederige lijf tot zoiets moois in staat is, is een wonder op zich.

Wat ook bijzonder was, is de opbloeiende liefde die me na 26 jaar alleengaan overkomen is. Het feit dat we samen lief en leed weer mogen delen en de rijkdom waar we van mogen genieten. De reizen samen die we daardoor weer kunnen maken, de mooie plekken die we op ons pad vinden, de intense beleving en het ontdekken van die nieuwe wereld.

Of ik het zou willen herbeleven allemaal is moeilijker te beantwoorden. Gebeurtenissen passen in het tijdslot waar ze zich in bevinden. Iedere stap die gezet wordt is een waarborg voor de volgende. Daar zou ik niet in willen roeren, omdat het leven dan een hele andere wending zou hebben gehad.

Ik las de profielschets van Joost de Vries in de Groene over Robert Oppenheimer , die te boek staat als ‘De vader van de atoombom”. Wat een wonderlijke figuur was dat toch. Aan de ene kant bijzonder poetisch, erudiet, hij las sanskriet, was een bewonderaar van de Baghavad Gitä en vreemde talen leerde hij in een oogwenk. Hij behoorde volgens de auteur tot de grootste abstracte denkers in de academische wereld. Toen hij voor het eerst hoorde dat de kern van een atoom te splijten was, kon hij niet anders dan voortgaan op die weg. Hij vond dat hij geen keuze had. Dat het een fact of nature was. God heeft het gedaan, of de schepper of in wie of wat je gelooft. Dit is moeder natuur en dus is het onvermijdelijk. Je kunt je er niet voor verstoppen. We bezitten het proces niet. We hebben het niet bedacht. Het bestond altijd al als een mogelijkheid’. Maar Oppenheimer was, tragisch voor hem, het ene genie dat de mensheid naar dat onvermijdelijke punt bracht. De trailer van de pas verschenen film van regisseur Nolan belooft een aangrijpende film. Hoe zou de man op zijn daad en zijn leven hebben teruggekeken. Toch de moeite waard om te gaan kijken, lijkt me.

Nog even wat aardse zaken. Gisterenmorgen kwam lief ineens aanzetten met mijn bril. Die had ik bij het snoeien van de druif verloren en was niet meer boven water gekomen. Gelukkig loopt hij steeds zeer bedachtzaam door de tuin en zag ineens iets glinsteren toen de zon er op scheen. Ik hoef hem niet vaak meer te gebruiken, maar soms is het nodig als leesbril bij al te kleine lettertjes. En juist die had ik nodig voor het lezen van het artikel. Hoe een en een twee wordt, oftewel: Toeval bestaat niet. En geldt dat niet voor alles wat we doen?

Overpeinzingen

Komt het er nog van vandaag

Later dan anders met een goede reden. Vanmorgen nog voor de eerste kop koffie heb ik eerst het onkruid van de kinderkopjes gehaald in het prieel. Heerlijk zwoel was het toen nog. Daarna nog wat druiven geplukt en de bereiding van de vruchten kwam daarna. Vijgen wassen en fijn snijden, druiven rissen, potjes uitkoken. De druiven in de ene en de vijgen in de andere pan, die laatste met geleisuiker en citroensap en op een laag pitje gezet. Ziezo. Daar tussendoor de koffie. Het was maar goed ook want de zon is moordend heet en brandt alsof het hoog zomer is. Toch is het slechts 24 graden, maar er staat geen zuchtje wind.

Eigenlijk is het een te leuk werkje en ik vermoed dat het nog wel enkele weken door zal gaan. Het volgende project diende zich al aan. ‘Jonapot’ werd er geroepen en daar was de hoogwerker die naar een opening in het dak moest kijken. Daarvoor moest hij door het hek van de buurvrouw naar binnen. Ik stond op het punt van douchen, maar ja, die hoogwerker ging ook langs het badkamerraam. Toch maar even niet. De arm van de hoogwerker bleek niet goed te werken en het was wachten op de monteur. Die constateerde dat de wagen niet stabiel genoeg stond en dan zegt het bakkie eigenlijk: Tot hier en niet verder. Het is te gevaarlijk. Inmiddels was vriend van lief ook langs gekomen, hoofdschuddend om deze overbekende Hongaarse werkwijze. Het gaat nooit helemaal zoals het kan, hoorde ik hem denken.

