Overpeinzingen

Licht in de duisternis

Er zijn van die dagen waarop ik plotsklaps een intens verlangen krijg naar iets, meestal het moeilijkst onbereikbare. We zijn in Nederland verwend met onze uitgebreide keuzes aan ingrediënten voor diverse wereldse gerechten.

Gisteren had ik ineens onbedaarlijke trek om een maaltijd te maken, die lief en ik zo vaak samen hadden gegeten toen we nog in Leiden woonden. Een tikkeltje nostalgie dus. In 1970 was er een kleine Toko in een van de steegjes tegenover de apotheek aan de Breestraat. Daar kocht ik mijn eerste gietijzeren wadjan en mijn Tjobek en haalde ik alle ingrediënten in huis om uit een eenvoudig Indisch kookboekje de eerste maaltijden te bereiden. Nasi goreng, Bami goreng, Gado Gado, Saté met Satésaus, Soto. Het werd een soort ode aan het kwart deel Indisch van Lief. Hij had er zijn zwarte haar en zijn bruine ogen aan over gehouden en een licht getinte huid. Maar zelfs zijn vader was niet op Nias geboren, waar hun roots lagen, en er ook nog nooit geweest.

Omdat ik toen al sterk van het improviseren was en praktisch ingesteld zal het toch een soort mengelmoes van twee culturen zijn geworden. Een snufje van dit en beetje van dat, een scheutje van zus en een lepel van zo. Maar ik was er trots op als het lukte. Geen voorbeeld en toch best veel geleerd.

Gisteren haalden we als flexitariërs, bij hoge uitzondering kippendijtjes en de rest had ik eigenlijk allemaal wijselijk mee van huis genomen. Een marinade was snel gemaakt. Ketjap, soja, citroen, knoflook, Djahé, sambal badjak in plaats van de ontbrekende rawit. Uurtje minstens laten staan. Ondertussen de saus met de pot pindakaas uit Nederland, de ketjap, de knoflook, een ui, bij gebrek aan Goela Djawa wat suiker en weer citroen en sambal badjak.

Witte rijst en voor de hand liggende kort gewokte groenten erbij, nl Chinese kool, paprika en champignons. De dijtjes wokken tot de marinade was opgenomen, de Saté saus maken en smullen maar. Grillen konden we ze niet en stokjes hadden we ook niet, maar dit was prima. We hebben zitten smullen. De hemel was niet ver weg. Voor vandaag staat er logischerwijs met de restjes Gado-Gado op het menu.

In De Weemoed van de Reiziger van Jan Brokken, lees ik het bijzondere verhaal van de schilder Matisse en de non. Ik zoek de doeken op die Matisse gemaakt heeft van het meisje Monique dat hem verpleegde toen hij dat nodig had en dat een aantal jaren later zou intreden als zuster Jacques-Marie bij de Dominicaner zusters in Vence, niet al te ver van Nice vandaan. Hij heeft zijn hele leven lang genegenheid gehouden voor haar en toen hij ontdekte dat hun armoedige kapel een voormalige garage was geweest, besloot hij er zelf werk van te maken. Een eenvoudige kapel met glas-in-lood-ramen en zwartwit tekeningen op de muren er tegenover, die kleur zouden vangen zodra het licht door de ramen viel. De arme non werd verguisd omdat ze een zondaar aan de kapel had laten werken die bovendien naakten had geschilderd(!). Ze verhuisde naar Parijs. Matisse overleed twee jaar later.

De schrijver die de kapel bezocht heeft, kreeg steeds meer begrip voor de uitspraak van Matisse: ‘Als ik aan het werk ben, geloof ik in God’. In de Rozenkranskapel voelde de auteur dat er een sacrale band tussen geloof en scheppen bestond, die even zichtbaar werd door het licht dat Matisse in de ramen van zijn kapel wist te vangen. Zoals de boom hier achter de varkensstalletjes die in de avond de zon op haar kruin vangt en ineens licht geeft. Licht in de duisternis.

