Uncategorized

Dobberen op het grote niets

Er waren zoveel schapen geteld dat de draad van hun wol versleten was. Alle roze olifanten, waaraan niet gedacht mocht worden, gingen langszij. Elk slaaplied, de enige echte Lullaby, hield een lange periode van de nacht het denken gevangen en toch bleef de gedachtegang er doorheen spoken. Die had inmiddels al drie keer een generale gelopen voor de weekopening, was maskers aan het verzinnen geweest voor Kikker en de vreemdeling, had een pratend schimmenspel uitgedacht voor hetzelfde verhaal. Er tussendoor spookten de foto’s van afgelopen zondag die rond waren gegaan tijdens de familiebijeenkomst in prachtig sepia, maar mijn silhouet in bed werd grijzer en grijzer en schrompelde in tot een hoopje nergens.

Afbeeldingsresultaat voor mueck oude vrouw in bedOude vrouw in bed: Mueck.

Ze leek op de bejaarde vrouw van Mueck in het overweldigende ledikant. Jaloers bespiedde ik door mijn oogharen Pluis, die warm en ingekruld tegen mijn buikholte aan lag en dichtte mezelf een droomloze, of juist misschien wel een droomvolle slaap toe. Loom deed ze een lodderoog open om vervolgens zich behaaglijk uit te rekken en de andere kant op te krullen. Poezen kunnen dat met een miniem aan geluid. Bij mijn draaien en woelen ging dat met het nodige opschudden van de kussens met veel gesteun gepaard.

O ja, het decor voor de grote voorstelling was ook al af. geen centje pijn. een zinkend schip, kleurrijke bergen en en een grote kartonnen radio, inclusief blikken geluid. In de pepernotenfabriek liep de opzichter op de tonen van Pink Floyds ‘Welcome to the machine’ zijn arbeiderspieten te controleren: check, check en dubbel check. Een scene, die de gelijke zou zijn van de memorabele lopende band van Charly Chaplin in ‘Factory work’ uit de film Modern Times, maar dan met pepernoten. Het was ‘all in the pocket!’

Tussendoor legden mijn handen alles vast in licht en donker, met repoussoirs in passend perspectief en hielden niet op elke herinnering om te zetten in die beelden en te staven. Er gonsde ergens een naar pijntje, die misschien wel de oorzaak was van alle andere gedachtestromen en ademhaling probeerde het te beheren en te reguleren, wat maar ternauwernood lukte. Penicilline deed haar werk en was net zo heftig bezig als mijn hoofd. Ik moest denken aan de klotterende mannetjes in de binnenkant van de mens bij een programma uit de jaren tachtig over dat bedrijf, dat lichaam heette en waar we een kijkje mochten nemen in het grote lijf van een stevige meneer. Een naarstige zoektocht verzandde in de villa Achterwerk bekenden en Roos en haar mannen. Verder kwam het niet.

Gisteren de hele dag rust houden zorgt ervoor dat het vege lijf ergens zijn energie aan moet onttrekken, aan slaap dan maar. Het geeft niet, maar kantelt de tijd, want straks willen de ogen niet meer open blijven en tuimelen meters omlaag of omhoog, net als bij Pluis in zijn diepste innerlijke rust. Ik laat het gebeuren. Niets hoeft, dat is de zorgeloze daadkracht van een ziek lijf. De tuimeling die tijd maakt, zorgt voor nog meer rust. Alles wat in het verschiet ligt, zit in frames in mijn hoofd, kant en klaar uitgeschreven en belicht. Er kan niets meer fout gaan. Het is goed rusten op een zinvolle gedachte, een uitgekiend en passend plan. Weg met schapen, olifanten, en scenario’s. Nu alleen nog dobberen op het grote niets

One thought on “Dobberen op het grote niets

Comments are closed.