Uncategorized

Omarmen wat er overblijft

‘Te leven tot we sterven kon dat maar’, verzucht Nicci french in een interview in de nieuwe Zin. Ik ben haar boek aan het lezen met de intrigerende titel ‘Woorden schieten te kort’. Het licht schijnt vooral op het wat/als-principe. De gedachte erachter is de angst die regeert. De angst voor wat nog komen gaat. Ze heeft meegemaakt dat haar vader een oneindig hulpeloze en verwarde man werd, die overgeleverd was aan de genade van de wereld.

006

Het voelt zoals het klinkt. Tragisch en zwaar. Mijn hele leven lang heb ik geprobeerd te vermijden grote stappen vooruit te denken over eventuele rampen die je zouden kunnen treffen. Een vliegtuig dat naar beneden zou kunnen storten, een heftige aandoening, die je mogelijk overkomt, een zwaar verlies dat je moet lijden. Ik geloof in het moment zelf. Je kan, met een ongebreideld optimisme, langer genieten van de aard der dingen, ook al zijn er factoren die het bemoeilijken. ‘Elk nadeel heeft zijn voordeel.’ Die eenvoudige Cruijffiaanse filosofie is precies datgene dat de sjeu aan het leven geeft. Natuurlijk valt uit te spinnen wat er gebeuren zal als je Alzheimerend de ouderdom in gaat. Je persoonlijkheid verandert. Je verliest je vroegere zelf, maar er staat een nieuwe zelf op. Een, die van de kleinste dingen van het leven eventueel nog genieten kan of iemand die sobert en sombert. Het kan vriezen, het kan dooien.

De idioot in het bad.

Met opgetrokken schouders, toegeknepen ogen,
Haast dravend en vaak hakend in de mat,
Lelijk en onbeholpen aan zusters arm gebogen,
Gaat elke week de idioot naar ’t bad.

De damp die van het warme water slaat
Maakt hem geruster : witte stoom…
En bij elk kledingstuk, dat van hem afgaat,
Bevangt hem meer en meer een oud vertrouwde droom.

De zuster laat hem in het water glijden,
Hij vouwt zijn dunne armen op zijn borst,
Hij zucht, als bij het lessen van zijn eerste dorst
En om zijn mond gloort langzaam aan een groot verblijden.

Zijn zorgelijk gezicht is leeg en mooi geworden,
Zijn dunne voeten staan rechtop als bleke bloemen,
Zijn lange, bleke benen, die reeds licht verdorden
Komen als berkenstammen door het groen opdoemen.

Hij is in dit groen water nog als ongeboren,
Hij weet nog niet, dat sommige vruchten nimmer rijpen,
Hij heeft de wijsheid van het lichaam niet verloren
En hoeft de dingen van de geest niet te begrijpen.

En elke keer, dat hij uit ’t bad gehaald wordt,
En stevig met een handdoek drooggewreven
En in zijn stijve, harde kleren wordt gesjord
Stribbelt hij tegen en dan huilt hij even.

En elke week wordt hij opnieuw geboren
En wreed gescheiden van het veilig water-leven,
En elke week is hem het lot beschoren
Opnieuw een bange idioot te zijn gebleven.

– – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – — – – – – – – – – – – – – – –
uit: Parken en Woestijnen van M.Vasalis (1909-1998)

Daarbij put ik uit de ervaring in de tijd, die ik doorbracht als beginnend verzorgende in het particuliere Huize Sollglytt in Leiden. Een huis met oude, doorgaans psychiatrische, patiënten. Ik had de jeugd in pacht. Was achtien, woonde samen met vriendlief en werkte in dat wonderlijke huis, Daar had De Idioot van Vasalis geschreven  kunnen worden. De demente bejaarden lagen er verward in de sluitlakens en de riemen en werden bedlegerig gehouden. Of ze waarden rond in het huis in de wirwar van hoge en lange gangen zonder ooit op de plaats van bestemming te komen. ‘Ik moet dwalen, ik moet dwalen.’ Het lied lag er in vraagtekens onder. De tomatenboer rukte en trok aan zijn leren banden om de de hekken van het bed tot ze rammelden. Hij moest de oogst binnenhalen en niemand die de nauwgezetheid van de man kon pareren. Zijn stelligheid was groter dan menig riem.

ro;trap stedelijk museumweg naar het licht

Toch waren er in al die somberende dagen  ook lichtpunten. Letterlijk in de vorm van de de doorschijnende fragiele vrouw in haar witte nachtpon, die in haar verleden woonde en minzaam de kleine gebruiken omarmde. Het schikken van denkbeeldige koekjes op een bonbonschaaltje. De verrukking over het arrangement was van haar gezicht af te lezen. Ze beleefde de kleine vreugde telkens opnieuw. Of de goedlachse sjekkies draaiende Marie aan de grote tafel, die de boel nauwlettend in de gaten hield en het voetvolk dirigeerde als de koningin zelf. Dan waren er nog de twee oude izegrimmen, die al mopperend elkaar iedere keer weer aan het uitdagen waren en soms in grinniken uitbarsten in hun intrigerende spelletje. Volkomen andere tijden uit een sepia verleden.

Dat bedoel ik. Niet alles is een gifbeker. Elke schaduwkant kent ook een lichte zijde. Met het licht ga je voorbij aan je zelf, je eigen belevenis, je context van de ratio. Het zijn de verzachtende omstandigheden voor die algehele verwarring. Liefde en vreugde zitten zo vaak in de allerkleinste dingen.

Angst regeert in de meeste verhalen die Nicci French hoort. Mensen die zich voorbereiden op de ouderdom en daarmee ernstig rekening houden om, net als hun ouders,  alzheimer te krijgen of dement te worden. Deze gedachte vergt veel van levenslust. Symptomen vormen het leven soms voor ons, maar de anst voor diezelfde symptomen verlammen. De zorg om die duistere deken wordt dan letterlijk het doek dat valt. Jezelf verliezen en een ander zelf vinden in klein geluk. Die gedachte roept het op. Omarmen wat er overblijft.

5 gedachten over “Omarmen wat er overblijft

  1. Prachtig Berna! en zo waar! Veel leed doen mensen zichzelf aan door in de wat alsen te schieten en vooral: te blijven hangen. Jezelf en de ander steeds opnieuw ontmoeten alsof je elkaar nog niet kent levert heel veel mooie momenten. Ik associeer je blog ook vrolijk met het lied ‘mijn ikken’ van Harrie Jekkers, Ken je dat?

    Liked by 1 persoon

Reacties zijn gesloten.