Overpeinzingen

Drie keer raden

Al weken lang stonden de fietsen op het terras geduldig te wachten. Af en toe kregen we een ongeduldige hint. De banden van de oude racefiets van vriendinlief, waar Lief nu op reed, liepen een beetje leeg. Het wit van de hagelnieuwe elektrische fiets had een stoffig laagje gekregen en af en toe bekroop me hun lichte verwijt van onbruikbaar zijn door de uitgesproken aanwezigheid. Gisteren was het eindelijk zover. De temperatuur was op een normaal peil aangekomen, rond de 25 graden, het zonnetje scheen af en toe, ideaal fietsweer.

De banden werden opgepompt, het stof eraf geblazen, makkelijke kleren aan, die tegen een stootje konden, je weet maar nooit waar je terechtkomt…En gaan.

We fietsten richting Kispeterd en daarna door naar Botykapeterd, dat was het plan. Voorlopig hielden we ons nog aan gebaande wegen, maar toch bekroop ons steeds meer de drang om een avontuurlijker pad te kiezen. Al vaker heb ik de kwaliteit van de wegen genoemd. Ze zijn niet best en het blijft oppassen geblazen, dat je niet ineens door een weggeslagen stuk van je fiets aframmelt en het blijft laveren tussen alle oneffenheden door. Het went, maar het verlangen naar echte fietspaden blijft. Af en toe stuift er zo’n enorm landbouwwerktuig voorbij met het nodige stof en zand in het kielzog en de bus houdt ook van doorrijden, dat is wel duidelijk.

Spijtig is dat er zoveel landbouwgrond is aangelegd dat het de verbindende landweggetjes heeft opgeslokt. Het resulteert in einddorpen, waar niet meer verder is te gaan omdat elke vorm van weg ophoudt of het zelfs is afgesloten door diepe greppels of prikkeldraad. Barrières zijn er om te slechten, maar met een fiets aan de hand is dat een pittige moeilijkheidsgraad. Toen we dan ook bij Botykapeterd de weg overstaken om een weg te volgen achter een fabrieksterrein, strandde het weggetje in een grote akker. We bedachten dat we al lopend langs de bosrand, misschien dan daar toch de weg konden vervolgen, maar niets was minder waar. Aan den lijve ondervonden dat het echt een eindweg was. Er zat niets anders op de akker diagonaal over te steken terug naar de fabriek. Ik duwde de racefiets voort en Lief mijn zwaardere elektrische exemplaar. Voordeel van de eerste was dat ik om de paar meter kon uitrusten op de stang. Zuurstof happen en door.

Van Botykapeterd naar Kispeterd is het heerlijk fietsen, een goed onderhouden weg door de gemeente, namen we aan. Dan voel je de vrijheid even. We scoren wel altijd verbaasde blikken van omwonenden. Die fietsen hooguit van A naar B en het liefst zo snel mogelijk, dus ook over de grote drukke wegen, waar je je leven niet zeker bent. Daar wagen we ons niet aan.

Kenmerkend in de dorpen zijn de oude en verlaten huizen her en der. Ze staan stilletjes te vergaan tussen de normale huizen in, ingezakte daken, scheve muren, bomen die in het huis zelf groeien, overwoekerde tuinen en binnengeslopen klimop of blauwe regen. Als een gebit, waar de tandarts niet alert genoeg op is geweest. Het maakt de dorpelingen kennelijk niets uit, ze leven zelfs nog in hun huis met ingezakte stukken, een dak, een muur, noem het maar. Iets in de trant van ‘Wachten tot er geld is, want je kan geen ijzer met handen breken’.

Na de akker was ik blij weer op de fiets te kunnen zitten met een frisse wind door de wapperende haren. De schoonheid van de wilde natuur hadden we opgeslagen in ons hoofd en op de foto’s. De wilde hop met haar bellen, de onmetelijke vlakten, de uitgesproken boeiende luchten erboven. ‘Waar kun je geen genoeg van krijgen’, vroeg de schrijfcoach vandaag. De aarzeling voor mij persoonlijk was er tussen taal en natuur. Drie keer raden.

