Overpeinzingen

Dubbel genieten dus

Fietsen is hier een uitdaging. De wegen zijn zo slecht, dat het een bepaalde techniek vereist, heb ik gemerkt. Had ik na de eerste fietstocht nog een verstuikt staartbeentje, nu overkomt me dat niet meer. Ik benader elke oneffenheid een klein stukje van het zadel af. Geen gehobbel en gebobbel, staand op de trapper vang ik de meeste klappen en we rijden zoveel mogelijk op het meest gladde wegdeel als er geen auto, bus of tractor achterop komt

Maar wat is het heerlijk om langs die goudgele tarwevelden te rijden, waar groene hagedissen voor je uit schieten en snel de greppel induiken, waar roofvogels speurend boven onze hoofden zweven en bij elk dorp de honden luid blaffend gewag maken van deze vermeende indringers. Geen greintje spierpijn meer gehad na deze tocht van tien kilometer. We rijden elke weg in om er zeker van te zijn dat het eindwegen zijn die overgaan in beemd en bos. Het zijn er nog al wat. Vandaar kan je alleen lopend verder.

We speuren langs de typische Hongaarse erfjes, die vol liggen met van allerhande oude, versleten of vervallen gebruiksvoorwerpen en aanbouwsels, hier en daar wat kippen op het erf en daartussen weer wonderlijk goed onderhouden woonstedes. Het contrast kan erg groot zijn. We rijden langs dorpen met onuitsprekelijke namen zoals: Nyogotszenterzsébet, wat letterlijk ‘Sint-Elizabeth van de rust’ betekent.

Er wonen 240 inwoners. Ze wilden daar graag een bushokje, maar daar was geen geld voor. Wel voor een uitkijktoren, want dat is een toeristische ontwikkeling. Nu staat er een bushokje met een torentje erop en een ladder er tegenaan met negen treden. We zijn er niet alert op geweest, omdat er tegenover, naast de kerk, een houten Maria staat, of is het een Elizabeth. Ze trok onze aandacht in ieder geval. Volgende keer een foto. Door het gehobbel ben ik wel het voorste gedeelte van de koplamp kwijt geraakt, helaas. Dat wordt een ritje fietsenmaker.

Het mooie van het fietsen is de nabijheid van alles. Niet qua afstand, maar qua beleving. Je voelt de wind door je haren, de brandende zon op je vel en snuift de schone lucht. Hier ben ik aanmerkelijk minder benauwd dan in de Randstad en heb energie te over. Lief rijdt op zijn race-fiets en ik op de laagste stand van de E-Bike. Alleen op de terugweg had ik meer ondersteuning nodig. We zijn één met de natuur in dat overweldigende landschap, dat reikt tot aan de einder waar blauwgrijs het Mecsekgebergte opdoemt.

Thuis bekijken we de foto’s en ik laat Lief zien hoe hij het beeld op zijn toestel kan vergroten. Zo leuk om te merken dat er een nieuwe wereld voor hem open gaat. Die van de macrofotografie. Zijn telefoon kan tot 20x vergroten, nog veel meer dan dat ouwetje van mij. Als ik hem mijn bezig bijtje van dichtbij laat zien, gaat ie zelf aan de slag. Zelfs de structuur van de werkbroek komt duidelijk in beeld en ik herinner mijn eigen verbazing weer bij het zien van dergelijke mogelijkheden.

Het geeft extra veel voldoening, deels door zijn verwondering en deels door mijn herbeleving. Dubbel genieten dus.

Overpeinzingen

Even tot leven

Het heerlijke van Lief en mij samen is, dat we in een gesprek moeiteloos kunnen refereren aan vroeger. Als er een weerwoord op het een of ander komt, of een licht protest, dan zegt de ander onmiddellijk ‘Wat? Happen naar de baas?’ en dan schieten we onbedaarlijk in de lach, want we zien beiden de figuur voor ons die dat vroeger te pas en te onpas meldde en dan drie keer met zijn voet op de grond stampte. Onvoorstelbaar grappig als je het in een context kan plaatsen. En anders denk je: Huh, waar gaat dit over.

We reizen bij tijd en wijle graag af naar die jeugd van ons samen. De zeilvakanties met de mensen van het koffiekeldertje De Metro, waar ze echt alleen maar koffie schonken en waar ik een blauwe maandag werkte onder de supervisie van Rinie met de lange Henna-geverfde glanzende vlechten, een klein vrouwtje, kwikzilver, met scherpe trekken en haar grote blonde goedlachse vriend altijd aan haar zijde.

De stamgasten waren de vrienden die mee gingen zeilen bij Bon, wij noemden hem kassa-Bon, waar een eiland was gehuurd op de Vinkeveense plassen. Catweazle had een BM-er en voer ons er naar toe, door de Utrechtse grachten heen. Er stond een grote legertent en we bleven er doorgaans een weekend, ieder stelletje in een eigen shelter. In de grote legertent was het feest. Muziekinstallatie en veel drank. Het was een onbezorgde en heerlijke tijd en er was zoveel bevrijdende humor. Een van ons, lange Cor, had wat hij noemde, ‘een gipsen poot’. Bij een van de tochtjes op het schip, stond hij op de voorplecht vlak naast de afvalemmer en stapte met zijn hak op een boterpapier dat er uit gevallen was. Met een vaartje gleed hij met gipsen poot en al zo het water in, werd aan de kant geholpen en zei:’ Zo, dat wordt nooit meer wat het was’. Druipend gips, je kan het je zo niet voorstellen.

We hadden een jongen ontmoet die op het Groot Seminarie Rijsenburg in Driebergen woonde in de pastorie, aan de rechterkant van het immens grote gebouw. Lief en ik logeerden daar of pasten op het huis en de gebouwen. Soms wandelden we door de verlaten kamertjes van de studenten, bekeken de geplunderde bibliotheek en de kapel, dat was de reden waarom onze vriend was aangesteld. Lief hakte de houtjes voor de open haard in blote bast, hartje winter. Ook daar liep een ree rond, die in de vroege ochtend nieuwsgierig poolshoogte nam. In 1971 werd het gebouw afgebroken. Wij waren inmiddels verhuisd naar Leiden, naar een piepklein appartement op de Hoge Rijndijk. Lief studeerde medicijnen en ik ging de opleiding Verpleegkundige doen in het Academisch ziekenhuis.

AZL Leiden, vrienden, Hoge Rijndijk

Daar hadden we een aantal Antilliaanse vrienden waar we mee om gingen, allen studenten. Het leven bestond uit studeren, mensa-eten of voor elkaar koken en elke avond mondde uit in een feestje met muziek, drank en domino. Fietsen door de duinen en wandelingen langs die heerlijke vloedlijn. Wassenaar was het meest geliefd.

We verhuisden naar Voorschoten en daar werd het studeren serieuzer, de diensten zwaarder en het uitgaan geminimaliseerd. Als je zoveel jaar lief en leed gedeeld hebt, dan is er niets mooiers dan terug te denken. ‘Weet je nog…’.

Er is een scène uit De Stille Kracht een verfilming van ‘Van oude mensen, de dingen die voorbij gaan’ van Louis Couperus. Gisteren zaten we onder de dennen in de oude rotan stoelen en moesten lachen omdat ‘Happen naar de Baas’ om de hoek kwam kijken. Toen schoten die twee oudjes me te binnen, gespeeld door Caro van Eyck en Paul Steenbergen. Ze haalden herinneringen op. Dat waren wat zwaarmoedige beelden. Wij zijn alleen maar extra gelukkig dat we die tijd samen hebben doorgemaakt en beleefd. Er is niets fijner dan te kunnen zeggen: ‘Weet je nog..’ in de wetenschap dat dat, beeld en beleving, in alle facetten even tot leven komt.

Overpeinzingen

Het resultaat zal er zijn

Ik kom een column tegen van Sinan Can waar hij het over geduld heeft. Tijdens het reizen door het Midden-Oosten heeft hij vooral geleerd geduld te betrachten. ‘Geduld,’schrijft hij ‘is niet opgeven en niet forceren.(…)In het begin voelde dat wachten wat ze zoveel moesten doen als een verlies. Alsof we stilstonden. Maar langzaam begon ik te begrijpen dat wachten ook een beweging kon zijn. Een opening. Een oefening in vertrouwen. Geduld is niet niets doen. Het is het leven de ruimte geven om zich te ontvouwen zoals het wil.

Een bekende soefistische uitdrukking is ‘Su gibi ol‘, dat betekent ‘Wees als water’.

Daar raakt de schrijver me omdat ik gisteren van de oude vrouw dezelfde wijsheid had gehoord, zonder dat ze het water noemde. Het leven moet stromen. Water stroomt ook ‘Water zoekt geen strijd maar vindt zijn weg. Het past zich aan aan de bedding zonder zichzelf te verliezen(…) Water is zachtaardig en onstuitbaar. Wat Sinan het meest raakt is de gedachte: ‘Water heeft nooit haast maar komt altijd aan. Het weet wat het zoekt, maar dwingt niets af.’

Hij heeft het opgevat als een levensles. Het heeft zijn ongeduld, dat hij bezat, doen verminderen en hij heeft er belangrijke levenslessen uit getrokken. Als ik denk aan dat water, dan denk je aan een meanderende rivier door een vriendelijk landschap en niet aan het woest kolkende alles meesleurende stromen zoals de wateroverlast van de laatste tijd met zich meebrengt. Vooralsnog ben ik er niet over uitgedacht. Maar als we dat vriendelijke meanderen als leidraad voor het leven nemen, dan is het inderdaad zo dat ‘Als je als water beweegt, je misschien langzamer gaat, maar altijd dieper komt’.