Ziezo de vijgen staan op z’n kop in te dikken in de potjes. We hebben hier nog geen staafmixer, dus het is de grove variant. Het beetje wat er niet meer bij kon, mag in de kwark voor Lief, die er van smult.

Het is heerlijk op oude kaas, die ik niet direct kon vinden, maar dochter vertelde dat er oude kaas uit onze eigen hoofdstad in de supermarkt in Szigetvár lag. Morgen maar eens kijken. Twee volle potten vijgenjam en een restje en nog een vijgenboom vol om verder te gaan. We komen onze tijd wel door.

Van lezen komt nog niet veel en van schilderen ook niet. Ik moet eerst even de gang erin zetten. Zodra er dan andere bezigheden aan de orde zijn, verdwijnen de woorden als sneeuw voor de zon. Minder concentratie, te veel om aan te denken, noem het maar.

De druivensap is ook klaar. Het is een fles vol geworden. Lief neemt een foto van mijn trotse hoofd bij de drie producten van huisvlijt. Het is lang geleden dat ik me bezig hield met inmaken, jam maken en brood bakken. Het stamt uit de tijd toen de kinderen klein waren en er nauwelijks pot te verteren viel door gebrek aan geld. Nu gaat het veel meer om de sport. Je eigen gegarandeerd biologische oogst. Daar hoort ook geen moeten bij achter de deur te staan.

Zoonlief heeft alweer zijn derde vraag gesteld. De tweede was: Hoe was het om op te groeien in een gezin van elf kinderen. Hoe woonden jullie bijvoorbeeld met zovelen. Met wie trok je het meest op? En hoe kijk je terug op je kindertijd.

Vraag 3 kwam vandaag. Hij schoeit het nu op een andere leest: Welke levenslessen zou je ons als kinderen mee willen geven? Die natuurlijk ook voor je kleinkinderen gelden?

Beide weer om eens stevig voor te gaan zitten en om goed te overdenken. Het zal een latertje worden dat derde antwoord, want nu ga ik eerst naar de Datsja om mijn atelier gebruiksklaar te maken en dan misschien…Wie weet! Komt het er nog van voor vandaag.

Overpeinzingen

Als dat geen luxe is

Twee vlinders dartelen om de vijg heen en lijken dronken te zijn van de geur die de overvloed aan vijg verspreidt. Ze maken er een tikspelletje van en kunnen er geen genoeg van krijgen om rondjes achter elkaar aan te blijven vliegen. Even later spot ik er een op de afvoerpijp van het terras. Omdat ik hem ongezien kan benaderen, blijft ze prachtig voor me poseren.

We hebben gisteren alle weelderige en overtollige groei aangepakt. De druif had hosta en klimop volledig ingepakt met haar lange uitlopers. Lief ging de bijvoet te lijf en de pol met siergras, die helaas beiden het bloementuintje volledig hadden ingekapseld. Geen blommetje meer te zien. Toch. Maar eens kijken naar een paar stevige bloeiende struiken die onze afwezigheid glorieus zouden kunnen doorstaan. De druif was zo gesnoeid en onder het struweel kwamen soms pierige en vaker prachtige trosjes blauwe druif te voorschijn, die zich nu weer volop in de zon kunnen koesteren.

