Overpeinzingen

Het is maar dat je het weet

Gisterenavond een fotootje van de filosoof, tante Pollewop met step, schone zoon en dochterlief. Allemaal een rugzak op. Ze stonden voor hun dichte deur. Het avontuur kon beginnen, Met de nachttrein naar Wenen is al een avontuur op zich, maar als je dan bij de trein te horen krijgt dat de slaapcoupe stuk is en je op de banken in slaap zal moeten vallen, wordt het nog een stuk avontuurlijker. Er bleef op die manier wel meer geld in de portemonnee. Vanmorgen waren de kinderen er al vroeg bij en op herten-en-reeënjacht vanuit het raam en pa en ma waren een beetje brak na een matig nachtje.

Ben benieuwd wat ze van Wenen vinden. Ik ben er zelf nog nooit geweest, wel via het boek ‘Vaslav’ van Arthur Japin. De stad werd goed beschreven, maar het verhaal was oneindig traag. Daar zou ik zelfs. langzamer van gaan lopen. Van hieruit is ook deze stad goed te bereiken per trein. De lieverds komen halverwege de week deze kant op met een huurauto. Zo fijn om ze weer even in de armen te kunnen sluiten.

Vanuit het verre Australië waar vriendinlief en oud studiegenootje met haar man een rondreis aan het maken is, kregen we een opmerkelijk feit te horen waar we geen van tweeën weet van hadden. Koala’s eten eucalyptusbladeren die giftig zijn voor de mens, dat is bekend. Bij de bosbranden zijn een aantal koala’s gered omdat het gevaar bestaat dat ze kunnen ontploffen door het gas dat vrij komt bij het eten van die bladeren. Leuk om te weten. Het is een prachtige reis die we een beetje meemaken door de hoeveelheid foto’s die er worden gemaakt.

De doeken zijn bijna af. Van het Hongaarse vrouwtje moet ik de zijkanten nog afwerken en dan kunnen er een aantal in de kamer opgehangen worden. Ik zoek nog een thema voor het hele grote doek, het grootste tot nu toe. Er beginnen al wel wat ideeen door te sijpelen.

Ik heb de Hongaarse lessen van de LOI, die lang geleden door Lief zijn aangeschaft er maar eens bij gepakt om de puntjes op de -i- te kunnen zetten. Daar wordt de moeilijke grammatica en de hoeveelheid vervoegingen uitgebreid uitgelegd. Zo op het woord kom ik er niet uit.

Lief heeft jaren lang gedacht een camouflage-bodywarmer te hebben, die hij met de kou maar weer eens te voorschijn had gehaald, maar het blijkt dat er levensgrote berkenbomen achterop staan. Het is een jagers-bodywarmer. Hij wordt weer in ere hersteld, want hij is eigenlijk heel erg mooi en heel goed voor de vroege ochtenduren, als hij op de veranda van de datsja gaat zitten schrijven en lezen. De warmte laat zich aflezen aan het aantal af te pellen lagen kleding.

In de Groene van vorige week een essay van Pauline de Bok over de Flora Batava, het geillustreerde overzicht van de wilde planten in Nederland tussen 1800 en 1934, want het is heruitgegeven. Nu kunnen we allemaal meegenieten van de kleine Maagdelief, die wij kennen als de madelief. Hebben jullie ook met je ouders en vriendinnen de lange kettingen gemaakt in het vrije veld. Met je nagel een kneepje net onder de bloem in de steel en dan het steeltje van het volgende bloemetje erdoor steken. De schrijfster herinnert me eraan. Zeker. Wat een heerlijk onschuldig spel, vredig en rustgevend.

Haar reis door het boek heen blijkt een tijdreis te zijn geworden door ‘ de levendige geschiedenis van Nederland’. Het gaat namelijk niet alleen over planten maar ook aan de betekenis die wij mensen eraan hebben toegekend. De namen die eraan gegeven werden zijn een lust voor het gehoor en kietelen het voorstellingsvermogen in hoge mate. Zo heet de Gemeene Paardenbloem, die nu al van mij een grijns van stampertjes in zijn kern heeft staan, ook wel Hondsbloem, papenkruid, paapenstoelen, kankerbloem, mossalade en Pis-in-‘t-bed. Die laatste weet ik nog wel van vroeger, want een paardenbloem was omgeven door een zweem van pis.

Er staan nog veel meer wetenswaardigheden in. Een hele belangrijke. Laat die rode klaver staan, want dat kleine nietige plantje zorgt voor stikstofvermindering in de lucht en zuivert de grond. Het is maar dat je het weet.

Overpeinzingen

Zoete herinneringen

Bij wordpress is er iemand aan het schuiven met het concept. Help, waar staat mijn nieuwe pagina, de reader, mijn meldingen. In de telefoon staat alles gewoon op de oude plek. Ik zet de Ipad uit en weer aan, als reset, maar nee, de onduidelijke vernieuwde versie blijft. Groot zijn de flexibelen van geest, denk ik dan maar. Accepteren en er bij blijven.

Dochterlief stuurt een foto van tante Pollewop die met haar stepje in de ene hand en met de andere hoog in de lucht kennelijk wijst naar twee vertrouwde namen op een wegwijzerbord. Amandelstraat met een pijl naar rechts en Ahornstraat naar verderop. Omdat ik de huizen niet direct herken vraag ik haar waar ze zijn. ‘Bij jouw straat’, is het antwoord. Die twee vertrouwde straatnamen maken een huppeltje in mijn lijf. Ze behoren toe aan mijn jeugd. 18 jaren vol lief en leed in het te krappe huis op nummer 59, waar wel een zolder, een bijkeuken en een kelder was. De keuken werd een beetje improvisatorisch aangebouwd en de kamers, twee en suite, werden doorgetrokken tot een doorzonkamer. Daar liggen mijn eerste voetstappen die herinneringen maakten.

Bordjes/koninginnedag/perenboom en oogst/amandelschool/kerk

De lagere meisjesschool naast de kerk en aan de overkant de lagere jongensschool. De kleuterschool tegen de jongensschool aan, waar een van de Pieten van Sinterklaas op het dak was geklommen, twee hoog hè, voor een vierjarige is het een waagstuk van formaat. De kerk maakte een behoorlijk deel van het leven uit. Tegenover de kerk aan het Boerhaveplein lag het klooster met haar grote mooie tuin met bloemen en kruiden en helemaal ommuurd. Toegang verkreeg je via het klooster of door een zijpoort in de Elsstraat. Ik mocht er een keer doorheen wandelen. Waarom ik dat privilege kreeg weet ik niet meer. De pastorie was naast de kerk.

De Elsstraat en de Larixstraat doorkruisten aan weerskanten het plein. In de Elsstraat tegenover de meisjesschool was de bibliotheek in een gewoon huis gevestigd. Muren met kasten en rijen met boeken, afgestempeld werd er in de ‘woon’kamer. Thuis speelden wij, de vijf kleintjes, bibliotheekje met zelfgemaakte kaartjes waar de datum op werd geschreven. Ze staken in driehoekjes die we in elk boek hadden geplakt, net echt. Poppen mochten ook boeken lenen.

In de achtertuin stond de perenboom voor het witte schuurtje en een forsythia vlakbij. We hadden een keer een rattenplaag. Nog zie ik mijn vader een gat graven tussen en half onder de stenen afscheiding van buurman van Luyn en ons. Twee oudere broers hielpen mee. Een stond klaar met de schep om eventuele vluchtende ratten op de kop te meppen. Wij keken vanaf veilige afstand door het raam.

In het poortje konden we aardappelblokjes koken op het fornuisje met petieterige aanmaakblokjes, die het echt deden. De muur van de schuur was voor het kaatsenballen. ‘Kaatsebal ik heb je al, ik heb je al gevangen.’ De stoep voor in de straat met weinig auto’s was voor het stoepranden. De muur van de protestante lagere school aan de overkant van ons huis voor het aftellen bij verstoppertje. ‘Ik tel tot tien, wie niet weg is, is gezien. Ik kom.’ Op de stoep werd getold en geknikkerd. We hadden tolletjes met een zweepslag en de ronde die je moest wegzwiepen. Hoepelen deden we ook, tot aan zes aan toe.

Op koninginnendag was het feest voor alle kinderen in de straat, maar ook als het orgel met zijn poppen langskwam, die sloegen de maat op de vrolijke deuntjes en wij liepen er achteraan. Een keer per week kwam er op een gegeven moment een ijskar van Hoogie langs. Als we een ijsje mochten, was het pas echt helemaal feest. Toen ik ouder werd mocht ik op het koor. We oefenden in de meisjesschool in de hal, waar Wim Wijntjes de dirigent ons inwijdde in Bach, Händel en consorten. De galm, dat heerlijke volle geluid dat tegen de monumentale uitgesleten traptreden klom, herinner ik me nu nog.

Het leven was gevuld met al die kleine dingen en nog veel meer. Dank lieve dochter. Wat één zo’n straatnaam niet open kan gooien aan luiken en deuren, lang vervlogen tijden en zoete herinneringen.

Overpeinzingen

Mooier dus, zachter ook

Naar aanleiding van het boek The Face van Ruth Ozeki, waarin de auteur haar gedachten, bevindingen en associaties beschrijft die ze krijgt als ze onafgebroken drie uur lang naar zichzelf in de spiegel kijkt, observeert Marja Pruis een vrouw in de Londense Metro. Ze vindt dat de vrouw lijkt op een vroegere vriendin, maar dan wat meer verwaarloosd. Haaruitgroei is goed te zien door een middenscheiding, en het gezicht…tja. ‘Het is moeilijk te benoemen wat er precies gebeurt met een gezicht in de loop der jaren’ . De vriendin was ook al zo veranderd. Ze moest ‘twee keer kijken om te zien dat zij het was. Ik dacht: dit is wat Judith Butler bedoelt met dat we meer ‘undone’ tot elkaar moeten komen.’

Drie uur lang staren naar je eigen gezicht tot je het blind uit zou kunnen tekenen. Ja, wat roept het op. Constateringen, neem ik aan. Dezelfde neus als je vader. Waar komt in godsnaam die neus vandaan? Mijn moeders ogen, ja precies, maar van wie zijn die lachrimpels er omheen. Pa lachte alleen als hij zijn borreltjes op had en moppen begon te vertellen aan, het liefst, een groot publiek. Olijke kop, zachtere trekken, rond gezicht bracht dat met zich mee. Tante Lena zie ik ook met regelmaat komen, nu pas, nu het ouder wordt, dat gezicht van mij. Ik vond het niet mijn liefste tante. Dan is het moeilijker om haar terug te zien in de spiegel toch?