Overpeinzingen

Mensenkennis

Vannacht was ik weer even een interim wijkverpleegkundige en ik moest naar iemand toe, een gezin, dat ik daadwerkelijk verpleegd heb eind jaren ‘70. Er waren mensen uit Australie op bezoek en eerst moest ik omstandig kennis maken, daarna was het de beurt aan het bed van de man, dat nodig verschoond moest worden. Er lagen allerlei lagen stof op elkaar onder de matras en ineens haalde ik mijn leeuwtje van vilt te voorschijn, op een jute stramien geborduurd. Ik had het hem jaren geleden gegeven. Hoe kwam het daar? Ik vroeg het hem en hij sloeg achteloos met zijn hand naar achteren en met dat gebaar viel er een kakkerlak op de grond en voor ik het wist, stampte hij er al met zijn grote schoen op. Zo’n droom dus en ik werd wakker met mijn werk van vroeger in mijn gedachten.

De wijkverpleging in de beginjaren tachtig. Het was een heerlijk beroep. In de vroege ochtend langs de mensen gaan, die of nog in bed lagen en geholpen moesten worden met wassen, met orthopedische kousen, met wondverzorging of met een insulinespuit. Ieder huis was net zo divers als de bewoners. Schoon en opgeruimd, oud en versleten, zorgelijk rommelig, ouderwets tot in haar voegen.

In het immens grote huis van de oude melkboer, die daar woonde met zijn zus, kwam ik alleen in het achterkamertje naast de keuken, waar het stel ook woonde, de rest van de enorme kamers gebruikten ze niet. Een kamer was ingericht als de ‘Mooie kamer’ . Daar werd de dokter onthaald en de pastoor en ik mocht er een taartje eten op de verjaardag van de zus. De grote buffetkast stond ingepakt in plastic, dan werd het niet stoffig. Alleen bij het voornaamste bezoek ging het eraf. Het was mijn taak om haar te verzorgen in de ochtend. Het viel niet mee. Geen warm water, lampetkan en kom, washandje, handdoekje. Eens moest ik schone kleren halen boven. Het stond er vol grote ingepakte eikenhouten meubels. Krakende binten, oud behang, tikkeltje verwaarloosd goud van oud.

De man was zuinig. Gierig duidde het beter aan. Met gemak had hij een boiler of geiser aan kunnen schaffen, maar dat gebeurde niet. De eenvoudige keuken en dat kleine opkamertje met die zwijgzame vrouw in bed en de barse man ernaast, zomers ging het nog, maar ‘s winters was het er bitter koud.

Na de melkboer moest ik naar een van de oudsten van het dorp. Hij kreeg zijn steunkousen niet meer zelf aan. Dat was onze taak. Maar het viel niet mee. De man had geen toilet in huis dus gebruikte hij daar een emmer voor, die in de ochtend tot de rand gevuld was en geleegd moest worden in het putje buiten op het pleintje waar zijn antieke huisje aan stond. Voor ik naar binnen stapte nam ik een grote hap verse lucht en hield de adem in tot ik met emmer en al weer buiten stond. Wijkverpleging was vaker adem in en adem uit. Maar dat woog niet op tegen de grote voordelen van het iets kunnen betekenen voor de mensen. Je was vaak het praatje van de dag, de enige afleiding in een eenzaam bestaan. Ze waren lief, eigenzinnig, gevoelig en vaak ook bang, maar gaven zich in het volste vertrouwen over aan ons. Het was een mooie tijd, een dankbare tijd ook. Het leverde loon naar werken, waar ik nog dagelijks uit putten kan. Mensenkennis.

