Overpeinzingen

Een gelukkig mens

De dag van mijn leven. Nou ja. Het begon wat bewolkt maar allengs brak de zon toch door het grijze dek heen. De dag was kalm aan het verlopen. Beetje rommelen, beetje lezen, beetje puzzelen en in de ochtend had ik zoals gewoonlijk geschreven. De vraag van zoonlief voor gisteren luidde: ‘Welk advies zou je aan je jongere zelf willen geven met alle kennis en ervaring die je nu hebt opgedaan in je leven’. Naar aanleiding van mijn blog van gisteren gaf ik ze het advies van Lao Tse mee met de volgende toevoeging:

De rode draad, die door de blog van gisteren heen liep, had alles te maken met het zoeken naar je eigen pad. (…) Je wordt opgeslokt door drukke bezigheden, beslommeringen van alledag, nieuwe ontwikkelingen op je werk en thuis en soms ben je dan in je hoofd zo hard aan het rennen dat het de hoogste tijd is voor een pas op de plaats. Dat advies zou ik mezelf mee hebben willen geven. Vergeet niet tussen alle bedrijven door geregeld een pas op de plaats te maken, even los te komen van al wat belangrijk schijnt maar het in wezen niet is. Samen met je partner en met je kinderen. Leef bewust met elkaar, leer van elkaar, hou van elkaar en vertel het elkaar. Ga regelmatig er even tussenuit, zodat je tot jezelf kan komen. Omarm je, haal diep adem, wees je bewust, voel de natuur en maak je klaar om een volgende carrousel mee te draaien. En dan weer een pauze in te lassen. Een pas op de plaats. Geef het handen en voeten want wie het gevoel door kan geven aan iets wat rechtstreeks vanuit je gedachten daardoor vorm krijgt, zal de druk van de wereld beter aankunnen, daarvan ben ik overtuigd.

Soms voel ik me een opvoedend vingertje en vraag me dan af of het goed is het zo op te schrijven. De bedoeling is, dat ze zelf blijven denken en het niet klakkeloos overnemen. Maar als ik naar mijn schatjes kijk, weet ik eigenlijk zeker dat ze dat ook altijd zullen blijven doen en dat ze me niet als belerend zullen ervaren. Ik heb net zoveel gestruikeld als zij in hun leven zullen doen. We leren ervan.

Na het boodschappen doen en een kloddertje hier en daar, mijn moeder en haar vriendin (neem ik aan), zal ik ze in sepia of grijstinten vereeuwigen. Dat laatste is misschien zelfs het mooist. Voor mezelf heb ik al bedacht dat het niet hoeft te lijken, omdat het om de impressie gaat. We zullen zien hoe dat uitpakt. Maar waarom was het de dag van mijn leven.

Simpel. Toen ik Lief had gewaarschuwd dat we op de veranda even lekker konden borrelen bij zicht op de zon die het bos achter de datsja had ‘aangezet’ en naar het huis liep om wat lekkers te halen, bekeek ik de paar schamele bloemen nog even in het kleine tuintje naast het terras. Opeens zag ik hem met mijn kippige ogen vlak voor mijn neus bij de kleine gele bloem: De kolibrie-vlinder. Veel over gehoord en nog nooit zelf aanschouwd, en nu begreep ik waarom niet. Als je het diertje niet kent, kijk je over de wat mottige uitstraling heen, mottig in de letterlijke zin van het woord. Als een hele grote mot. Niet heel uitbundig van kleur, een zacht oranje met fluwelig bruin. Waanzinnig dat het zo maar voor mijn ogen bleef fladderen en met zijn lange tong met gezwinde snelheid nectar opzoog. Ik kreeg weliswaar de kans niet om het vast te leggen, maar mijn dag kon niet meer stuk. Dat zijn ook momenten voor een pas op de plaats. Er even in blijven hangen in dat klein geluk.

Hier zit een gelukkig mens.

Overpeinzingen

Alleen al de gedachte eraan.

Op Instagram kwam ik een mooie uitspraak van Lao Tse tegen, de Chinese wijsgeer, die eigenlijk onmiddellijk vervulde. Het is als volgt:

Let op je gedachten, ze worden woorden.

Let op je woorden, ze worden daden.

Let op je daden, ze worden gewoonten.

Let op je gewoonten, ze worden karakter.

Let op je karakter, het wordt je bestemming.”

Lao Tse

Hij is de auteur van de Tao te Ching, het boek van de weg en de deugd, de grondlegger van het filosofische Taoïsme.

Toen lief en ik in de jaren zeventig onze levensweg probeerden vorm te geven, kwam daar een hoge dosis belangstelling voor de Oostere wijsgeren bij kijken. We lazen de I Ching, het boek der veranderingen en zochten naar meer verdieping. Geen dogmatisch geloof maar meer een beleving die ruimte zou laten voor de eigen gedachten en ervaringen. Blind achter het Zen Boeddhisme aan leek ons niet de juiste manier, maar de wijsheden die er voor ons al door een ander waren uitgefilterd, bleven om te koesteren. In vrijheid, dus niet gebonden aan één bepaalde richting.

Citaten eruit lazen we ook. De uitdaging was vooral het bekijken in hoeverre dat toe te passen was op de dagelijkse praktijk. Het principe van het Yin en Yang was er daar ook een van. Het zoeken naar een evenwicht was de vorming voor later. Wat kon je laten, wat was goed om te doen, hoe kon je in je gedrag de beheersing breien die soms zo broodnodig was in een maatschappij vol mensen. Het laten leiden door emoties bleek vaak averechts te werken, door pauzes in te lassen en er over na te denken, werd het allemaal liefdevoller, vrediger zo je wilt.

Misschien klinkt het allemaal wat gedragen, maar dat was het niet. Het was een waarachtig zoeken naar een weg, die we samen naar voldoening konden bewandelen, waarbij ieder van ons dezelfde vrijheid zou hebben. Gezien de tijd waarin we leefden, was dat geen doorsnee ontwikkeling.

Dat maakt dit citaat los, nu ik het zomaar vanmorgen voorbij zag komen.

Later toen lief en ik een eigen weg waren ingeslagen en ik getrouwd was en kinderen had, teerde ik op de geestelijke voeding van toen, maar de tijd deed haar gebruikelijke duit in het zakje. Tao van Poeh kwam toch wel, met een heimelijk verlangen, in de kast en werd gekoesterd. Er waren meer van dergelijke boeken. De boeken van Arnold Lobel bijvoorbeeld ‘Van muizensoep tot tranenthee’ of ‘Kikker en Pad’ en wat te denken van de filosofische dierenverhalen van Toon van Tellegen. Of de capriolen van de kleine ‘Alice in Wonderland’ van Lewis Carrol. Stuk voor stuk boeken om wijsheden uit te filteren, die ruim toepasbaar zijn in je eigen denken en waar je niet vroeg genoeg mee kan beginnen. ‘De Tao van Poeh en de Teh van Knorretje’ is daar ook niet bij te versmaden. Al mag Iejoor ook een flink aandeel krijgen in de kracht van het Taoïstische denken. Hij zorgt ervoor dat anderen het tot het uiterste op hem kunnen toepassen. Hij is bij uitstek altijd somber, zijn zelfbeeld is abominabel slecht en hij is daardoor doorgaans wat narrig. Die kracht zit in de wisselwerking die zijn vrienden met hem hebben en die hem hebben geaccepteerd en in hun hart gesloten, zoals hij is. Iejoor is Iejoor. Hoeveel kracht gaat uit van de houding van zijn vrienden. .

Laten we in deze wereld wat Tao doorschemeren in wat we doen, ook al vergissen we ons vaak genoeg en handelen we in tegenstrijd met wat onze wensen en verlangens zijn. Het is de bewustwording die voldoet en die de onvolkomenheid erkent en omarmt.

Een mooie balans of alleen al de gedachte eraan.

Overpeinzingen

Nog elf vragen te gaan

Door het plotselinge temperatuurverschil kreeg ik al rond een uur of vier verschrikkelijk trek in een zelfgebrouwen heldere soep. We hadden de dag ervoor Japanse champignonnen op de kop getikt, dus met uien, veel knoflook, paprika au julienne, de champignonnetjes in de olie gesmoord, afgeblust met een bouillon en een vierkantje Chinese noedels erin, zaten we om vier uur al aan een heerlijke opkikker, gegarneerd met een lente-uitje. Altijd als ik te koud voel of rillerig is dit de remedie om je aan te laven. Snel klaar en voedend.

Daarna keken we de film over Breivik zijn gruwelijke acties op het eiland, waar de socialistische jongeren bij elkaar waren gekomen voor een zomerkamp. Het volgde een groot deel een van de nabestaanden en het proces tegen de ultra rechtse nationalist. Niet een film om vlak voor het slapen tot je te nemen, trouwens. Er volgde nog veel denkwerk voor ik de slaap kon vatten en natuurlijk leverde het weer wonderlijke dromen op. In de ene werd onze Truus door een of andere onverlaat in de Laryxstraat op een trailer gereden en moesten we hemel en aarde bewegen, ik, mijn vader en mijn broer, om de man ervan te overtuigen dat hij de auto weer netjes terug diende te zetten. In de tweede droom was ik druk aan het werk op school, maar verder herinner ik me daar niets meer van.

De ochtend begon voornamelijk met lezen in Piet van Eeghens biografie, waarin nu eindelijk het Vondelpark aan bod kwam en ook het Sarphatipark wordt genoemd. Lief inspecteerde ondertussen de zolder en kwam met een verdroogde mus naar beneden. Alles was droog gebleven na alle stortbuien van gisteren en vannacht, waarin het weer behoorlijk te keer was gegaan met onweer en veel nattigheid.

Zo kabbelen de dagen van binnen zitten aan ons voorbij en doen we kleine klussen in en om het huis. De scheefgroeiende Yucca’s zijn verpot en indien dat wenselijk was, gekortwiekt, alles is gestoft en gestofzuigd en het schrijven gaat tussen de bedrijven ook gewoon door.

De vraag van vandaag kwam van de andere dochterlief: ‘Hoe of ik hun vader heb leren kennen en wat me was bijgebleven van de eerste periode samen. En wat ik leuk aan hem vond en hij aan mij.’