Marja Pruis geeft aan ‘Als je iemand kent, is het eenvoudiger om ook iemands voorkomen te kunnen waarderen. In feite maakt het alles uit’.Wat te doen als je iemand herkent en dergelijke gevoelens blijven achterwege. Het helpt om te bedenken dat ik tante alleen maar gezien heb, toen ik betrekkelijk jong was. Sterker nog, we kenden haar niet. Ze kwam elke zondag een kopje koffie drinken na de mis. Pa en ma kregen daar de zenuwen van, dat las ik af aan het koortsachtige kuisen van het huis. Dus bestaat mijn beeld uit aannames en associaties. Misschien was ze echt wel een hele lieverd, maar niet in haar zondagse jurk met dat hoedje op. En daarbij zijn het ook nog herinneringen, vage beelden in een dromerige mist.

Ooit was er een foto van mij gemaakt, die nu nog zweeft in de historie van het longfonds. Ik mocht niet lachen, maar het ergste was dat er gestyled moest worden. Een half uur in de make-up. Zij, die mij aankeek op de foto, had niets, maar dan ook geen greintje, met mij te maken. Waar waren mijn woelige haren, mijn lachrimpels, mijn verwonderde blik. Bij die vrouw zag ik onmiddellijk dat ze lijdend was. En als ik niet beter wist, zou ik zeggen dat ze een stand-in hadden gebruikt. Want ik was het niet, niet in de verste verten.

Aan het eind van de reis van Marja in de metro, komen er een paar giebelende bakvissen binnen die neerploffen en uitgebreid aan het gillen en lachen zijn. Ze zien elkaar in de spiegelende ramen en die ramen trekken langgerekte lijven, hoofden die in de schreeuw niet zouden misstaan, golvende armen. ‘

Hun gezichten langgerekt. Ieder verband tussen voorhoofd en kin en alles wat daarom heen gebeurt opgelost. Ze trekken de gekste bekken om het effect te kunnen zien, want wat een giller’.

Dat was Marja haar laatste alinea. Is er een spoortje te bekennen van een milde vaststelling: ‘Wacht maar tot je ouder wordt’, of iets dergelijks. Het verband tussen alles wordt losser door de loop der jaren…Inderdaad.

In het bos achter vond ik een verzameling paddestoelen. Ze waren al beduidend ouder. Er waren wat scheurtjes in de hoed getrokken. ‘Ze hebben zich verkleed als bloemen,’ schoot het door me heen, maar nee, als je goed observeerde zag je de ouderdom er door schemeren. Mooier dus, zachter ook.

Overpeinzingen

We gaan het zien en beleven

Wat een wonderlijk begin van de ochtend. Eerst Hongaarse les met al die vervoegingen. Soms drijft het me tot wanhoop. Ik leer het nooit, denk ik dan. Daarna was er de docu van Bruin Parry Jackson. Een krap uur durende docu over het leven van Bruin als kunstenaar en zijn ambitie om net zo’n grote ster te worden als zijn voorganger en idool Michael Jackson. Wat een mooie mensen heeft deze Bruin om hem heen verzameld. Hij is de grote verbinder, dat lees ik uit de verhalen van degenen die aan het woord komen en ik begrijp waarom ze zo ondersteboven zijn van Bruin, die hartverwarmend zichzelf is en uit het leven haalt wat eruit te halen valt alleen al door het geloof in zichzelf.

Hij heeft charisma zoals de producer van zijn plaat hem toedicht. Zodra die jongen iets aanpakt wordt het goud. We zien hem ontroerend onzeker terwijl hij zijn twijfels en zenuwen deelt met zijn grote vriend Jan, die ooit op hem paste als kind waardoor een hechte vriendschap is ontstaan. Zijn ouders hebben twijfels over zijn zangstem, maar de creatieve manager, de producer en de rapper die erbij werden gezocht vormen allemaal een mooie aanvulling op zijn creativiteit om zich te uiten in zang en dans en dat met hele ziel en zaligheid. Te bedenken dat het slechts 70 jaar geleden is dat mensen met het syndroom van Down, mongooltjes werden genoemd en niet geacht werden in staat te zijn om te leren lezen en schrijven. Hetzelfde ontwikkelingsproces was er ook in de psychiatrie. Dat geeft aan dat als men uitgaat van de kwaliteiten van ieder mens en dat respecteert, het hoogste rendement voor alles en iedereen kan worden bereikt in de zin van vrijheid en geluk. De ouders, de hele omgeving en voor de persoon zelf nog het meest.

Het boek ‘Morele Ambitie’ is zo heel erg niet mijn boek. We zijn het station gepasseerd en zouden middels het boek kunnen vaststellen of we de juiste wegen hebben bewandeld op onze tocht naar morele ambitie. We zijn dan ook niet echt de doelgroep. Rutger Bregman mikt op tieners en twintigers, die ‘De grondwet van hun leven nog niet hebben geschreven’, die aan het begin staan van hun te bewandelen pad.

Lief en ik twijfelen ook aan het samenvoegen van de twee woorden ‘Morele Ambitie’ het lijkt een contradictio in terminis. Maar als je de begrippen naast elkaar legt zijn er overeenkomsten. ‘Ambitie’ in de puurste vorm gaat over het streven naar uitmuntendheid en zelfverbetering en ‘Moreel’ staat voor gevoel van zelfvertrouwen, innerlijke kracht, de wil om door te zetten. Die twee gecombineerd moet wel een krachtige persoonlijkheid opleveren. De vierde categorie mensen, volgens `Bregman, die zijn idealistisch en ambitieus. Zijn grote voorbeeld hiervoor was de vrijheidsstrijder Thomas Clarkson, die zich als student voor een essay had verdiept in de slavernij, daar een eerste prijs mee had gewonnen en die vond dat het tijd werd een einde te maken aan die ellende. Toen hij in contact kwam met een aantal quakers, die al tegen de slavernij waren, de zogenaamde abolitionisten, besloot hij zich te gaan wijden ‘aan de zaak.’ Hij bleef de rest van zijn leven, eenenzestig jaar lang, vechten voor zijn ideaal. Vol ambitie en werd de grootste hervormer van zijn tijd. ‘Een morele stoommachine’ zoals een goede vriend hem noemde.

Terwijl ik deze eerste hoofdstukken lees ben ik benieuwd naar de rest van het boek. Mijn nieuwsgierigheid is gewekt. Ik ben heel benieuwd wat er nog gaat komen en verheug me er zelfs op. Dat is altijd een goed teken. We gaan het zien en beleven.

Overpeinzingen

Zo’n zelfde zware koffer

Het is heerlijk weer in Nagypeterd met 21 graden en volop zon. Het brengt de mussen in Guido Gezelle-stemming. Tak op, tak af, tak uit, tak in. Ze spelen meesje, de hele dag door, doen vliegwedstrijdjes en dartelen naast, buitelen over, en vliegen om elkaar heen, dan weer in de vijg, dan in de haag, op het varkensstalletje en erin om snaaks er weer uit te vliegen als lief in de buurt komt.

Hij had alvast de kachel aangezet in de Datsja om de ochtendkou eruit te halen en nu, in de middag is het er heerlijk behaaglijk. Deur open voor de frisse lucht en roodborst, de eerste die ik zie dit jaar, als metgezel vlak voor de veranda.

Het doek vordert. Het onderwerp is een aangename verschijning en dat is een prettige bijkomstigheid. Het gaat vlot en ik stop op het moment waarop ik zou kunnen gaan poetsen. Als ik zover ben gaat het mis. Dus, op de rem. En het laten voor morgen. De sfeer in ons bos is wonderschoon met het gefilterde licht door de bomen. Lief leest op de veranda van het atelier ‘Wolkenatlas’ van David Mitchell en geniet. We drinken thee en de buurman ploegt zijn land met een oude tractor, die rammelend de weerbarstige grond open breekt. Het werk gaat gewoon door.

Dochterlief belde vanmorgen terwijl we buiten aan de brunch zaten. De arme Dribbel zijn oren spelen weer op. Hij heeft er echt last van en zit met hangerige oogjes naar zijn lievelingsprogramma te kijken. Alle kinderen bij elkaar was voor herhaling vatbaar, het was een heerlijke dag. Ze hebben gelijk met mij ook een afspraak vastgezet in februari, of ik het even in de agenda wil schrijven. Natuurlijk lieverds. Het doet me goed om ze zo gezellig bij elkaar te zien op de foto die ze doorsturen.

Er is ook alweer een eerste begin gemaakt met een tetra-etsje. Aan de slag, laat de creativiteit maar stromen, wie weet wat het je oplevert. Er was in de boekenbabbel naar elkaar geappt en dan blijkt ineens dat we al 6 november bij elkaar komen. Ik meende me te herinneren dat we het hadden verplaatst naar 30 november. Gelukkig is het boek Morele Ambitie van Rutger Bregman niet al te dik. Dan probeer ik toch maar te zoomen.

Vanmorgen was er een kevertje, een lieveheersbeestje zonder stippen, in de yoghurt gevlogen. Toen ik hem in een oud waxinelichtje tikte was ie meer dood dan levend, maar even later zat hij zich uitgebreid te wassen op de rand. Taaie rakkers hoor.

Een lieve vriendin post een berichtje over hoe om te gaan met diep verdriet. Ik ken haar verdriet en weet hoe schrijnend het is. Ze haalt een zin uit het schrijven aan: ‘Want waar diep verdriet is, was (en is) grote liefde’. Iets wat ze alleen maar kan beamen. Zielsgelukkig die het stukje heeft gepost schrijft: ‘Dit is verdriet. Een gat dat door de stof van je wezen gescheurd is. Het gaatje geneest uiteindelijk langs de gekartelde randen die overblijven. Het kan zelfs krimpen in grootte. Maar dat gat zal er altijd zijn. Een stukje van jou ontbreekt.’

‘Tot mijn grote vreugde voelt ze zelf dat het gat kleiner is geworden, dat er meer omheen gegroeid is en ze zich weer vrijer kan bewegen’ schrijft ze. Wat een prachtig bericht. Wat een mooi einde van al net zo’n mooie dag. Ruimte voelen, vrijer kunnen leven, dat wens ik voor iedereen die zo’n zelfde zware koffer heeft te dragen.