Op school kenden we allemaal de uitdrukking: ‘Het kwartje is gevallen.’ Kinderen hadden dan ineens door hoe of iets in zijn werk ging. Vanaf zo’n punt konden ze letters leren, schrijven, lezen. Ze waren er aan toe in hun eigen tempo en naar eigen ontwikkeling. Methodes willen dat alle kinderen van de groep op hetzelfde moment hetzelfde resultaat behalen en dat forceert de boel. Voor sommige kinderen zijn het de grote struikelblokken, omdat het op de tenen lopen veel frustratie met zich meebrengt. Als het een eigen weg mag volgen, zal het zoveel meer opleveren. Als die schellen van de ogen zouden vallen en we de sluizen openzetten, hoeveel rivieren zullen dan al meanderend in eigen tijd en eigen uur hun doel bereiken.

Lief gaat gestaag door. Gisteren is er een doorgang gemaakt tussen de Hof en het achterland. Vanmorgen hebben we bedacht dat het ‘De Voedselhof’ zal gaan heten. Met de twee tamme kastanjes naast de toegangspoort, twee olijven, vier bessen en frambozenstruiken, drie walnotenbomen, de vlieren en de twee catalpa’s als drachtboom voor de bijen en als waardboom voor de vlinders is Lief al hard op weg. Ook hier is het een kwestie van laten stromen. De volgende stap dient zich vanzelf aan. Er kunnen nog heel wat nakomelingen van het bos zelf komen. Daar staan nog een moerbei, meerdere wilde krieken en morellen. Alles bij elkaar doet het me denken aan de Geheime tuin met de poort als toegang. Ik ben benieuwd of we het allemaal nog mogen meemaken.

Vroeger zou men zeggen: Gods water over Gods akker laten vloeien. Laat het maar stromen, die goede ideeën. Het resultaat zal er zijn.

Overpeinzingen

Balsem voor mijn oren

Je begint te lezen. Langzaam kruip je in het hoofd van het kind van tien. Op elke zin die hij schrijft in zijn dagboekje blijf je hangen. Omdat het zo prachtig is. Omdat het gedachten zijn die je blind kan volgen. Omdat het voorstellingen zijn die geen moeite kosten om je te verplaatsen in datgene wat het ziet. Je ziet de kever, je voelt de kever, je kan hem welhaast aanraken, je wordt dat parmantige beestje met zijn schitterend gekleurde schild. Als er dan ook nog een groot issue aan bod komt, vanuit het kind gezien en gedacht, dat zo van deze tijd is, dan is dit boek een ademloos boek, waar iedereen de tijd voor wil nemen om het van voor naar achter tot op de laatste letter, nee, tot het laatste beeld uit te lezen. Magistraal zoals hij aan dit alles handen en voeten weet te geven. Oever van Ludwig Volbeda. Onthou de naam en deel het boek.

De vlinders zijn weer terug. Eerst vlogen er steeds een paar hier en daar of fladderden om elkaar heen onder de wilde vruchtbomen, maar nu zijn ze op zoek naar meer. Gisteren meende ik al de kolibrievlinder te zien, maar toen ik haar op de kiek wilde zetten, behoedzaam, om niet te storen, ging ze er vandoor. Nieuwe ronden, nieuwe kansen. De bloemen lokken en de warmte. Rond de fijnstralen vliegen vooral veel kleine wespen, zweefvliegen, kevertjes en lieveheersbeestjes. Het is er een drukte van belang.

Lief maakt de grote oude wilde kastanje vrij en laat de boom herrijzen in zijn kracht en pracht. Vrijwaren van wilde roos, de hop, de heggenrank. Een ongerept stuk bos is niet altijd alleen maar ongerept, maar ook een tikkeltje verwaarloosd, omdat er iets in de groei belemmerd wordt. Ik vraag me af hoe de natuur het oplost als hele stukken woud verbramen, of ver’heggeranken’. Ze werken namelijk verstikkend op andere vegetatie. Misschien walst een everzwijn normaal gesproken wel door dat soort stukken bos en maakt zo de weg voor de boom weer vrij. Het is fijn om op die manier je gedachten op de loop te laten gaan, want dat kan ik uren volhouden.

Ik zag via FB op Youtube een mooie filmpje over een man, Peter, ‘growing over in the wild’ en die vertelt over zijn manier van de herfst in zijn leven. Hij is zeventig. Er zijn mensen die de herfst negatief bekijken, maar het is juist rijk aan de oogst die je gezaaid hebt en dat gegroeid is en vrucht heeft gebracht. Dat voelt eveneens zo voor hemzelf. Hij oogst nu in het leven wat hij gezaaid heeft. Hij kan genieten van alles zonder nog opgedreven te worden door eventuele doelen of deadlines die gehaald moeten worden. Niets moet en alles mag. Hij kende, toen hij jong was, een oude vriendin van negentig aan wie hij vroeg wat haar mooiste periode in het leven was geweest. Mooie vraag en een weloverwogen antwoord. Dat was inderdaad tussen zeventig en tachtig. Na tachtig wordt het fysiek moeilijker.

‘Hoe of ze het leven zag?’ Na je dertigste ga je patronen ontdekken in je zelf. Zorg ervoor dat die blijven stromen. Kijk ernaar, verander wat, zet er iets nieuws tegen over, maar als je zestig bent en je hebt er niets mee gedaan, dan worden het kristallen. Kristal groeit heel langzaam, is hard, verandert in niets. Zorg dat je leven vloeiend blijft.

Het is een wijze overpeinzing en suddert nog even door als ik straks onder de schaduwrijke dennen zit met het pinkster-klokgelui. Zo is het balsem voor mijn oren.

Overpeinzingen

Zo is het toch weer eigen

Al jaar en dag zijn er wissels in het hoge gras van het achterland. En toen Lief een tijd in Nederland was om een beetje van het isolement door corona te bekomen, ook veel in het lange gras van de Hof zelf. Bij terugkomst was er vrij rigoureus gemaaid door vriendlief. Op karakter want er was eigenlijk geen tijd door zijn drukke werkzaamheden, maar het bos achter de Datsja lag er ongerept en onaangeroerd bij met het gevolg dat we daar diverse legers van de reeën ontdekten.

Nu, bij het omwerken van dat weerbarstige stuk grond tot voedselbos, maait Lief zich banen door de vegetatie en plant bomen waar het kan. Wilde pruim en kersenboompjes genoeg, want die komen overal oppiepen onder de stamhouders. Er bleek ook nog een Catalpa en een tamme kastanje in de rand te staan en een paar redelijk grote walnotenbomen, die nu naarstig vrij zijn gemaakt van wilde roos, brandnetel en grassen. We hebben een paar vijgetakken in het water gezet, in de hoop dat ze wortel gaan schieten.

Gisteren zat Lief in de namiddag in zijn stoel en wat schetst zijn verbazing toen er ineens een ree over het brede pad tussen voor en achterbos kwam gelopen, dwars over het veld heen. De foto’s zijn niet heel scherp maar de ree, vermoedelijk een mannetje, was duidelijk te onderscheiden. Wij wisten het allang dat ze hier rondliepen, maar zelfs de nachtcamera van de filosoof had er geen ontdekt. Nu hebben we het bewijs en toen Lief vanmorgen vroeger dan vroeg naar achter trok, zag hij in het laatste bos er een aantal lopen.

Net even Agaath een wasbeurtje gegeven. Met de Franse slag, want het water is hier zo kalkrijk dat je, als je niet gelijk het water wegpoetst, weer opnieuw kan beginnen door de witte spetters. Toch maar eens die wasstraat opzoeken, maar niet op zaterdag lijkt me.

De lathyrus in de pot begint al aardig op te komen. We hebben er twee oude hekjes achter geplaatst en grappig is hoe ze halsreikend (of is het stengelreikend) naar die mogelijkheid gaan om te klimmen. Natuur regelt zichzelf over het algemeen. De twee pollen sieruien blijken achteraf kantige look te zijn. Die is een stuk kleiner dan haar zussen, maar het is wel een volle pol, die straks mooi in bloei zal staan. Wielewaal laat zich weer horen en de boerenzwaluwen dartelen boven mijn hoofd. Tortel staat parmantig op de uitkijk op de schoorsteen van de keuken. Ik zit in de schaduw van de grote vijg.

Vanmorgen vroeg al twee kaarten geregeld. Een voor de overleden oudste nicht in de familie, voor zover ik weet. Ze is maar liefst 97 geworden. Ik kwam haar nog weleens tegen in de stad en in het ziekenhuis waar ze ook vrijwilligerswerk deed. En een voor een jarige. Dat is wel handig hier, dat je de trage bezorging kan ontwijken door een kaartje online te sturen, die ik altijd met een eigen foto en tekst meer persoonlijk maak. Je kan geen ijzer met handen breken en versturen komt altijd te laat. Zo is het toch weer eigen.

Overpeinzingen

En goedkoper

Wakker worden rond een uur of vijf, samen met Lief die uit bed stapt omdat er werk aan de winkel is, volgens het tropenrooster. Vanmiddag houden we om een uur of één op en brengen de dag in kalme stilte door op de veranda van de Datsja. De 32 graden vraagt om kalmte, onthaasting, om alles uit je handen te laten vallen. Gisterenmiddag maakte ik toch wat nieuwe aanpassingen aan het doek en het water liep me, bij drie streken, al tappelings over de rug, terwijl ik echt nooit transpireer. Blokhut+Hitte=Sauna.