Ik had dat al wel aangehaald, maar nu draai ik dus de film terug naar het allerprilste begin van de ontmoeting. Deze schrijfperiode zet mijn tijdsbegrip soms op een andere voet. Met een been in het verleden en een been in het heden is niet altijd even makkelijk. Daar had ik ook last van toen ik mijn moeders dagboeken uitschreef en ineens weer in de jaren zeventig vertoefde. Bij het uitwerken van de brieven aan Lief en mij was dat weer erg fijn, dat hinkepinken op twee benen, omdat we toen net weer met elkaar omgingen en niet alleen het nieuwe samenzijn gestalte kreeg. maar ook de herinneringen aan het allerprilste begin weer tot leven kwamen. Dubbel verliefd zeg maar. Hoe het leven toch lopen kan.

Ik bedacht me vannacht wel, dat de antwoorden natuurlijk ook vanuit het moment geschreven zijn en in de rust en stilte die me nu toekomt. Dat zorgt er voor dat ik alles goed kan overdenken. Toch blijven het te allen tijde momentopnames. Voor de grap zou ik, om een vergelijk te hebben, volgende maand of over een half jaar, dezelfde vragen nog eens moeten beantwoorden. Zijn de antwoorden dan nog even identiek? Dat is de vraag. In hoeverre tellen omstandigheden mee, ook al teer je op naar waarheid beantwoorde herinneringen. Interessante materie. Iets om aan een nader onderzoek te onderwerpen. Bovendien gaat het om een gekleurde waarneming. Het is hoe ik het ervaren en beleefd heb. Zoonlief had heel fijntjes geschreven dat ik hen niet hoefde te sparen in mijn antwoorden. Lief hoor. Dat is waarom ik zo veel van ze hou. Hij kent dat moederhart van buiten en straks ook helemaal van binnen. Nog elf vragen te gaan.

Overpeinzingen

Kalm bewegen

Het is twee uur en nu ben ik pas aan het dagelijkse schrijven toe. Alles had te maken met de zeventiende vraag inmiddels van zoonlief. ‘Hoe ervaar jij het nu, het zijn van mama van ons? En hoe was dat voor jou toen wij jonger waren. Baby, pubers, het huis uitgaan, vriendjes, vriendinnetjes, etc?’ Goed voor een doorleven en een weerspiegeling van mijn moederschap. Het is wat hoor, deze actie van zoonlief. Het lijkt wel ‘Een reis om het leven in dertig vragen’, in variatie op het thema van Gulliver: ‘Reis om de wereld in 80 dagen.’ Maar ik ben hem er dankbaar voor. Ik had het zelf ook voor geen goud willen missen, die duik in het verleden.

De nieuwe vraag is interessant en komt van een andere vragensteller, namelijk dochterlief: Is er een moment of gebeurtenis, die de manier waarop jij de wereld ziet radicaal heeft veranderd?

Daar moest ik eveneens flink over peinzen. Er zijn momenten van grote veranderingen geweest in mijn leven, maar dat was de vraag niet. Het gaat om mijn kijk op de wereld. Ik ben een pacifist, altijd geweest zolang ik me kan heugen. Alles heeft waarschijnlijk te maken gehad met een keer dat ik door wat meiden van school achterna ben gezeten en in het poortje door hen werd gemolesteerd met trappen en slaan. Dat leverde heel wat blauwe plekken op. Huilend klopte ik bij mijn moeder aan. Ze ging niet mee in het verhaal en vond dat ik het zelf op kon lossen. ‘Ga maar met ze praten’. Haar manier van het vergroten van de zelfstandigheid. Maar een vriendin van mijn moeder die op visite was, vond het onzin en is op hoge poten naar de moeder van de grootste ka gelopen. Het hielp zowaar, die ordinaire scheldpartij waar mijn moeder zo’n vreselijke hekel aan had. Wonder boven wonder. Waar ik en misschien mijn moeder met mij, bang was dat ik dan van Kaatje nog een keer een rekening gepresenteerd zou krijgen, gebeurde niet. Zo zie je maar, er is niet onvoorspelbaarder dan de mens.

In mijn ogen is elke vorm van geweld zinloos. Dat gevoel heb ik ook sterk bij straf. Er zijn andere vormen te vinden voor het bewust worden van je handelen. Mensen vonden PSP-ers over het algemeen maar softies en het strookte niet met de werkelijkheid. Een vredige wereld is een utopie. dat hoorde ik vaak. Natuurlijk. Maar het kan maar niet uit mijn hoofd, dat goed voorbeeld goed doet volgen, al is het op kleine schaal en alleen in je omgeving. Is mijn kijk daarop veranderd. Dat geloof ik niet. Wel mijn visie op de wereld en de problemen waar moeder aarde op het ogenblik mee aan het worstelen is en waar ik me niet bewust genoeg mee heb bezig gehouden. Ze smijt het ongenoegen met handen vol tegelijk de wereld in. Geen makkelijk onderwerp dus. De moeite waard om er zorgvuldig mee om te gaan.

Gisteren was het broeierig warm, een voorteken voor het weer van vandaag. De atalanta’s waren dronken van de vijgen en dartelden om elkaar heen om maar zo veel mogelijk te snoepen. Keuze genoeg, er waren er nog een heleboel. Ineens ontwaarden we eindelijk een dagpauwoog ertussen. De kartelige aurelia die ik daarvoor had gespot was te rusteloos om vast te leggen. Vannacht brak er een flink onweer los, een zegen voor de natuur, want alles was kurkdroog.

Nu het regende was het hét moment om de kaart die bij aankomst in de brievenbus hier lag, met lieve groetjes en verjaarswensen van de globetrotters, in de grond te stoppen. Er zaten namelijk vergeet-me-niet-zaadjes in het papier. Nu met regen voor vandaag en morgen, zou de grond goed nat worden, zonder dat ze weg zouden spoelen. Twee vliegen in een klap, zo’n kaart. En de liefde natuurlijk die het ons gratis bezorgt. Je moet het ijzer smeden als het heet is, per slot van rekening.

Het bezoek aan Szigetvar ging niet door. Het werd al veel te vroeg veel te heet. ‘Kalm bewegen,’ zegt Lief dan, en dat is wat het wordt op dergelijke dagen. Kalm bewegen.

Overpeinzingen

Dubbele pret

Vannacht schoof ineens een passend cadeau voor lief tussen alle overpeinzingen. Niet dat ik het nu al vertel. Wat een wonderlijke gedachten kunnen je bezighouden. Soms volkomen uit het niets. Zijn verjaardag is nog minstens twee weken weg. Je kunt nooit te vroeg jezelf met goede ideeën belasten. De keuze wordt dan makkelijker.

Een kennis van lief appte plotseling. Ze zou haar wijnhuisje in een dorp verderop vanuit Nederland bezoeken en vroeg zich af of het leuk was om elkaar te ontmoeten. Altijd leuk. Het duurt nog even voor ze aankomt, want ze reist per trein. Dat doet ze al een aantal jaar zo schijnt het. Nieuwe mensen ontmoeten is altijd leuk.

Wijnhuisjes tegen de helling

Vandaag, op deze uitdag, blijven we dichter bij huis. We gaan Szigetvar wat beter verkennen. Er is een pracht theater, een plein waar in de vakantie vaak rockconcerten worden gegeven. De burcht hebben we met de kleinkinderen bezocht toen ze hier waren. Het park is altijd de moeite waard om door te wandelen, alleen wordt het tegen de middag 30 graden. Een temperatuurtje om rekening mee te houden.

Gisteren liet de wateroplosbare olieverf zich zonder water en met een medium prima uitsmeren over het al bestaande doek met authentieke olieverf van de vier zussen. Nog altijd een hele klus. Wel leuk om te doen natuurlijk. Inspiratie was het mooie kunstencentrum in Pécs. Er schijnt zelfs een museumstraat te zijn. Zou het te vergelijken zijn met de mall in Washington. Dat uitstapje bewaren we voor volgende week. Lief dacht dat Bobeta pop betekende en dus namen we aan dat er een poppenmuseum was in het Zsolnay cultuurcentrum. Maar dat bleek niet zo te zijn. Het woord bestaat zelfs niet in het Hongaars, maar het is vermoedelijk een samentrekking van de beginletters. Pop komt er niet in voor. Pop is Bab.

In de biografie van Piet van Eeghen wordt de armoede duidelijk die er twee eeuwen geleden heerste in Amsterdam en andere steden. Als je meeloopt in het Amsterdam van nu, kom je op plekken waarvan je je afvraagt hoe het in godsnaam mogelijk was, dat mensen zo dicht op elkaar leefden zonder de in onze ogen normaalste voorzieningen als licht, water en wc. Men gebruikte toen vaak nog een schijtton en de kamertjes waren vaak nog zonder ramen. Denk de lucht erbij die in het bedompte hok moet hangen en je weet al wat er aan ziektes en ongein heerste. Te bedenken dat de allerrijksten in panden woonden van 800 vierkante meter of nog meer. Dankzij die allerrijksten ging het bestuur van de stad en de ovverheid eindelijk wel overstag om mee te gaan in de vaart der volkeren en een eigen woningbouwvereniging op te richten.

Straks stort hij zich op de aanleg van het Vondelpark. In Utrecht was er de familie van Kol, die het Julianapark door Copijn, de park en landschapsarchitect, liet aan leggen, met de vraag of de gemeente het onderhoud zou willen bekostigen. Het zou nog uitgebreid worden met het gebied van het werkspoor. Maar men verweet hem onder de kosten van het onderhoud uit te willen komen en trok dat laatste aanbod in. In 1928 werd het door de erfgenamen aan de gemeente Utrecht verkocht en in 1935 werd het park uitgebreid en kreeg het zijn huidige naam. Dat het een gouden plek was voor de arbeidersgezinnen rondom het park wist mijn moeder aardig te benutten. Er werden er heel wat uurtjes doorgebracht, hetzij met de oppas, hetzij met mijn moeder zelf. En altijd mochten we even op het hobbelpaard, vlak bij de ingang en altijd als het goed weer was en warm genoeg pootje baden in het pierenbadje bij Beer, die dankbaar om de aandacht het water uit zijn bek spoot. Dubbele pret.