Overpeinzingen

Malle man

Vrolijk maaiden mijn blote handen het gras rond de voet van de klimopboom weg. Het ging voorspoedig. Ruimte maken voor het zomerse genot volgend jaar van een wilde bloementuin. Iemand vond dat ie beter nu wild op kon treden. Dat was een wesp die zich diep verstopt had onder het gras en nu te voorschijn kwam tussen gras en vinger. Er viel hem of haar maar een ding te doen in de doodsangst die ze voelde. Ze stak en van de weeromstuit liet ik de grasjes vallen en liep naar mijn Lief toe. Eigenlijk meer beduusd dan ondersteboven. Het was me ooit maar een keer eerder gebeurd toen er een wesp in mijn tas was gekropen waar ik net iets uit wilde pakken. Eigen schuld, dikke bult is vast het motto van een wesp. Geen angels bij wespen. Als het te veel pijn doet het gif eruit zuigen en anders lekker laten. Het trekt vanzelf weer bij. Venijnig steekje, dat wel.

Later bij het opschonen van de kruidentuin voor de zekerheid dan toch maar wel die handschoenen aangetrokken. Het was heerlijk weer en in het zonnetje behoorlijk warm. Ook vandaag en zoals beloofd waarschijnlijk de hele week rond de twintig graden.

De overgang van reuring naar rust heeft me opnieuw in de houdgreep. Er komt niet echt iets uit handen. Morgen, neem ik me voor. Morgen ga ik de hele dag lekker schilderen. Nu mag ik nog een beetje lummelen. Lezen in de nieuwe Groene, die hier altijd een weekje later is. Lief heeft gisteren de vuurkorf bij de Datsja uitgeprobeerd en nu gaat hij de buitenhaard aan de praat proberen te krijgen die, aan de andere kant van het antieke fornuis in de keuken, op het terras staat.

Vanmorgen vroeg hebben we de boodschappen al in huis gehaald voor een dag of vier, want woensdag is het hier een nationale feestdag. Dan gedenkt men de helden die in 1956 de strijd aangingen tegen de overheersing van de Russen en is er geen winkel open. Het is ons al eens overkomen dat we met kunst en vliegwerk een en ander op de kop moesten tikken op zo’n verplichte feestdag

Het vuurtje brandt en de rook trekt rechtstandig de schoorsteen in, dat is een goed teken. Later deze maand gaan we ook de drie gevelkachels in huis uitproberen, maar daar moet voor alle veiligheid eerst de schoorsteenveger aan te pas komen. Ze hebben al drie jaar niet meer gebrand. Voor mij is het zaak om vooral binnen te blijven bij dergelijke capriolen.

Vanmorgen las ik in een blog van iemand die in Italie woont dat hun kleding daar van het tweede garnituur is. Dat houdt in dat de oude kleding die je in Nederland aan de kledingbak zou toevertrouwen daar uitgebreid tot werkkleding en meer kan worden omgedoopt. Niemand die zich stoort aan een vlekje meer of minder, of een gepilde trui met een bodywarmer erover. Het is een mooie term en we houden het er in, want voor hier geldt precies hetzelfde.

Ik zie lief opbloeien als een klein jochie, glunderende ogen, brede grijns, lekker….Gelimiteerd fikkie stoken. De keuken blijft op alle fronten rookvrij, niets komt via de verbinding het oude fornuis in en dat is een goed teken. Leuk als al die authentieke dingen van het huis weer werken. Het hoort erbij maar met beleid. Rook is niet best voor mij. Een van de redenen dat we tegen de winter weer naar Nederland komen. Hier stookt alles houtkachels op het platteland en grote open vuren als de rommel verbrandt moet worden.

Gisteren had ik ineens onbedaarlijke trek in een bordje patat met mayonaise ondanks de pasta met zalm. Zeker een aanval van nostalgie. Zo gezegd, zo gedaan. De pasta komt zometeen schoon op, maar de lekkere trek is goed gestild. Daarna was het onze filmavond, toch met een serie op Netflix, aangrijpend, aandoenlijk ook, over een begrip in Mexico, de Muxes. De serie heet ‘The Secret of the River’.

Het is een internationale serie met lhbtiq+thema’s, maar ook de inheemse Zapotec-cultuur in Oaxaca, Mexico komt aan bod. Muxes worden vaak verward met transgender vrouwen maar het zijn intersekse mensen. Een zeer actuele film, geromantiseerd maar ook prachtig om de beelden en de twee jongetjes in hun warme vriendschap en hun ontwikkeling te midden van een wat conservatieve gemeenschap te kunnen volgen.

Lief komt melden dat we een nieuwe paus hebben. De rook uit de kachel is prachtig wit, haha. Malle man.

Overpeinzingen

Het rijke leven in alle eenvoud

Met dochterlief gebeld en bijgepraat. Zometeen gaan de broers en zussen met elkaar eten. Zo leuk dat dat nog steeds bij tijd en wijle gebeurt. Een mooie plek uitzoeken met ruimte voor de kinderen, een lange grote tafel, het hele gezin er omheen en bijkletsen. Hard nodig in tijden van drukte. Werk, verplichtingen, clubjes en andere beslommeringen zorgen er voor dat tijd voor elkaar er algauw bij inschiet. Een keer in de maand als dat mogelijk is proberen we, als we er zijn, of ze, dit soort ontmoetingen toch te organiseren. Een mooie traditie is het geworden.

Een van mijn voormalige studiegenoten uit de verpleging is met haar man 6 weken een rondreis aan het maken door Nieuw Zeeland en Australie. De eerste foto’s zijn van een kort verblijf in HongKong. Daar was ik gisteren toevallig ook, toen ik de afleveringen van mijn lievelingsserie terugkeek. Masterchef Australia, want de zeven kandidaten en de jury waren in HongKong. Wat een stad is dat en wat een luilekkerland zal het zijn voor hen die met alle mogelijke kanten van het culinaire ontdekken bezig zijn. Het zijn fijne afleveringen want in deze drie stuks waren geen afvallers. Wel viel er immuniteit te halen en degene die dat won, had ter plekke een openbaring van wat ze met haar koken nu eigenlijk wilde. Ze wist in een helder moment dat ze er voor zou gaan. Ze wilde alles op alles zetten om Chefkok te worden.

Dat is de finesse van deze programma’s. Je ziet de ontwikkeling die de kandidaten doormaken en zo ook hun groei. De Australische aanpak van de jury verschilt mijlen van de andere Masterchefs. Ze zijn lief, adviserend en bemoedigend. Nooit wordt er iemand op een nare manier weggezet. Voor alle kandidaten geldt dezelfde aandacht en bewondering. Knap leiderschap vind ik het als je uitgaat van iemands kracht en dat ook weet te stimuleren.

In het restaurant in Balatonszemes serveerden ze trouwens bij mijn goulash Hongaarse galuskaval. Dat zijn deegknoedels en niet meer dan dat. Kleine deegballetjes worden gekookt geserveerd. Dat vond ik minder lekker, sterker nog er zit weinig smaak aan. Dat liet ik controleren door Lief, want die proeft alles goed en bij mij smaakt het sowieso nergens naar. De structuur, zo’n deegballetje, vond ik niet aangenaam. Het vraagt eigenlijk om een experiment.

Terwijl ik wat dingen op zoek kom ik op de site van ‘To live simple’ met korte films over mensen die op de een of andere manier de eenvoud hebben teruggebracht of gebracht in hun leven. Een vrouw van 95, die haar jeugd overdoet, door ‘kinderlijk’ nieuwsgierig te zijn en niet wil stoppen met onderzoeken van de kleine dingen. De wuivende halmen van het riet, het zachte mos, een boom. We zijn allemaal gemaakt van hetzelfde materiaal, zegt ze. We zin hetzelfde maar tegelijk ook uniek. We vormen een caleidoscopisch beeld, dat als je het draait weer verandert, andere vormen aan neemt, kleuren. We zijn andere versies van elkaar en toch hetzelfde. Leef langzaam als je weet waar je de waarheid moet zoeken, want de enige weg er naar toe is door de dag te omarmen en wel nu, op dit moment.

Een ander filmpje laat een jonge vrouw zien die lichamelijk ziek werd van de pressie die de stad in alle hectiek met zich meebracht. Ze ging veel reizen, maar ontdekte dat het daar ook niet in zat. Nu woont ze in een boshuis op de grens van Finland in de eindeloze natuur en daar ontdekte ze dat ze eigenlijk hoog sensitief is en daarom niet in de stad kon aarden. Ze had nooit gedacht dat ze zo verliefd kon worden op dit land, deze natuur, de kou, de korte zomers, het prachtige winterweer. Dat ze zo gelukkig kon zijn.

Het deed me denken aan het programma ‘Floortje naar het einde van de wereld’ met de mensen die leefden in de oneindigheid ver van de bewoonde wereld. Kleine parels van eenvoud. Ze zijn nodig in de dwaasheid van de huidige tijd. Om je er aan te laven in de wetenschap dat het ook anders kan. Het rijke leven in alle eenvoud.

Overpeinzingen

Daar valt ook heel wat te beleven

Dartele mussen, vinken en koolmezen zijn kennelijk weer blij met onze aanwezigheid, zeker als we de loerende zwart-witte kat van het erf verdrijven. Specht laat zich ook horen en zien in de kale takken van de enorme boom achter de stallen. Het is goed om terug te zijn. De malve is in haar tweede bloeien de cosmea doet er nog een behoorlijke schep boven op, rapsodie in wit en lila. De zon doet haar uiterste best en daarbij is het briesje dat er waait niet overbodig. Zo is het goed uit te houden.

Bij thuiskomst rond vijven was het huis zelf wat killig. De verwarming deed het niet meer. Lief inspecteerde het ketelhuis en kwam tot zijn en mijn droevenis terug met twee dode mussen. Ergens moet er een opening zijn, het kan het luchtgat niet zijn, want daar zit officieel een rooster in. Lief speurt verder en neemt de hele zolder op zijn inspectie mee.

Blogvriendin had een fotootje van de aangeschafte outfit van het winkeltje in Tihany verwacht. Alsnog komt die er natuurlijk. Ik heb eens naar de Hongaarse website gekeken en je kan wel bestellen alleen moet je het daar dan cash betalen. Dat lijkt me mijl op zeven. De merken die ze verkoopt zijn elders ook te verkrijgen voor om en nabij dezelfde prijzen. Maar ik gun het de aardige vrouw echt van harte.