Het is heerlijk zonnig met verfrissende vlagen wind tussendoor, waar we ons uitbundig aan laven. Na gedane arbeid natuurlijk. Om half vijf is alles opgeruimd en is er tijd om te gaan uitrusten met een goed glas wijn voor mij en een oud bruin voor lief. We zitten voor Buddha die dan nog verscholen is achter de uitdijende rozemarijn en de vijg. Vogels vliegen heen en weer. We horen de merels, spotten een lichte onbekende vogel ter grootte van een duif, maar krijgen hem niet goed in het vizier. De heggenmussen en nog kleinere vogeltjes hippen tak op, tak af in de bosjes aan de zijkant. De bladeren ruisen in de wind. Dankzij vriend die in onze afwezigheid het gras heeft gemaaid en bijgehouden zitten we er nu ontspannen bij en kunnen genieten van de doorkijkjes die zijn gemaakt.

Ik bedenk naarstig wat we kunnen eten. Er is een blik bonen en er liggen diepvriesdoperwten en voorgebakken patat in de vriezer. Uien zijn er ook nog. Een combinatie is gauw gemaakt. Dat gaat het worden. Ik vind nog een doosje met drie eitjes in de koelkast. Mooi, het menu dient zich vanzelf aan. Aan de slag.

Door de donkere kamer wordt ik hier later wakker en misschien is het ook nog een rest vermoeidheid door de lange reis van twee dagen. Ik slaap tenminste als een roos. De vrijgekomen druiven glanzen in de ochtendzon. Gisteren heb ik bekeken wat we met een overvloed kunnen doen en dan kom je uit op druivensap, druivenjam met kaneel, en nu vraag ik me af of druivenjam met vijgenjam samen ook een goede combi is. Ik ga zoeken en kom een heerlijk recept van druiven-vijgenjam en tijm tegen. Er gaat geen suiker in, daar dient het gezeefde sap van de druif voor. Natuurlijk iets om uit te proberen.

Gisteren stuurde oudste zoonlief mijn eerste vraag op: ‘Wat zijn enkele van je meest memorabele momenten/herinneringen uit je jeugd, die je mede hebben gevormd tot wie je nu bent of die nog altijd in je geheugen gegrift staan?’

Wat een brede vraag. Daar moest ik even goed over nadenken. Niet om iets te kiezen, maar omdat ik niet een, twee, drie wist waar te beginnen. Ik ben maar gewoon gaan schrijven en toen leek het net of er een verborgen deur in mijn hoofd was opengegaan en stroomden de herinneringen naar buiten. Wat leuk om dat te doen. Met één hoofd in het verleden en één hoofd in het paradijs, als dat geen luxe is.

Overpeinzingen

Aan de slag maar weer

De zon schijnt in mijn gezicht, de wind waait door de haren en wij zitten met een kop koffie op het ons zo vertrouwde terras met uitzicht op de ontplofte tuin. Gisteren kwamen we moe maar voldaan aan. Het hek stond uitnodigend open en de luiken van het huis waren opgetrokken. De auto van onze trouwe vriend hier. stond voor het huis geparkeerd. Tot onze verrassing had hij wekelijks de tuin gemaaid en het zag er nu al veel beter uit dan alle andere keren dat we terug kwamen. Hij is geen tuinman en had de tuintjes gelaten voor wat ze waren. Ontplofte bijvoet, siergras en druif zorgden voor een woeste aanblik evenals de overvolle vijg.

Straks met goede moed aan de slag, maar allereerst even bij schrijven. Vrijdag 1 september had ik mijn haren in de henna en met een plastic zak over de smurrie en een handdoek daar overheen, was ik net op tijd klaar, want ineens waren er beneden stemmen. Zoonlief en schone dochter waren met hun lieve kleine naar het consultatiebureau geweest en stonden met taart voor mijn onbeholpen, weinig feestelijke outfit. Haha. Maakte niets uit. Ons kent ons. Wel blazen, vond zoonlief die één kaarsje in de taart had geprikt omdat ik nu een jaar over de 70 was. Zingen, een wens doen en blazen. Hoera, het pad naar de wijsheid bereikt. Niets moet meer en alles mag.