Het prachtig geschreven ‘Oever’ een debuut van Ludwig Volbeda leest als een trein. Er staat op iedere bladzijde wel een zinsnede of een woord waar langer over te denken valt. Zo wordt er gemijmerd over onkruid, meikevers, tekeningen op bushokjes en hoe anders er tegenaan gekeken wordt als bijvoorbeeld die tekeningen in een museum hangen, waar ze ah’s en oh’s zouden scoren. Grappig om door te mijmeren en te bedenken dat Banksy dan eigenlijk het omgekeerde doet. Hij laat kunst op plekken bloeien waar onkruid groeit of zelfs helemaal niets. Die laatste ingeving is van mezelf en niet van Ludwig. Op die manier blijven boeken een bron van inspiratie.

Buurvrouw maait voor de tweede keer deze week het gras in haar voortuin. Het moet milimetertjes-kort van haar en naar mate ze ouder wordt, wordt die gedachte versterkt, zo lijkt het. Ze heeft waarschijnlijk te weinig om handen, nu haar man in een opvanghuis zit na zijn afasie. Het stuk grond aan de achterkant had ze uitbesteed aan een man met een bosmaaier, professioneel, met oordempers op en een perspex kap voor zijn ogen.

Gisteren een appje van zoonlief. Ze hadden de poes laten inslapen. De drie rakkertjes hadden hem de hele week nog flink geknuffeld. Hij heeft een mooi plekje gekregen. Ik moest denken aan de kringen over rouw in de groep. Alles van zielig en dood mocht gedeeld worden. Oma’s, opa’s, maar ook cavia’s, tamme ratten, poezen, honden, en hamsters, een tante, de buurman, een lievelingsboek dat verdwenen was. In een notendop kwam boven tafel hoe verdriet werkt en hoe je het handen en voeten kon geven. Soms duurt het heel lang, soms is het slechts een momentopname, soms is er fysieke pijn, soms waait het voorbij als een stormwind. Wat hielp was het feit dat je je verhaal kon doen. Gedeeld verdriet is minder zwaar. Het tekenen of schilderen erover hielp ook altijd.

Als iemand een dier dood gevonden had, bijvoorbeeld een muis of een mol, en het mee naar school genomen had, dan gingen we het ritueel begraven. Wel eerst goed bekijken natuurlijk, en niet zoals een stagiair had bedacht, die zijn gevonden mol met scalpeltjes open wilde maken om van binnen te bekijken. ‘Daar waren ze nog net niet aan toe’, legde ik hem uit. Maar ontdekken dat er verschil is tussen dode en levende oogjes is ook al heel wat waard. De mol werd op een kussentje gelegd, die door een vrijwilliger werd gedragen en met de lange rij van kinderen er achter, die op de wijs van de dodenmars van Chopin, de Marche Funèbre, tam tam tadam tam tam tadam tam tam tada dam tafam tam tadam, met statige schreden achter het elektriciteitshuisje werd gebracht en daar in een piepklein kuiltje begraven. Niet zelden met een mooie steen, een takje of een of andere gevonden markering erop. Daarna waaierde het stel weer uiteen om lekker verder te spelen. Zo werkt dat. Dood en leven naast elkaar.

Ziezo. Lief heeft de bekeuring betaald in het kleine postkantoortje om de hoek. Het is drie keer per week van 8 tot 10 geopend. Nu kan het van ons afglijden, anders blijft het als een zwaard van Damokles boven je hoofd hangen. Niets is zo heerlijk als een onbezorgd gemoed en goedkoper.

Overpeinzingen

Ik kon weer voort

De eerste van de tien tips uit ‘De kracht van de kwetsbaarheid’, een boek van Brené Brown, luidt als volgt: Kies voor authenticiteit. Laat je angst voor wat anderen vinden los.’

Alsof het me onder ogen moest komen op dit moment. Gisteren zag ik de reacties op een profielfoto van mij op FB. Het was op onze wandeling naar het museum in Kaposvár. Ik had mijn zwarte broek aan, mijn nieuwe witte wijde bloes voor de gelegenheid en mijn haar gekruld door het nat te maken. Ik verzuchtte tegen Lief: Hoe komt het toch dat ik mezelf nooit zo er uit vind zien als op de foto. Die foto is echt. Het bewijs dat ik er zo uitzag. Maar van binnen voelt het anders. Wat is dat dan.

Nou ja, mijn tenen zaten tegen de punt van mijn schoenen gekneld omdat mijn voeten door de hitte natuurlijk, ouderdomsgewijs, weer wat waren opgezet. Mijn longen zochten zuurstof in de brandende hitte, maar toch. Mijn gedachten op dat moment: ‘O, die bloes is veel te groot. Had ik anders moeten doen. Mijn tenen doen zeer. Waarom kijken ze zo. Waar schort het aan’.

Wonderlijk dat vanbinnen nooit als vanbuiten voelt. Je altijd laten leiden door vermeende gedachten van derden is hondsvermoeiend. Bij al die lieve reacties overweldigt de spijt. Niet een trotse gedachte over wie je bent, maar altijd zoeken naar spijkers op laag water. In plaats van jezelf op een sokkeltje te hijsen, zoek je dat hoekje maar weer eens op.

Eigenlijk wil ik niets liever dan de balans. Lief helpt als geen ander door me iedere dag wel ergens om te prijzen. Maar het is een hardnekkig virusje diep van binnen. Het heet gebrek aan eigenliefde, vrees ik. Met dat ik het op schrijf denk ik al, is dat niet te hoogdravend. Wie zullen nu denken ‘Je stelt je aan. Doe niet zo zot. Je schouders eronder en hup.’ Ja, ja. Het zijn zeker hersenspinsels verworden tot stofnesten, maar hardnekkig. Hoofd leegmaken met schrijven, hoofd met fijne dingen vullen door lezen, hoofd los van gedachten maken door te luisteren naar de natuur om me heen.

Die sfeer van het oordelen viel vooral op bij dit demissionaire kabinet die de gifbeker tot op de bodem uitwrong. Goeie genade. Wat men een ander niet toe kan wensen. De keerzijde van mijn medaille is dan ook, hoe zit het met jouw oordeel over anderen?

Ooit liepen de oude lieve bijzondere vrouw en ik aan de voet van de Belgische Ardennen. Zij strompelde en ik ondersteunde. We moesten een dal door en een heuveltje op. We hijgden uit bij een weiland waar drie van die schattige ‘Nono Nono-ezeltjes stonden met hun zachte grote ogen en hun lange wimpers. We aaiden ze en ze zei: ‘Ik hou heel veel van ezeltjes’. We ploeterden voort, want we wilden naar het kasteel toe. Er was een kapelletje, waar we naar binnen konden. Daar rustten we uit op een van de eenvoudige houten bankjes. Geen opsmuk, wat veldbloemetjes en een povere Maria boven ons. ‘Ik hou van deze eenvoud’, zei ze. Maria keek zoetgevooisd op ons neer.

We gingen voort en na iets wat een eeuwigheid leek, zei ze, terwijl ze de grote batik lap om haar schouder sloeg. ‘Waar ik het meest van hou? Van het spreekwoord: Oordeel niet’. Ze keek me aan en glimlachte met dat lieve hoofd van haar. Ik kon weer voort.

Overpeinzingen

Voor alsnog volstond het

De reis naar Kaposvar was kalm, maar eenmaal in de stad aangekomen was het een en al hectiek. Misschien lieten we ons meesleuren door de luidruchtige mensen in het straatbeeld. Roepende jongens naar een groepje meisjes, ijsjeshappende mensen, mensen met haast die met grote stappen voorbij beenden, daklozen die langs de kant strompelden. Al een tijdje niet gezien natuurlijk en misschien wel een goede voorbereiding op de weg terug.

We kiezen de schaduw aan de linkerkant van de straat en ik herinner me nog de eerste keren dat ik er door liep en geen winkels ontdekte, wel apothekers, juweliers, kantoren, maar dochterlief ontdekte de eerste de beste keer dat ze er was, de winkels achter de kleine ramen. Ouderwetse winkelgevels met een zeer bescheiden uitstalling. Tot zelfs een hobbywinkel/annex kunsthandel aan toe.

Het museum lag in het midden van de hoofdstraat. Agaath hadden we in een van de zijstraten gestald. Er was een blauwe streep langs, dus googlede ik de betekenis ervan. Mooi, de parkeerkaart en niet langer dan twee uur. Dat was ruim voldoende voor een bezoek aan het museum.

Het is een imposant gebouw met een enorme gevel. Daarachter kom je in een grote hal, met aan weerszijden gangen, rechts de portiersloge en links de gang naar de kassa van het museum dat in een kamer gevestigd is. Er was kennelijk niet veel bezoek, want de beheerster moest de deur openmaken. Weer de vraag, toen ze hoorde dat we bejaard waren of we boven de zeventig waren. Ze vroeg na bevestiging het ons nog twee keer en keek ons vorsend aan. ‘Ik wil mijn kaart wel pakken’, zei Lief, maar dat was niet nodig. We hoefden niets te betalen. We konden naar de eerste en de tweede verdieping en op de begane grond waren de kostuums. Ik verstond haar voor een belangrijk deel zowaar.

