In de Groene Amsterdammer van vorige week staat op de een na laatste bladzijde een stukje van Marian Donner over Byssus. Ik had er geen wetenschap van. Het is zeezijde en wordt geweven van de ankerdraden van de grote steekmossel. Het is kostbaar en de vrouw die er iedere lente nog naar duikt wil haar geheim niet prijsgeven. De zeezijde is niet te koop. Ze geeft het weg, aan jonge mensen die willen trouwen of vrouwen die zwanger willen worden. Zeezijde brengt geluk en vruchtbaarheid. Het wordt gemaakt in de Italiaanse stad Taranto.
De eenvoud van een geheim bewaren opdat er geen enorme industrie zal ontstaan ten koste van de natuur is een van de meest onbaatzuchtige manieren van leven. Marian Donner vertelt over een 83-jarige vrouw en haar dochter die op een stuk land in Kentucky haar huis heeft staan en die het niet wil verkopen aan een high-tech bedrijf, dat 26 miljoen dollar bood voor het stuk grond. ‘Roof van grondstoffen is de basis voor het kapitalisme’. Ik zou zeggen ‘roof van levenskunst’. Grond vertalen in dollartekens en niet in beleving. En met haar zeg ik: ‘Dat is pas vooruitgang. Weven voor verschoppelingen en zitten in je eigen stoel op de grond waar jij van houdt.’
Derhalve liep ik gisteren na een lange tijd weer eens over ons land op zoek naar aankondigingen van de herfst. Ze waren er natuurlijk volop. Eigenlijk was ik in eerste instantie op zoek naar vogelgezang. Maar hoe ik ook speurde, de opbrengst was miniem. In ons bos een kneu, wat eigenlijk zeer onwaarschijnlijk is en een Turkse tortel. Er woei een zachte wind over het uitgestrekte land. Even dacht ik bij het horen van geritsel in een meest uiterste hoek van het achterbos, dat er misschien een roofvogel of een vos of anderszins zou zitten, maar dat was het kreunen van een oude tak als de wind aantrok.

In onze achtertuin liggen de maisvelden van de ons omliggende boeren goudgeel te zijn. Zo ver als het oog wil reiken met als kleurcontrast dat prachtige grijsblauw van het Mecsekgebergte op de achtergrond.
Maar op ons achterland verhieven zich tussen grassen en bramen de gouden aren van de kaardenbollen, de heerlijke grillige kwasten van de distels en de rokken van de wilde peen. Zo wonderschoon, zo ingenieus gegroeid.
De kaardenbollen behoren tot de kamperfoeliefamilie en kennen een lange staat van dienst. Ze werden eeuwenlang gebruikt om de warme pluizige Leidse dikke dekens flink op te ruwen. Dat gebeurde vanaf het einde van de 16e eeuw tot in de jaren zestig.
Ik lees zo hier en daar over de verschillende mythen en verhalen van deze bijzonder planten die de ronde doen en stuit bij wilde peen op de eigenschap dat ze herinneringen zou vereeuwigen. Een mooi idee vind ik dat, die symbolieken en eigenschappen, die aan wilde planten en bloemen worden toegeschreven.
De distel wordt in Baskenland beschouwd als de ‘Bloem van de zon’, het representatieve en gunstige symbool ervan. Daarom heet het ook heksenkruid. Heksen mogen niet in de zon kijken en de distel beschermt hen daartegen. Een symbool van de zon en beschermer tegen boze geesten. Fransen gebruiken hun afbeelding als meubeldecoratie. Puttertjes zijn er gek op, ze heten niet voor niets distelvinken.
Maar voor alsnog blijft het vogelstil. Alleen de wind laat haar suizen horen. Het is goed te weten dat het land bekende en onbekende kostbaarheden herbergt, een schatkist bij uitstek. Het is niet te koop.