Ze bleven maar even en waren belangrijk voor het feestelijke tintje aan de dag, evenals de vele felicitaties die ik over de sociale media of in mail, per post en app kreeg. In de middag kwamen dochterlief en mijn lieve jongste zus bij verrassing langs en kwam schoondochter naar beneden. Dat leverde een genoeglijk verjaardagsuurtje op met de taart en een kop thee. Fijn om bij te kletsen want zuslief was met de fotozus naar IJsland geweest en deelde haar ervaringen met ons. Een mooi land, prachtig zelfs, maar in een week wel veel om te moeten bekijken en dan te weinig tijd om er tot in de vezels van te kunnen genieten als je met een groep bent. Om foto’s te maken natuurlijk wel een unieke reis. Het natuurschoon daar is ruig en ongekend of adembenemend puur.

In de ochtend na de taart had ik kalm de twee koffertjes ingepakt en ‘s avonds konden we genieten van een welverdiende rust. Zaterdag zouden we in alle vroegte vertrekken.

Het lukte wonderwel. Zoonlief hielp sjouwen en zwaaide uit. Om half negen zaten we bepakt en bezakt in de trouwe Truus en reden door een dikke mist de zon tegemoet. Rond Arnhem waren de nevels opgetrokken. Een heerlijke rit met maar één kleine file bracht ons naar het wat oubollige hotel in Beieren, waar buiten op het terras precies nog een tafel over was om aan te schuiven. De kaart was al even degelijk en rustiek uitgevoerd als de houten meubels binnen. Schnitzel en gordon bleu met patat en een schoteltje sla erbij. Ze schonken heerlijke bellen witte wijn en bloemenvaasjes koud bier. Na de rit een waar genoegen. De kamer zou een ‘room with a view’ op de stad moeten zijn, maar daarvoor moest ik vervaarlijk uit het raam hangen. Gaf niets. In het donker heb je toch je ogen dicht.

De nacht die er op volgde was voor mij rampzalig want ons open raam bleek vlak boven de grote installatie voor de ventilatie van het hotel te staan. Ik dacht in het donker dat het de ventilator van de kamer was en wilde lief niet wakker maken. Het geluid dat steeds weer aanzwelde klonk als dat van een vliegtuig dat rondjes in de kamer vloog. Slapen was er niet meer bij. Knoop nog op het hele uur het gebeier van de enorme klok naast de kerk er aanvast en je hebt gegarandeerd een slapeloze nacht.

Het ontbijt was prima en de prijs was heel billijk en spreidde zich als een zacht doekje over de zware nacht. Truus kende de weg, we reden via Wenen naar Kaposvar en vandaar richting ons dorp. Boodschappen konden nog net gehaald worden bij de grote Duitse supermarkt-keten.

Met vriendlief wisselden we wederwaardigheden uit onder het genot van een drankje en wat te knabbelen. Vandaag gaan we samen eens kijken waar het werk zich heeft opgestapeld. Aan de slag maar weer.

Overpeinzingen

En zo is het maar net

Ik stond gepikt en gesteven in de aanslag toen zoonlief appte dat ze van huis weg reden. Dat betekende dat ik naar beneden kon stiefelen en daar op hem zou wachten. We hadden een lunchafspraak en de jongste kleinzoon was ook van de partij. We zouden naar IJsselstein gaan naar een betrekkelijk nieuw restaurant. Ik was er al eens geweest met hem samen en dit keer was hij dat vergeten.

De kleine hield hij in zijn arm en zo liepen we van de parkeergarage naar het restaurant waar, vergeleken met de vorige keer, een groot terras was bijgekomen. Als je de straat inkeek, zag je en face de statige toren van de Nicolaas-basiliek. Sfeervol accent in dit mooie oude stadje.