Lief heeft toch een nest weggehaald in de punt van de balken op de grote voorzolder. Hij gaat er voorlopig iedere dag even langs om te controleren. Het moet zo’n klein roofdiertje zijn geweest en die schrikken we op die manier misschien af. In de stalletjes buiten is genoeg plek voor hem of haar om zich te verstoppen.

Moe van het reizen besloten we als afsluiting een mooie film te kijken en kozen we de lang verwachte film ‘De terugreis’, waar de recensies heel lovend voor waren en die zelfs op een gouden kalf kon rekenen. We zien Martin van Waardenberg en Leny Breederveld de rol spelen van oud echtpaar dat na een brief te hebbben ontvangen van een vriend uit het verleden het erop wagen om hem op te gaan zoeken in Spanje. Als acteur zijn ze goed, maar hun rol als kibbelende oudjes, die tegelijkertijd op de herinneringen van de licht dementerende vrouw voor hilarische momenten zorgt, waarin haar echtgenoot zijn barse houding laat varen, stoorde hier en daar.Misschien wel door dat kibbelende. Iets wat ik vroeger wel zag bij oudere echtparen, maar dat ik tegenwoordig toch steeds minder herken.

Of ik nu te moe was of de film te traag was, weet ik niet, maar ik werd na een uurtje zo overmand door de slaap, dat we besloten om later de film af te kijken. Ik zou zeggen dat de hele sfeer rondom het verhaal er ook debet aan was. Als ik Lief er vandaag naar vraagt, vergelijkt hij het met hoe hij zich voelde toen hij vanmorgen het boek: ‘Al het blauw van de hemel’ had uitgelezen en daar net als ik volledig door gegrepen was. Daarmee vergeleken heeft de film geen schijn van kans qua verhaal en spel, al is het thema nog zo ontroerend.

Lief gaat fikkie stoken in de kleine buitenoven, zodat we misschien, als de filosoof en tante Pollewop er zijn, stok-broodjes kunnen bakken. Deeg om een afgeschaafde schone tak, die je boven het vuur houdt. Of bijvoorbeeld om aardappelen te poffen. Dat is zo’n mooie ervaring om zelf te mogen doen. Hij kan nu testen of het haalbaar is. Dit herfstseizoen biedt weer allerlei andere mooie mogelijkheden. In de zomer hadden we voornamelijk ‘het tafeltje met het mozaïek gipsen’ als project. En nu dan de pompoen en het vuurtje. Bij voorbaat al leuk.

Ziezo het tekendagboek bijverven en dan verder lezen in het vlot geschreven ‘Monsieur le Coloriste’ van Marco Daane. Daar valt ook heel wat te beleven.

Overpeinzingen

‘S lands wijs, ‘s lands eer

Om vijf uur klaarwakker, maar de avond ervoor was ik overmand door slaapgebrek van de slapeloze nacht dáárvoor, waar de supermaan debet aan was. Niet getreurd, in het half donker werkt de telefoon prima voor een robbertje met Duolingo, Hongaars vers van de pers.

Twee uur later bewoog er iets naast me en werd lief langzaam, ‘even nog wat soezen hoor’, wakker. We hadden tijd genoeg. Een echte tijd van vertrek was niet gegeven , maar we wilden in Tihany de barokke benedictijner abdij nog bezoeken en daarom wilden we zodra alles gepikt en gesteven was, vertrekken. Dat bleek rond negen uur te zijn. Mooie tijd. Nog een glimp van de nieuwe bewoonster van een andere kamer opgevangen, die de avond daarvoor laat was aangekomen, de sleutel weer in het sleutelkastje met de code gestopt en Truus volgeladen in stelling gebracht. On-y-va.

Het is een grote stad, vergis je niet. De oude stad mag dan te belopen zijn, maar het hele Veszprém doet niet onder voor een stad ter grote van Utrecht. Met een heerlijke zon en een 17 graden in het verschiet was het optimaal genieten van het landschap. Zonlicht geeft glans en maakt de wereld een stuk lichter.

Het was niet gek ver naar Tihany. De parkeerautomaat werkte niet naar behoren maar perste er nog een kaartje van een half uur uit. Dat zou te weinig zijn, maar we vertrouwden op ons goede gesternte en op luie beambten van Tihany. De abdij was een aantal trappen te ver, maar we hadden er totaal geen spijt van dat we die uitdaging waren aan gegaan. Sterker nog, ik geloof zowaar dat het klimmen me weer wat beter af gaat. Daar spreidde het hele Balaton zich majestueus uit aan onze voeten. Nou ja, omdat we hoger stonden natuurlijk. Dankzij de zon was het adembenemend mooi. De kerk zelf was het summum van barok. Het klatergoud van het roomse geloof was in alle afbeeldingen rijkelijk aanwezig. Alle was er in overtreffende trap. De cherubijnen keken deerlijk lijdzaam. Niets was er zwaarder dan het kruis dat te dragen viel.

We hadden ook nog een ticket voor het museum maar dat leiten we in verband met het nodige volk toch voor wat het was. Tihany was van ons huis een goede anderhalf uur rijden, daar kwamen we vast nog eens. Aan de hoofdstraat ging een schatiig kledingwinkeltje open. Piepklein maar ramvol met mijn kleding. Een beetje wijd, een beetje anders, een beetje mij. Ik kon niet anders dan even langs. Tegen Hongaarse prijzen dus niet te versmaden.

Met een fijne blouse en een mooi hes gingen we een deurtje verder. We hadden eerst wel cash moeten pinnen, want elektronisch betalen was er niet bij. Het gemeentehuis met een pinautomaat was aan de overkant. Jippie. Nieuwe kleren. Dat was lang geleden.

De overtocht was opnieuw een sensatie. Zodra het veer zich schokkig en bonkend in beweging zet denk ik dat Truus het zwaar heeft. Maar die staat natuurlijk kalm en bedaard har beurt van rijden af te wachten. Lief en ik besloten aan de overzijde een étterem(restaurant) op te gaan zoeken en nog even een vleugje Balatoni te genieten. Het meer was wat het me beloofd had de vorige keer met zon. Alle tinten blauw/groen, zwanen voor de oever, oneindigheid.

Het restaurant lag aan de weg, want het seizoen aan de stranden en strandjes was voorbij, daar was alles dicht. Heerlijk gegeten Balatonse karper voor Lief en voor mij een goulash. Dat kon natuurlijk niet anders. ‘S lands wijs, ‘s lands eer.

Overpeinzingen

Een dagje uit

Vanmorgen hadden we als eerste ons ontbijt genuttigd bij een Kunstcafe, met een Chai Latte en Lief had daar een heerlijk vruchtengebak bijgenomen, waar heel subtiel twee vorkjes en twee servetjes bij werd geleverd. Die aandacht vooral. Ik had er een paar leuke presentjes op de kop weten te tikken die door plaatselijke kunstenaars waren gemaakt.

Het oude gedeelte van Veszprém bleek op een steenworp afstand te zijn. Trap op naar het restaurant van gisteren en dan langs het gemeentehuis links rechtdoor. De weg liep onder een grote poort onder een toren door en nu begon bij Lief het geheugen te knagen. Er was herkenning. De poort met toren, de brandtoren, de omloop…hij had het allemaal al eens gezien, lang geleden. Veszprém is de oudste stad van Hongarije en zeer de moeite waard. Maar de basiliek en de kapellen waren niet te bereiken, want de boel stond in de steigers. Stoïcijns werden we door een bars mannetje zonder pardon teruggewezen. Op bouwplaatsen liet men geen mogelijke slachtoffers toe. Enigszins teleurgesteld dropen we af. Beneden zochten we de musea, want dat was eigenlijk ons uiteindelijke doel. Niet gevonden. Alle steegjes liepen daar dood. Wel kregen we een mooi zicht op de stad zelf.

De Tomtom gaf drie minuten afstand aan voor het museum. Vlak in de buurt dus en uiteindelijk waren er in het eerste gedeelte van de oude stad, waar we net langsgekomen waren, maar liefs twee musea. Aha, nu was overduidelijk te merken waarom Veszprém tot cultuurstad van 2021 was benoemd. In dat prachtige gedeelte ademde alles cultuur en kunst. De café’s, de musea, de kruidentuin met daarnaast een prachtig uitzicht over de stad en zicht op de oude burchtmuren, de torens, het plein. Een aangename plek om te vertoeven.

Modern art in beide musea. De website van het Varmuseum geeft uitgebreid het ontstaan van dit nieuwe museum van moderne kunst aan:

Ze werd in eclectische stijl gebouwd op de voormalige middeleeuwse kasteelpoort, terwijl de gotische boog van de ingang dateert uit de 19e eeuw. In die tijd woonden hier arme ambachtslieden in hun eenvoudige, kleine huisjes: zeefmakers, timmerlieden en schoenmakers. Nu ze zijn gerestaureerd op basis van de plannen van architect Gábor Turányi is hun historische schoonheid duidelijk zichtbaar. Ze werden gerenoveerd om er het nieuwe museum voor moderne kunst te huisvesten: de collectie van László Vass. De afgelopen jaren zijn de werken van Hongaarse kunstenaars verrijkt met beelden, afbeeldingen en gereproduceerde grafische afbeeldingen van de grootste meesters van de Europese abstractie. Hij verwachtte dat de werken waaruit de collectie bestond de nadruk zouden leggen op enkele belangrijke hoofdstukken van de 19e-eeuwse kunst: vooral die van de stromingen van het constructivisme en de abstractie.’

Tot onze grote verrassing troffen we tussen al die boven genoemde kunstwerken de stoel van Rietveld 4/5 aan, een aangename verrassing. In zowel het museum als de galerie waren er meer werken naar ons hart. Al met al was het een aangenaam verpozen tussen al die inspiratiebronnen, de gerenoveerde en/of gemoderniseerde gebouwen, de vriendelijke ontvangst. We besloten na een paar uur na te kletsen in het kunstcafé Foton onder het genot van een glas mooie Hongaarse witte wijn. Ook hier ademde alles schoonheid en kunst tot en met de brede gedraaide houten lichtbalk boven de lange bar.

