In de dagmemo van Lenette van Dongen, die ze via Facebook deelt met de wereld, had ze een opmerkelijke uitspraak. ‘Angst is de verkeerde kant op fantaseren.’ Ik ben al een dag aan het bedenken waar de grens ligt en wat het wordt als je de goede kant te pakken hebt. Daar moet je het tegenovergestelde van angst voor kennen. De verschillende bronnen geven liefde aan als antoniem voor angst, maar ik denk dat het op de eerste plaats onverschrokkenheid is, de Pippi Langkous in ons. Als je fantaseert dat je alles aandurft, dan lukt ook veel meer dan wanneer je angst binnen laat sluipen. Ik herken het.
![]()
Mijn wijze moeder en haar moeder waarschuwden altijd voor de beren op de weg. Je handelen wordt belemmerd als je beren op de weg ziet. Het is verloren tijd om te denken in als/wat of als/dan. Als is er nog niet, derhalve is het verspilde energie. Eerst maar denken in mogelijkheden.
We kregen eigenlijk een leven aan wijze lessen mee van de generatie voor ons. Het klopt ook en ik hoor het mezelf met regelmaat zeggen tegen een van mijn piekerende zonen. ‘Wacht eerst maar af, je kan je nog vlug genoeg zorgen maken.’
In een moeizame periode van overgang en een zich ontwikkelende longaandoening was ik aan het hyperventileren geslagen. Tenminste, dat predikaat plakte een weekend dokter erop en zie er dan maar weer eens van af te komen. Daar speelde angst een grote rol in. De vrees om het zo benauwd te krijgen bewerkstelligde prompt een verkeerde manier van ademhalen, snel en te diep. Dat resulteerde weer in tintelende vingers, druk op de borst, verhoogde bloeddruk, kortom algehele malaise. Ergens sudderde dan de wijze waarop mijn moeder en haar vader overleden zijn met hun plotselinge hartaanval en ziedaar een perfecte voedingsbodem voor angst in hoofdletters.
Angst, dat zijn inderdaad de beren op de weg. Van te voren bedenken wat je allemaal te wachten zou kunnen staan bij een belangrijk gesprek, een imposante ontmoeting, een optreden of de een of andere deadline.Vanaf het moment dat bleek dat die hyperventilatieaanvallen een symptoom van wezenlijke lichamelijke klachten bleken te zijn, verdween de angst. Het labeltje zorgde voor rust en een nieuwe verfrissende aanpak. Dat varkentje kon ik wassen, want het had kop en staart. Angst is ongrijpbaar. Daar kan je nauwelijks mee uit de voeten. Het werpt blokkades op. Gerede angst is er als je de dood in de ogen kijkt en dan heeft het niets meer met fantaseren te maken.
Het lied Quand c’est van Stromae gaat over de angst om kanker te krijgen en het hele lied, maar ook de verbeelding door Stromae zelf met de personificatie van de kanker als grote tentakels die oprukken, ademt de angst voor het eventuele vonnis. Het is een ingrijpend en beladen lied, die diepe indruk op me maakte. Zo werkt het dus. Dit is de verkillende angst, het grote web waar men in gevangen zit en niet uit kan ontsnappen. Het is een voorbeeld van die negatieve kant, want al die tijd zit je te wachten tot het zo ver zal zijn. Het verlamt en verkilt en de vraag is nog steeds óf het bewaarheid wordt.
Omgekeerd is ook waar. Denken in mogelijkheden geeft het gevoel dat er grip is op je handelen, alsof je de wereld aankan. ‘Kom maar op’, zegt onze Pippi en fantaseert tot in het oneindige haar ideale wereld bij elkaar. Geen huis is te hoog en geen zee is te diep. Ze overschreeuwt daarmee de angst. ‘Mij krijg je niet te pakken’, roept ze luid.
‘Doe maar gewoon, dan doe je gek genoeg’ of ‘ ’t Kan vriezen en ’t kan dooien’ zei mijn moeder met grote regelmaat, als onze fantasie op hol sloeg en we de meest uitzinnige ideeën en plannen aan het spuien waren, met de eventuele gevolgen erbij. Met die nuchterheid zette ze alles in een klap weer in het juiste perspectief. Ze heeft gelijk. De waarheid ligt, als altijd, in het midden.