Het was een prille ochtend gisteren en na een vroeg ontbijt om acht uur, werd het doel het dorpje Baarlo, omdat daar veel kastelen waren. Maar door een toeval, glinsterende zon op het water, een spiegelend veer in de Maas, werd het een dorp aan de overkant. Het heette Steijl.
https:// youtu.be/z8_kFhxfofw
De heen en weer wolf kwam net aangevaren en hij zag er minder eenzaam, misschien nog een tikje troosteloos, ergo niet helemaal uitgeslapen, uit maar de tocht ging voorspoedig en duurde bij elkaar nog net geen drie minuten. Ergens in mijn achterhoofd zong doctorandus P: ‘Heen en weer, heen en weer, wees nou verstandig mensen’. En ik zag zijn kleine tengere gestalte over het dek schieten. Dit veer was bij lange na niet overvol. Slechts onze auto bracht hij een oever verder.
De zon scheen vriendelijker en uitnodigender door de stilte die het omarmde. Vanaf de oude stadsmuur zagen we de kabbelende Maas, een loze visser aan de kant, waar zijn kleine roeiboot op een afstandje wat doelloos dobberde en de aalscholvers en de meeuwen erboven. Wat een land.
Met een vingerwijzing van mijn vader, de oude Jochem, ontdekten we de Jochumhof, maar kregen eerst nog de tijd om te wennen aan de, in onze ogen verkeerd geschreven, geuzentitel. Het was pas om 11 uur open. Nog drie uur te gaan. Het dorp bestond uit kloosters en kapellen, kerken en gesloten etablissementen. Geen nood. De wandelbenen waren aan, een tocht langs een van de Nederlandse rivieren dan ook, in dit geval de Maas, was een welkom alternatief.
We liepen een heel eind op en lieten gedachten langszij schieten of prezen de schoonheid in die al warmer wordende ochtendzon, de dauwnatte bermen, de stilte doorklieft door de roep van een meeuw en onze intentie vroeg op pad te gaan ondanks een vakantiemodus. Alles was dicht, maar de kloostertuin was open.
Daar stonden de Dahlia’s van oma, de uitbundige springers en de ingetogen bolletjes in lange rijen. Wij griezelden de oorwurmen van vroeger naar buiten, die uit alle kieren en gaten van hun lievelingsbloemen kwamen, als ze een bosje voor mijn moeder had afgesneden en die op de salontafel stonden te pronken in een glas. We wisten toen immers zeker dat ze levensgevaarlijk waren, omdat ze het vooral op kinderoren hadden voorzien en eer je het wist, je oren inkropen. Dan hielp er geen lieve vadertje of moedertje meer aan. Hun uitstekende aanhangsels achter wanhun bruine lijf waren de kromzwaarden, die vervaarlijk opgeheven werden bij gevaar: ‘Ten aanval’.
De oorwurm is een opschepper, want hij steekt niet, hij knijpt, Kleine kneepjes, waar je niets aan over hield, maar onze fantasie was onuitputtelijk bij het zien van deze bruine ridder te vuur en te zwaard. De oren bereikte hij nauwelijks, maar de mare ging rond en het leed was geschied.
De Kloostertuin herbergde twee grotten in het kleien lommerrijke bos erachter. Helaas nog niet open, maar door de spijlen heen was bij het flauwe kaarslicht een Mariaschim waar te nemen. De hele entourage, de vochtige aardegeur, de koude stroming uit de grot en het gefilterde licht door de hoge bomen gaf het een extra dimensie.. In de tweede grot, de olijfgrot, doelend op het hof van Ghetsemane, zagen we door de spijlen Jezus zijn armen naar een vermeende hemel strekken, badend in het licht. Daar had men bedachtzaam een lamp aangezet. Dat het slechts een glimp was, was doordacht en maakte het spannend.
Dergelijke voorstellingen behoorden tot het grijze roomse leven. Mijn moeder had een huppeltje van plezier gemaakt en het was die nostalgie die aan onze weemoedige gedachte trok. ‘ Credo in unum deum, Patrem omnipotentum’ zong het harken van de tuinman en ik rook de geur van de Brem in de voortuin van de Nicolaaskerk.
De Jochumhof was het toetje. Ook even bij mijn vader op bezoek, een hele hof naar hem en zijn grillige eigenwijzigheid genoemd. Ze had gestalte gekregen in de semi wildgroei van kruiden en bomen en zeker zijn stekeligheid, die volop tot schoonheid was uitgegroeid in de mediterrane kas met haar cacteeën en vetplanten, die tot hoog aan de nok rezen. In de teletijdmachine met een veer heen en weer. Wat een dag Limburg al niet vermag.