Bij de Bistro, dat eigenlijk een verkapt Italiaans restaurant bleek te zijn, bestelden we een maaltijd met een, voor mij, buitenproportionele portie Spaghetti, maar Lief had honger gekregen van al dat fraais dus kwam alles schoon op. Bedanken, betalen, trap afdalen en al thuis zijn, de ideale situatie voor een dagje uit.

Overpeinzingen

Thuis is waar we samen zijn

We installeren ons in bed om uitgebreid te lezen, te kletsen en te schrijven en eventueel om een programmaatje te kijken op de Ipad, want de televisie in onze tijdelijke woning geeft alleen Hongaarse programma’s. Het was even uitknobbelen waar de parkeerplaats van het appartementje was. Die was al even groot als de kamer. Er konden net twee auto’s staan, maar ik geloof dat we de enige gasten zijn. Plek genoeg dus, als beloofd.

De rit er naartoe was rustig en aangenaam. Naar Kaposvar is het altijd een beetje oppassen geblazen met een paar beruchte bochten halverwege, maar na deze stad reden we op een gestroomlijnde nieuw aangelegde weg tot aan Szantod en tot onze verrassing moesten we daar de veerpont nemen naar Tihany. Daar gingen we. Helemaal in onze nopjes voeren we over het grote Balatonmeer. Ik had er geen idee van dat het van dergelijke enorme afmetingen zou zijn. Het was een beetje grijzig en dat geeft wel een andere indruk dan als het hoogzomer is. Ik herinner me de eerste blik op het Balaton op zo’n dag. Toen was ik helemaal ondersteboven van het kleurenpalet dat water en lucht te voorschijn toverden. Nu gaf het een omfloerst groengrijzig of grijsgroenig plaatje.

Tihany bewaren we voor de laatste dag als we terug gaan naar huis. Het is behoorlijk toeristisch, zelfs nu nog, met veel souvenirswinkeltjes en nog steeds met busladingen toeristen, maar het is ook een gemoedelijke plaats, meenden we te zien. Vezprem is een grotere stad, met oud- maar ook met veel nieuwbouw. We proberen de Vendeghaz te vinden en dwalen met Truus steeg in steeg uit. Een barse man wijst ons een andere straat in dan die we dachten te moeten gaan. We rijden het traject een keer, zodat we de tweede keer weten waar we moeten parkeren en we de kleine plek ontdekten vlak voor ons vakantieadres.

Met de code halen we de twee sleutels op. Een van de voordeur en een van de kamer. Comfortabel, niet overdreven luxe, maar precies goed. Een kleine oude Samsung aan de muur, die dus alleen de Hongaarse televisie de kamer in laat kabbelen, een prima sanitair en uitzicht door de twee hoge ramen op de rode wingerd om het kozijn heen en op de muren van de burcht er tegenover.

Naast de burchtmuur leidt een trap naar boven naar een plein, waar het stadhuis aan grenst en heel veel eettentjes. Maar eerst zoeken we een supermarkt. Die vinden we in het oud/nieuwe centrum om daarna rap weer naar het oude gedeelte terug te keren. De titel ‘cultuurstad’ is duidelijk op een andere leest geschoeid dan in Pécs, waar de pleinen een mediterrane uitstraling hebben.

Morgen gaan we eens uitgebreid op onderzoek uit. Wie weet wat we nog tegenkomen. Maar eerst wil de inwendige mens worden gesterkt. Een hapje eten in ‘A Elefant’, sowieso niet moeilijk te vertalen, maar ook omdat een grote olifant boven de deur en drie in de winkel de naam van het etablissement duiden.

In de kleine ruimte waren we verrast door het kruisbogen-gewelf boven ons hoofd, dat ons aan de werfkelders van Utrecht deed denken. Vleugje nostalgie uit een ver verleden. De maaltijd was heerlijk, de wijn en het bier smaakte prima na zo’n flinke rit en de muziek was jazzy funk of funky jazz waar ook Amy Winehouse prima in harmonieerde.

Het restaurant was om de hoek dus liepen we de trap af de heldere nacht en ons huisje binnen. Thuis is waar we samen zijn.

Overpeinzingen

Ze zijn niet meer te stuiten

Er is een tijdbijtertje in de weer. Ik weet het zeker. Ze knabbelt seconden, vreet de minuten en verscheurt de uren tot hun grote verdwijnpunt is bereikt. Het tijdbijtertje schikt na zo’n moment haar rokken en leunt achterover in haar grote klokkenstoel. Zie je wel, tijd beidt

Vanmiddag zouden we boodschappen doen, eerst even de medicijnen nuttigen en dan gaan, in een moeite door. Maar toen moest ik eerst even iets met een bloemenwinkel regelen en had ik een vraagje voor zuslief, die prompt terugbelde, omdat ik er achteraan had gevraagd hoe het met hen ging. We babbelden over wel en wee en over de oude tante die ze aan het verhuizen zijn. 103 wordt ze morgen en ze zijn blij dat ze nu veilig en wel in een particulier zorghuis zit omdat ze nog al eens van haar evenwicht afvalt. Een huis leeghalen met honderd jaar aan verzamelspullen is geen sinecure. Ze zijn er bijna doorheen.

Ze gaat met zuslief de wekelijkse (herfst)wandeling maken in de mooie bossen van onze provincie en heel even bekruipt me een gevoel van heimwee, want ik heb hier wel wat elfenbankjes gezien en hier en daar een zwammetje, maar onze paddenstoelen en boleten in het geheel niet. Samen hebben we wat afgewandeld tot ik ze niet meer bij kon houden en als een hijgend hert achter ze aan liep te strompelen. Einde van een era.

Toen ik net in de maquillage zat belde dochterlief. Nou ja…Maquillage is een smeerseltje, een dagcrème, een ogenpotlood, een mascara en een lippenglos sequ blosjesmaker en dat is meer dan genoeg. Dus belde ik haar weer toen dat dagelijkse ritueel achter de rug was. We hadden elkaar al drie weken niet gesproken en er was gespreksstof genoeg. De middelste zoon is op kamp naar Austerlitz. Ja datzelfde bos waar de roedel wolven loopt. Ze zijn niet meer te stuiten. Maar de school heeft verstand van de natuur. Die is er voor ons en als je per ongeluk een wolf tegenkomt dan zijn er instructies. Die werden prompt gegeven. Deemoedig achteruit lopen met het hoofd omlaag of je groot maken. De eerste spreekt me het meest aan. Er was wel iets geschrapt, nl. de nachtelijke speurtocht. Kijk dat is wijsheid, je moet de wolf niet op dat vleugje spek binden, in variatie op een thema. De oudste kleinzoon mag Havo 5 Frans doen. Met zijn Franse vader en zijn nog Fransere opa en oma een peuleschilletje natuurlijk, al is grammatica wel echt een graadje hoger. En Dribbel gaat helemaal fantastisch, twee verjaarsfeestjes deze week, wat wil een blij jongetje nog meer.

Ik liep naar achteren door het bos om te vragen aan mijn wijze lief hoe je sequ ook alweer schreef omdat ik het nergens kon vinden en op de terugweg boog ik me even over de kruidentuin. Hé, mijn verloren gewaande uien groeien als kool en daar staat dus ook de bieslook naast, die was ik glad vergeten. Reken maar dat uit de hele kruidentuin, met z’n oregano, peterselie, bieslook, ui en tijm de laatste week van November heerlijke pesto’s gemaakt zullen worden als dochterlief en schone zoon met tante Pollewop en de filosoof op bezoek zijn. Samen met de munt in het pompoenenbed. Dan is de pompoen ook op ware grote en kunnen we buiten een heerlijke soep ook een pompoenkoets in elkaar knutselen met een echte assepoes van hooi of gras.

Morgen gaan we op pad. We hebben er heel veel zin in en de volgende reiswens is ook al besproken. Die kriebels hebben eenmaal de weg gevonden. Ze zijn niet meer te stuiten.

Overpeinzingen

Wie weet wat dat ons brengen zal

Gisteren was een echt schilderdagje met pogingen om tussendoor een goed stuk in de biografie te graven. Dat lukte deels. Kloddertje hier en kloddertje daar. Gepeins over de woonkamer waar nog plaats aan de muur te maken is en waar een doek hangt, ingelijst en wel, dat ik niet echt fraai vind en waar Lief ook niet aan gehecht is. Overschilderen?

De laatste bloemen op de kiek, best aardig veel en de wat late groei van de pompoenen. De buurman van twee huizen verder maaide ondertussen zijn land met de grote traktor. Ik sloop door het bos om te kijken of hij het was die steeds een brede baan op ons achterland trok, maar hij hield zich netjes bij zijn eigen grond. Dat blijft een mysterie.

Bij het stadhuis hing een zwarte vlag. Wat de reden ervan is blijft gissen. er sijpelt weinig nieuws door van het dorp. Af en toe is er een praatje met de aardige buurman aan de overkant of met de buuf rechts.

Lief leest op de veranda en kijkt hoe de dag ontwaakt. Ik schrijf eerst hier in de rust van de slaapkamer onder het genot van een kop koffie. Stilte helpt gedachten vorm te geven.

Gisteren zag ik eerst de film ‘De Chinese keizerin’. De titel zet je op een dwaalspoor, want de hoofdpersoon is een Chinees meisje, Yonnah, dat een paar maanden oud, is geadopteerd door het Nederlands echtpaar Bron. Yonnah wilde op haar dertigste middels een intieme film uitzoeken hoe ze haar relatie met haar ouders kon verinnigen. De film moet uitkomst bieden. De ouders zijn inmiddels gescheiden. Ze hebben openhartige gesprekken en vinden elkaar ten leste door samen de genomen goede voornemens uit te voeren. Het eindigt met een wandeling op het strand van Schiermonnikoog, haar eerste verblijfplaats samen met beide ouders in een ontspannen en veel inniger sfeer.

Daarna kwam Lief, die zich uit zijn boek heeft los moeten weken, zo mooi vindt hij ‘ Al het blauw van de hemel’ van Melissa da Costa. Ik laat hem vertellen en vraag niets, bang om iets weg te geven. Zelf ontdekken is daar te kostbaar voor.