De middelste afdeling was de vorige keer gesloten en nu kwamen we in de wondere wereld van de natuur van Hongarije terecht met prachtige diorama’s van onder en boven water, heel beeldend gemaakt en een lust om de veelzijdigheid van de flora en fauna van het land van dichtbij te kunnen aanschouwen. Dit is ook wat voor bezoekende kinderen en kleinkinderen en komt op het lijstje van bezienswaardigheden.

Boven was de tentoonstelling van Ripll Ronai, met doeken van zijn hand en van de familie en een kijkje in een hoek van zijn atelier en de huiskamer. Ook hier werden snel de lichten aangedaan. De man wees ons de weg via de rode lopers. Die tentoonstelling hadden we de vorige keer ook gezien en eigenlijk was er niets veranderd of bijgekomen.

Door het imposante trappenhuis, een Escher waardig, was ik al aardig vermoeid. De onderste verdieping bewaarden we voor de volgende keer. Eenmaal terug bij Agaath prijkte er een plastic mapje met twee papieren onder de wisser. Ja hoor, een bon. De informatie over de blauwe rand klopte niet. In Hongarije heeft het verschillende betekenissen. We hadden vermoedelijk moeten betalen, maar ook geen parkeermeter gezien. Dom, dom, dom. We hebben kennelijk de gemeente goed gespekt zodat ze het museum kunnen onderhouden. De bedragen komen niet in de buurt van Nederland, maar toch.

De boodschappen deden we in een hele drukke Tesco. Bij een goed glas ijskoud alcoholvrij citroenbiertje op ons eigen terras kwamen we een beetje bij. Alhoewel, ineens hoorden we een enorm kabaal van een bosmaaier en wat schetst onze verbazing toen de buurman achter onze tuingrens en zijn schuurtje alles aan het platwalsen was en ook nog door wilde in onze tuin. Er is daar namelijk een toegangspoortje. Het scheelde maar een haar of hij had de zorgvuldig opgekweekte rand tegen onze muur ook te grazen genomen. Lief kon hem nog net stoppen voor hij aan de varens wilde beginnen.

Natuurlijk wilde hij alleen maar vriendelijk helpen, maar deze buren om ons heen hebben zo’n ander idee van wat een mooie tuin is. Ze zullen nooit de schoonheid begrijpen van een natuurlijke tuin. Alert blijven en duidelijk maken wat onze wensen zijn.Voor alsnog volstond het.

Overpeinzingen

Nu eerst in de benen

Af en toe glippen gedachten weg naar onbekende oorden. Ik probeer ze vast te houden en als dat niet lukt te volgen, maar altijd weten ze wel een verdwijnpunt te vinden, terwijl ik wat doelloos voor me uit blijf staren.

Er zijn wat acties, die ik moet ondernemen, maar eerst tracht ik de achtervolging in te zetten naar wat ik net, pas geleden, nog voor ogen had om de blog mee te openen.

Er moet een hotel voor de terugreis geboekt worden, er moet weer een vignet geboekt worden, en nee, er valt niets te moeten, maar dit zijn gewoon de kale feiten. Als ik het niet bijtijds doe, ben ik een dief van mijn eigen portemonnee. Zonder het vignet staat Oostenrijk op scherp. Ik weet eigenlijk niet of Slowakije ook om vignetten bedelt. Want dan moet dat ook nog. Dat bedoel ik. Ze behoren allen toe aan het Heilige moeten. Zonder dat geen reis. Zonder dat geen slaapplaats en 14 uur is nog altijd teveel om in een keer te doen, al zou ik het willen, om weer snel bij Lief te kunnen zijn.

Over krap twee weken ga ik weer. Alle kleding die ik meegenomen heb, kan net zo weer mee terug. Hier draag je om het even wat. In de Hof mijn schilderplunje, lees oud spul, voor de boodschappen, broek hemdje, blouse en afhankelijk van het weer, kloffen of gympjes. Alhoewel, ik heb gisteren de onderdanen weer voorzien van zomerse poezelige voetjes. Met wat vijlen en wat schuren kom je een heel eind. Dus mogen de slippers ook weer mee.

Er is maar weinig nodig. De leren-is-leuk-koffer voor eventuele boeken, de aquarel-doosjes, de tekendagboeken, de viltstiften dit keer. Maar ook niet teveel. Het schilderij mag hier blijven. Op de een of andere manier zal ik toch wel de ouderdom erin moet verwerken. Ze is nu eerder een jeugdige, stralende moeder van het kleine kindje op haar arm en niet een mooie gracieuze oma, met fijn craquelé.

Vanmorgen waren we zo vroeg wakker. Rond kwart voor vijf en klaar wakker. De temperatuur kan er debet aan zijn. Lief hanteert hier vanzelfsprekend al een tropenrooster als deze zomerse dagen, nu nog rond de 30 graden, doorzetten. De vroege ochtend voor het achterland, waar de zon opkomt en steeds hoger aan de hemel staat. In de middag moet je er eigenlijk niet meer zijn. De boompjes zijn te dun, bieden geen schaduw. Dat laten de foto’s goed zien van het prille begin van het beoogde voedselbos.

Op het terras zoemen de twee ventilatoren en wuiven nog een beetje koelte toe. De Fijnstralen groeien zelfs de klaprozen en de korenbloemen boven het hoofd. De allerlangsten heb ik al afgeknipt en er een mooie bos van gemaakt. Feestelijk op het gegipste tafeltje. Er zijn er nog een paar te hoog, maar daar moet ik eerst maar weer een vaas voor aanschaffen. Op de een of andere manier zijn alle vazen in gebruik. Deze fijnstralen, die in Nederland al snel weggezet worden als onkruid, worden hier vaak als huisbloemen gebruikt. Gifvrij en vriendelijk.

De pioenrozen zijn ook een optie. Die bloeien nu volop. De bijen en hommels doen er hun voordeel mee. Maar de kolibrievlinder, die er vorig jaar om de haverklap was, heb ik nog niet gezien. Misschien omdat het heel lang te koud is geweest. Misschien een dezer dagen dan.

Alle gedachten veeg ik op een hoop en gooi het in mijn denkbeeldige pet. Dat zoeken we later wel uit. Nu eerst in de benen.

Overpeinzingen

Een reden om er reikhalzend naar uit te kijken

Ik zit op de veranda. Het zindert. Het is 30 graden met af en toe een briesje ter verkoeling. Soms valt de 6 helemaal stil en dan klinken er alleen de vogels. Een heel rijtje nu. Met een paar zeldzame gasten. De gebruikelijke: Nachtegaal, wielewaal, Syrische bonte specht, merel, zwartkop en de groenling maar ook de fitis voor het eerst, de buidelmees eveneens en de grauwe vliegenvanger. Onder de thee luisteren we naar de geluiden die bij deze vogels horen. We leren steeds meer soorten kennen.

Uit de kriek vallen een voor een de harde groene vruchten. Met een plof komen ze op de grond terecht. Ze mogen blijven liggen voor de egel en de vogels, die er zich te goed aan doen.

Het doek waar ik aan bezig ben, had ik gisteren een tikkeltje te stevig aangezet en het leek alsof de vrouw een pruik was opgezet. Vandaag heb ik haar op de kop gezet en ben met flink wat water te werk gegaan. Daarna subtiel en met beleid aangepakt. Lief vindt het nu al geslaagd, maar het is nog niet af.

Lief heeft in het nieuwe stuk van wat ooit een voedselbos moet worden, de gaten gemaakt voor de twee olijfbomen en brengt ze er nu een voor een heen. Het is leemgrond en zwaar om te bewerken. Het kost wat liters inspanning, maar dan heb je ook wat. Het werk vordert langzaam maar gestaag. Het doet hem denken aan vroeger, toen hij dit bos aan het aanleggen was. Ook stukje bij beetje structuur erin bouwen. Geen haast hebben en volledig kalm te werk gaan is het devies. Letterlijk bergen met de handen verzetten. Het is een beste work-out. Er zit geen grammetje vet teveel meer aan.

Morgen gaan we richtig Kaposvar. Er moet gekeken worden naar een goede watertank, we doen er de boodschappen en gaan naar het museum, dat nu toch wel inmiddels verbouwd zal zijn. Twee jaar geleden waren er twee zalen dicht en stonden alle beelden ingepakt op de gangen tussen het werkmateriaal. Verder is het een heerlijke stad om doorheen te slenteren en een terras te pakken.

Tot mijn grote vreugde zei iemand in een blog die hier is gaan wonen, dat het Hongaars bij haar de ene keer het idee oproept dat ze het al aardig onder de knie krijgt en anderzijds de wanhoop geeft van ‘Ik leer het nooit’. Op de een of andere manier bracht dat mij troost. Ik ben nu bijna een jaar lang onafgebroken bezig geweest. Met leren. Ik ken heel veel woorden, zinnen ook en begin nu pas te wennen aan de snelheid waarmee gesproken wordt, een enkel keertje kan ik er chocola van maken als ze het tempo aanpassen. Maar tjonge jonge. Wat een taal.

Het klepperen van de ooievaar hoor je overal luid en duidelijk. De vraag rees: Waarom kleppert hij eigenlijk. Er zijn een aantal redenen voor. Ten eerste kan een ooievaar niet roepen of zingen, daar mist hij de spieren voor. Dus met klepperen begroet hij de ander, maar hij gebruikt het ook als territoriumwaarschuwing of als er gevaar dreigt, maar ook om een vrouwtje het hof te maken.

