Uncategorized

Het Puttertje.

Afgelopen zondag reed ik mijn twee lieve vrienden naar Schiphol. Onderweg hadden we het over diverse onderwerpen die een mens konden raken. Dat kunnen mooie ontmoetingen zijn of grootse ervaringen, maar even intens kunnen het de letterlijk en figuurlijke kleine stillevens zijn, die zich diep in de ziel nestelen. Een van mijn ontmoetingen is al weer van een paar jaar geleden, maar het was zo’n ervaring die altijd met me op zal blijven lopen, ook al, en dat is heel bijzonder, had ik het nog niet in levende lijve mogen aanschouwen.

Diep geraakt door het gelijknamige boek van Donna Tart, verborg ik mijn passie met de passie van de hoofdpersoon Theo in dit zorgvuldig ingepakte en op geheimplaatsen verstopte kunstwerk. Het boek kreeg hier van gerenommeerde recensenten het predikaat ‘saai’. Er was geen moment dat ik me heb verveeld in het soelaas van de jongen en zijn schilderij, het weven van de theatrale gebeurtenissen en de uiteindelijke ontknoping. Integendeel. Ik kon niet wachten tot er een gaatje was om verder te lezen.

Niet alleen had ik het verhaal beelden meegegeven, ook het Puttertje, dat op de voorkant was afgebeeld, het beroemde schilderij van Fabricius, bleef op het netvlies hangen. Sterker nog, mijn kleine geringde vriend nam me in deze papieren vrijheid mee naar Brussel waar in het Bozar, zijn twee gevederde vrienden, twee erg dode mussen , deerniswekkend uitgestrekt lagen in al hun eenvoud en nietigheid. Michaël Borremans was hun geestelijk vader en minstens zo indrukwekkend als Fabricius.

Ik had lang voor het kleine schilderij gestaan en elke vezel ingedronken. Het kleine geketende puttertje op de voorkant van het boek van Donna Tart had op mij hetzelfde effect. Misschien meer nog doordat de vrijheid zo abrupt aan banden werd gelegd dan door de rake verfstreek.

Brussel (21 van 78)

In die mooie overpeinzing met mijn beide vrienden, de prachtige stralende en wat weemoedige dag en wat stoeien met een boardingpass, die er voor gezorgd had dat het afscheid abrupt was verlopen, bleef het puttertje mijn weg bepalen. In een opwelling besloot ik niet naar zee af te buigen, maar naar Den Haag naar het statige historische Mauritshuis. Ik reed dwars tegen de stroom van zeeminnende gezinnen in lange files in en met een rust en uitstraling die paste bij mijn missie stapte ik uit de donkere krochten van de parkeergarage het zonovergoten plein op.

het puttertje(Mauritshuis)

Wat een aangenaam toeven was het in dat prachtige Mauritshuis, dat alleen al om de grandeur van het verleden een bezoek waard is. Maar waar was mijn Puttertje. Ik ving het meisje met de parel van Vermeer en de lachende jongen met zijn aandoenlijk smoezelige tanden van Frans Hals en eindelijk, na een verborgen lift, ik wilde hardnekkig naar de tweede verdieping waar een prachtig plafond dat ten enenmale onmogelijk maakte, maar ergens, achter een deur van een van de kamers, zat de verlossing verstop en gleed ik naar boven.  Nu eens niet uitgeput voor het Puttertje staan, maar ademloos raken van het doek zelf in al haar schoonheid en met het vrije zicht.

Ik prees mezelf tot grote hoogte, want alleen al daarom, het beeld in mijn hoofd te mogen verzinnebeelden, te laten versmelten met de werkelijkheid, was een unieke daad. Wat een helder moment van geest al niet vermag en de vrije inloop van een museumjaarkaart, die het mogelijk maakt om zo intens van dit pièce de résistance te kunnen genieten. Mijn dag kon niet meer stuk.

Buiten scheen de zon nog verlichter en dichtte het badende plein een koninklijke aanblik toe. Ik ben naar huis ‘gevlogen’.