Voor de avond hebben we een film uitgekozen. ‘The Blue Caftan‘, een Marokkaans-Arabische productie geregisseerd door Maryam Touzani. Het is een heerlijk schouwspel omdat het zich afspeelt in de nauwe straatjes van Salé, waar Halim samen met zijn vrouw Mina een Kaftan-winkeltje runt. Eigenlijk is Halim nog een vakman van de oude stempel. Hij heeft het vak van zijn vader geleerd en knoopt alle tressen en versierselen op de zijden kaftans nog steeds met veel geduld met de hand en naald en draad. Als er een jonge man bij hem in de leer komt, brengt dat veranderingen met zich mee. Toch blijft het de hele film door een ode aan de onvoorwaardelijke en onbaatzuchtige liefde. Als je van sfeer en dialoog houdt en stiltes kan waarderen is het een echte aanrader. Er wordt veel gezegd zonder taal. Het einde is ontroerend en de authentieke beelden blijven nog lang op het netvlies hangen.

Vriendin en studiegenoot van ooit heeft me haar link doorgestuurd van Polarsteps. Ze gaan zes weken naar Australie en Nieuw-Zeeland. Niets is leuker en leerzamer dan mee te reizen via deze reisverhalen. Ik wilde eigenlijk Budapest ook daar een gezicht geven om zo meer mensen te laten meegenieten. Het is de kans om inspiratie op te doen voor eigen ondernemingen die misschien nog komen gaan. Al betwijfel ik of het ooit nog zo’n verre reis zal zijn. Maar het kriebelt hier wel steeds meer om af en toe de bakens te verzetten. Enfin nu eerst woensdag Veszprem eens verkennen. Klein beginnen maar. Wie weet wat dat ons brengen zal.

Overpeinzingen

Er valt veel voor te zeggen

‘In de ogen van anderen zie je jezelf’, zegt Sybrand van Dijk in de laatste aflevering van de verwondering waar hij in gesprek is met Annemiek Steentjes. Ze stelt hem een vraag over Lef en of dat een thema is in zijn leven, omdat Sybrand zowel in zijn opvattingen als in zijn uiterlijk volgens haar ‘Lef’ vertoont. Hij geeft aan dat het ‘je anders durven opstellen dan de anderen’ te maken heeft met het feit dat het van binnenuit zo moet zijn. Jezelf zijn. Uitdragen wat je denkt en gelooft was in zijn geval nogal een opgave. Van zichzelf moest hij, als tiener, worden wat iedereen van hem verwachtte. Huisje boompje beestje, met vrouw en kind. Maar diep van binnen zei een stem hem om dat niet te doen, om een eigen weg te vinden. Lef is, die eigen stem ruimte te geven, om die eigen weg te vinden ondanks dat het tegen alles wat ‘normaal’ gevonden wordt, indruist. Dat dus.

Als je als tiener dat onderscheid kan maken ben je al ver. Ik denk dat ik in mijn tienerjaren nauwelijks naar mijn innerlijke stem heb geluisterd. Ik heb smachtend bij het raam gezeten om naar de sterren te kijken en te zuchten over vermeend verloren liefdes die zelfs niet eens waren begonnen. In gezelschappen was ik immens onzeker over alles, mijn uiterlijk, mijn figuur, mijn haar, mijn puistjes. Tieners eigen natuurlijk, maar op die momenten was ik de enige op de hele wereld.

Sybrand is predikant en homoseksueel. De predikant in hem werd zeer gewaardeerd maar zijn geaardheid was moeilijker te accepteren binnen de kerkelijke wereld. Als dominee werd het door de kerkeraad aanvaard tot zijn partner ten tonele verscheen. Dat bracht een zichtbaar andere situatie met zich mee. Zelfs bij hemzelf is er die lichte aarzeling nog altijd om en plein air te zeggen dat het zijn partner is. Ergens is er altijd de neiging om in de pas te blijven lopen.

Ik begrijp het goed. Als je opvalt, moet je je veel meer verantwoorden of je zo opstellen dat je boven de kritische blikken staat, wat vaak als trots of hooghartig wordt bevonden. Het is een gave als je het van je af kan laten glijden en toch jezelf te blijven. Hij zegt poëtisch ‘Het blijft een raampje wat klappert. Wat nooit helemaal dicht gaat’. Zo’n eenvoudig beeld geeft precies de worsteling weer. De kiem ligt in zijn jeugd, bij zijn veel oudere ouders die nooit hun gevoel wisten te uiten.

Bij ons werd het gezegde ‘Doe maar gewoon, dan doe je gek genoeg’ veelvuldig gehanteerd. Geen kapsones maar meestappen met wat te doen gebruikelijk is. Helaas voor mij was ik een weerbarstig mens. In de pas lopen zoals de zes broers boven me is me nooit gelukt. Het was natuurlijk ook de beïnvloeding van de tijdsgeest. We droegen maxi-jurken en veel zwart. We wilden niet het pad van verliefd, verloofd, getrouwd op, maar samenwonen. Mijn vader mocht het niet weten. Mijn moeder hield wel van een tikje rebels. Het interieur moest ook vooral non-conform de norm zijn. Sinaasappelkistjes en een zee aan groene planten, veel kleine dieren, dat kon toen nog, zoals cavia en woestijnratten, een dwergkonijn. Boeken al waar je kijken kon. Anders, niet met de stroom mee, iets wat van binnen uit aan het werk was en soms nog.

Mooi als je al vroeg die eigen stem bewust hebt leren uitkristalliseren. Ik hoorde haar pas veel later, dat eigen kind in mij. Het leven niet langs het leien dakje maar wel diep van binnenuit. Er valt veel voor te zeggen.

Overpeinzingen

Boeiend is het wel

Terwijl de bouillon voor de soto pruttelt, de rijst in de pan zit en alle bijgerechten klaar zijn, kan ik mooi even schrijven.

Vanmorgen hebben we voor volgende week een paar dagen in een AirB&B in Veszprem geboekt, een stad dat, van ons uit gezien, achter het Balatonmeer ligt en bekend staat als ‘ de stad der Koninginnen’, omdat het de lievelingsstad was van Prins Geza en zijn zoon koning Istvan, de eerste koning van Hongarije. De vrouw van Istvan, Gisela, werd hier gekroond rond het eerste milennium. De stad is verkozen tot culturele hoofdstad van Europa in 2021. Een rijke geschiedenis is af te lezen aan de oude binnenstad en de burcht, waar we driehonderd meter van afzitten. Fijn om toe te komen aan de doelen die we ons gesteld hebben. Namelijk dit land en de buurlanden in veel facetten te leren kennen.

Waar de onbedaarlijke trek in Soto Ajam vandaan komt, weet ik niet maar bij de boodschappen vond ik gelukkig nog een vervanger voor de sambal en een potje gebakken uitjes. In de surrogaat-sambal zit Csipos Paprika en dat betekent rode pepers. Het smaakt een tikje anders maar schiet het doel niet voorbij. De vlammen slaan uit als je een tipje op de lepel proeft.

Vandaag is de kleine krullebol jarig en bij deze officieel klein-af want hij is vijf jaar geworden. Het feest is in volle gang en er is uitgebreid gezongen. Op dit soort dagen kriebelt het een beetje en gelukkig is er een filmpje geschoten van het moment suprème, het zingen en de taart met een glunderend koppie erboven. Er was een grote Voetbalballon en een mooi kaart onderweg, die helaas al twee weken eerder aankwam, omdat ik een aantal keren opnieuw moest proberen het te versturen en bij de laatste keer de datum vergat aan te vinken. Hij was er gelukkig niet minder blij mee.

Het tweede tekendagboek is ingewijd met de Budapestverhalen en de bijbehorende tekeningen. Een tekening is gemaakt van het standbeeld van Sissi, die vanaf 1867 keizerin van Hongarije werd omdat ze getrouwd was met keizer Frans Jozef 1. De Hongaren zijn dol op haar. Ik weet wel dat ik de eerste film van de trilogie met Romy Schneider gezien heb, maar of ik daar bij heb gezwijmeld staat me niet meer helder voor de geest. Ze kwam in 1955 uit en werd een echte klassieker.

Lief zijn computer heeft de geest gegeven. Dat is geen ramp, vind hij zelf, want zijn dagelijkse schrijfsels schrijft hij nu in zijn hoofd. Waardoor het gekomen is weten we niet, wel dat ons koffertje, waar het bakbeestje in zat, onderweg naar het station tot twee keer toe op de grond is gevallen. Hij weet zijn uiteindelijke keuze nog niet. Een laptop of een ipad. We hoeven hier geen tabellen te maken of in word te werken, maar kunnen volstaan met wat recht toe recht aan is en vooral ook het creatieve gedeelte. Ik zweer dus bij een Ipad, maar Lief is van het degelijke werk.

Het boek ‘Monsieur Le Coloriste’ leest plezierig weg. Ik ken, moet ik tot mijn schande bekennen, Jac van Looy alleen van Jaapje. Een ontroerend boek met de belevenissen van Jaapje, een weeshuisjongen in zalig ouderwets Nederlands met begrippen, waar we zelf nog een spoor van hebben meegekregen. Het blijkt dat de schrijver ook schilder was en de prachtige voorkant van het boek is zijn schilderij: ‘. De tuin’.

Een van zijn boeken heet ‘De wonderlijke avonturen van Zebedeus’ en ik moet ineens denken aan Koos Meinderts die een boek heeft geschreven met “De wonderlijke wereldreis van Zebedeus’. Daarin is de hoofdpersoon een beer. Zebedeus van Jac van Looy maakt ook een wereldreis en beleeft even wonderlijke avonturen als de beer bij Meinderts.

‘De Wonderlijke Avonturen van Zebedeus vertelt een avonturenverhaal over Zebedeus. Zebedeus gaat op een dag op zoek naar het einde van de wereld. Het boek is enigszins absurdistisch. Op deze reis wordt hij bijvoorbeeld als het ware in tweeën gesplitst. Zijn hoofd is in de wolken terwijl hij de rest kan zien als een gestalte met een koffer. Later wordt hij zodanig in de lengte uitgerekt dat hij een reus is. Vervolgens begint hij weer te krimpen en uiteindelijk is hij weer de zijn normale grootte. Naast dit verhaal bevat het boek ook gedichten en filosofische gedachten. Het boek is opgedeeld in vier boeken en bevat tevens een nawoord van Jan Kuijper.’

Toeval of inspiratie. Dat blijft vaak een vraag. Waar begint het een en houdt het ander op. Boeiend is het wel.

