Uncategorized

En de boom die wordt hoe langer hoe dikker…!

Mijn vader is vandaag 100 geworden. Daarvan was hij er 79 in dit aardse tranendal en de afgelopen 21 jaar zit hij op een wolk. Tijdens de vakantietochten zijn we hem steevast tegengekomen. Al jaar en dag is de lindeboom onze stamboom, omdat mijn broer eens een ode aan mijn vader en moeder en hun gezin heeft gebracht met het lied The Lindentree. Dit jaar blijft Pa maar posten en ontdekken we zijn naam in alle toonaarden op de plaatsen waar we zijn. We beschouwen het als zijn eigen facebook. Zuslief en ik kwamen hem tegen in de Jochumhof in Steyl. Hij heette Adriaan, maar omdat hij de jongste van het gezin was werd het al gauw Joch, van Jochie en later Jochem. Mijn broer Niek vond vandaag een 100 jaar oud schilderijtje van Jan Steen uit 1917, zijn geboortejaar. En ergens was er een Jouchem Sprinckmeijerweg in Loenen.

315.JPGSteyl.

Als je wilt, ligt de wereld aan je voeten. Mijn vader was een brigadier/wachtcommandant, maar daarvoor was hij rechercheur. Ik kan het beeld nog goed voor de geest halen. Pa in zijn uniform. Hoe hij elke morgen weer de imposante benen in de blauwe broek over de stang van zijn dienstfiets zwaaide en statig rechtop met zijn pet op zijn hoofd en het pistool in de holster om het middel de straat uit fietste. Oneindig veel spannender zijn de foto’s van de tijd daarvoor, toen herinneringen allemaal vervaagden, omdat we te jong waren om ze vast te leggen. Hij nam zijn taken als rechercheur serieus. Op de sepia foto’s speurde hij, als een Columbo avant la lettre de rails of de weg af, zijn kraag omhoog, de hand aan de gleufhoed, schalks op zijn voorhoofd, een shaggie in de mondhoek, turend naar sporen van het misdrijf, ongeval, of botsing. Als hij nadacht, kringelde de rook omhoog, langs zijn gefronste voorhoofd en was hij voor een ogenblik in diepe gedachten verzonken. Associëren en verbindingen leggen was zijn specialiteit.

kerst Patriarch bij uitstek.

Er was ooit  nog eens een hele andere Jochem geweest, die toneel speelde aan de Politieacademie en tapdanste als de beste. Nooit, nooit, nooit hebben we hem meer kunnen verleiden om het een keer aan ons te laten zien. Maar de filmvader hoorde wel bij onze jeugd. Aan zijn hand huppelend naar het jeugdhonk, een zijgebouw van wat niet lang daarvoor nog een klooster was. De enorme filmrollen, het celluloid, mijn vader in hemdsmouwen die de grote spoelen op het apparaat schoof. Het intense donker en de wetenschap dat jouw grote sterke vader in de buurt was, ook al waren de films soms spannend en eng, al ging het niet verder dan de boefjes, Marcellino en Anton en Puntje, maar toch. Vier jaar was ik en de wereld ging open.

Daarna slokte het voetbal alle tijd op en werd hij in onze optiek te fanatiek als voorzitter van de club.  In die periode werd hij ook de politieagent thuis. Te veel aan zijn hoofd, de nachtdiensten, het sluipen door de gang, hou een hok vol kinderen maar eens af van lawaai. De enige remedie was het buitenspelen. Daar vervolgden we onze avonturen terwijl er een kat en muisspel om de hiërarchie tussen alle buurtkinderen onderling gaande was. De ouderen zorgden voor de jongsten, de maan was altijd rond en ‘buut vrij’ kletterde tegen de ommuurde Amandelschool op. We hoepelden en hinkelden ons een weg door de dag en de bal stuiterde tevreden tegen de randen van de autoloze stoepen aan. Pa sliep.

Even dreigde hij teloor te gaan, omdat hij werd neergezet op een onbelangrijke post, kennelijk afgedaan als oudere werknemer, maar na zijn pensioen herpakte hij zich in een oude hobby en bloeide op als docent sportmassage aan de opleiding voor fysiotherapie. Daar was ie weer, na een hele tijd weg te zijn geweest. De goedlachse, hardwerkende, innemende man, waar de studenten mee wegliepen, omdat hij hen met een oneindig engelengeduld de fijne kneepjes van het vak leerde. Wat zou hij trots zijn geweest op beide fysio-kleinzonen.

Het noodlot sloeg toe. De verbitterde Pa, die door het leven gegrepen werd en weggerukt uit de vervulling, die hem aanzien bracht, verpakte zijn verdriet in narrig en boos en drukte zijn stempel stevig op het bestaan. Deels door de beroertes, deels door zijn teleurstelling kon hij eigenlijk niet meer geloven in nieuwe beloften. Men had hem in de tang en van krachtige zelfstandige kwijnde hij, al roerend, boos en driftig, steeds verder weg, tot de opstand alleen nog bleek uit zijn lakende felle oogopslag. Door de nevelen en mist heen kon hij eindelijk zijn ogen na elf jaar lijden sluiten. Het was genoeg geweest. 100 jaar is hem bespaard gebleven. Hij kan trots zijn op zijn nazaten. De stam staat fier rechtop en de boom: ‘Die wordt hoe langer hoe dikker…’