Overpeinzingen

Onmisbaar in een mensenleven

De hele dag op de benen met een hoofd zo vol van al het schoons dat we zagen, dat het nauwelijks te verwerken was en vandaag zou het staartje volgen. Het meisje achter de kassa in het Zsolnay cultuurcentrum vertelde dat we alles binnen drie uur konden bekijken, maar dat de kaartjes twee dagen geldig waren. Er waren minstens vier musea, een laboratorium, twee exposities, een conservatorium een niet te bezoeken keramiekfabriek in bedrijf en dan al die architectonische hoogstandjes van typisch Hongaarse makelij met tegeltjes om te zoenen zo mooi.

We keken onze ogen uit en waren voornemens om dag twee zeker terug te gaan. Vanmorgen bij het wakker worden, bleek al hoe al dat moois nog aan het nawerken was. Kon daar wel nog meer schoonheid bij. We moesten wijs zijn en bedenken dat we het voor de prijs niet hoefden te laten om een volgende keer er naar toe te gaan, als we bijgekomen waren van alles wat aan ons oog voorbijgetrokken was. Dat zou nog wel even duren.

Ik ben niet echt van het ach en wee om porselein al zie ik de kunst er wel aan af, maar gisteren op de afdeling Art Deco werd ik volledig geraakt door de voorstellingen die om de vazen heen gekruld waren, de prachtige ranke vrouwenfiguren en de faun en Pan en wonderlijke dieren die afgebeeld stonden in prachtige kleuren op het plateel. Vlak daarvoor was ik bijna onder aan de lange trap terecht gekomen toen ik het opschrift boven de deur fotografeerde en daarbij niet keek waar mijn voeten terecht kwamen. De engeltjes op mijn schouder grepen me stevig bij de lurven en trokken me weer omhoog. Met dank aan boven.

Nu we besloten hadden om de bezienswaardigheden opnieuw te spreiden en ons oude voornemen uit te voeren, één dag thuis, één dag weg of daaromtrent, het mag eens een dagje schelen, zag alles er al weer rustiger uit en werd het in het hoofd wat kalmer.

Bovendien was ik gisteren niet aan de vraag van zoonlief toegekomen die zich had afgevraagd welke rolmodellen er in mijn leven waren geweest en nog. Al sparrend met lief bedachten we dat je niet kon spreken van rolmodellen. Er is niemand bij waarvan ik denk ‘Goh ik wou dat ik zo was’. Er zijn echter met regelmaat mensen of ontmoetingen geweest die zaadjes hebben geplant of iets in werking hebben gezet, omdat ik er dieper over na ging denken en daardoor voor een bepaalde richting koos.

Mijn juf Nederlands op de ULO, ze heette juffrouw van Harte, was bijvoorbeeld iemand die me de literaire wereld heeft binnengezogen. Ze vond mijn opstellen goed, liet me gedichten declameren en ik ging er gedichten door schrijven, leerde op een podium te staan. In wezen bracht ze me de literatuur en het drama. Twee richtingen die mijn leven lang belangrijke factoren bij veel van mijn ondernemingen zijn geweest.

Zuster Adolpha op de kleuterkweek deed een goede duit in het zakje, door mijn tekeningen de hemel in te prijzen. Dat was voor mijn onzekere puberbrein een goede opsteker, waarbij ze me aanzette tot nieuwe technieken en experimenten.

Juffrouw Weldam van de kleuterschool op Kanaaleiland, ik heb haar al eens genoemd, gaf me regelrecht de visie op wat voor juf ik wilde worden en hoe perse niet( niet als de andere juffen op al die diverse scholen).

Tussen de mensen die ik in het ziekenhuis verpleegd heb, zat regelmatig ook zo’n zaadjesplanter. Er is niet veel voor nodig. Soms is een opmerking al voldoende om het een en ander te duiden, soms werden regelrecht de kaarten geschud. Bewust leven is wat er gebeurt als de kwetsbaarheid van de mens boven komt drijven. Even zo vrolijk was dat de interactie met mijn kinderen en de kinderen op school. Open staan voor nieuwe ontwikkelingen, niet vastgeroest zijn, zijn daarbij belangrijke voorwaarden.

Dat dat niet altijd gelijkgestemden hoeven te zijn moge duidelijk wezen. Juist de contradictie roept met recht nogal eens op tot zelfreflectie en daarmee tot nieuwe denkbeelden.

Met mijn klankborden is het goed toeven. Door te brainstormen ontstaat er een proces in mijn hoofd dat tot grote hoogten aan kan zetten. De fantasie en het beelddenken scheppen meer dan eens een volkomen nieuwe werkelijkheid. Of daar handen en voeten aan gegeven wordt, hangt van het moment af. Maar het moge duidelijk zijn, dat voeding voor de geest onmisbaar is in een mensenleven.

Overpeinzingen

Een stralende omlijsting

Tussen de antwoorden op de vraag van zoonlief door, was het weer tijd voor vijgenpluk en jampotjes koken. Heel veel vijgen blijven voor de natuur achter. Wantsen, zweefvliegen, wespen, vliegen, vlinders komen als bijen op de zoete Nectar af. Soms zitten er wel vijf of zes insecten op een vrucht en laven zich aan de heerlijke zoetigheid. Lief loopt rond met de grote snoeitang en modelleert het land naar eigen wensen en verlangens. Dat doet hij goed. Het beheer volgt het natuurlijke verloop en alleen als een tak een dakgoot of een dak bedreigt grijpt hij rigoureus in. Schilderen met de natuur noemt hij het.

Ondertussen is de vijgenjam klaar en in de potten gestopt, op z;n kop staan de potjes en potten af te koelen op een schone theedoek. Een restje voor nu, bij de oude kaas die we vorige week zondag op de markt hadden gekocht. Yummie.

De druiven waren zo vol zoemend leven, dat ik ze maar laat hangen. Ook de vogels komen regelmatig wat lekkernij halen. De bioclub heeft vanavond vergadering. Zoom werkt hier maar matig, dus hebben e afgesproken dat ik, als ik hier ben, de biijeenkomst oversla en dat we gaan plannen op de aanwezigheid. Ze willen me niet kwijt. Daar was ik even bang voor. Maar ik kreeg van allen zulke lieve reacties terug, dat ik me zeer vereerd en een tikkie verlegen voelde. Wel wil ik het boek gewoon nog uitlezen, want boeiend is het wel.

Vannacht spookte de auto door mijn hoofd. Die is rijp voor een onderhoudsbeurt na haar eerste 15000 kilometer, maar ja, we zitten hier en niet in Nederland. Een afspraak met de garage staat er al op maandagmorgen 6 november, maar ik meende twee dagen geleden wat lampjes te zien branden. Eerst maar eens goed kijken wat Truusje aangeeft over haar innerlijk gemoed.

Dan is er nog een ander experiment waar ik een dezer dagen aan wil beginnen. Er staan twee schilderijen waar nog veel aan te verhapstukken valt, maar die met de authentieke olieverf zijn geschilderd. Dus niet met de wateroplosbare. Nu wil ik er met die laatste olieverf overheen zonder water te gebruiken. Toch eens zien of dat lukt. Ik heb namelijk wel heel veel baat bij het achterwege laten van de mediums die ik bij de gewone gebruik. Spannend, dat wel.

Ondanks de opkomende zon, die lief zo prachtig heeft vastgelegd aan het eind van het achterland, loopt het nu toch echt naar oktober toe en is het aardig fris in de vroege morgen. Ik ben naar binnen gevlucht om aan de keukentafel in de warmte de blog te schrijven. Ik had al een betamelijke tijd buiten gezeten. Het is Kuka-dag, lees vuilnisbakkendag, die hier nog aan huis worden opgehaald. Soms staan ze al voor achten voor je deur, dus lief schrok vanmorgen om zes uur wakker toen hij de buurvrouw haar Kuka buiten hoorde zetten. Weg droom, weg warm slaapgenot, wreed verstoord omdat de plicht riep. Nou ja, het voordeel was dan een schitterend plaatje van de opkomende zon. Tel uw zegeningen. Vandaag gaan we naar het grote cultuurcentrum in Pécs.

Het belooft een hoeveelheid aan kunst en schoonheid te herbergen. Tenminste, lief diept dat op uit verre herinneringen van lang geleden. Het is iedere keer weer een verrassing of alles er nog staat, of dat men het verbeterd heeft in de loop der jaren. Opnieuw een uit-dag dus. Het weer past zich aan aan ons schema en zorgt voor een stralende omlijsting.

Overpeinzingen

Een gouden stelregel

Jottem. Eindelijk regen. Nog niet in grote getale, maar de eerste buitjes zijn alweer achter de rug. De zon doet verwoede pogingen door het grijze dek heen te breken. Met succes af en toe. De verwachting is dat er nog veel meer nattigheid valt. De bomen ogen onmiddellijk groener en frisser, maar dat zal het verlangen zijn, dat zich in mij genesteld heeft. De bomen zijn taai. Ze zijn gewend om diep de grond in te moeten op zoek naar water. Dat komt hun onderlinge netwerk alleen maar ten goede leerde mij een van de plantenboeken die ik vorig jaar gelezen heb.

De vraag van zoonlief behelst mijn baantjes van het verleden en nu, incluis het vrijwilligerswerk. Soms haal ik de chronologische volgorde door elkaar, maar de verschillende banen weet ik allemaal nog. Als puber werden we geacht ons eigen zakgeld te verdienen. Er was geen geld om ieder te voorzien van een extra maandelijkse of wekelijkse bijlage. Dus stapte ik als veertien of vijftienjarige met trillende benen en een onrustig gemoed op mijnheer Heijmans van de Spar af op het gloednieuwe grote winkelcentrum in Overvecht en vroeg of hij nog mensen kon gebruiken. Daar begon mijn glorieuze carrière. Ervaring mocht ik opdoen op elke afdeling, groenten, brood, slagerij, uitbenen incluis, en als laatste op de kassa, wat lastiger was dan nu want je moest razendsnel uit je hoofd leren tellen. Rekenen was al nooit mijn beste vak. Aan het eind van de dag moest het saldo kloppend zijn. Dan stond je met bevend hart voor de baas, als er toch een verschil bleek te zijn. Later mocht ik ook één zomer het campingwinkeltje aan de camping in de Lage Vuursche runnen. Dat was feest. Ik voelde me een echte filiaalhouder.

