Het Nieuwegeins Nieuws werd me via FB toebedeeld. Het onderwerp trok mijn onverdeelde aandacht. Er stond een artikel in over de markt, die verhuisd was van een plein naast City Plaza naar een prominente plek in het centrum. Hoewel ik er niet vaak kom, hou ik wel van de markt en dat heeft alles met het verleden te maken.
De allereerste gang naar de markt in Utrecht was die van de benenwagen met mijn moeder mee naar het Paardenveld. Een aantal marktkramen in carré, die er voor zorgden dat knusheid en beslotenheid gewaarborgd waren. Lopen naar de markt hield een belofte in van stroopwafelsnippers in een grote papieren zak, terwijl we genoten van de omstandige en lawaaierige manier waarop de marktlieden hun waren aanprezen. De warme stroopwafels gingen mee naar huis en kwamen tevoorschijn als we, schoongeboend in onze pyjamaatjes, klaar zaten voor de Rudi Carrel show. Gezelligheid en verse stroopwafels waren onlosmakelijk met elkaar verbonden.
Toen mijn eigen gezin nog in de kinderschoenen stond en de Turkse en Marokkaanse groentewinkels nog niet het straatbeeld vormden, was de markt ‘the place to be’, om groente en fruit tegen sterk gereduceerde prijzen op te halen. Daar had je nog afslagprijzen. Het bleef altijd gezellig met die joviale en soms een tikje aanmatigende praat van de marktkoopmannen.
Mijn zwager besloot destijds om een marktkraam in fietsaccessoires te beginnen. Hij moest aardig sappelen om rond te komen, want om een leven op een markt op te bouwen, moest je in het begin wat veren laten. Ik was in die tijd niet aan het werk en besloot om hem het eerste jaar een aantal dagen uit de brand te helpen en zijn marktbestaan te verlichten. Twee kunnen meer dan een.

Wat een ander leven was dat. Voor dag en dauw begon het, terwijl het hele huis nog in diepe rust verzonken was. Als juweel kreeg je het gloren van de dageraad mee tijdens de autorit.. Het klaarmaken van de kraam en het optrekken van de zeilen gaf zomers geen centje pijn, maar betekende ’s winters een ware kwelling, als kleumende handen de ijskoude zeilen over de binten moesten trekken. De onderlinge verbondenheid moest je verdienen door trouw je plek in te nemen en te netwerken met diverse kramen. Als je eenmaal was gewogen en goed bevonden was de saamhorigheid groot. Fe bloemist hield een boeket voor je achter, de vishandel had de vis al klaar liggen en de bakker en de groenteman bewaarden hun maaltje voor je tot het eind van de markt.
Wij ijverden om de kraam een succes te maken. Ik had generlei verstand van fietszaken, maar elke zaterdag speelde ik mijn eigen glansrol met het publiek en genoot. Het uitpakken en inpakken waren de minder leuke kanten. De viskraam, die een eigenzinnige geur over de natte koude zeilen uitspreidde was een dingetje, het laveren tussen de kramen door met de grote bus ging ook niet altijd onverwijld vlekkeloos, maar de lol onderling was groot en het publiek kwam graag terug. Dat was de grootste verdienste.
Nu staat mijn zwager in de krant als trouwe marktkoopman en wordt gelauwerd en aangeprezen in een film en terecht. Door alle jaren heen is hij het vertrouwde beeld geworden van de marktkoopman annex fietsenmaker op deze markt. Er is nog niets veranderd, alleen zijn waar is kleurrijker en frivoler dan de gedegen handel uit de jaren tachtig. Met bewondering voor zijn doorzettingsvermogen zie ik hem behoren tot de gevestigde marktorde.
Eindelijk hebben ze de plek weer heroverd die een markt verdiend. In het centrum, waar het winkelend publiek er niet meer om heen kan. Het is een té leuke traditie. Waar we ter wereld zijn, brengen we als eerste een bezoek aan de markt. Deze is ook zeer de moeite waard. Hard sappelende kooplieden die hun kleurrijke waar aan de man proberen te brengen met een kwinkslag en humor. Het leven ligt op straat en is dichterbij dan je denkt. De markt dus, voor stroopwafels, vis en groenten, fiets accessoires en verse noten op je zang. Elke zaterdag weer. Ik beloof beterschap.
Een gedachte over “De markt”
Reacties zijn gesloten.