Gisteren kwam in een dertien in een dozijn serie deze mooie zin voorbij. ‘De tijd bevriest als je weg bent’. Meestal kunnen dat soort series rekenen op een versnipperde aandacht. Zo’n blik voor af en toe op de ondertiteling geworpen. De oorspronkelijke Engelse versie heb ik daardoor gemist. Op een dag kan zo’n opmerkelijke volzin langszij komen en als je er op gespitst bent, worden ze betekenisvol. Ik zette het weg op de laptop om door te sudderen en er later weer wat mee te doen.
De schoonheid van taal is gratis en voor iedereen toegankelijk, maar niet door iedereen begrepen. Sommige zien het gewoon als functioneel. Niet meer dan dat. Je hebt niet per se volzinnen nodig. Dat kan als ballast worden opgevat. Gezwollen taal, overdreven, ouderwets. Mijn hang naar woorden is er van jongsaf geweest. Daar word je niet mee behept, maar mee geboren. Daarna is het belangrijk dat het gevoed wordt.
Mijn moeder nam ons al vroeg elke week mee naar de kleine huisbibliotheek in de Elsstraat. Het was een gewoon rijtjeshuis, niet groter dan het onze. In elke kamer kon je liefkozend langs de ruggen van de boeken lopen, die netjes in het gelid stonden te wachten op nieuwsgierige en leesgrage bewonderaars. De wandkasten waren tot aan de nok toe gevuld. Mijn moeder werd zacht, rond en blij van boeken. Het was een hele andere vrouw dan degene die de was stond te doen en met een verhit gezicht en rode handen en onderarmen de wasketels op het vuur had staan, of lakens eruit stond te vissen met de grote houten stok. In dat vriendelijke bibliotheekje vond ze, tussen de dagelijkse beslommeringen, zichzelf terug. Het betekende een praatje voor de vaak met de vrijwilligers die de toko onder beheer hadden en veel, heel veel woorden om haar grote leeshonger te stillen. Elke week gingen er nieuwe boeken mee naar huis, die op een stapeltje onder handbereik kwamen te liggen.

Zodra ik de sleutel had ontcijferd die losse letters tot woorden smeedde, kroop ik weg in een andere wereld, de buitenluiken hermetisch gesloten voor de alledaagse geluiden van buitenaf. Iedere avond spon ik me in in een eigen cocon van taal. Overdag kon dat ruw verstoord worden omdat er geholpen moest worden in het huishouden, maar zodra ik in bed lag, behoorde de tijd aan mij.
Gisteren merkte zuslief op, dat de Franse taal toch wel de mooiste van alle talen was. Onnadenkend beaamde ik dat. Het is niet waar. Iédere taal heeft een eigen schoonheid. De zangerigheid van het Farsi bijvoorbeeld, met haar beeldtaal en volle klanken, vond ik prachtig. Het schrift was ontoegankelijk, maar naar haar melodie kon ik uren luisteren want in ieder woord school een gedicht. Aan de Noord-Germaanse talen werd vroeger nauwelijks aandacht besteed. We kwamen niet verder dan een tip van de sluier tijdens de geschiedenislessen van de heer Wieman, waar Wodan en Thor het lieten donderen in hun meeslepende hellevaart. Er stonden indrukwekkende gravures van woeste Vikingen met vlechten in de boeken, waarin soms een deel van de saga was opgetekend, die de wonderlijke tongval die strijdbare lading meegaf.
Elke taal heeft haar schoonheid, zoals de onze die kent. Ze zijn verschillend maar nooit verstoken van hun eigen muzen. De jonge Syrische Salaam had eerst een jaar onderwijs genoten om de Nederlandse taal te leren, vijf keer wisselde ze hier al van school hier. Op de laatste school kreeg ze een docent Nederlands, die haar hielp om van de taal te houden en bovendien de hekel die ze aan de taal had opgedaan in de schakelklassen wist weg te poetsen. Hij sprak woorden die haar rechtstreeks raakten in haar hart.
De schoonheid en lyriek, die rijkdom is alleen te vertolken als je haar hebt binnengesloten en eigen gemaakt als een wezenlijk onderdeel van het bestaan. De taal en haar Muzen laten zich grenzeloos door ieder lezen die er betekenis aan geeft.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.