Supertrots was ik toen ik met een zak appelen in de Spar mocht poseren voor het reclame-krantje in de huis-aan-huis-bladen. A star was born.

Daarna zou ik op gaan passen bij de poelier aan de Vleutense weg. De bedoeling was dat ik zowel op de kinderen zou passen met een zaterdagse bad incluis, het huis schoon zou houden, zou koken, op de winkel zou passen in de tijden dat het gezin aan tafel zat, de zaterdagse boodschappen zou doen in de Kanaalstraat en vervolgens de winkel zou opruimen en schoonmaken, die enorme, verschrikkelijk aangekoekte, kippengril incluis en dat alles voor de somma van 25 gulden. Ruim tien uur werk. Van mijnheer, die vriendelijker was dan zijn vrouw, kreeg ik dan wel een zak kippenvleugeltjes en maagjes mee, waar mijn moeder weinig anders mee kon dan soep trekken, maar de vader van een van mijn vrienden kon er geweldige mooie aspics van maken. Oeverloos geduld moest je hebben om vet, vel en vlees van de botjes af te schrapen.

Toen er getornd werd aan mijn vakantiewensen, nam ik ontslag en ging werken in de automatiek aan het Willem van Noortplein. Dat was, denk ik wel, de leukste baan. Je mocht eten zoveel als je wilde en dat was na een week patat met klodders verse mayonaise al snel klaar. De oude baas had zelf een slagerij ernaast en daarnaast was hij ook de eigenaar van de drogisterij. Wat niemand wist was dat je op de zolder van het pand in alle twee de winkels kon komen.

Omdat hij niet tegen de lucht van spiritus kon, begonnen we de slagerij daarmee al om vier schoon te maken. Dan vluchtte hij naar zijn huis, verderop aan het plein en hadden we het rijk alleen samen met Jan, de slagersknecht. Het was hard werken maar gezellig en we tarten de zuinigheid van de oude baas, door een schepje extra frieten op de puntzak te gooien en ook werd de trekker van de mayonaisehouder twee keer overgehaald. Klanten moet je verwennen niet waar.

Dan waren dit nog maar de puberbaantjes de eerste drie jaar van mijn werkzame leven. Dankzij het grote gezin thuis had ik wel leren aanpakken en dat werd niet altijd als loon naar werken gewaardeerd. Bovendien zocht ik de afwisseling, ook om zoveel mogelijk te leren met de gedachte in het achterhoofd, als je het niet probeert, leer je het nooit. Een gouden stelregel.

Overpeinzingen

Weer een mijlpaal gehaald

‘Blijf nog maar even lekker doezelen,’ adviseerde lief. Vannacht heeft iemand stiekem lood in mijn benen gestopt te hebben. Ik luisterde vervolgens naar een bosmaaier die aan de overkant dreinend door het gras tijgerde, naar een vrouwenstem die ergens naar toe riep en naar een meisje dat schril antwoord gaf. Geluiden van de straat die steeds meer aanzwellen vertellen dat het later wordt. De telefoon geeft kwart over zeven aan.

En dan opeens is er zon op de deurpost van de slaapkamer en schijnt uitnodigend op de muur. Het sein om op te staan.

Dat lood in de benen kwam door gisteren. We zouden naar Mánfa gaan maar uiteindelijk werd het het Püspökszentlászloi Arboretum. Dat betekende, o zalig zijn zij die reizen in onwetendheid, dwars door het Mecsek-gebergte heen naar een van de kleine dorpen die daar tegen de helling aangeplakt liggen. Er stonden stippellijntjes bij. Dat bleek de toegangsweg naar het Arboretum, dat midden in een natuurgebied lag, waar auto’s niet gewenst waren. Truus werd onder aan de berg geparkeerd en daar gingen we in het kalme tempo over een losse keitjes-pad richting die aanlokkelijke tuin. Ergens halverwege rees ineens, als een Goliath, een enorme houten reus uit de grond vanaf zijn middel. Op zijn lange houten armen was het goed rusten. De omgeving was prachtig en vooral doodstil. De berg met haar lange en zo te zien aanmerkelijk oude woudreuzen oogde met het gefilterde zonlicht als een vredige oase.

Toch werd de stilte en het gekras van twee raven verstoord door het knerpen van de keien onder de banden van auto’s, die ook nog grijze stof als een spoor achter zich aan lieten slingeren. Wij als brave tweevoeters foeterden licht over het slordige der mensheid om milieuwensen te negeren als het gaat om eigen gemak. Te vroeg gefoeterd. Toen we eindelijk boven kwamen, daar waar we bijna moesten zijn, was er een dorp met bewoonde huizen. Ze zagen lieflijk uit met hun bloeiende oleanders en de geraniums onder ieder raam. De bewoners mochten hun auto of helemaal vooraan op een parkeerplaats parkeren of toch tegenover hun huizen. Dat verklaarde veel.

Verlangend keek ik bij iedere bocht omhoog, zagen we al een entree, was er ergens een bord waar de onuitspreekbare naam van het arboretum stond. Helemaal aan het eind van de weg, waar een bron was, die in een uiterst dun straaltje uit een pijp kwam lopen en waar voorbijgangers en bewoners hun flessen vulden, zagen we eindelijk een poort met een uitnodigende open deur. Eindelijk.

We hoefden niet te betalen en al gauw bleek waarom niet. Dankzij de droogte was er niet veel in bloei, maar de aanleg van het park was prachtig. Er was een vijver met waterlelies achter de treurende takken van een enorme wilg. Monet had er met liefde zijn penselen voor laten wapperen. Twee bankjes aan de zijkant bleken uit te kijken op…het te hoge riet met nauwelijks een doorkijkje op de romantische vijver.

Bij het omlopen een soort vlondertje met een put. Daar kon je goed in het water kijken en al vorsend ontdekte ik een roodwangschildpad, terwijl de ene na de andere kikker vliegensvlug een duik in het water nam met een forse kikkersprong. Veel zevenblad, verdroogde hortensia’s, maar nog bloeiende oleanders. De azalea’s waren vanwege de droogte ook niet voor een tweede keer gaan bloeien. Er stond een keur aan bijzondere bomen en boompjes. Helaas, een restaurantje om te laven was er niet. Wel bleek het huis als een bisschoppelijk kasteel te boek te staan en dat was te merken aan het bisschoppelijke teken boven op het dak van de kapel. Het was een indrukwekkend geheel. Natuurlijk kon je er de berg aflopen, maar dat deden we wijselijk maar niet. Een keer op en af was voldoende. Dat bleek na de terugweg wel. Bijna zeven kilometer gelopen, waarvan de helft bergopwaarts. Weer een mijlpaal gehaald.

Overpeinzingen

Een zegening voor de smachtende natuur

De vragen van zoonlief komen achter elkaar. Vanmorgen had ik de vraag over hoe ik de toekomst zag nog maar half uitgeschreven. Zoonlief dacht dat ik al klaar was. Maar een toekomstbeeld scheppen is iets wat langer tijd vergt en soms is het iets om absoluut langer over na te denken. Hij veronderstelde dat ik misschien er niet mee geconfronteerd wilde worden of het wilde ontwijken. Bij het ouder worden denk je natuurlijk over hoe het zou moeten gaan als een van beiden ziek wordt of hulp nodig heeft.

Met de zussen heb ik allang besloten bij de dag te leven. Mijn moeder was van de ene op de andere dag er plotseling niet meer. Nu zou me dat een ideale manier lijken, maar uit ervaring weet ik dat het voor de kinderen een hard gelag is. Het kostte moeite om zo’n sudden death te aanvaarden. Er lag nog zoveel open, er waren nog zoveel vragen, die hadden we nog moeten kunnen bespreken met elkaar.

Daarom was ik zo blij met het voorstel van zoonlief. Natuurlijk wil ik het verleden best voor een deel boekstaven. Helemaal uitschrijven is schier onmogelijk. Daarvoor was het al te lang. Er verandert veel en naarmate je ouder wordt, lijkt dat ook nog eens sneller te gaan. Vroeger was er nog geen telefoon en nu loopt iedereen er mee in de hand. Dat alleen al. Al die razendsnelle ontwikkelingen, waarvoor we ons uiterste best moeten doen om ze bij te sloffen. Het zorgt ervoor dat je af en toe de tijd stil wil zetten en dat is precies wat hier, in dit paradijsje, kan. De knop gaat om. Er zijn slechts nog koppen van kranten, maar verder vogels, bomen, bloemen, insecten te kust en te keur, fladderende vlinders en absolute stilte op de weg na.

Gisteren kreeg ik een filmpje door van de demonstraties op de A12. Vriendlief zat er midden tussen. Er was sprake van grote solidariteit onder de mensen daar. Er kwam een vleugje vroeger voorbij met dat filmpje. Waar hebben we ons vaker zo druk over gemaakt, dat we allemaal vredelievend gingen protesteren. Hier is het er niet. Hier sluiten we de wereld bewust een beetje buiten, omdat het haast niet te doorgronden valt wat er gaande is aan natuurrampen en oorlogen.

Vandaag hebben we een uit-dag. Eerst hadden we het plan opgevat om weer naar Kroatië te gaan en nu naar het gebied waar de Donau en de Drava samen komen, maar dat betekende opnieuw twee uur rijden er naar toe. Een keer per week een langere reis is voldoende, bleek na de broodnodige rustdag gisteren na de overweldigende bergtocht van de dag ervoor.

Lief heeft een Arboretum ontdekt hier niet ver vandaan en we wilden al naar de vallei ten westen van het Mecsek-gebergte. Nu slaan we twee vliegen in een klap. Om tien uur is het arboretum open en het plaatsje Mánfa ligt er vlak bij. Op de foto’s ziet het er prachtig uit. We gaan het zien en beleven, misschien kunnen we er ook nog een paar herfstasters op de kop tikken. Kroatië stellen we uit tot ergens midden in de week. Aan het eind wordt er onweer voorspeld. Dat zou een zegening zijn voor de smachtende natuur.