Overpeinzingen

Om te koesteren

De omslag van drukke bezigheden en het gonzen van de stad naar de serene rust van het bestaan met z’n tweeën heeft, zoals te doen gebruikelijk, een weerslag in het gemoed. Alsof Vermoeidheid haar kans schoon zag en door alle poriën, hoeken en gaten naar buiten stroomde. Terwijl Lief zijn balans haalde uit het snoeien van de takken was ik niet vooruit te branden. Dat duurde zo’n beetje de hele ochtend. Natuurlijk, studie, schrijven en een wasje draaien was nog op te brengen, maar alles leek stroperig te gaan. Tegen het middaguur kwam er wat lucht in gelukkig. Of tenminste ik weigerde nog langer in een stoel te blijven hangen. Lief bracht de nieuwe ezel naar de Datsja en ik wilde proberen om het wat vervormde hoofd van mijn object beter in model te krijgen.

Daarnaast draaiden de gedachten op volle toeren, omdat ik de courgette had zien liggen die Lief nog even had geoogst en die al behoorlijk uit de kluiten was gewassen. Dat moest vandaag verwerkt worden. Ik vond een heerlijk recept voor een Pasta Trapanese, maar daar had ik niet helemaal de juiste ingrediënten voor. Dan maar mijn eigen schwung eraan geven met de middelen die ik wel had. Een zelfgemaakte pesto behoorde ruim tot de mogelijkheden. Kleine trostomaatjes had ik niet, dat werden drie oude, een beetje vergeten, rimpelaars in stukjes en de geroosterde courgette werd bij gebrek aan wat er bij nodig was, een gebakken courgette die door de tomaat en pasta heen ging evenals de verse pesto. Basilicum in overvloed in de tuin, oude kaas(geen Parma helaas) en wat amandelen uit het notenzakje van Lief, volledig op de bonnefooi. Pasta pesto uit eigen keuken dus.

Maar eerst het atelier met een bezoek vereren. Alles maar eens een beetje ombouwen om plaats te maken voor de nieuwe ezel, die qua formaat heerlijk bescheiden bleek te zijn. Daarna wat gemijmer in de rieten stoel met uitzicht op het bos en Lief die de takkenril aan weerskanten aan het restaureren was en met de snoeischaar rond liep alsof het zijn penseel was waarmee hij vorm naar functie en functie naar vorm zette. Zijn eigen manier van fraaie kunst scheppen. We dronken thee op de veranda en alle vermoeidheid ebde weg.

Het pakje waar het boek in zat bevatte nog meer verrassingen. Lieve kaarten van dochterlief en co en kunstwerkjes van de filosoof (‘lieve oma, ik mis je heel erg’) en tante Pollewop. Het boekwerk ‘Monsieur le Coloriste, Jac. Van Looy, dubbeltalent’ van Marco Daane was enorm qua omvang. Tot mijn geruststelling waren er zo’n 150 bladzijden aan voetnoten, het namenregister en een dankwoord bij. De biografie kent 555 bladzijden. Dat is nog te doen. De omslag is een fragment van ‘De tuin’ het meest beroemde doek van van Looy en onderstreept de titel. Inderdaad, Monsieur le Coloriste.

Het werd gisteren toch nog ruim 25 graden en in het zonnetje uit de wind was het heerlijk toeven. Vandaag wordt het hooguit 19 graden, maar de zon schijnt uitbundig. Terwijl ik van het atelier naar het huis loop, geschaduwd door een oude vrouw in de tuin van de buurman, die haar nieuwsgierigheid niet kan bedwingen en steeds even stil staat om de situatie goed te aanschouwen, leunend op haar stok, valt me ineens de aanzet van een late pompoen op. Een fris geel bolletje, daarachter een groen gestreepte, nog kleiner. Wat leuk. Het wordt nog eens wat. Gelijk maar even een mandje basilicum plukken en dan aan de slag. Met een staafmixer is een heerlijke verse pesto zo gemaakt. Drie tenen knoflook, amandelen, olie, peper en zout en de oude kaas erin en mixen maar. Heerlijk door de spaghetti of linguine.

Als ik met de buit naar binnen loop, valt mijn oog op de zon achter de wolken die de fluweelboom met haar rode tooi luister bijzet. Die momenten dus, om te koesteren.

Overpeinzingen

Het boek was binnen

We werden geacht tien uur in de morgen het appartement te verlaten, dus drentelden we de vroege ochtend door en stonden klokslag tien uur buiten. De dag ervoor hadden we al besloten lopend naar de synagoge te gaan en wat waren we achteraf blij met dat voornemen want al wandelend kwamen we onderweg nog veel meer mooie gebouwen tegen, die de moeite van het aanschouwen waard waren. Een ervan was de St. Stefanusbasiliek, een indrukwekkend gebouw met een koepel, waar soms ook concerten worden gegeven.

We liepen de drukke boulevard af en zagen meer restaurants en winkels dan in het Sent István Korut. Volgende keer weten we dat we beter moeten zoeken. Ondanks het vroege ochtenduur was het een drukte van belang. Dat we in de buurt kwamen van de grote Synagoge bemerkten we toen we steeds meer Orthodoxe Joden in groepen tegenkwamen, met keppeltjes op en lange krullen langs het gelaat. Het was er immens druk.

We stonden braaf in de rij om een kaartje te kopen tot er een agent naar ons toekwam en ons vertelde dat het kleine koffertje van ons niet naar binnen mocht en dat we dat in een of ander depot moesten opbergen. Omdat we al hadden geaarzeld vanwege de drukte was de keuze nu gauw genoeg gemaakt. We gingen op een bankje er tegenover zitten en observeerden het mooie gebouw zelf en alles wat er aan reuring rond de synagoge was. Er liepen veel agenten rond, die met vorsende blikken naar het aantal treuzelende toeristen keken.

Er gingen rugzakken naar binnen waar ons koffertje twee keer in kon, dus de logica ontging ons. Later vertelde dochterlief, toen ik haar aan de telefoon had, dat zij er met haar blote knieën, want in korte broek, ook niet in mocht. Ze had gelukkig een handdoek bij zich die ze er omheen droeg. Het zal een koddig gezicht zijn geweest en een tikje onhandig, stel ik me zo voor.

Met onze metro-ervaringen van de dag ervoor was het een peulenschilletje om de halte te zoeken die ons naar het andere station van Budapest zou brengen, maar eerst nog even goed de gevels aanschouwen van al die architectuur. Ik heb een foto met mooie afbeeldingen voor een lief vriendinnetje van me, weliswaar zijn het geen iconen, maar wel heel veel goud en eenzelfde idee.

Binnen een zucht waren we op Kelenfold-Pályaudvar, vanwaaruit we de trein naar Pecs konden nemen. Daar zaten we dan prinsheerlijk in de coupe voor vier personen met verstelbare stoelen, internet aansluitingen en sfeerverlichting zoals gisteren beschreven. We mochten dus blijven zitten van de conducteur, die met de pareltjes op zijn voorhoofd, onze kaartjes veranderde in premium. De jongen tegenover ons werkte in Budapest drie dagen maar woonde met zijn gezin in Pécs. Hij sprak Engels met een Hongaarse tongval dus moesten we de oren bij spitsen.

Een interessant onderwerp was het nagenoeg vrije reizen voor bejaarden, die daar tegenover zo’n beschamend inkomen hebben, dat er nauwelijks van te leven valt. Daarnaast vertelde hij over hoe het was toen hij nog kind was met de indeling van de gebouwen op een erf, die er voor zorgde dat huishoudens geheel en al zelfvoorzienend konden zijn. Het grote huis stond vooraan, daarachter een grote stal, daarna een kleine stal, daarna nog een kleiner onderkomen en daarachter weer een. Naast het huis was een bloementuin, daarachter een moestuin en dan de boomgaard en de gewassen. Door de moderne tijd, stedengroei en de economie is dat allemaal verdwenen en tegenwoordig schieten ook hier de prijzen omhoog.

Een verschil in opvatting is dat een Hongaar niet gauw jaloers zal zijn op de ander als ze het zich kennelijk kunnen veroorloven om een groter huis te hebben of een snellere auto. Dat geld hebben ze gewoon, dat kunnen ze doen. In Nederland is men vaker afgunstig op mensen die het zichtbaar beter hebben.

Voordat we het wisten waren de twee uur en drie kwartier voorbij en liepen we vanaf het station naar het busstation waar lange rijen braaf stonden te wachten tot de bus arriveerde. In een overvolle bus reden we het laatste half uurtje naar huis. Heerlijke verrassing. Één pakje voor de deur. Het boek was binnen.

Overpeinzingen

Ons dorp, waar het goed thuiskomen is

We reizen eerste klas, omdat dat voor bejaarden maar een schijntje kost. Je betaalt niet het aantal kilometers, maar alleen voor de stoelplaats. De juffrouw achter het loket keek alweer verbaasd toen we aangaven dat we boven de 70 waren. Ze knikte met haar hoofd en vraagtekens in haar ogen. Het streelt toch je ego.

Deze trein is een stuk luxer, maar dat had een oorzaak. We zaten per ongeluk premium klas, maar we mochten nog eens 7,50 bij betalen. Nu hebben we een compartiment voor vier personen met stoelen die in verschillende standen kunnen worden gemanoeuvreerd en je kunt een tafeltje tevoorschijn halen en voor je draaien, zodat het makkelijk schrijven is. Bovendien kwam de conducteur het eerste bonnetje zo maken dat we het geld van de gewone eerste klas terug zouden krijgen. De jongen tegenover ons fungeerde als rappe tolk en daarna hadden we nog een wonderschoon gesprek over onze verschillende landen en levens, oude gewoonten en gebruiken en de verandering van de taal, de gemeenschap en de politiek.

Gisteren hebben we eerst per tram en metro de stad een beetje in het algemeen verkend en vooral de metro was goed te doen. Overal goedwerkende roltrappen en liften. Dat was in Parijs wel anders. OP het Déak Férenc, een belangrijk knooppunt, konden we de kleine bus naar het Vissersbastion pakken, de Halászbastya. 145 treden boven ons parelde het prachtige bouwwerk. De naam is vermoedelijk ontleend aan de vissers die vroeger beneden in de Waterstad woonden. Kalm, met een pauze op elk bordes door extra foto’s nemen van het wisselende uitzicht over de stad, klommen we hoger. Het was, zoals we al vreesden, erg toeristisch, met vooral veel mensen die fotoreportages maakten van het hele gezelschap maar dan stuk voor stuk. Ma op de trappen, Pa op de trappen, zoon op de trappen en ga zo maar door en dat maal een paar honderd. Sommige hielden hele modereportages. Dat duurde en duurde, maar we hadden geen haast. Alleen bij de rij voor de grote Matthiaskerk haakten we af. Waar we wel rust vonden en eindelijk het romantische diner voor twee in gang konden zetten was in een modern restaurant dat kien van de galerij was gemaakt, waar je voor meer dan Westerse prijzen kon genieten van een heerlijke maaltijd en een prachtig uitzicht.