We kozen een tafeltje binnen ergens helemaal achteraan, waar we ongestoord kind konden uitpellen en verschonen(er was geen andere gelegenheid verder)en waar heen en weer te lopen viel om de kleine in slaap te wiegen. Verwend als hij was, was dat zijn manier om in slaap te komen. Daardoor was het wel het grootste deel de taak van zoonlief zelf. Toch kwamen we tot hele mooie gesprekken, onder andere over vroeger.

Vooral de tweeling had hun vader toen hij gezond was niet zo lang gekend. Zoonlief wilde weten hoe de verdeling was tussen huishouden en werk en ik legde uit dat zijn vader moeite had met gezag en in zijn impulsiviteit nog wel eens de baan liet voor wat het was. De logische volgende vraag was hoe het dan zat met de financiën. We kregen een uitkering in die dagen dat de kinderen klein waren. Het was geen vetpot met 1100 gulden per maand. Zoonlief dacht dat ieder van ons dat kreeg. Daar moest ik hem wijzer maken. ‘Nee lieverd, vroeger kreeg je maar een uitkering als je getrouwd was.’

Het was even stil. Peinzend bedacht hij dat het toch allemaal wat moeilijk was geweest met vier kleine blagen. Daarna vroeg hij wie het meest op mij leken van de vijf kinderen in ons gezin. Ik vertelde dat ik in allemaal een stuk van mezelf had teruggezien. De een had het optimisme, bij twee zat het ondernemen erin, het goedlachse zat er bij allemaal wel in. Ik werd eigenlijk niet gauw boos, maar als ik het eenmaal was door onrechtvaardig gedrag kon de ander zich beter bergen. Ook dat herkende ik.

Daarna hadden we het over de opvoeding vroeger. Ik vertelde van de ervaringen die we in de Boekenclub hadden opgedaan, waarbij mensen helemaal ondersteboven waren van het boek van Bart Chabot: ‘De hand van mijn vader.’ Alleen de twee oudsten, waaronder ik, hadden het een heel herkenbaar boek gevonden. Zo was het nou eenmaal. Het was heel gewoon in die tijd, dat je bij het uithalen van kattekwaad een tik er vlak voor kon krijgen, of dat er met het grootste gemak een pantoffel door de kamer scheerde en op een haar na je hoofd miste.

Zo waren er meer gezinnen waar van alles aan de hand was of die in een te krappe ruimte met teveel mensen zaten, waardoor conflicten al gauw werden uitgelokt. Het is mooi dat wij die barbaarse principes van opvoeden verre achter ons hebben gelaten en dat het nu veel minder voor komt dan toen.

Zo babbelden we de klok rond, terwijl de kleine het minder naar zijn zin had en zoonlief zijn uiterste best moest doen om te wiegen, in of uit de draagzak die hij had meegenomen. Ik sneed zijn lunch in stukken en dan kon hij het staande aan een hoge tafel naar binnen schuiven. Zo ging het ook. Voor elk probleem was een oplossing te vinden.

We gingen kleindochter ophalen en spoorslags naar huis om nog even met haar te kunnen knutselen. Toen haar moeder aan kwam rijden kon ik naar beneden na veel geknuffel, het was per slot van rekening voor twee maanden. We beloofden te face-timen.Als we in Verweggistan zijn zal hij iedere dag een vraag stellen en ik zal hem dan schriftelijk antwoorden. Het is een heerlijk idee om alles wat diep is weggezakt weer naar boven te kunnen halen. Maar nu is het tijd om te gaan ruimen en inpakken. Hoofd in de henna, koffertjes in de aanslag, boeken en tijdschriften, tekenspullen uitzoeken en wat oude doeken meenemen waar overheen geschilderd mag worden. ‘Kill your darlings, zolang ze niet van vlees en bloed zijn’. En zo is het maar net.