Overpeinzingen

Op nog meer overwinningen

We gingen naar Kroatië om een waterval te kunnen zien. Ze hebben ze hier ook in het Mecsekgebergte, maar niet bereikbaar met de auto, alleen langs een voor aangedane longen lange weg te hoog, letterlijk en figuurlijk. Het was ruim twee uur rijden, maar te doen. Negen uur waren we er klaar voor. Het was zonnig, niet te warm, helder zicht. Bij Barcs gingen we de grens, lees rivier de Drava, over. Het was ondanks de vrijdag rustig onderweg. Wat opvalt in Kroatië zijn de vervallen huizen, die op het erf staan met een gloednieuw huis ernaast, asof ze het oude nog niet willen afbreken, of een gloednieuw huis in aanbous, dat al bewoond wordt en dat eruit ziet alsof het al een hele tijd in aanbouw is, getuige begroeiing tegen het huis.

‘Onwetend reizen’, daar schreef joost Conijn over en dat het werkt bleek deze reis.

We hadden een route uitgestippeld naar het Park Prirode Papuk zonder te weten hoe de weg in elkaar stak. Het had een betamelijk aantal haarspeldbochten. Op het laatst leek ik wel een echte coureur, soepeltjes door de bochten maar wel met aangepaste snelheid, want gelukkig was de weg er naar toe en de weg terug op een haar na, of een auto of drie, leeg en helemaal voor ons. Als ik het vooraf geweten had, waren we er misschien niet eens aan begonnen. Dat is precies wat onwetend reizen inhoud. Als je het niet weet, maakt het niet uit en is de verrassing er een die om directe oplossingen vraag. Voordeel? Kom maar op, Mecsek gebergte. Ik lust je rauw, want nu waren we hoger dan hoog geklommen. Even wennen, dat wel!

Vier kilometer voor het hoogste punt van Papuk ging het asfalt over in een weg met stenen en steentjes. Tamelijk ruig nog hoger. Ik zette de auto aan de kant en we liepen een stuk omhoog tot het prachtige uitzicht op de bergkammen aan de overkant, bezochten een gedenkteken voor elf mensen die allen in 1991 waren overleden. Er stond uitleg bij, maar in het Kroatisch en dat beheersten we nog niet. We besloten na een klein stuk naar beneden te hebben gereden toch de weg te nemen naar een andere geasfalteerde weg naar boven. We kwamen tot onze verrassing uit bij een slagboom en een vriendelijke dame, die uitleg gaf over wat er op het park te vinden was. In goed Engels vertelde ze over een sportveld, een speelparadijs voor de kleintjes, een waterval en een restaurant. Een waterval, we hadden het niet verkeerd verstaan. Even geïnformeerd of dat niet te veel klimwerk was. Ze wees vaag met haar duim en wijsvinger een eindje uit elkaar. Niet zo ver dus. Doen. Het kostte drie euro, die we op moesten duikelen, omdat we de hele tijd met forinten in de weer waren geweest.

Eerst het moois en dan het lekkers besloten we, en lief hoefde niet zo nodig een rondje schommels. Wel hadden we in een kleine beek een zoetwater-kreeft gespot die kal voortkroop door het heldere water.

De onwetendheid gebied te zeggen dat de logica in het begin ook afwezig bleef. Watervallen vallen neer, dus die moeten een heel eind de berg af, wij ook. En een berg af moet vervolgd worden door een stijgende lijn, zonder bankjes. Maar het zicht op de geweldige rotsen en de kracht van de natuur had ik voor geen goud willen missen. Het waren smalle maar sterke stromingen, die klaterend neerdaalden op verschillende punten en voortgleden over de gladde uitgesleten rotspartijen. Ik voelde me Alice in Wonderland. Het was voor het eerst dat ik aan de voet van die immens grote rotspartijen stond. Zo indrukwekkend had ik ze nog niet gezien. We genoten allebei met volle teugen, maar tja, de weg ging voort. Omhoog dus. Gelukkig waren er genoeg omgevallen boomstammen en rotsblokken, waar ik even op adem kon komen en we hoorden alweer stemmen dichtbij.

Het was nog nooit zo van toepassing geweest als nu. Moe maar voldaan op alle fronten. Over mijn persoonlijke zege en overwinning, over de ontmoeting met de natuur in deze oorspronkelijke staat van moeder aarde en over het ontzag die die onmetelijk grote rotsen hadden opgewekt ten opzichte van de nietigheid van de mens. Tijd om dit te vieren met een herdersstoofpot en een klassieke authentieke bonenstoofpot met natuurlijk een vaasje alcoholvrij bier. Proost en op nog meer overwinningen.

Overpeinzingen

Een dag met een gouden randje

De nieuwe vraag van zoonlief voor het verslag; ‘Mama vertelt’, zoals hij het genoemd heeft, lijkt geloof ik zo op het oog makkelijker dan het in werkelijkheid is. ‘Welke talenten bezit je? Welk talent had je nog meer willen gebruiken in je leven tot nu? En als je zou mogen kiezen, welk talent had je willen bezitten?

Ik bedenk me dat de kleuterkweek een goede basis was. Ik was een laatbloeier en vrij naïef. Maar daarna had ik misschien toch beter kunnen kiezen voor een studie Nederlands en kunstgeschiedenis, vervolgens de kunstacademie om dan als creatieve vormgever in de meest brede zin van het woord te gaan werken. Dan zou mijn talent vanzelf aan bod gekomen zijn en hebben kunnen uitgroeien. Nu blijft het rommelen in de marge. Als aanvullend talent had ik wel graag wat meer organisatievermogen op alle vlakken willen hebben en wat meer doorzettingsvermogen in het afmaken van waar ik mee bezig ben geweest. Inlijsten van schilderijen bijvoorbeeld. Een groeiproces, dat laatste maar nu veel moeizamer door het zelf uit vogelen.

Aan de andere kant denk ik ook dat het begeleiden van kinderen in hun ontwikkeling vanaf vier jaar me ook past als een handschoen en dat ik gaandeweg mijn schoolloopbaan daar toch wel een hele duidelijke visie op heb ontwikkeld. In de overdracht zou ik nog wat handiger mogen zijn. Als mijn passie aan bod komt, komen mijn emoties altijd mee en dat belemmert me zeer om te vertellen wat ik beoog. Ziezo, daar zijn toch wat antwoorden komen meeliften met deze blog. Straks weet ik wat te antwoorden.

Gisteren was het een uit-dag. We wilden naar de Bron in Széchenyi Forrás in Pécs, maar misten een afslag. De weg door het Mecsek gebergte verloopt nogal grillig met veel haarspeldbochten en het is een onoverzichtelijk geheel daardoor. Vooral als de concentratie bij de loop van de weg is. Wat we wel vonden en de vorige keer gemist hadden, was de weg naar de hoogste toren van Hongarije, boven op de top van de berg, de televisietoren, de TV Torony, met een prachtig uitzicht over Pécs en het aangrenzende gebergte. Er bleek hard gewerkt te worden om de oude toren een aangename toeristische attractie te laten zijn. We konden met de lift naar boven en dat was maar goed ook, want het gevaarte was 80 meter hoog. Op de verdieping net beneden het hoogste punt was het restaurant, dat was voor later. Eerst het uitzicht bewonderen.

Het geheel deed me denken aan Panorama Mesdag, maar dan in het echt. Je kon helemaal rondom lopen en de omgeving aan alle kanten bekijken. Het was een beetje mystieke sfeer door de heiige aanblik op sommige punten. Was het beneden nog pufheet geweest, hier viel het weg door de wind die om het gebouw blies. Panorama Pécs was het bewonderen waard, de nietigheid van de mensheid kregen we er bij cadeau. Wat een mooie plek en wat fijn dat we de reis in onwetendheid na de gemiste afslag doorgezet hadden. De term Reizen in onwetendheid komt van Joost Conijn en stond in zijn boek ‘Piloot van goed en kwaad’. Het is de waarborg voor avontuur en ontdekking en absoluut een aanrader, behalve als je een hotel wilt hebben en er geen voor handen is.

Toen we tot in detail de stad en haar omgeving hadden uitgeplozen streken we beneden in het restaurant neer en bestelden een Hongaarse rundvleessoep en ik hoopte ernstig op een heerlijke heldere bouillon. Die wens ging ook nog daadwerkelijk in vervulling en we kregen een krachtig getrokken soepje voorgeschoteld. Ik proefde mijn moeders kookkunst en het feest kon niet meer stuk. Wat een heerlijke dag.

Toen de Aldi ook nog Chinese mie, sojasaus en gebakken uien in de aanbieding had, was het geluk compleet. Een dag met een gouden randje.

Overpeinzingen

Aan al wat in ons broedt en leeft

De vijg gonst van leven. Letterlijk en figuurlijk. Er komen nog wel een paar potten jam vanaf. Gisteren was het nog een rustdag omdat het 32 graden beloofde te worden. Bovendien wilde ik verder aan het doek werken. Het spiegelbeeld was moeilijk. Het ging niet zoals ik me wenste. Dan brengt een gordijn uitkomst natuurlijk. Nog niet helemaal klaar, maar toch vordert het gestaag.

Zuslief heeft op de cruise die ze aan het maken was, covid opgelopen. Een hoofd vol watten. Zwager ook, maar die was eerder begonnen en al weer bijna klaar. Zo’n schip met al die mensen op elkaar gepakt wil wel, natuurlijk. Hier horen we er niet over. Maar dat is niet zo vreemd. We lezen geen Hongaarse kranten.

Gisteren had ik mijn agent van de auto aan de lijn. Eigenlijk waarschuwde Truus dat ze een onderhoudsbeurt nodig had, maar wat zoon al vermoedde en ik nu zeker weet, is dat het in deze staat van de auto nog niets uitmaakt of dat pas over een paar duizend kilometer meer gebeurt. Op aanraden van de man heb ik wel alvast een afspraak geboekt voor november en heb ik weer een vaste garage. Altijd fijner.

Ik zit voor het eerst met een sweater aan buiten. Tot gisteren kon dat nog een korte mouw zijn, maar nu had ik er zelfs een wollen sjaal bij nodig om te genieten van de opkomende zon en het toch warm te hebben. Nu tegen achten breekt ze goed door en kan er weer wat uit. Herfst in aantocht, dan wordt het hier op de tuin met al haar bomen extra mooi.

In een van mijn oude Groene Amsterdammers haalt de Opheffer de zolderkamergesprekken uit de jaren zeventig aan met de vraag: ‘Wat is nou literatuur. Als Nabokov literatuur is kan Annie M.G. Schmidt het dan ook zijn. Waarom wel en waarom niet? Staat Nabokov hoger dan Schmidt? Of is dat onzin?’