Weer wat bijgeleerd, want dat hij die spieren niet had voor enig ander geluid wisten we allebei niet. Intussen zit de nachtegaal nu vlak boven mijn hoofd en probeert mij te imponeren met zijn wonderschone zang. Het is een van die herinneringen, waar geen foto bij hoort (je ziet ze bijna nooit) maar die onlosmakelijk bij deze sfeervolle plek hoort. Een reden om er elk jaar reikhalzend naar uit te kijken.

Overpeinzingen

Iets waar gaarne gehoor aan gegeven wordt

WordPress vraagt: Beschrijf iets simpels waar je gelukkig van wordt. Terwijl ik aan het lezen was op bed kwam Lief opgetogen binnen om te vertellen dat aan de rand van het ruige achterland de guldenroede bloeit. Er zijn diverse soorten, maar de ‘echte guldenroede, de solidago virgaurea’ bloeit al in mei. Door de lange grassen zie je niet welke schoonheden zich verborgen houden op dat ruige veld. Hij had ook al de purperkleurige salie gespot. Van zoiets simpels, en niet in de laatste plaats om de volharding die de planten opbrengen om toch tussen gras en brandnetel hun weg te vinden, worden wij gelukkig. Een kinderhand is gauw gevuld.

Eindelijk is er een periode van warmte aangebroken. Heerlijk . Vogels zijn ineens een stuk darteler, de bloemen veren op. En in onze hoofden schijnt ook de zon. Zo werkt dat. Het vraagt om actie. Dus naar het atelier en verder aan het doek. Het raam staat open, maar de buurman is aan het hout zagen. Hele boomstammen worden in stukken gezaagd. Geen aangenaam geluid en een paar decibellen harder dan de bosmaaier. Dus mocht spotify aantreden. Lekker hard meezingen en opeens klonken er de zoetgevooisde klanken van de nachtegaal die in de boom voor de datsja door het open raam zong. Uit eerbied paste ik mijn keeltje aan. Als iets wonderschoon klinkt kan er geen gekras tegenover staan.

Net ook een staaltje van geluk. De wielewaal kwam zichtbaar de fluweelboom ingevlogen en van daaruit vloog hij naar de wilg om tenslotte in de grote es te verdwijnen. Wel liet hij zijn mooie keelklanken horen, hoboklanken dus, ik wou dat ik het jullie kon laten horen.

De bessenstruiken en de frambozen staan al in de grond en nu verzint Lief een manier om makkelijker water te geven. Er is een plastic wijnton. Als daar een kraantje ingemaakt kan worden dan zou het een alternatief kunnen zijn. Een regenton is een optie en natuurlijk eventueel de aanleg van een grondwaterboor, of zo’n leuke ouderwetse zwengelpomp. Op de volkstuin hebben we iets dergelijks. Ik zal eens precies navragen hoe het daar mee zit.

Naast ‘Krekel’ van Annet Schaap ben ik ook in ‘Morisaki’s Boekwinkel’ van Satoshi Yagisawa begonnen. Corriera della Sera schrijft erover: Het is een fijngevoelig verhaal dat lijkt te zijn gemaakt van rijstpapier’. Bij dat laatste gaan onmiddellijk de grijze hersencellen aan. Japans rijstpapier, Washi genoemd, is licht, sterk, duurzaam, flexibel en doorschijnend. Bovendien is het een uitstekend middel om er grafisch mee aan de slag te gaan. Inktafdrukken op rijstpapier krijgen er een extra dimensie door.

Beschreven wordt het leven in een boekwinkeltjeswijk in Tokio, waar de tijd lijkt te hebben stilgestaan en de authentieke boekwinkel van Morisaki, dat de centrale plek vormt, is opgetrokken uit boeken, lijkt wel, omdat er geen stukje muur meer vrij is. Het geeft een nichtje inzicht in hoe belangrijk lezen kan zijn in een mensenleven. Inderdaad, subtiel geschreven, kabbelend, als een verkoelende beek tussen het groen. Met mooie en wijze uitspraken, zoals bijvoorbeeld de overpeinzing dat elke boekenliefhebber op een bepaald moment in het leven wel op een onvergetelijke manier tegen een boek is aangelopen’. Iets wat ik alleen maar kan beamen. Als je eenmaal gepakt bent door het woord laat het je niet meer los.

Eenmaal in dit boek begonnen, vraagt het dringend om uitgelezen te worden. Iets waar gaarne gehoor aan gegeven wordt.

Overpeinzingen

De moeite van het proberen waard

Annemiek Schrijvers heeft het over het tranenkamertje. Dat kende ik niet. Ik dacht misschien een kamertje bij de kapel in een ziekenhuis, waar doorgaans in stilte een traan kan worden geplengd omdat er altijd wel iemand is doodgegaan, maar niets was minder waar.

Het bleek bij het Pauselijk verblijf te horen en is het kamertje waar drie spiksplinternieuwe witte soutanes hangen in de maten S, M en L, omdat men van te voren niet weet hoe dun of dik de gekozen Paus is. Het heet zo, omdat Paus Gregorius XIV er in 1590 na zijn pausverkiezing heen moest en er tranen met tuiten huilde, omdat hij de uitverkorene was. Ach jeetje. Wat aandoenlijk.

Dat kan natuurlijk ook. Dat zo’n gekozen man helemaal geen zin heeft om de kerkelijk leider te zijn, maar door het lot verkozen wordt. Een moment in een mensenleven. ‘Zoals we er zoveel kennen, schrijft Annemiek. Stilte voor de storm, voor het moederschap, de scheiding, de topbaan, het verlies, voor het opstaan zelfs. Niet mijn wil, maar het uwe.’

Zo’n tranenkamertje is dan het moment van bezinning. Waar ben ik aan begonnen of, wat ga ik er mee doen, hoe pak ik het aan. ‘Als we het eens van het angstvallige slot halen en ervaren hoe goed het daar toeven is.’

Het is een moment vóór iets groots en we hebben er allemaal wel eens mee te maken gehad. Het brengt een zekere spanning met zich mee, kriebels in de buik, een opgewonden gevoel. Je weet immers nog niet hoe het uit zal pakken. Elke reis die ik tegenwoordig onderneem, geeft dat gevoel. Aan de andere kant heb ik ook geleerd te doen wat op je pad komt. Ga het maar aan. In negen van de tien gevallen valt het achteraf bezien mee.

Dezelfde hobbel maakt Lief nu mee met het ontginnen van het achterland. Om daar mee te beginnen heb je een hele diepe zucht nodig. Eenmaal bezig moet je door en die gedachte alleen al geeft druk. In het begin is het eindresultaat nog zo’n eind weg en om dat al te zien is een kunst apart. Maar zo kalm als hij zich mengt met de natuur om zich heen, zo kalm pakt hij ook deze klus aan.Het denkbeeldige tranenkamertje kostte een aanlooptijd van een aantal maanden, maar dan ineens is de kogel door de kerk en gaat het grote werk beginnen. Daar heb ik bewondering voor. Voor al die mensen die iedere keer weer opnieuw ergens aan beginnen, terwijl niemand ziet waar het toe zal leiden en dan uiteindelijk tot de mooiste resultaten komen.

Gisteren werd Lief gehaald door de doorgaans boze buurman. Hij moest als tolk fungeren tussen twee Duits-sprekende mensen en de oude Hongaar. Het bleek dat ze een deur wilden kopen, die op zijn erf lag. Buurman wilde het graag kwijt en ze mochten het meenemen. ‘Waarvoor het was’, was de vraag. Ze hadden een oud huisje gekocht in een van de dorpen langs de Drava. Daar had de man alles uitgesloopt en nu gingen ze het opbouwen en wel het liefst met gevonden gebruikt materiaal. In hun camper lag een heleboel oude meuk. Lief vond het lijken op wat hij zelf met dit huis had gedaan. De mooie en bloeiende Hof die op de resten van het puin is verschenen.

Vroeger zei men wel: Waar een wil is, is een weg. Dat is wat je kan vinden in je eigen tranenkamertje. Een weg naar het eindresultaat. De moeite van het proberen waard.

Overpeinzingen

Beeldend en voedend

Dochterlief is jarig. De tweede op de rij van de vijf kinderen. De oudste was net gewend aan het rijk alleen en toen moest ze alweer een deel opgeven. Dat liet ze niet zonder slag of stoot gebeuren. Ze had een volledig eigen manier gevonden om haar plekje veilig te stellen. Maar moeders doorzien alles. Nou ja, bijna alles dan. Toen wij en ook zij aan dit tweede kleine wereldwonder verknocht waren, overlaadde ze het met ware zussenliefde.Nog steeds trouwens.

Deze bevalling zou thuis gaan plaats vinden. Ik had er zo naar uitgekeken. Vriend en vriendin waren er om zich bezig te houden met haar zus, zodat wij alle ruimte kregen om ons te concentreren op het emotionele werk. Met Carole King’s gouden keeltje, ‘You’ve got a friend’ zou het allemaal van een leien dakje gaan. Maar ja. Eens een pleeg, altijd een pleeg. Helaas constateerde de vroedvrouw hoog ingescheurde vliezen. Bij ons kan nooit iets volgens de normale gang van zaken gaan. De volgende morgen werd ik in Isselwaerde verwacht, dat toen nog een streekziekenhuis was. De vroedvrouw deed zelf de bevalling en omdat ik in de wijk werkte, voelde het als ons-kent-ons. Toch nog wat huiselijke gezelligheid. Het werd ons zonnige Pinkster-zondags-kind.