Overpeinzingen

‘Het houd je van de straat’ zullen we maar zeggen

Ik lees een blog van Schrijfhart over luisterboeken. Ze dwaalt daarbij af naar haar jeugd waar haar moeder met haar zachte stem of haar vader op zijn kolderieke manier haar en haar broer iedere avond voorlas. Ze haalt aan dat het delen van verhalen de oudste vorm van vermaak is die er bestaat en ergert zich aan de discussie of iemand die verhalen beluisterd wel of niet een echte lezer zou zijn. Ik heb daar eigenlijk nooit zo bij stil gestaan. Lezen doe je voor je plezier. Om bijvoorbeeld af te reizen in een verhaal, om de mooie taal die gebezigd wordt, om geprikkeld te worden in het beeldend vermogen, om geïnspireerd te raken, om de uitdaging, om eenvoudigweg te genieten. Er zijn zoveel verschillende redenen om op te noemen.

Op school vond ik het een van de leukste activiteiten om te doen. Heerlijk. Ik in het verhaal, de kinderen in het verhaal en samen op avontuur. Iets mooiers was er niet. Geen kind die niet genoot van elk nieuw boek, dat ik uit mijn voorleesbieb toverde. Soms nam iemand een spannend boek mee. Zo staat de laatste sinterklaas in mijn geheugen gegrift, omdat een van mijn oudste jongens het boek van de Gorgels van Jochem Meijer had meegenomen en met glimogen van trots kwam meedelen dat hij het op pakjesavond had gekregen. Dat betekende een paar maanden lang elke dag de spannende belevenissen van Melle, de Gorgels en de vervelende Brutelaars. Iedereen van de groep, de jongsten zowel als de oudsten, kwamen aan hun trekken omdat het verhaal bijzonder geschikt was om er je eigen beleving eruit te halen. Het was vooral spannend met grappige woorden. We ‘joebelabambamden’ wat af in die tijd.

Als het woord je maar bereikt en hoe, dat maakt niet uit. Er zijn immers vele wegen die naar Rome leiden en iedereen heeft zo z’n eigen voorkeuren. Voor mij is dat een boek, knisperende bladen, de geur en de manier waarop het jouw boek wordt als je het gelezen hebt. Een vriendin van mij wil, voordat ze een boek opent, dat niemand het nog bezoedeld heeft of ingekeken. Het is haar kleine zoete wens om als eerste de bladzijden om te slaan en het boek op die manier eigen te maken. Zo hebben we allemaal eigen wensen en verlangens en daar is niets mis mee. Leven en laten leven.

In het boek van MacEwan dat ‘Lessen’ heet, is bijvoorbeeld lichte waterschade ontstaan omdat de plantenspuit, waar ik mijn te bedrukken papier mee bevochtigd, gelekt had, terwijl het boek in dezelfde tas zat, op weg naar de Datsja. Haastig in de zon gelegd, uit elkaar een beetje en nu knisperen de bladeren nog veel meer. Dat verhoogt enkel de leesvreugde.

Gisteren hebben we geprobeerd de zware Auping spiralen in de ledikanten te leggen. Dat ging maar net. Twee oudjes aan het zwoegen met die zware last. Het moest immers over de zijkanten getild worden. En wat bleek? De matrassen zijn te groot. Nijvere Jut en Juul slaan aan het denken. Nu moeten we wat nu middenin is naar de buitenkant doen en dan de iets te grote matrassen over de leemte die op die manier ontstaat tussen de twee binnenkanten om ze zo te overbruggen met de dikke matras. Nog een keer de schouders eronder, dan maar. Het houd je van de straat, zullen we maar zeggen.

Overpeinzingen

Er is nog zoveel dat aan de uren knabbelt

Nog maar een maand en dan zijn we allemaal weer samen. De kinderen met alles en iedereen en wij. We zullen een week samen doorbrengen in een grote B&B met een verwarmd zwembad buiten. Een keer in een paar jaar ondernemen we zoiets. De laatste keer was zelfs lang geleden in Frankrijk. We sparen er voor, door iedere maand wat geld door te sluizen naar onze superheld, die van sparen weet. Er zijn een aantal voorwaarden. Voldoende kamers, ieder een eigen plek dus, veel ruimte en vertier binnen of buiten voor de kinderen zoals dat zwembad. We gaan van zaterdag tot zaterdag en ik kijk er naar uit.