We liepen terug een stuk naar een halte van de tram, heel veel trappen, die niet de brug over ging, dus liepen we de Margithid weer over, maar nu aan de andere kant. Zo had je goed zicht op Margit Sziget eiland waar alle grote festivals plaatsvinden en wij nu de lokatie op ons duimpje weten te vinden.

De stad is van een schoonheid die ik er gek genoeg nooit bij had bedacht. Ze ademt de grandeur van haar rijke verleden op gebied van architectuur, wetenschap, kunst en filosofie. Elk voornaam gebouw kent wel beelden aan de gevel, maar van een uitbundige ingetogenheid die je recht in de ziel treft. We zijn zeer geraakt en nemen het voornemen om zeker binnenkort terug te gaan nu het zo goed te bereiken is met trein, metro en tram of bus.

De terugreis beschrijf ik morgen. Nu luister ik naar het vredelievende klokkengebeier van de kerk in Nagypeterd, ons dorp, waar het goed thuiskomen is.

Overpeinzingen

Maar vanavond gaan de voeten omhoog

Vandaag stond de Donau centraal. We hebben een appartement aan de Szent Istvan Korut en dat is vlakbij de Margithid, de Margarethabrug. Van daaruit kan je lopend naar het Parlementsgebouw, het Orszaghaz. Het weer werkte mee. Het was zonnig en een behaaglijke 18 graden. Vanaf de brug schitterde het gebouw ons al tegemoet. We liepen langs een monument voor de verdronken Koreaanse toeristen van de Hableany rivierboot die met een hotelboot in aanvaring was gekomen. Van de 33 opvarenden vonden 27 mensen de dood. Zeven mensen werden gered. De namen van de slachtoffers staan in het marmeren monument gegraveerd. Er omheen staan glazen potten en potjes met stenen.

We wandelden langs de kade over de kinderhoofdjes en genoten van het uitzicht op Buda aan de overkant. Kerktorens en koepels, statige imposante huizen verspreid over het Budagebergte met het Vissersbastion, de Matthiaskerk en de Burcht van Buda met, aan onze kant, de torens van het immense Parlementsgebouw. Op de rondweg was het een drukte van. belang. Hoe dichter we bij het Orszaghaz kwamen hoe meer toeristen er liepen met de kenmerkende fototoestellen en mobieltjes in de aanslag om al het moois vast te leggen.

De rij in brons gegoten schoenen van de Joodse slachtoffers uit de tweede wereldoorlog waren reden voor veel kaarsen op deze dag. Rijen met schoolkinderen kwamen druk keuvelend langs gelopen aan de overkant van de weg. We staken over om toch vooral dat bijzonder grote parlementsgebouw te gaan bewonderen. In de wijdse ruimte van het grote plein met haar enorme beelden viel de drukte in het niet. De vele bankjes in de zon nodigden uit om alles eens goed op te nemen. We werden vooral getroffen door de prachtige beelden en beeldhouwwerken op de torens, aan de gevels en op de schansen.

Aan de overkant stonden twee gebouwen in de steigers en de bouwvakkers schreeuwden luid hun bevindingen naar elkaar zodat het galmde over de pleinen. Achter de kettingen voor het gebouw stonden bewakers in streng donkergroen zwijgzaam naar het publiek te kijken.

Het gebouw zelf is adembenemend mooi en imposant groot in neogotische stijl opgebouwd met twee zijvleugels. Hier zit het Hongaarse parlement. We hadden er wel uren kunnen zitten en kijken, maar besloten toch maar aan de andere kant van het gebouw een kopje koffie te gaan halen. Het was inmiddels alweer kwart voor twee. Om de verjaardag te vieren namen we er wat lekkers bij, een luchtig soort gistgebak. We lieten het ons goed smaken en keken ondertussen naar de toeristen die de gekste capriolen uithaalden om hun dierbaren en het gebouw op de foto te krijgen, soms schaamteloos door midden in het zorgvuldig aangelegde groen te gaan staan.

De volgende halte was het Szechenyi Lanchid, de kettingbrug, de oudste brug over de Donau, dateert uit 1849 en verbond eindelijk de drie stadsdelen Buda, Obuda en Pest permanent met elkaar. Voor de brug liggen immense restaurantboten, die naar mijn opinie het zicht op de bruggen bedierven. Maar de brug zelf was de moeite van het bewonderen waard met haar leeuwen en triomfbogen. Er was druk verkeer, maar ondanks dat konden we volop van het uitzicht genieten.

De meanderende rivier stroomde hard. Dat zagen we aan een boomstronk die we al bij de Margithid hadden zien drijven en die nu tegen een van de pijlers van de brug lag. Het uitzicht op de burcht en de vele kerktorenspitsen die blonken in de zon was prachtig. De rotonde aan het eind ontsloot de grote tunnel die daar doorheen liep. Minpuntje was de drukte op de weg en een combinatie van fiets-en-wandelpad langs het water. Een duidelijke scheidslijn was er niet en de fietsers en elektrische steps zoefden met grote vaart tussen de voetgangers door, waarbij het vaak maar net goed ging. Naast het pad denderden de trams en bussen met grote regelmaat. Aan deze kant kon je het parlementsgebouw, dat nu lag te schitteren in de zon, in het geheel op de foto krijgen. Buda lieten we voor nu nog even links liggen.

Met een tochtje terug over de Margithid voltooiden we ons rondje en sloten we af met een hapje in het Griekse restaurant, dat meer een soort veredelde kebabzaak was. Morgen eens een echt restaurant zoeken om de verjaardag nogmaals dunnetjes over te doen. 12000 stappen op de teller, dankzij de vele bankjes langs de route, maar vanavond gaan de voeten omhoog.

Overpeinzingen

Toch even wat glorie op de oude dag

Het was een hele onderneming. Gisterenmorgen om vijf voor half tien al de bus. Het oude stationsgebouw van Pécs bewonderen dat vooral door de kalme manier van kaartverkoop de glimp van het verleden bracht, vervolgens een uurtje wachten op de juiste trein met nog meer nostalgie. De stationschef met zijn spiegelei, die niet anders deed, dan het bord bij de vertrekkende treinen omhoog te steken. Er liep veel personeel rond die met de locomotieven heen en weer reden, druk met elkaar stonden te praten en aan-en-afkoppelden. Het schoonmaakpersoneel rende compartiment in en uit in een sneltreinvaart en dat kon je van de treinen zelf niet zeggen.

De luxe van vervoerd worden en alle tijd hebben om de omgeving op te nemen was al bijzonder. De kaartjes die we van de vriendelijke vrouw achter het loket hadden gekregen, voor de somma van tien euro, zagen eruit als twee supermarktbonnetjes en de conducteur had er al evenveel moeite mee. Hij vertelde dat we een kaartje erbij hadden moeten kopen. Een mevrouw schuin tegenover ons opperde iets over de leeftijd en pas toen vroeg hij hoe oud Lief was. Toen hij antwoordde, vroeg de conducteur verbaasd zijn paspoort om dat te verifiëren, haha. Twee uur en drie kwartier later waren we in Budapest Keteli Palyaudvar. Het bleek het allergrootste en allerbelangrijkste station van Budapest te zijn, grenzend aan het even indrukwekkende Barosplein, bevolkt met mensen uit alle windstreken.

We hadden afgesproken om op de heenweg niet te moeilijk te doen en met een taxi naar het appartement te gaan om vandaaruit de omgeving en het metrostelsel te gaan verkennen. Aan de zijkant van het station stonden gele taxi’s te wachten met een aantal mensen ervoor. Maar wij werden door de chauffeur van de eerste taxi met veel egards begroet, kregen een uitleg over het tarief en konden plaatsnemen. Nou, vleien in de behaaglijk ruime auto met zachte muziek en een filmpje over de bezienswaardigheden en de geschiedenis van de stad. We werden na een stief kwartier keurig voor de deur van het appartement afgezet.

Onderweg zag je, buiten het voorgeschotelde roemrijke leven op het filmpje, nog een andere wereld. Toen we voor een stoplicht stonden te wachten haalde een man op de stoep, die met zijn hand in een afvalbak was gedoken, een fles eruit en zette hem zonder aarzelen aan zijn mond om het laatste restje eruit te drinken. Een vrouw tegen een pui daar tegenover met haar hele hebben en houden in plastic tasjes om haar heen bleef maar naar hem roepen, terwijl voorbijgangers haastig doorliepen.

De taxichauffeur bleef vriendelijk en wees ons de deur van het appartement. Met diverse codes opende de deuren zich als bij de spreuk ‘Sesam open U‘. Het leidde via deur, hekken en een oude lift met dubbele deuren naar de ingang van het appartement. Daar was het marmer en klatergoud wat de klok sloeg, een verschil van dag en nacht met de buitenwereld.

Een klein compact appartement waar we even op moesten wachten voor het afgeleverd werd en er naar toe konden gaan. Alles was aanwezig en het bed is op een vide. Het geluid van buiten werd gedempt door dubbele ramen achter zilverkleurige gordijnen. Voor drie dagen goed te doen om van hieruit Budapest te kunnen bewonderen.

Na ons even te hebben opgefrist wilden we de straat waaraan we tijdelijk verbleven, verkennen en die bleek uit te komen bij de Margarethabrug, een van de elf bruggen over de Donau. Van hieruit kun je zo naar Margaretha-eiland lopen.

De rest bewaarden we voor de volgende dag. Een hapje eten en een lekker glaasje van het een of ander leek ons na de lange rit een uitstekend plan. We kwamen uit bij een Turks restaurant, waar geen alcohol geschonken werd, maar wel heerlijk eten werd verkocht. Bij de super tegenover het appartement haalden we wat lekkers om het oudjaar van lief dunnetjes te vieren, al hoeft dat voor hem niet. Stiekem toch even wat glorie op de oude dag.