Uncategorized

Dan valt het doek

Het is een vroege zaterdagochtend. In het kleine inhammetje in de gang is een geïmproviseerde wachtkamer gemaakt. Er staan drie gewone stoelen en daarachter, aan elk oog ontrokken, hangen een zestal klapstoelen aan een grote haak. Aan de overkant van deze ‘mini zijbeuk’ zijn dichte deuren. Af en toe gaat de dichtstbijzijnde open en valt het steriele licht van de onderzoekskamer binnen.

Vlak voordat we er zijn aangeland, horen we een geweldig gekrijs en het protest dringt tot in elke vezel door. Een vader en een dokter in spé proberen een jongetje van een jaar of acht in alle toonaarden te bewegen, mee te gaan naar de onderzoeksruimte. Hij gilt het uit. ‘Nee, nee, nee.’ Uit zijn gekrijs vallen woorden als ‘Naar huis, ga niet, wil niet, naar huis.’ Een mantra van verzet. Hij kijkt niemand aan, helt wrokkig en gespannen over naar links en probeert zijn afgewende hoofd zo ver mogelijk uit de buurt van vader en dokter te houden.

Als de oude naast hem gaat zitten, probeert deze nog een gesprek aan te knopen. Begint over zijn eigen ogen en hechtingen, stelt onschuldig lijkende vragen, maar het jongetje zuigt, in zijn wrok, elke valkuil op. Hij wil niet benaderd worden en zeker niet vriendelijk. Zijn gemoed is met gewapend beton ommuurd. Er valt niet doorheen te komen. Zijn dikkige lijfje blijft gespannen. Pas als zijn vader beloofd, dat hij met de rolstoel naar de kamer wordt gereden, wil hij meewerken. In de tweede kamer achter de dichte deur staakt het gekrijs en gesnik. Boven alles wint het gemak het van zijn angst.

ooglap

Aan de overkant zit een man uit Mijdrecht. Zijn chauffeur zou een zoon kunnen zijn. Zelfde mond, zelfde ovale vorm van gezicht, een oog matcht. Het andere is bij de vader afgeplakt met een dik verband en een harde plastic doorzichtige kap. Hij wrijft zijn grote handen ineen. Tuindershanden, denk ik. Een veldwerker, verraadt zijn verweerde buitenkop. Zijn stem scheurt de stilte uiteen en openbaart de dove binnenkant van zijn oren. Als de zoon een opmerking maakt over het voor hem zware jaar, valt de ernst van zijn opmerking weg in het dwingende en opeisende gesprek tussen de oude en de vader. Beiden zijn gewend gehoord te worden. De zoon doet er het zwijgen toe en mompelt soms nog ja en nee.

Dan wordt er een vrouw binnen gereden door een lid van de brandweer van het ziekenhuis. Ze wordt met rolstoel en al naast me gepoot, krijgt het zuurstofkastje aan haar voeten. Ze zit voorover gebogen met het afgeplakte oog en een zuurstofslangetje in haar neus. Ze heeft een plastic tas in de handen en rommelt erin, haalt er af en toe een brief of een kaartje uit, rommelt, kijkt met het linkeroog dicht op het drukwerk, zucht en rommelt verder. Zo verdwijnt ze in zichzelf. Haar haar hangt als vettige coulissen langs haar gezicht. Af en toe zucht ze en strijkt met een vrije hand haar vermeende zevertjes weg.

023Pierebadje Noorderbad

We praten over zwemles. De aanleiding is het vele water in de polder en dat zwemles onontbeerlijk is. De vader vertelt over zijn capriolen aan de haak. We knikken instemmend, daar hebben we allemaal aan gehangen. De oude peinst, ik zie het aan het levende oog. Omdat de vader spreekt over een hengel, denkt hij aan een vishengel en kan het niet rijmen. Als de haak gestalte krijgt, daagt het hem. Opluchting en herkenning.

Zwembaden uit een grijs verleden trekken voorbij, de oude vertelt van Zwembad de Kikker en het zwemmen in koud natuurbad. De vrouw heeft tot dan toe nog niets gezegd en is verder blijven rommelen. Als ik het Noorderbad noem, veert ze op, bijna vief onder de omstandigheden. ‘Daar zwom ik altijd’. De woorden murmelden opvallend helder achter het gordijn. ‘Mijn eerste vriendje is daar verdronken’ Groot lief en leed in één zin verpakt. Ze zegt nog: ‘De jongens en de meisjes waren gescheiden.’ Dan valt het doek.

Een gedachte over “Dan valt het doek

Reacties zijn gesloten.