Er was een lied van vroeger, dat me bezig hield vanaf het moment dat ik het voor het eerst hoorde. Melanie nam me er in mee met een kinderlijke twist door het overbekende, wat hese stemgeluid heen. Het leek alsof ze me wenkte, terwijl ze een tip van de sluier oplichtte over haar fijne jeugd. Niets van wat ik nu vertel is op waarheid geschoeid op de eerste zin na. Het waren kleine gedachtekronkels in mijn hoofd, die om het lied heen een compleet eigen wereld hadden geschapen. Het lied heette Alexander Beetle.
Veel later kwam ik erachter dat het om een gedicht ging van A.A.Millne, de geestelijke vader van Christopher Robin en zijn onvolprezen Pooh bear. Melanie had de primeur mij er deelgenoot van te maken, dus kreeg zij de credits en zag ik in haar handen de kleine luciferdoos met de kever erin. Dat een klein avontuur het hele leven met je oploopt is een bijzonderheid op zich. Millne’s woorden zijn magistraal, omdat ze een wereld ontvouwden, die elke leeftijd boeide. De kleine Pooh Bear roert met zijn oprechte simpele berenhart vele gelijkgestemde zielen.
Kevers worden op het lieveheersbeestje na, al gauw ‘ajakkie bah’ weggeduwd en er zijn de laatste tijd op school kinderen bij, die ik zelfs moet behoeden voor het doodtrappen van al wat vliegt en kruipt. Met een totale verwonderde blik in de ogen snappen ze niet dat het niet mag van mij, geen enkel levend wezen. Het is een groot verschil met de beleving van mijn insectenwereld, omdat Erik of Het Klein Insectenboek de deuren wijd open had gezet voor een hele nieuwe fantasie, die van een ondergronds rijk. Rijk was tweeërlei op te vatten.
De luciferdoos waar Alexander Beetle in opgesloten zat, bleek ook een belangrijk onderdeel van de nostalgie, die het lied opriep. De spanen doosjes met hun gemengde geur van hout en zwavel en een tikje kruid roken heerlijk. Als alle lucifers op waren bouwden we er hele kamers van in een schoenendoos, compleet met stoelen, tafels, banken, poppenbedden en kabinetten op vingerpop-grootte. Met splitpennen gaven we de kastlades gouden knoppen en van restjes stof werden de kleden gemaakt. Een Beetlehuis, dat zijn weergave niet kenden. Maar bij ons woonden er hele kleine poppetjes in.
Toen ik Melanie leerde kennen zat ik op de opleiding voor kleuterleidsters waar we ons mochten bekwamen in het verkrijgen van die grote fantasie. Ze kreeg gestalte middels de bordtekeningen die we maakten en door de kracht van het woord die er namen aangaf. Ze bestonden al dan niet en overal viel verwondering en beleving, sterker nog, leven in te blazen. We sterkten ons met die terugkeer naar de eigen kinderziel en maakten er een handelsmerk van. Zo dicht bij het kind in jezelf te blijven als je een kind benaderde bleek de oorsprong van het wezenlijk begrip voor wat een kind bezielde.

De kleine kever in mijn hoofd op het ritme van het lied van Melanie, de spin Sebastiaan, de wespenfamilie Vliegvleugel, de Vlinder, de Guido Gezelle Schrijverkens op het water, de libellen er boven, openden de weg naar een tweede natuur. Als kinderkenner heb ik voor ieder kind een verrijkend recept. Dagelijks voor het slapen gaan één verhaal van Toon Tellegens meesterlijke boek: ‘Misschien wisten zij alles’, letterlijk even wegkruipen in zo’n mooie filosofische wereld en het doodtrappen van die kleine onschuldige kruipers en fladderaars zal niet langer een optie zijn. Ze boffen, net als wij vroeger met ‘onze’ Godfried Bomans en diens onuitputtelijke fantasie! Leven en laten leven. Het kan niet vroeg genoeg beginnen.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.