Twee dagen van drukte. Gisteren die mooie maar volle overdekte markt in Pécs, dat een echte voedingsmarkt was en vandaag om acht uur onderweg naar de zondagmarkt in Kaposvar, die uit de meest uiteenlopende artikelen bestond én nog een betamelijk stuk vlooienmarkt. Die van gisteren was druk, die van vandaag was kneiterdruk. De ingang dat uit zo’n typisch mooi Hongaars huis bestond met in het midden een open poort, leek vandaag de functie van poort naar de bijenkorf op zich genomen te hebben omdat mensen erin en eruit zwermden. De meest kleurrijke types van allerlei ras en stand. We wandelden langs de bonte kramen, zagen kinderhanddoeken met hun poppenlijven aan een hangertje hangen, paraplu’s te kust en te kleur, netjes uitgeklapt staan en arme ganzen die ze aan een knijper aan hun snavel van groot naar nog groter hadden gehangen.. Ach goshie. Gelukkig waren ze van pluche.

Als je stil stond bij een kraam kwam er onmiddelijk iemand met een vraag op je af. Ik stelde het me zo voor dat ze vroegen of ze me konden helpen. Temidden van alle wonderlijke verzamelde koopwaar stond daar stralend wit een frisse kaascaravan met twee hele jonge mensen erin. Aanvankelijk hadden we niet door dat het bord met de aankondigingen over de kaassoorten in het Nederlands geschreven was en wilden we in het Hongaars een beste beentje voorzetten. Toen ik ze goed bekeek vroeg ik voorzichtig maar eens of het Nederlanders waren. Bevestiging en een fijn gesprek over markten, kazen en hun vader volgde. Ze stonden ook nog in Kaposvár op de overdekte markt maar dan op vrijdag. Leuk om ze nog eens te ontmoeten en tegen die tijd was de oude kaas, die wij bij hen kochten, allang opgesoupeerd met verse vijgenjam en zouden we aan een nieuwe toe zijn.
Deze bijzondere vlooienmarkt was een echte toeristenmarkt. ‘Kijken, kijken, en niet kopen’. Een bekend en veel gebruikt principe. Daarom stonden ze veel liever op de stadse weekmarkten. Dit was eigenlijk een terrein, dat ook gebruikt werd voor circussen en op zondag die ene toeristen-attractie.
Voor 2,60 per stuk, 1000 forinten schafte ik twee nieuwe bovenstukjes aan. Sommige dingen zijn nog altijd waanzinnig goedkoop.
Daarna wandelden we naar onze witte Truus, die blakend in de zon stond te schitteren en reden ermee naar het centrum van Kaposvar. Gratis parkeren en om half elf een zondagse rust over de stad. De brede winkel-allee’s oogden nog breder, omdat er nauwelijks mensen liepen. Een handvol toeristen uit eigen land, een zwerver met uitgestoken hand die daarna alle prullebakken onder de loep nam op zoek naar voedsel. Ze doen hier nog niet aan statiegeld voor blikjes. Ook liep er een figuur, die duidelijk een hemiplegie had doorgemaakt, zwaar leunde op een wandelstok en schuifelend en trekkend een wankele gang van bank naar bank vervolgde. Luid ‘Jó Napot’ (goede dag) roepend naar iedere voorbijganger, waarbij een kind verschrikt in de benen van zijn moeder vloog en anderen met een stugge pas de vaart erin zetten. Vaker ving hij bot dan een vriendelijk woord. De laatste die voorbij kwam kreeg een tierende scheldkanonnade over zich heen. Eigenlijk tegen niemand in het bijzonder en de mensheid in het algemeen.
Achter een verkoelend 0.0 bekend Hollands biertje zagen we de stad ontwaken en het lied van Jacques Dutronc kwam zomaar op: Il est cinq heure, Paris s’éveille.’ Heerlijke herkenning en overeenkomsten. Een balkon dat schoongemaakt werd, een meisje dat haar auto in de winkelstraat parkeerde om hem uit te laden, beierende kerkklokken, twee electrische steppen die de glooiende straten door zoefden. Zondagmorgen, een ideale ochtend om te genieten van de schoonheid en de stilte.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.