Overpeinzingen

Een goed begin is het halve werk

Tussen alle spullen had ik nog een doosje met poppenkleren gevonden, die allemaal door oma-oma gebreid waren, ooit, lang geleden toen mijn beide dametjes zo in de weer waren met hun baby-poppen. Degelijk en prachtig spul eigenlijk. Ze had zich er niet als een Jantje-van-Leiden van afgemaakt. Er waren jurkjes bij met ingebreide patroontjes.

Die moesten alvast meegenomen naar de kleindochter, die nog steeds dik in de weer was met haar zestal poppen en popjes.. Ze reed ze rond in de rieten poppenwagen, sommige mochten in bad, ze werden al naar gelang aangekleed en uitgekleed. Schooltje spelen zoals mijn meiden deden, zal wel volgen in een later stadium. Van generatie op generatie is dit spel doorgegeven. Ook ik koesterde ooit beer en poppen alsof het mijn kroost was.

In de grote tas die ik had meegenomen zat nog meer leuk spul. Een muziekdoosje met een draaiend danseresje en een klassiek deuntje eronder en een serie grappige ouderwetse maskers, die ik ooit op de kop had getikt in de kringloop. Een koddig gezicht.

Onder het genot van een kop thee hielp ik haar met het aantrekken van de jurkjes en bracht haar de beginselen bij van hoe een nietig knoopje in een lusje kon worden gestopt. In een handomdraai had ze van haar magneten kleine stoeltjes gemaakt en aangekleed en wel mocht het hele stel op de foto, gezusterlijk naast elkaar. Haar broer had het nu veel te druk met een vriend om mee te spelen. Dat kon later ook nog. Ze moesten die middag naar de training van het voetbal en gingen alvast een balletje trappen op het plein.

Na een plensbui, waarin dochterlief wafels ging bakken voor bij de thee en de jongens giechelend en rennend weer binnen waren komen stormen, was er nog even tijd voor een genoeglijk samenzijn en toen de bui bina over was ging ik op Amersfoort aan, na eerst een paar dikke knuffels en kusjes-kruisjes te hebben uitgedeeld, waar ze de komende twee maanden op zouden moeten teren.

De zon kwam alweer door met dat de reis vorderde. Het leverde prachtige luchten op die voor een afwisselend schouwspel zorgden. Aanvankelijk stond ik voor een dichte deur, maar na een rondje rijden, hoorde ik, bij de tweede keer schelle stemmetjes in de speeltuin achter het huis en ja hoor, daar liep schoondochterlief met de drie kinderen. De jongens dolden op de glijbaan en de kleine pork lag in de kinderwagen lekker te soezen.

Mijn komst was een teken om naar binnen te gaan. De hele dag in huis met de drie was te lang, dus tussen de buien door had ze het hele stel uitgelaten. Manlief moest werken tot negen uur ‘s avonds. Terwijl ik met de jongste kleindochter mocht knuffelen en nog een kop thee kreeg, kon moeders koken, kregen de jongens eten en speelden ze hun uitgelaten spel. Af en toe werd er een mand met speelgoed omgekieperd. Na het eten wilde de lieve krullebol die bijna naar school ging even laten zien hoe goed hij kon tellen en haalde de telramen te voorschijn. Één voor zijn broer en één voor hem. Hij herkende ook al letters. De D van de naam van papa. Toen we de B van mij gingen zoeken in twee prentenboeken gingen vervolgens beide verhalen van A tot Z erin als koek.

Ondertussen had schoondochter de borst gegeven en waren de jongens uitgespeeld en aan bed toe. Tijd om op te stappen. Met stevige knuffelarmpjes om mijn benen en door de drie uitgezwaaid konden zij en ik er weer even tegen. Toeterend, op vraag van de krullebol, reed ik de straat uit, de einder tegemoet.

De beloning vannacht was de volle maan, die hier roerloos, haast boven het huis op ooghoogte zo leek het, hing en de ochtend begon met een flard regenboog. Een goed begin is het halve werk.