Die gedachte werd door deze ochtend heen geweven. We hadden afgesproken om vroeg naar het grote tuincentrum te gaan, dat Lief nog van heel vroeger kende. Rond een uur of half een togen we op pad. Toen we aankwamen was ik hooglijk verbaasd. Het hele assortiment deed niet onder voor de tuincentra, waar we zo mee verwend zijn. Prachtig. Uitgebreide gevulde kassen, lange tafels buiten met vaste planten en veel bomen in alle soorten en maten, binnenplanten te over en potten, beeldjes, kleden, noem maar op. We zoeken al lang naar een vrouwenbeeld, zoals we er twee hebben staan. Maar die was er niet. Er is een nis hier vlakbij het terras, waar ze perfect in zou passen, omringd door groen. Een hommage aan moeder aarde.

En toen zagen we ze. Een ander verlangen. Twee prachtige olijfboompjes. Niet te groot, goed te vervoeren en een uitdaging voor het begin van het voedselbos. Lief keek naar de prijs, dat viel reuze mee, dachten we. Twee bessenstruiken en twee frambozen erbij en wat klein grut. Bij de kassa bleek dat we wat nulletjes te weinig hadden berekend. Betalen in forinten is voor een alpha een moeilijkheidsgraadje. Maar goed. De aanzet voor ons nieuwe plan zat al veilig opgeborgen in Agaath en het verdriet was maar van korte duur. Wel zuur als er iets het niet zou redden.

Lief is de grond momenteel aan het klaar maken met zijn, eveneens nieuwe, ergonomische hark. Ook iets met drie nullen. Dat is hier minder desastreus dan in Nederland, geloof me. Het bonnetje lijst ik misschien nog wel in.

De biografie van Greet Hofmans is uit. Nu kan ik eindelijk aan Krekel van Annet Schaap beginnen. Als het van hetzelfde kaliber als Lampje is, en daar ziet het wel naar uit als ik de recensies mag geloven, dan zak ik zalig weg in die wondere wereld, want Annet Schaap schrijft alsof je er zelf loopt. Beeldend en voedend.

Overpeinzingen

Vooral niet druk om maken.

Een aai over het bolletje, een streling over de wang. ‘Liefjes, wakker worden‘. Het is half vijf en Hemelvaartsdag in de jaren ‘80.

Traditiegetrouw gingen we van huis uit op die ochtend dauwtrappen, letterlijk. Dauw trap je als de grond nog nat is van de koele nacht en de eerste zonnestralen in actie komen om de druppels te laten verdampen in haar alles omvattende warmte. We fietsten dan langs de boomgaarden richting Bunnik. Als we mazzel hadden waren er al meikersen.

Die traditie hield ik erin. Iedere Hemelvaart trokken we er op uit. De kleinste dochter van twee voorop de fiets en haar zus van vier achterop in het zitje. Als ik vraag of ze het zich nog herinneren kan, zegt de oudste: ‘Er waren altijd pinksterbloemen’, want dat riep jij dan. ‘Kijk liefjes, een pinksterblom en daar een en daar een’. ‘Maar ik dacht dat we dat altijd met Pinksteren deden’. Dat kwam natuurlijk door die pinksterbloemen. Wat volgde was het liedje van Herman van Veen: ‘Hier is onze fiere pinksterblom/en ik zou hem zo graag eens wezen/ met zijn mooie kransen in het haar/en met zijn klinkende bellen/ recht is recht/krom is krom/gelief’ ook wat te geven voor de mooie pinksterblom/want de fiere pinksterblom moet leven.

Het gaf een apart sfeertje. Die serene stilte in de straten in de vroege ochtend, de nog wat slaapdragende kinderstemmetjes en het geluid van de trappers met af en toe een licht gerinkel van de bel als je door een kuil reed. En buiten de stad overal kwinkelerende vogels, schapen, koeien en paarden in de wei, ritselende natuur, het opentrekken van de nacht, zonnestralen. In de tas zaten krentenbolletjes en drinken. Als er een mooi plekje gevonden was, peuzelden we de broodjes op.

Later fietste mijn moeder vanuit Utrecht naar een van ons toe in Houten, In Nieuwegein, Vianen of Bilthoven en ontbeet daar mee. Dat werd een nieuwe traditie en eigenlijk een hele leuke. Ze heeft het de laatste jaren nog aardig volgehouden. Iedere hemelvaart een ander stadje.

Vroeger ging men wandelen op blote voeten, omdat de dauw een helende werking zou hebben. Dat hebben we nooit geprobeerd.

Nu trap ik dauw in mijn geheugen, vergeet hier en daar wat belangrijk was, maar de sfeer en het bijzondere, samen met mijn moeder en broers en zussen en later met de kinderen bleef altijd hangen. Het zijn die kleine pareltjes waar je nog wel eens naar terug kan verlangen. Ik zou het mijn moeder willen vragen. Waarom kende jij die traditie? Deden jullie dat ook met oma en opa? Misschien komt ze het me in mijn dromen vertellen.

Over dromen gesproken. Vannacht hebben ze mijn hele tasje leeg gehaald. Portemonnee met passen en mijn kentekenbewijs. De telefoon had ik gelukkig nog. Ik moest natuurlijk de bank bellen om alles te blokkeren, maar ik deed het maar steeds niet. Het was een oude tas van vroeger, niet die ik nu heb. Het verwonderde me. Het was toch belangrijk, waarom kwam ik er niet toe en waarom maakte ik me ook niet druk om. De antwoorden kwamen niet.

Daar is maar een conclusie uit te trekken. Vooral niet druk om maken.

Overpeinzingen

Waar woorden overbodig worden

Er werd op de Katholieke Lagere Meisjesschool handwerkles gegeven. Gelukkig niet van dezelfde non als waar ik breiles van kreeg, dus waarschijnlijk in een hogere klas. Deze juf was vriendelijk met haar krulletjes en lippenstift. Naar het oordeel van mijn vader deugde dat niet, maar ik vond het stiekem wel mooi. Er werd een rol jute uit de kast gehaald en ieder kind kreeg een rechthoekige lap er van. In het midden van elke tafel stonden kleine restjes stof en wol, naalden en garen wat je mocht gebruiken en ik ben vergeten of zij het thema, dat we konden kiezen, op het jute tekende of dat we dat zelf deden. Mijn lapje vulde zich met vilten leeuw met nep-bonte manen, vilten bloemetjes en vlaggetjes in de lucht. De kop van de leeuw keek je recht aan, het lijf liep naar links, een Egyptische voorstelling zogezegd.

Op de sok-stop-middagen bij ons thuis na, jawel met paddestoel om in de hak te steken, was het de eerste echte creatieve uitspatting met naald en draad. Later kwamen er meer activiteiten, maar veelal de vrije creaties. “Flansen’ noemde ik dat. Ik was goed in flansen, in ordentelijk naaiwerk geenszins, maar ‘met grote stappen, snel thuis’ kon ik aardig wat in elkaar zetten. Weven met de kinderen kon alleen maar zinvol zijn, als het geen frustrerend trekken van de draad inhield, waardoor het werk schots en scheef van de mal afkwam. Daarom werkte ik met de kinderen (4,5 en 6) het liefst vrij in het kader: ‘Jong geleerd is Oud gedaan’. Bijvoorbeeld weven door de spaken van een wiel, of weven op gevoel door door te steken door het grote gaas van een opgespannen tulen gordijn, de een aan de ene kant en de ander aan de andere, succes verzekerd.

Daar moest ik aan terugdenken toen ik las over de tentoonstelling ‘Diamonds are Forever’ van Erik Alkema in het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis in Amsterdam. Hij laat er een serie van veertien wandkleden zien, waarin hij de paralelle wereld van het ziekenhuis laat zien, waar hij na een kankerdiagnose veel tijd doorbracht. Toen hij ziek werd en met dat gegeven verder moest, besloot hij zijn verwerking ervan heel bewust en door middel van zijn kunst in eigen hand te nemen, om zo de controle en regie over het proces weer terug te kunnen pakken. De tentoonstelling is tot en met 14 augustus 2025 te zien en komt op de lijst, die steeds langer wordt.

Opmerkelijk is ook het borduurwerk van Mary Evers: ‘Stitch Their Names’, het in textiel vereeuwigen van de namen van de mensen die omgekomen zijn in Gaza, met als motto: ‘Als nummers namen worden, verandert alles’. Met behulp van mensen die daar ook hun steentje aan wilden bijdragen is het een indrukwekkende tentoonstelling geworden van twintig simpele lappen met onafgewerkte randen waarop 3600 namen in groen(kinderen), rood(vrouwen) en zwart(mannen) staan vereeuwigd. De tentoonstelling is op Mallorca, maar het verhaal erachter zegt al genoeg. Wat een wonderschone vorm.

Mary Evers woonde als kind in het gebied. ‘Aan de basis van haar idee ligt de traditionel Palestijnse borduurkunst Tatreez, waarmee verhalen over het land en persoonlijke geschiedenissen worden vastgelegd. Een vorm van documentatie, samenzijn en verzet. Uiteindelijk hoopt ze op deze wijze 30.000 doden uitgeleide te doen’. Deze informatie komt van Nicole Ex van het tijdschrift: ‘See all this’.

Textiel als zeggingskracht waar woorden overbodig worden.