WordPress vraagt hoe we de feestdagen doorbrengen. Doorgaans maken we onze eigen feestdagen en het kan ook zomaar spontaan andersom beginnen. Zodra we allen samen zijn, is het feest. Zo simpel ligt het. Er zijn geen verplichtingen. Elke datum die beter uitkomt voor iedereen telt. Kerst drie dagen eerder? Geen enkel probleem. Oud en nieuw wel of niet, maakt ook niets uit. Uit de tijd van ons jonge gezin staat de spagaat die we moesten maken me nog helder voor de geest. Een dag bij de ene en een dag bij de andere familie en voor jezelf ergens iets tussendoor. Dat is gewoon niet fijn. Vier het samen en maak afspraken met anderen erna of ervoor. Dat geeft mij in ieder geval oneindig veel meer feestelijke gevoelens.

Nu ik een aantal maanden hier vertoef, zijn de familiedagen dubbel zo veel meer waard geworden. In de wintermaanden ben ik zeker vijf maanden in Nederland en Lief ongeveer twee. Op de hoogtijdagen zijn we samen. Dat is heel plezierig maar een grotere winst is de intensiteit van dat samenzijn. Diep van binnenuit de beleving delen en er vervolgens weer op teren, want daar helpt het uiteindelijk bij, tot de hereniging en dat geldt dan voor alle partijen als ze weer de achterblijver zijn.

In de verhalenbundel van Jan Brokken ‘De weemoed van de reiziger’ komt het Rietveldhuis en haar bewoonster Truus Schröder-Schräder voor in een verhaal over die markante muze van Rietveld. Het huis hebben ze samen na de dood van haar man ontworpen en Truus is er altijd blijven wonen. Nichtlief had het me al verteld, een boek met snufjes kunst, snufjes reizen, snufjes Utrecht, snufjes filosofie en ze vond het allemaal bij mij passen. Er staat een hele verhandeling in over de beroemde Rood-Blauwe stoel en de Steltman stoel. Ontwerpen van zijn hand, die voor een deel zowel handmatig als fabrieksmatig in elkaar zijn gezet.

Een vriend van Jan woonde twee jaar in de kamer beneden, waar oorspronkelijk het architectenbureau van Rietveld en Schröder gevestigd was. Voor Utrechtse begrippen is het een uniek huis. Truus zegt over haar verhouding met Rietveld: Hij gaf mij het medicijn waarmee ik zou durven leven. Leven vanuit je zintuigen en vanuit die gewaarwording jezelf opbouwen, bewust worden. Wat je zintuigen ervaren dat moet je hoog aanslaan. Elementair zijn. Niet de hoeveelheid die telt, maar de kwaliteit. Ik was er rijp voor en hongerig. Ik had zoveel gemist’. Truus volgens Rietveld: ‘Jij strooit ideeën om je heen’ en ‘Wat ik het meest in je bewonder is je verwondering’.

Iets om even op je in te laten werken vooral als Truus aan het eind van haar leven nog schrijft: Als je in staat bent om van uit jezelf te leven, kun je spreken van een geslaagd leven.’ Al moet ze toegeven, dat dat slechts zelden lukken zal.

De Weemoed van een Reiziger brengt je op veel plekken en het heerlijke is dat je het na een verhaal kan laten rusten tot er een moment is voor het volgende. Op dit ogenblik past het zeer in de tijd. Er is nog zoveel dat aan de uren knabbelt.