Jaren later interviewde hij Annie, die als antwoord het volgende zei: ‘Ik heb altijd het gevoel gehad dat ik een dienstmeisje ben met zo’n schort voor en dat ik even binnen mag komen en dat de hoge heren aan tafel zeggen: Goed gedaan, Annie. En dat ik dan een knicksje maak en dien te vertrekken’.

Hoe herkenbaar wat Annie daar omschrijft. Zo werd er neergekeken op kinderboeken en werden boeken, door vrouwen geschreven, al snel veroordeeld tot de ‘damesromannetjes’, het badinerende verkleinwoord incluis. Waanzin ten top naar mijn bescheiden mening en achteraf gezien volkomen achterhaald. We mogen ons gelukkig prijzen dat jeugdliteratuur steeds vaker de plek krijgt dat het verdient, dat auteurs genoemd worden en dat sekse er steeds minder toedoet bij het predikaat goed boek. Het criterium zou moeten zijn: Word ik geraakt door het boek, het verhaal, de taal, de poetische omschrijvingen? Dan mag je het verheffen tot literatuur, al was het alleen al om wat het voor jou betekend heeft. En juist jeugdliteratuur is zo belangrijk omdat het als eerste vormend is voor de modus waardoor je blijft lezen.

De verkorte versie van de vraag van zoonlief vandaag is: ‘Waarin lijken we op jou en waarin op papa?.

Die is een stuk makkelijker te beantwoorden dan de vraag van gisteren. Die heb ik in de middag in de Datsja voor het open raam, in de vredige rust van de tuin, uitgebreid uitgeschreven en hier en daar een traan weggepinkt. Het diende zich trouwens vanzelf aan. Het lijkt bij de vragen van zoonlief wel alsof mijn vingers op het toetsenbord van de ipad een volstrekt eigen leven leiden. De stroom aan woorden is niet te stoppen. Het moet eruit. Zoals vroeger. ‘Tot de pen was leeggeschreven.’ Met dank aan Annie, die haar woordenschat heeft gedeeld met ons en waardoor we zo in staat zijn om handen en voeten te geven aan al wat in ons broedt en leeft.

Overpeinzingen

Omdat in zwart water niet te zwemmen valt

Een wolk heggemusjes stijgt op en daalt neer, tak op, tak af. Voortdurend zijn de struiken aan de zijkant in beweging. Het worden er steeds meer. Lief maait het gras voor met de kleine damesmaaier, hij houdt haar iets hoger, dan blijft er nog gras staan. Haha. Anders maait deze tante de grassen eruit met wortel en al. Ze kan maar op een stand. De tuin zelf is gisteren gemaaid met de grote maaier.

Het probleem van de onzichtbare specht en de nog meer onhoorbare wielewaal is opgelost. Het blijkt dat het vrouwtje Wielewaal, die ik vanmorgen vroeg de vijgenboom in zag vliegen en die zich overduidelijk tegoed deed aan een sappige zoete vijg ook een gaaiachtig gekrijs en een spechtachtig geroep kan laten horen. Goed om te weten, dan hoeven we niet langer te zoeken. Een foto zat er niet in, want zodra ik bewoog was ze weer weg.

Aan mij de eer vandaag om zoon de mooiste herinneringen aan mijn vader en moeder te vertellen en de andere opa en oma te omschrijven. Dat kost me niet zo veel moeite, want ook al was mijn vader thuis echt streng, de keren dat hij ontspannen was staan ook nog in mijn geheugen gegrift. Met mijn moeder was de band veel inniger. Dat kwam ook doordat ze op een gegeven moment moest mantelzorgen voor mijn vader en ze de problemen die daarbij opdoken graag wilde delen. Op zondag nam ik haar mee voor een wandelingetje. Even weg uit de sfeer. Dan hadden we gesprekken over onze opvoeding vroeger, hoe ze in godsnaam elf kinderen kon opvoeden naast dat enorme huishouden. Waardevolle en verrijkende gesprekken. Maar wat had ik graag dezelfde vragen willen stellen als zoonlief nu aan mij doet. Er waren erbij, maar lang niet zo diepgaand als nu.

Ik krijg net de volgende vraag(nummertje 8) opgestuurd. ‘Wat was de moeilijkste tijd van je leven’. Oef, die is wel heel ruim. Normaliter maken we allemaal geregeld ups en downs mee. Er zijn er nogal wat geweest. Zoals altijd werd het daarna toch weer lichter. Vergeten gaat niet, maar het tij zo keren opdat er mee te leven valt, is altijd mogelijk gebleken. Een mensenleven als dat van mij bestrijkt niet voor niets 71 jaren. Misschien moet ik het uitsmeren in gradaties van de verschillende emoties, de verdrietige, de pijnlijke, de eenzame, de onhandige, de onrechtvaardige. Maar het zou een zwaar verhaal worden en dat moet toch altijd tegen de lichte kanten gewogen worden anders krijg je een verkeerd beeld. Naast elk dal was er ook een berg of vice versa. Na elke wolk steeds weer de zon. Of vice versa. Al heeft het vaak tijd nodig. Soms was die me niet gegund en dan ga je door tot het niet meer gaat. Vroeger zeiden ze ‘Na regen komt zonneschijn’. Uit ervaring kan ik zeggen dat het klopt, ook al lijkt die dikke regenwolk soms oneindig te duren.

Tegen de kinderen op school zei ik altijd bij een naderende regenbui tijdens een dag Kamp, ‘Blazen schatjes, zo hard je kunt. Dan verdwijnt ie vast en zeker’. Dat deden ze dan braaf en vaak hielp het echt. Maar ja, ik kon ook de zon bellen om mooi weer te bestellen. Hoe was het ook al weer: Als je er zelf maar in gelooft. Zoals er een Antonius mijn beste vrind bestaat om kwijtgeraakte dingetjes te zoeken, zo vallen of staan we bij geloof in het leven en dat alles weer ten goede keert. Het kan kort of lang duren, het kan al die emoties oproepen die ik hiervoor beschreven heb, het kan ongelooflijk veel kosten en soms is er een hele lange adem voor nodig, maar toch blijf ik geloven in ‘veerkracht’ en het ‘in oplossingen denken’. Eenvoudigweg omdat in zwart water niet te zwemmen valt.

Overpeinzingen

Een zwoele bries

Het uitzicht. Half twee in de vroege middag. Ik zit op de veranda van de datsja in de afgebladderde rieten stoelen die nog altijd op een verfbeurt wachten en geniet van de rust. Er zijn al diverse acties geweest. De normale huishoudelijke beslommeringen. Was gedraaid, was opgehangen, ontbeten, medicijnen…Het gebruikelijke riedeltje. Maar ook het antwoord op de zesde vraag van zoonlief afgeschreven.. Een om flink over na te denken, daarom duurde het wat langer. ‘Wat vond je belangrijk in onze opvoeding. En nu terugkijkend, zou je dingen anders hebben gedaan.’Volgens lief was het antwoord ontroerend, maar daar ga ik niet over oordelen. Het was recht uit mijn hart geschreven, dat zeker, want daar hebben ze recht op, al die schatjes van mij.

Vanmorgen was er ook de rust om in het boek van Laura van Hasselt te beginnen. Een biografie over Piet van Eeghen, een van de aanleggers van het Vondelpark. De titel: ‘Geld, Geloof en Goede vrienden.’

In dat boek beland je pardoes midden in de negentiende eeuw. Een stinkend Amsterdam met gasthuizen die eerder sterfhuizen dan ziekenhuizen konden worden genoemd. De gegoede burgerij trok des zomers naar de buitenhuizen langs de Vecht en elders in het land. Amsterdam stond te boek als erbarmelijk in die dagen, tot er een arts was die de handen uit de mouwen stak en opkwam voor betere gezondheidszorg. Hij stichtte met enkele vrienden uit zijn netwerk, waaronder Piet van Eeghen, die met een dochter van de burgervader was getrouwd, een Vereeniging voor Ziekenverpleeging. Deze had een Protestante insteek. Er kwam dankzij de kennis van de bouwwereld van van Eeghen een modern ziekenhuis aan de Prinsengracht. Drie oude pakhuizen werden omgebouwd en uitgerust met de nieuwste snufjes. Eer de gasthuizen werden aangepakt gingen er nog wat decennia overheen. Het ziekenhuis berustte op een klassensysteem en werd grotendeels betaald met giften, aandelen, de elite. Het grote voordeel van dit nieuwe ziekenhuis was,, dat er ook verpleegsters werden opgeleid. Zo konden vrouwen uit de gegoede stand toch werken en tegelijk onderwezen worden, mits protestant en ongehuwd of weduwe.

Het is moeilijk voor te stellen dat in die dagen de hele bestuurlijke macht in handen was van voornamelijk mannen. Pas na die periode kwamen er ook vrouwen in het bestuur van de VvE. Een boek dat een doekje open doet over hoe macht en bestuur, bezit en rijkdom en niet te vergeten geloof een rol hebben gespeeld in de welvarende groei van Amsterdam. Dit is niet de eerste biografie die me bijzonder intrigeert. Ze maken je vooral bewust van rolverdelingen en patronen en geven daarmee een beter zicht op waar we vandaan moesten komen als vrouw om eindelijk dat mannelijke bolwerk te kunnen doorbreken.

Een van de vriendinnen van school is met haar gezin in IJsland en zit op een rots, als een soort kleine zeemeermin van Kopenhagen en vraagt zich af, bij het zien van de prachtige en overweldigende natuur daar, maar ook in de wetenschap dat er veel voorgoed verdwenen is, hoe we zelf op een duurzame manier een steentje kunnen bijdragen tegen die afkalving. Volgens mij is alleen al de bewustwording van het feit an sich, dat er zoveel veranderingen plaats vinden, de juiste stap in de goede richting. Een aantal gewoonten maken op die momenten plaats voor een weloverwogen keuze om ‘liever te zijn voor moeder aarde’ in de diepste zin van het woord.

Twee koolwitjes spelen hun wervelende late zomer-middagdans. Ze draaien om elkaar heen en dartelen omhoog en omlaag. Vanmorgen zag ik twee koninginnenpages en een klein icarusblauwtje. We horen de grote bontespecht en horen hem ook hameren, maar hij laat zich niet zien. De wielewaal vliegt af en aan, maar laat zich niet horen. Misschien vinden ze het ook te warm.