Overpeinzingen

En verliet zachtjes de kamer

Lief wilde nog twee batterijen voor de bosmaaier erbij hebben. Een in de machine, een die vol was om er in te stoppen als de eerste leeg was en een ondertussen in de acculader. Als je weet dat de Hof een hectare groot is, dan is het goed te begrijpen. Er valt veel te doen en hij pept zijn lichaamsvitaliteit er mee op tot die van een joviale vijftiger. Daar kan in ieder geval geen sportschool tegenop. Het sjouwt, het zaagt, het gaffelt, het graaft, het snoeit, het sjouwt, het maait tot in het oneindige. Misschien is dat jeugdige uiterlijk ook te danken aan zijn nog immer bruine haardos, er zit een kwart Indonesië in zijn bloed, maar 75 en zo fit zie ik ze zelden.

Het is al veel te laat om nog te schrijven. Het is al half zes. Het komt omdat we op pad gingen voor extra batterijen voor de bosmaaier. In Szigetvár wisten we een winkel die accessoires van het mer verkocht. Maar dat was een onooglijk klein winkeltje. Het kon besteld worden, maar Hongaarse bestellingen zijn niet altijd op z’n snelst op de plek van bestemming. Ze belde even naar Pécs en in die winkel hadden ze er zeker ngo twee liggen.

Toen ik aan kwam rijden stapte er een man uit een autootje die overduidelijk een hemiplegie had gehad. Zijn rechterarm hing er slap en doelloos bij. Ik wachtte even in de auto omdat er geen plek meer was in de winkel. De man bleek eindeloos aan het woord te zijn. Toen hij terug liep naar de auto, stapte hij in, de rechter arm ondersteunend en reed met een hand aan het stuur weg. Het was geen aangepaste auto. ‘Hoe dan?’ vroeg ik me af.

Op naar Pecs, zwaaien naar ons huis, want we kwamen weer langs Nagypeterd en via hobbeldebonk naar de winkel op de berg, dezelfde als waar we de bosmaaier ook gekocht hadden. Onderweg was de politie flink aan het controleren. Op de doorgaande wegen mag je 90 en in de dorpen 50 en er wordt heel streng op toegezien. Wel handig met een hybride, want het spaart benzine uit.

Ze hadden ze al klaar liggen, dus we konden zo door naar die ene Duitse supermarkt, die de goedkoopste is in Nederland en hier nog meer. Zo gezellig altijd weer. Daar ontdekken we Indiase en Vietnamese producten, Koreaans en Japans bier, cruesli repen per 6, stroopwafels en heerlijke kappertjes. Eindelijk weer. Ik dacht dat ze ‘meerzout’ hadden. Huh Meerzout. Schakel de schakel. Zeezout dus. Haha, het is wat met die talenmixen.

Onderweg fantaseerden we over het voedselbos. Daar is de bosmaaier ook voor nodig, omdat hij makkelijk even te pakken is en je dus lapje voor lapje kan ontginnen. Bomen hebben we hier in overvloed. Te beginnen met de vlier en de fruitbomen, maar de hibiscus die overal opkomt mag er ook plek vinden. Walnoot, hazelnoot en vijg groeien wat langzamer, maar die kunnen tussen de snelgroeiers staan.

Greet is bijna uit. Ik moet mijn mening, die geschoeid was op de algemene opinie, toch bijstellen. Ik ben er wel van overtuigd dat zij zelf te goeder trouw is, al zijn er wel wat tegenstrijdigheden waar te nemen. Wat het idee erachter betreft, tja, daar kan en wil ik me niet mee vereenzelvigen. Maar uit op macht is ze zeker niet en uit op geld evenmin. Het feit dat ze ook niets in welke Godsdienst ziet, pleit voor haar. Er is maar een gelóóf. Dat zei de Heer Dijkhuizen in Huize Solglytt ook tegen mij als jonge verpleegkundige. Hij hief daarbij zijn benige hand omhoog en wees met de wijsvinger naar zijn God en sputterde wat spuug in het rond van opwinding. Dat had hij van een of andere beroemde preker in Noordwijk die elke zondag volle kerken trok.

Daarna gaf hij mij zijn grote grijns om daarna weer in zichzelf te keren. Ik stopte hem lekker onder de schone lakens en verliet zachtjes de kamer.

Overpeinzingen

Nachtegalenbalsem voor de oren

We wilden gaan fietsen maar helaas, het weer gooit roet in het eten of liever gezegd onze plannen vallen letterlijk in het water dat buitjesgewijs naar beneden valt. Het was anders beloofd door de buienradar. Het is zo onvoorspelbaar, er is geen peil op te trekken. Dan gaan we zo maar thee drinken op de veranda en luisteren naar de wielewaal en de nachtegaal. De eerste laat zich nu al horen.

Zuslief appt dat ze weer zangles heeft van een operazangeres. Als ik haar naam google, zie ik een deel van een voorstelling waarin ze mevrouw Helderder speelt, de vreselijke moeder van Aagje met haar smetvrees. Ze is een sopraan. Zuslief heeft het er naar haar zin.

Niet de spin uit het voorbeeld

Ik ben ooit op een kamp mevrouw Helderder geweest. Een olijk hoofd met een brilletje en een missie. Alle figuren uit Annie M.G.Schmidts verzamelbundel ‘Ziezo’ waren in het bos ontsnapt uit het boek. Ze liepen, hingen of stonden overal. De giraffe van Dikkertje Dap zat nog langer te zijn in een hoge boom, kunstig gemaakt door een van de kunstenaar-moeders, Aagje liep rond in haar smetteloze jurkje en Pluk was er ook met zijn autootje. Vrouw Helderder veegde na veel avonturen alle figuren terug het boek in. Met Sebastiaan had ze het het moeilijkst. Die liet zich niet zo makkelijk vangen. Het was weer een geweldig verhaal. Kinderen, leerkrachten en ouders, maar wij als spelers(ouders en collega’s)genoten zichtbaar. De moeder die Sebastiaan speelde en ik waren goed op elkaar ingespeeld. We hebben in al die jaren de meest wilde typetjes neergezet, met kampen maar vooral ook tijdens het toneel op de kerstmarkt. Een keer speelde ze de sneeuwman met een helm op en daar een laken overheen, een kostuum waarin je geen lucht genoeg kreeg. Het scheelde niet veel of ze was omgevallen wegens zuurstofgebrek. Toneelspelen is niet zonder gevaar.

Haar dochters, die bij mij in de groep zaten, kom ik met regelmaat tegen op FB en ze hebben allemaal aanleg voor het een of ander. Twee van hen in tekenen en schilderen, een van hen in muziek maken en de oudste in drama. Het bloed kruipt waar het niet gaan kan.

Ik wilde een stukje ‘Verwondering’ terugkijken, de aflevering met Sinan Can, die door landen in het Midden-Oosten trekt om ons de verhalen van die mensen die daar leven mee te kunnen geven. Hij komt soms in de meest erge gebieden en moet zich dan telkens afvragen, waarom hij er nog mee door gaat. Of het niet eens tijd wordt om op te houden. Maar ook dat kan hij niet. ‘Het is een gevecht tegen de verbittering’, zo vertelt hij. Drie weken in zo’n gebied en je dreigt alle vertrouwen in de mensheid te verliezen. Het is daarna dan ook een hele klus om weer in het reine te komen met jezelf, het doel duidelijk voor ogen te houden en objectief te blijven. Het is een vak apart.

De nachtegaal zingt boven ons het hoogste lied. We zijn toch naar de Datsja verkast, want het schip met zure appelen dat aan kwam zeilen, heeft zich niet boven onze hoofden uitgestort. Dus genieten we van onze wonderschone zanger, het mannetje, dat is duidelijk te horen en het vrouwtje reageert. Kon ik het jullie maar laten horen, want het is nachtegalenbalsem voor de oren

Overpeinzingen

Blijven dromen, ben ik bang

Er zweven grote witte wattenwolken door de lucht en tussendoor piept een heerlijke warme zon, die de wind onmiddellijk neersabelt en hartverwarmend haar werk doet. Bloemen varen er wel bij. De hof is op haar mooist. De nieuwst ontdekte aanwinst is de grauwe klauwier, die hier dankbaar gebruik maakt van een kale tak in de hazelaar en van de dode stam van de wilg. Soms laat ie zich wiegen in de hoogste toppen van de berk. De wielewaal laat zich ook weer horen met mooie kleine, soms wat klagelijke, geluidjes en dan ineens weer een recital. Je ziet ze nooit, behalve als de vijg vruchten draagt.

Ik zit in de luie tuinstoel en lees uit Brieven aan Miyo van Martin Bootsma. Een boek dat over lezen gaat en niet zomaar, maar waarom lezen zo belangrijk is in het leven van een leerkracht. Zij willen dat vak immers doorgeven aan hun leerlingen. Martin is overtuigd van een gouden regel om dit doel te bereiken. De leerkracht leest zelf ook. Hij schrijft die brieven aan Miyo, een stagiair van de Pabo.

Omdat de auteur vindt dat boeken met elkaar in gesprek zijn en onderling verbonden, zoals bomen en planten ondergronds met elkaar verbonden zijn in een stelsel van wortels, schimmels en draden en omdat boeken vaak te herleiden zijn tot de klassiekers, geeft hij daar een aantal voorbeelden van vanuit de jeugdliteratuur. Fijn dat hij daarbij ook niet vergeet de illustratoren te noemen omdat hun werk net zoveel zeggend is als de woorden van een schrijver. Het is een heerlijk boek om te lezen doorspekt met prachtige, krachtige voorbeelden, persoonlijke verhalen en wijsheden.