Overpeinzingen

Een waar genoegen

Gisteren hielden we een spontane langzaam-aan actie. De hele week had al in het teken gestaan van doorbikkelen, nu was het moment daar om een pas op de plaats te maken. Boodschappen en daarna thuis bijkomen. In alle rust hapjes maken, geen traditionele maar experimentele. De boekenclub zou langs komen.

Vlak voor achten druppelde het stel binnen. Liefdevolle omhelzing die de tijd deed wegsmelten. Het laatste etentje was twee maanden geleden. We hadden de bijeenkomst vervroegd omdat ik er anders niet bij kon zijn. Via de zoom is het lastig en niet makkelijk om mee te kletsen, laat staan de gezellige borrel na onze gesprekken te delen. Eerst waren er de gebruikelijke uitwisselingen en later de huishoudelijke mededelingen. Een van ons zet de bijeenkomsten voorlopig even op pauze, omdat hij merkte dat zijn agenda iedere keer overvol bleef en het schrappen voor wat meer vrijheid moest zorgen. Iets wat we allemaal begrepen. Ik denk dat ieder van ons met hetzelfde bijltje heeft gehakt. Soms is het opgeven van al die ‘leuke’ dingen een voorwaarde. En ‘op pauze’ zetten betekent nog niet ‘aan de kant zetten’. Er gloort hoop aan de horizon.

Ik had wel hapjes gemaakt, maar iets lekkers voor bij de koffie was er bij ingeschoten. Omdat ik toch al met bladerdeeg in de weer was besloot ik van het laatste deeg mini-appelhapjes te maken.

De meningen over het boek ‘Man in het Wild’ van Jaco Benckhuijsen kwamen praktisch overeen. Twee van ons hadden het in een adem uitgelezen en de rest had er langer over gedaan. Zijn zoektocht naar rust bracht hem op uitzonderlijke plekken, waar vooral de lege ruimte in die onmetelijke natuur het meest daaraan voldeed. Het bleef een tegenstelling, die hang naar rust en het naarstige zoeken er naar. Wat opviel was zijn verbondenheid met de mensen om hem heen, toen hij in Nieuw Guinea was

In mijn beleving had het boek qua spanning anders ingedeeld moeten worden. Het eerste hoofdstuk was het meest ‘adembenemend’, het laatste niet, omdat het zich meer tussen de mensen afspeelde en er regels waren die vergunningen eisten, waarvoor je lang moest soebatten.

We waren het er over eens dat ‘stilte’ uitdiepen niet het sterkst naar voren kwam, al deed hij in het eerste deel wel pogingen en was zijn omschrijving van de overweldigende indruk die alles op hem maakte en waarin de nietigheid van de mens welhaast tastbaar werd, haast poëtisch te noemen. Mij werd gevraagd hoe mijn stilte was, daar in Hongarije. Daarvoor moest ik eerst het drukke leven hier omschrijven en dat tegen die immense rust van daar afzetten. Hier zijn er de kinderen en kleinkinderen, afspraken, allerlei ontmoetingen met etentjes of borrelhapjes, leuke musea, films en natuur. In het tweede thuisland is er vooral niets buiten de stilte, de grote tuin, het schilderen en lezen, het luisteren naar muziek en elkaar.

Zoals gewoonlijk mondde het gesprek op het eind uit in mooie verhalen met een persoonlijke noot, maar nu hadden we nog een item dat alvast doorgenomen diende te worden. De Parijs-reis ter ere van ons vijfjarig jubileum. Hoe gaan we er heen. Met de auto, met de trein, hoe willen we slapen, waren er mensen die wilden delen of liever alleen sliepen voor dat broodnodige ‘even een moment voor jezelf’. Zo graasden we diverse mogelijkheden af en het draaide er op uit, dat we met auto’s zouden gaan en de rest in de app zouden bespreken. Om half twaalf gingen de laatsten naar huis. Een warme knuffel, een zwaai, en tot in november. Het was weer een waar genoegen.