Paul Cézanne vertolkt zijn gebruik van de materie om tot schoonheid te komen en zet me aan het denken. In het Knockart atelier zijn we met een aantal mensen onder leiding van Mieke Siemons op zoek naar grenzen. Van onszelf, van de ander, van de kunst, gaan over grenzen van de schoonheid heen en treden voortdurend uit onze eigen comfortzone. We zoeken de interpretatie van de verbeelding.
De verwarring die opgeroepen wordt, door te werken met kleuren die niet de mijne zijn wortelt zich. Elke stap voorwaarts werpt me een aantal stappen terug. Het is het proces, waarom het draait en het is goed. Zo leer ik welke weg ik niet moet bewandelen. Er is nog een lange weg te gaan.
We wandelden met Hundertwasser en zijn kleurexplosies mee in zijn grillige vormen en lijnen, daarna doken we de diepte in met Hockney op zijn immense meanderende landweg, de bomen, verstilde natuur. Lataster raakte het hart door zijn intensiteit van zijn kleuren, de vormentaal en zijn gedrevenheid, de losse toets, de kracht die uit zijn werk spreekt en nu is Hodgkin aan de beurt. Paul Cézanne spreekt over zijn eeuwige grens heen: ‘Lorsque la couleur est la richesse, la forme est à sa plénitude.’ Zijn vormentaal en zijn kleurgebruik roepen verlangen op. Zo te schilderen! Waar mijn kwasten zich dieper roeren in een lelijkheid en met stijgende verbetenheid dichter en dichter smeren, treft me de lichtvoetige toets van deze grootmeester. De bakermat van de moderne kunst.
Met Hodgkin wordt de grens van het doek zelf letterlijk overstegen en verdwijnt de kijker in zijn eindeloze diepte door de werking van contrasten met kleur en vorm. De toets is krachtig met brede kwasten en lijkt van een bedrieglijke eenvoud, niets is minder waar. Het kostte jaren om tot het uiteindelijke resultaat te komen. Wanneer stopt figuratieve werkelijkheid in het hoofd en worden vormen en kleuren vrij als basis voor de verbeelding. Het is al kunst om het te zien, laat staan dichterbij te komen.

Het wroeten gaat voort met de organische kunst, een onbekend terrein op gerommel in de marge na van ooit twee dagen met rivierklei en verkoold hout ernaast, zand en wind en water van de rivier in een stralende zon en in striemende regen. Dat weekend spatte uiteen in tegenstellingen en sloeg letterlijk de bekende bodem onder de voeten uit. Als volleerde jutters traden onze koude onderdanen in het grauwe water van de Lek om lijnen te vervagen, beelden te versterken, vorm en materie met een minimum aan kleur en daarna liggend in het warme zand op gelijke hoogte met gevormde objecten werden beelden vereeuwigd om ze daarna terug te geven aan haar Alma Mater.
Anselm Kiefer brandt op het verlangen en Robert Motherwell. Het gedachtegoed van de laatste wordt versterkt door zijn uitspraak: ‘It may be that the deep necessity of art is the examination of self-deception’. Dat laatste wordt vertaald als zelfbedrog, maar zinsbegoocheling, in de letterlijke en de figuurlijke betekenis, geeft er meer diepte aan.
Wij worden ook begoocheld, uit de comfortzone getrokken, onderuit gehaald, gebrainwasht in de queeste naar de diepere betekenis van die innerlijke emotie en de verbeelding ervan. Als kleur de rijkdom is, dan is de vorm haar volheid, haar kracht zei Cézanne. Het is verhelderend, het is verbijsterend, het is verheffend, maar bovenal is kunst in welke vorm dan ook vooral verrijkend.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.