Hier is het in ieder geval heerlijk. Hoog en droog en een zwoele bries

Overpeinzingen

De schoonheid en de stilte

Twee dagen van drukte. Gisteren die mooie maar volle overdekte markt in Pécs, dat een echte voedingsmarkt was en vandaag om acht uur onderweg naar de zondagmarkt in Kaposvar, die uit de meest uiteenlopende artikelen bestond én nog een betamelijk stuk vlooienmarkt. Die van gisteren was druk, die van vandaag was kneiterdruk. De ingang dat uit zo’n typisch mooi Hongaars huis bestond met in het midden een open poort, leek vandaag de functie van poort naar de bijenkorf op zich genomen te hebben omdat mensen erin en eruit zwermden. De meest kleurrijke types van allerlei ras en stand. We wandelden langs de bonte kramen, zagen kinderhanddoeken met hun poppenlijven aan een hangertje hangen, paraplu’s te kust en te kleur, netjes uitgeklapt staan en arme ganzen die ze aan een knijper aan hun snavel van groot naar nog groter hadden gehangen.. Ach goshie. Gelukkig waren ze van pluche.

Als je stil stond bij een kraam kwam er onmiddelijk iemand met een vraag op je af. Ik stelde het me zo voor dat ze vroegen of ze me konden helpen. Temidden van alle wonderlijke verzamelde koopwaar stond daar stralend wit een frisse kaascaravan met twee hele jonge mensen erin. Aanvankelijk hadden we niet door dat het bord met de aankondigingen over de kaassoorten in het Nederlands geschreven was en wilden we in het Hongaars een beste beentje voorzetten. Toen ik ze goed bekeek vroeg ik voorzichtig maar eens of het Nederlanders waren. Bevestiging en een fijn gesprek over markten, kazen en hun vader volgde. Ze stonden ook nog in Kaposvár op de overdekte markt maar dan op vrijdag. Leuk om ze nog eens te ontmoeten en tegen die tijd was de oude kaas, die wij bij hen kochten, allang opgesoupeerd met verse vijgenjam en zouden we aan een nieuwe toe zijn.

Deze bijzondere vlooienmarkt was een echte toeristenmarkt. ‘Kijken, kijken, en niet kopen’. Een bekend en veel gebruikt principe. Daarom stonden ze veel liever op de stadse weekmarkten. Dit was eigenlijk een terrein, dat ook gebruikt werd voor circussen en op zondag die ene toeristen-attractie.

Voor 2,60 per stuk, 1000 forinten schafte ik twee nieuwe bovenstukjes aan. Sommige dingen zijn nog altijd waanzinnig goedkoop.

Daarna wandelden we naar onze witte Truus, die blakend in de zon stond te schitteren en reden ermee naar het centrum van Kaposvar. Gratis parkeren en om half elf een zondagse rust over de stad. De brede winkel-allee’s oogden nog breder, omdat er nauwelijks mensen liepen. Een handvol toeristen uit eigen land, een zwerver met uitgestoken hand die daarna alle prullebakken onder de loep nam op zoek naar voedsel. Ze doen hier nog niet aan statiegeld voor blikjes. Ook liep er een figuur, die duidelijk een hemiplegie had doorgemaakt, zwaar leunde op een wandelstok en schuifelend en trekkend een wankele gang van bank naar bank vervolgde. Luid ‘Jó Napot’ (goede dag) roepend naar iedere voorbijganger, waarbij een kind verschrikt in de benen van zijn moeder vloog en anderen met een stugge pas de vaart erin zetten. Vaker ving hij bot dan een vriendelijk woord. De laatste die voorbij kwam kreeg een tierende scheldkanonnade over zich heen. Eigenlijk tegen niemand in het bijzonder en de mensheid in het algemeen.

Achter een verkoelend 0.0 bekend Hollands biertje zagen we de stad ontwaken en het lied van Jacques Dutronc kwam zomaar op: Il est cinq heure, Paris s’éveille.’ Heerlijke herkenning en overeenkomsten. Een balkon dat schoongemaakt werd, een meisje dat haar auto in de winkelstraat parkeerde om hem uit te laden, beierende kerkklokken, twee electrische steppen die de glooiende straten door zoefden. Zondagmorgen, een ideale ochtend om te genieten van de schoonheid en de stilte.

Overpeinzingen

Tijd om aan de slag te gaan

Na gedane arbeid was het zoet rusten gisteren. We zaten onder de hazelnootboom en de zon filterde zachtheid er onder. Af en toe kwam er een koele bries langs. Het is hier dan ook niet warmer dan zo’n 25 tot 29 graden. Alles is wel kurkdroog en de bomen hebben zich alvast hier en daar maar een herfsttint aangemeten. Volgende week woensdag beloven ze pas weer regen.

Luieren is een kunst op zich. Na dat een uurtje gedaan te hebben, bedacht ik dat ik misschien alvast een achtergrond op het doek kon schilderen, tot ik wist welk onderwerp zich zou aandienen, want dat dat zo moest gebeuren was al een vanzelfsprekendheid geworden. Dus wandelde ik met leesboek, Ipad en telefoon naar de Datsja, waar het nog betrekkelijk koel en donker was. Ramen wagenwijd open, deur open en de schapenvachten op de stoel. De complete nocturnes van Frédéric Chopin in een uitvoering van Jan Lisiecki op de Ipad en aan de slag. Een opzet in Siena en eenmaal bezig had ik de smaak weer te pakken. Toch de stoute schoenen aangetrokken en met een zelfportret in de weer, dubbel omdat de spiegel erachter stond.

Het was zo’n sfeer waar niets meer op af te dingen viel. Lief was inmiddels ook naar de veranda getrokken en zat met zijn gezicht naar ons bos te lezen in het boek van Piloot van goed en kwaad, dat door Joost Conijn geschreven was. De kalme natuur, de zoete klanken van de nocturnes, de rust die er uitstraalde van de lezende man voor mijn open raam waren de juiste ingrediënten om de penselen met verve hun werk te laten doen.

Vogels bleven ten enenmale weg. Het was waarschijnlijk een tikkeltje te warm, maar lief had in de vroege ochtend toch een soort gaai gespot. Die horen we steeds, maar hij weet buiten beeld te blijven. Hij zat toen ook bij de Datsja en ik zat op het terras achter het huis te schrijven. Af en toe viel er met een zware plof een overrijpe vijg op de grond. Goed voor de vlinders en alles wat rondvloog aan kever, vlieg, bij en wesp. Van de laatste zien we weinig dit jaar. Wel kwam er een gifgroen, bijna neon, klein spinnetje bij mij kijken. Misschen werd hij aangetrokken door de groentinten in de schilderjurk die ik aanhad. Haha. Hij bleef angstvallig dicht in de buurt.

Lief pakt nog wat dode takken aan nu het niet te heet is en straks willen we naar de overdekte markt in Pécs. We hebben uien nodig voor de basis-ingrediënten en kunnen dan ook gelijk langs de Tesco om er wat ieniemienie jampotjes op de kop te tikken voor het thuisvolk. Een lapje erover met een elastiekje en klaar is een origineel Hongaars aandenken.

Gisteren ben ik ook in het boek begonnen die we uitgekozen hebben met de leesclub: ‘Het ongelukskind’ van Beatrice Salvioni. De proloog is even slikken en begint nogal rigoureus. Ze schrijft echter prachtig en het verhaal zelf leest als een trein. Het rijke Roomse leven komt er ook uitgebreid aan bod. Dat roept weer de nodige herinneringen op. Dat komt dan goed uit, want met de vragen van zoonlief ben ik daar toch volop mee bezig.

Vraag 5 was wat makkelijker te beantwoorden: Op welke plek in je leven heb je je het meest thuis gevoeld? Daar hoefde ik hier niet zo lang over na te denken. Langzamerhand neemt mijn geschrijf de omvang van een boek aan. Tel daar deze dagelijkse blogs bij op en reken maar uit. De schatjes hebben heel wat om terug te lezen. Het is inmiddels kwart over acht. De stapel takken slinken, tijd om aan de slag te gaan.

Overpeinzingen

Nu doorstomen

Klaas Vaak kon de weg niet vinden. Zeker verdwaald op de uitgestrekte poesta. Er is anders zand genoeg. Daar ligt het niet aan. De oorzaak: Een droom over een overleden kennis, die zo levensecht bleek, tot twee maal aan toe, dat ik er wakker van werd. Dus luisterde ik in het donker naar de nog steeds een beetje vreemde geluiden. De honden die af en toe luid blaffen, het geruis van de doorgaande weg, waar het verkeer maar overheen blijft gaan en weer de honden. Om half vijf hou ik het voor gezien. Koffie en een puzzeltje of twee, maar de slaap blijft zich verstoppen.

De uitleg op een dromen-site is duidelijk. Je sluit negatieve eigenschappen af of laat ze voor wat ze zijn. Een schone lei om mee te beginnen. Dat is wat ik er uit filter. Er zijn meerdere interpretaties.

We hebben besloten deze week te gebruiken om te aarden. De vermoeidheid van de reis achter ons te laten, het huis te omarmen, de noodzakelijkste bezigheden als eerste aan te pakken. Daar zijn we dan ook druk mee bezig. Ik zal twee flesjes druivensap maken en vier potten vijgenjam en de rest is voor de vogels, de vlinders, de wespen en de vliegen, die allen er een koningsmaal aan hebben.

Het boek van Zebedeus en het ganzenbord van Wisse is uit. Het is teveel in flarden gelezen en voor mooi zal ik het nog een keer in één vlucht moeten lezen. De biografie blijf ik voor me uitschuiven. Het heeft te maken met de druk die hier vanzelf weg valt. Als je het toelaat, heerst er een weldadige kalmte. Niets moet, alles mag. Natuur speelt een grote rol. De grote wereld komt binnen via app en in nieuwsflarden, alléén de koppen.