Waarom aan in de titel schuingedrukt staat is me nog niet duidelijk, maar omdat de schrijver onderlinge verbanden legt en allerlei overeenkomsten schetst, zal er misschien nog wel een uitleg komen verderop in het boek.

Een ander boek voor tussendoor is De Dragelijke Lichtheid van Dieuwertje Blok, waarin ze de dagboeken van haar moeder aan het begin van de tweede wereldoorlog heeft uitgewerkt. Een bakvissen-dagboek tegen een dreigende achtergrond wat zich kenmerkt door kleine opmerkingen. Zo leuk om te lezen dat ze om de haverklap verliefd wordt op welke jongen dan ook. En ik als puber maar denken dat ik niet spoorde.

Dochterlief vroeg gisteren of ik er al naar uitkeek om terug te komen. Aan de ene kant wel en aan de andere kant helemaal niet en dat heeft vooral te maken, legde ik haar uit, met de rust hier in de Hof, waar het leven voortkabbelt en al het nieuws mondjesmaat binnenkomt. We zijn bevreesd om de onrust die dit kabinet te weeg brengt met haar polarisatie en haar ongelooflijk onprettige manier van bejegenen. Ze maakte terecht de opmerking: ‘Maar dat is bij jullie daar toch ook.’ Zeker, maar het Hongaarse nieuws lezen we niet, behalve als Orban een of andere wonderlijke actie aankondigt in Europees verband. Het is natuurlijk een uitgesproken voorbeeld van ‘de kop in het zand steken’. Het is echter ook de onmacht om de teloorgang van al die mooie dingen. Met Nederlands nieuws wordt ons helaas af en toe de oren gewassen en straks in het land zelf, overspoelt het waarschijnlijk. Maar om de kinderen te zien, ja, ik kan haast niet wachten natuurlijk.

Het overtuigt me wel hoe langer hoe meer dat we straks niet midden in de stad moeten gaan zitten als zoonlief het huis uit is, maar eerder een klein stulpje in de natuur. Waarschijnlijk een onvervulbare wens maar wel fijn om over te dromen. Een klein bloementuintje, wat bomen en genoeg ruimte voor ons tweeën, maar meer ook niet. Blijven dromen, ben ik bang

Overpeinzingen

De onmetelijke stilte

Hoera, eindelijk de beloofde post voor moederdag. Van dochterlief, schone zoon, tante Pollewop en de filosoof. Met lieve woorden: ‘Of we het leuk hebben, of we zin hebben in Slowakije, dat ze ons missen, een bedankje voor het getufte schilderij, tot snel en kusjes, fijn dat je alweer snel terugkomt om te knuffelen.’ Het is versiert met mooie tekeningetjes en een kaart met de woorden:’Moeders hebben altijd gelijk.’ Haha. Dat willen we graag maar die vlieger gaat lang niet altijd op, moet ik uit ervaring bekennen. De kinderen hadden hun teksten zelf geschreven. Heerlijke hanenpoten en keurig schoolschrift zonder lijntjes.

In het driedubbel dicht geplakte pakje zat een kinderboek, een debuut van de tekenaar Ludwig Volbeda en het heet ‘Oever’, het kreeg in 2025 de Woutertje Pieterse Prijs en was in 2024 het regenboogboek van het jaar. De eerste bladzijden beloven veel. Hij schrijft zoals hij tekent, recenseert NRC, met op de voorkant inderdaad een prachtige tekening van de Meikever, Dat zit wel snor, zou ik denken. Tja, maar eerst die Greet Hofmans hè, anders dan verlies ik mezelf te snel, dit alles onder het motto:’Ken uzelve’.

Dochterlief belde net. We hopen alletwee straks op een aantal dagen op onze tuinen. Dan ga ik bij de mijne het achterstallig onderhoud wegwerken, zoals de composthoop, het terras en een nieuwe takkenril. En daarna heerlijke zonnige dagen. Duimen maar weer, want er is heden ten dage niets zo veranderlijk als het weer.

Lief en ik hebben afgesproken om straks een bescheiden stukje te gaan fietsen. Het is droog, nog een tikkie fris met achtien graden, maar goed te doen.

Bij Human kom ik een podcast van Brainwash tegen. ‘Vader zijn’ anno 2025, wat houdt dat in. Een vader vraagt zich daarin af of je als opvoeder voldoende kan halen uit het opvoeden van een kind. Immers er staan geen bonussen tegenover, geen promotie, geen salarisverhoging en een kind van pakweg 6 maanden zegt de hele dag eigenlijk ook vrij weinig. Hij voelde zich in het begin een beetje eenzaam en vroeg zich af of hij het wel onder de knie zou krijgen. Alleen al de bewustwording ervan lijkt me goed. Eigenlijk wilden ze het huishouden samen oppakken, maar al snel bleek er sprake te zijn van toch weer een rolverdeling. Daarnaast was er het oordeel van de omgeving met vragen aan vader als: Wat doe je dan zo al de hele dag en dat zou ik ook wel willen. Een mooi programma van Human.

Ik denk aan ons eigen gezin. Toen was dat huishouden een broddellapje en moesten we vooral ‘doen’ om te weten hoe we het niet wilden hebben. Daarna ging het vrij au naturel en werd de klus door beiden geklaard. We besloten al snel na het komen van de kinderen, dat wisselbeurten wenselijk waren, vooral in vakanties en (baan-gerelateerde)vrije dagen. Om en om hadden we een zorg-dag. Dat werkte heel goed. Zo goed, dat er vrienden en vriendinnen waren die zagen hoe we alles verdeelden en zelf ook besloten om voor kinderen te kiezen, want als het zo kon was het voor iedereen leuk. Wel blijven waken voor het insluipen van gewoonten, dus blijven praten en aangeven is het devies.

Ziezo, er was een korte pauze, omdat we toch de fietstocht hebben gedaan en het ging zowaar. Stuitje licht gevoelig, maar oké. Een weg met veel te veel kuilen maar te doen, neus in de wind en snuiven maar en vooral, iets waar we samen intens van genieten bovenop de wijnberg, de onmetelijke stilte.

Overpeinzingen

Geen betere tegenhang denkbaar

Waar komen die dromen vandaan. Ik werd wakker in een ontmoeting met een oud-collega, die al jaren uit het gezichtsveld was verdwenen, in de wetenschap dat ik me moest haasten naar het Smakkelaarsveld in Utrecht, omdat mijn auto daar al 2 1/2 dag geparkeerd stond. Maar op het moment dat ik in gesprek was met de collega werd ik wakker. Met een zucht wist ik dat de auto hier veilig achter het hek stond en dat er geen onmiskenbaar hoog bedrag betaald diende te worden met nog een eventuele bekeuring er bovenop. Een mens mag wat mazzel hebben.

De collega kan ik nog plaatsen want daar werd gisteren door iemand over geappt en het Smakkelaarsveld hoorde bij een eerdere droom. Als ik het gebied nog eens nakijk, lees ik tot mijn grote vreugde dat de Leidsche Rijn daar weer terug komt, met een groot stadspark ernaast. Dan kan je weer vanaf de Singel naar de oude Munt langs het water. Heerlijk. Opnieuw een stuk verleden hersteld, al zal het nooit meer hetzelfde zijn.

Vandaag belooft de laatste dag regen te worden, iets waar jullie zo langzamerhand naar snakken, begrijp ik. De grilligheid zorgt ervoor dat we gisterenmiddag een harmonieus uurtje in de schoot geworpen kregen op de veranda van de Datsja. In de grote rotan stoelen met de witte nep schapenvachtjes konden we genieten van egel, die daar rond liep te scharrelen. Een mooi moment om zijn gedrag eens uit en te na te bestuderen.

Dat kleine witte stipje tegen de boom is de specht.

Als ik afdaal om een foto dichtbij te nemen, is de eerste stap op begane grond genoeg om hem in de houding te doen bevriezen. De foto komt er niet, dus terug naar boven om van daaruit verder te observeren. Het duurt zeker tien minuten voor hij weer ‘ontdooit’. Daarna scharrelt hij weer rond. Het gebeurt nog een keer als Lief met de thee aan komt lopen. Maar daarna zien we iets koddigs. Als hij klaar is met alles en een kaal stuk moet oversteken, zet hij het ineens op een lopen. Verbaasd ontdekken we dat hij hoog op de poten toch tot een verbazingwekkende snelheid kan komen. Nooit geweten.

Even daarna geeft de vogelapp achter elkaar de putter, de lijster, de merel, de vliegenvanger, de groenling, de wielewaal, de mus, de roodborst en de koolmees, maar als uitschieter ook nog de zeldzame Syrische bonte specht en de Kwak. Een kathedrale koorzang tussen de morellen en de kriekpruimen, de walnoot en de oude appel en perenboom.

Dan gebeurt het. De Syrische bonte specht vliegt recht in de gevorkte stam van de boom links van ons. Te ver voor een mooie duidelijke foto, maar goed zichtbaar. Dat is mazzelen. Het wordt als een cadeau ontvangen en geeft een gelukzalig gevoel waar we weer een tijd op kunnen teren.

In die stemming bereid ik de paddestoelen in portsaus. Best even een klusje, maar heel lekker, verzekert Lief me. Krielaardappeltjes erbij en klaar. Met al die alarmerende berichten van het thuisfront en de vele misstanden van dit kabinet dat we als informatie gedoceerd toelaten, is er geen betere tegenhang denkbaar.