Na een kleine week acclimatiseren was het eens tijd om onze grenzen te verleggen. We hadden verteld dat Pécs in 2010 de cultuurstad van Hongarije was geweest, dus daar wilden de gasten wel graag naar toe. Het weer was ons gunstig gezind. Een graad of 25 en een lekker windje. Agaath stond voor de hele dag op een plekje vlak bij het centrum. Een stukje lopen en je staat midden in de vorige eeuw te genieten van de aandoenlijke straatjes met nog de oude goten erin, met als contrast de enorme statige gebouwen er naast met hun prachtige gevels in zachte aardetinten. Een weldaad voor het oog en een rijkdom aan oude architectuur.
Hongaren hielden er vroeger van om hun gevels te bekleden met imposante beelden en belangrijke symbolen. Het doet weelderig aan zonder protserig te zijn. Statig en toch niet schreeuwend is een kunst op zich. Er werden veel sierranden en kleinere ornamenten tussendoor gebruikt. Dat maakt een gebouw bijzonder de moeite waard om tot in detail te beschouwen, iets wat de mannen voortdurend en al pratend deden. We waren ze voortdurend kwijt. Een keer leken ze helemaal van de aardbodem verdwenen, maar toen waren ze een onder een poort doorgewandeld waar helemaal achteraan een soort van tweedehandse boekhandel was ingericht met als knus element een oude doorgezakte bank, een werkende buizentelevisie met Roy Orbison erop en wat stoelen met kleden erover. Een walhalla voor vriendlief, de boekenwurm. In het midden stond uitnodigend een theepot. Geen idee of dat er daadwerkelijk in zat, maar het was een absolute verhoging van de sfeer.
Terwijl de vrienden de moskee gingen bewonderen die wij bij elk bezoek aandoen, bleven wij genieten op het terras met uitzicht op het plein, standbeeld en fontein incluis met een dorstlessend watertje onder handbereik.

Vanwege een medische noodzakelijkheid moest er even een hapje gegeten worden en vriendinlief had op de wandeling naar het plein toe een vegetarisch restaurantje ontdekt. Het bleek er een uitzonderlijk goed te zijn met borden zo vol dat we vooraf al wisten het nooit op te kunnen. Maar we zagen kartonnetjes met bezoekers meegaan en wisten dat dat wel snor zat. Ze hadden ‘goodybags’. Daar at ik de meest lekkere oesterzwammen gyros, de hemel op je bord zo lekker, met als drankje lavendelsiroop. Het menu was indrukwekkend afwisselend. Kortom deze komt op het. Lijstje van ‘Verwen Uw Gasten’. Met onze kartonnen bakjes konden we richting het Magyar Nemzeti Szinhaz, alweer zo’n gebouw om je aan te vergapen, met twee fonteinen aan weerskanten en een Venetiaans ijsverkoper links ervan met een korte stop op de trappen van het theater.
In een kalme tred terug naar Agaath en over het Mecsek gebergte langs het meer van Orfü weer op huis aan. De nodige haarspeldbochten-oefeningen met verblindende zonnevlekken. Geen probleem voor Agaath. Zo konden de gasten een indruk krijgen van het afwisselende landschap. Rond huis alles vlak en hier de blauwe berg in volle glorie. Moe maar voldaan rolden we de warme auto uit. Voor sommige even niets, voor anderen een spelletje en aan eten hoefden we voorlopig ook nog niet te denken. Eerst maar eens de vele indrukken op hun plek laten vallen en de maag rust gunnen. Morgen was er weer een dag.