Ik lees ‘Het gelukkige eiland’ van Marit Törnqvist uit. Een boek waar veel in te zien valt en dat veel overpeinzingen oplevert. De korte teksten erbij. Kleine filosofische bespiegelingen in een zoektocht naar het gelukkige eiland. Op iedere bladzijde prachtige tekeningen in verschillende technieken. De schoonheid in een boek. De toekomst is hier geen gesloten boek. Het eiland is leeg, er is niemand, het is er stil. Hier kan en mag alles. Schrijf je eigen eiland. Schrijf je een weg naar geluk.

De drie stammetjes van de fluweelboom die over zijn van de dikkere bundel mogen blijven staan totdat we weten welke wijsheid daarin te betrachten valt. Ze schutten toch een beetje het privé-karakter van de tuin af. Dat willen we graag zo houden. Maar de blauwe regen die weer ver in de stam klimt, moet eruit.

Wat je moet doen als je over een nijlpaard struikelt/gedichten waar je wat aan hebt een boek van Edward van de Vendel & Martijn van der Linden. Het kookboek voor het oplossen van je problemen, met grappige, fantasievolle, irreëel oplossingen of toch minder onnatuurlijk als je denkt. Hoe gekker, hoe leuker. Maar er is ook mooie poetische en tedere raad, bijvoorbeeld in ‘Wat je moet doen als je moeder huilt’ : Ga/ naast haar zitten/tegen haar aan geschoven:/je armen van onder tot boven/dicht op die van haar./…En dan verderop: Als ze voelt dat ze eventjes op je mag leunen/spoelt er een beetje gedoe/uit haar hoofd/Hoe?/dat doet er niet toe/

Of ‘Wat je moet doen als je tante dood is gegaan,, die je niet zo goed kende’

Mooie afwisseling in absurde en tedere poëzie. Een boekje waarbij de taal gewoon binnen komt vliegen, spelenderwijs, elk woord is goed. Verzin er zelf eens een paar. Ook hier zijn de tekeningen een waardevolle aanvulling. En als je zelf iets wil verzinnen, begin dan met het gedicht ‘Wat je moet doen als je superblij bent’ dat aanraadt om dan wat aandacht te besteden, aan de spullen die het sullige werk voor je deden. Je sokken bijvoorbeeld, of de knoop aan je broek, je zuchten, het wc-papier, het zweet…Goede raad is niet duur en in dit boek krijg je het gratis en voor niks, nou ja, bijna dan.

Tussen de bedrijven door zit er nieuwe oogst in de pan. Druiven, vijgen en citroensap samen met een beetje suiker. Eens zien wat het wordt. Er zijn nog twee potjes om te vullen.

Fijn dat er een leesbegin is gemaakt, nu doorstomen op alle fronten.

Overpeinzingen

En geldt het niet voor alles wat we doen

Lief voert hele stukken fluweelboom naar achteren. De bomen achter het prieel moeten er aan geloven. Ze zijn te oud en vallen om bij de minste of geringste storm. Het zijn eigenlijk mooie parasollen, maar als je er een in de tuin zet, heb je er binnen een oogwenk ontelbaar veel staan aan spruiten. Dat is het mooie van de natuur. Ze geeft zelf het werk aan dat staat te gebeuren. Als je er voor open staat, helpt zij mee beslissen.

Hij kwam trouwens met twee glanzende pruimen aan. Er staat een boom volop met vrucht helemaal achter in het bos, bij de oude appel en perenboom. Die had ik nog niet ontdekt. Iedere wandeling is er een van wonderen. Steeds weer ontdek je nieuwe veranderingen.

De vierde vraag van zoonlief is er ook een om langer over te peinzen:‘Welke dag of welk moment uit je leven zou je willen herbeleven als dat zou kunnen en waarom?’

Eigenlijk zijn er diverse mooie momenten in het leven. Parels noem ik ze meestal. Dat is wat ik schrijven moet, denk ik. De ketting die leven heet en die me siert, dat zijn de dagen die fijn zijn om aan terug te denken. De geboorte van de kinderen op de eerste plaats. Een opnieuw geboren worden als vrouw, als moeder met alle oerkracht die er in ons huist. Dat waar mannen jaloers op zouden kunnen zijn. Dat ons nederige lijf tot zoiets moois in staat is, is een wonder op zich.

Wat ook bijzonder was, is de opbloeiende liefde die me na 26 jaar alleengaan overkomen is. Het feit dat we samen lief en leed weer mogen delen en de rijkdom waar we van mogen genieten. De reizen samen die we daardoor weer kunnen maken, de mooie plekken die we op ons pad vinden, de intense beleving en het ontdekken van die nieuwe wereld.

Of ik het zou willen herbeleven allemaal is moeilijker te beantwoorden. Gebeurtenissen passen in het tijdslot waar ze zich in bevinden. Iedere stap die gezet wordt is een waarborg voor de volgende. Daar zou ik niet in willen roeren, omdat het leven dan een hele andere wending zou hebben gehad.

Ik las de profielschets van Joost de Vries in de Groene over Robert Oppenheimer , die te boek staat als ‘De vader van de atoombom”. Wat een wonderlijke figuur was dat toch. Aan de ene kant bijzonder poetisch, erudiet, hij las sanskriet, was een bewonderaar van de Baghavad Gitä en vreemde talen leerde hij in een oogwenk. Hij behoorde volgens de auteur tot de grootste abstracte denkers in de academische wereld. Toen hij voor het eerst hoorde dat de kern van een atoom te splijten was, kon hij niet anders dan voortgaan op die weg. Hij vond dat hij geen keuze had. Dat het een fact of nature was. God heeft het gedaan, of de schepper of in wie of wat je gelooft. Dit is moeder natuur en dus is het onvermijdelijk. Je kunt je er niet voor verstoppen. We bezitten het proces niet. We hebben het niet bedacht. Het bestond altijd al als een mogelijkheid’. Maar Oppenheimer was, tragisch voor hem, het ene genie dat de mensheid naar dat onvermijdelijke punt bracht. De trailer van de pas verschenen film van regisseur Nolan belooft een aangrijpende film. Hoe zou de man op zijn daad en zijn leven hebben teruggekeken. Toch de moeite waard om te gaan kijken, lijkt me.

Nog even wat aardse zaken. Gisterenmorgen kwam lief ineens aanzetten met mijn bril. Die had ik bij het snoeien van de druif verloren en was niet meer boven water gekomen. Gelukkig loopt hij steeds zeer bedachtzaam door de tuin en zag ineens iets glinsteren toen de zon er op scheen. Ik hoef hem niet vaak meer te gebruiken, maar soms is het nodig als leesbril bij al te kleine lettertjes. En juist die had ik nodig voor het lezen van het artikel. Hoe een en een twee wordt, oftewel: Toeval bestaat niet. En geldt dat niet voor alles wat we doen?

Overpeinzingen

Komt het er nog van vandaag

Later dan anders met een goede reden. Vanmorgen nog voor de eerste kop koffie heb ik eerst het onkruid van de kinderkopjes gehaald in het prieel. Heerlijk zwoel was het toen nog. Daarna nog wat druiven geplukt en de bereiding van de vruchten kwam daarna. Vijgen wassen en fijn snijden, druiven rissen, potjes uitkoken. De druiven in de ene en de vijgen in de andere pan, die laatste met geleisuiker en citroensap en op een laag pitje gezet. Ziezo. Daar tussendoor de koffie. Het was maar goed ook want de zon is moordend heet en brandt alsof het hoog zomer is. Toch is het slechts 24 graden, maar er staat geen zuchtje wind.

Eigenlijk is het een te leuk werkje en ik vermoed dat het nog wel enkele weken door zal gaan. Het volgende project diende zich al aan. ‘Jonapot’ werd er geroepen en daar was de hoogwerker die naar een opening in het dak moest kijken. Daarvoor moest hij door het hek van de buurvrouw naar binnen. Ik stond op het punt van douchen, maar ja, die hoogwerker ging ook langs het badkamerraam. Toch maar even niet. De arm van de hoogwerker bleek niet goed te werken en het was wachten op de monteur. Die constateerde dat de wagen niet stabiel genoeg stond en dan zegt het bakkie eigenlijk: Tot hier en niet verder. Het is te gevaarlijk. Inmiddels was vriend van lief ook langs gekomen, hoofdschuddend om deze overbekende Hongaarse werkwijze. Het gaat nooit helemaal zoals het kan, hoorde ik hem denken.

Ziezo de vijgen staan op z’n kop in te dikken in de potjes. We hebben hier nog geen staafmixer, dus het is de grove variant. Het beetje wat er niet meer bij kon, mag in de kwark voor Lief, die er van smult.

Het is heerlijk op oude kaas, die ik niet direct kon vinden, maar dochter vertelde dat er oude kaas uit onze eigen hoofdstad in de supermarkt in Szigetvár lag. Morgen maar eens kijken. Twee volle potten vijgenjam en een restje en nog een vijgenboom vol om verder te gaan. We komen onze tijd wel door.

Van lezen komt nog niet veel en van schilderen ook niet. Ik moet eerst even de gang erin zetten. Zodra er dan andere bezigheden aan de orde zijn, verdwijnen de woorden als sneeuw voor de zon. Minder concentratie, te veel om aan te denken, noem het maar.

De druivensap is ook klaar. Het is een fles vol geworden. Lief neemt een foto van mijn trotse hoofd bij de drie producten van huisvlijt. Het is lang geleden dat ik me bezig hield met inmaken, jam maken en brood bakken. Het stamt uit de tijd toen de kinderen klein waren en er nauwelijks pot te verteren viel door gebrek aan geld. Nu gaat het veel meer om de sport. Je eigen gegarandeerd biologische oogst. Daar hoort ook geen moeten bij achter de deur te staan.

Zoonlief heeft alweer zijn derde vraag gesteld. De tweede was: Hoe was het om op te groeien in een gezin van elf kinderen. Hoe woonden jullie bijvoorbeeld met zovelen. Met wie trok je het meest op? En hoe kijk je terug op je kindertijd.

Vraag 3 kwam vandaag. Hij schoeit het nu op een andere leest: Welke levenslessen zou je ons als kinderen mee willen geven? Die natuurlijk ook voor je kleinkinderen gelden?

Beide weer om eens stevig voor te gaan zitten en om goed te overdenken. Het zal een latertje worden dat derde antwoord, want nu ga ik eerst naar de Datsja om mijn atelier gebruiksklaar te maken en dan misschien…Wie weet! Komt het er nog van voor vandaag.