Overpeinzingen

We gaan het zien en beleven

Een toertje maken en dan een geschikte plek vinden om je auto kwijt te kunnen zodat er gewandeld kan worden is hier soms zoeken naar een speld in een hooiberg. Maar aan de rand van het Duna-Drava Nationaal Park zagen we een parkeerplek liggen en zoefden er vervolgens even zo vrolijk langs, helaas. Om dan een plek te vinden om te draaien is ook mijl op zeven, maar het lukte. Agaath mocht uitrusten en wij wandelden het bos in, terwijl ik nu voor het eerst eigenlijk echt, de GPX tracker inschakelde. Deze wouden zijn zo immens groot, dat je er makkelijk kan verdwalen ondanks een wandelroute.

Met sandaaltjes aan kom je niet zo ver en we hadden ook het draagbare stoeltje vergeten, waarop ik af en toe kon rusten als we langer zouden willen lopen dan twee kilometer of daaromtrent. Zaak was in ieder geval om op de paden te blijven wat de wandeling minder spannend maakte, maar wat wel zo veilig was. Alles bij elkaar genoten we toch even van dit kleine stukje natuur, de enorme bomen met hun grillige basten, de zandpaden, de stilte met name. We kwamen uit bij een spoorwegovergang en besloten de volgende keer, beter uitgerust, daar verder te wandelen.

Vlak daarvoor waren we op de bonnefooi een dorpje ingereden, waar wonderlijk werd gereageerd, argwanend gekeken naar de auto en terwijl we twintig reden gemaand tot nog zachter, een meisje met een jonger broertje dat alleen maar in de ban van haar telefoontje was en niet op of om keek, een vrouw die daar weer boos om werd, huizen die onbewoonbaar leken en toch bewoond waren en we wisten intuïtief, hier konden we maar beter niet gaan wandelen. Qua sfeer nodigde het in ieder geval niet uit.

Na de boodschappen wachtte ons thuis nog een reddingsactie. Er zat een grote groene sabelsprinkhaan tussen twee deuren in vast in het spinrag maar hoe zij ook trok met haar poten, ze kon niet echt van dat plakkerige goedje af. Papiertje en voorzichtig richting gras schuiven, ze kon af en toe haar vleugels alweer uitslaan en even later hield ze zich vast aan de grote grasspriet waar ze op was gezet. En toen we even later keken was ze al weggesprongen of gevlogen.

Voor de avond hadden we een film uitgezocht. Het was The Unlikely Pilgrimage of Harold Fry naar het boek van Rachel Joyce door de regisseur Hettie Macdonald. Het gaat over een spontane wandeltocht van een oude man dwars door Engeland heen, een tikkeltje sentiment, een vleugje romantiek, een piezeltje maatschappelijke onrust, een staartje massa hysterie, een wolk van vaderschaamte en een altruïstische dappere daad op een hoop en je hebt het beeld van de film zo’n beetje. Toch was het fijn om temidden van de onheilspellende berichten die hier in flarden neerdalen een staaltje goedheid der mensen te mogen smaken. Soms is daar ineens veel behoefte aan.

Prinsjesdag, maar naast de hoeden en hoedjes kunnen ze beter ook grote zakdoeken meenemen om het tranendal te stelpen dat vandaag als regen over de hoofden neer zal dalen. Welk verhaal heeft men voor ons gebrouwen. We gaan het zien en beleven.

Overpeinzingen

Daar gaan we dankbaar gebruik van maken

Enkele dagen geleden schreef ik over de brievenbus op de begraafplaats. Het was een passage uit het boek De Weemoed van de Reiziger van de schrijver Jan Brokken. Ik vond het een tof idee. Het verhaal ging aan het eind van het hoofdstuk nog verder. Het bleek namelijk te gaan over het graf van de Andalusische dichter Antonio Machado in Collioure, France. Het graf trok veel bezoekers, die allemaal iets achterlieten, een brief, een gedicht, woorden van bewondering, een vraag om voorspoed, foto’s, zakjes Andalusische aarde, noem maar op. De burgemeester wilde hier paal en perk aanstellen omdat het hele kerkhof bezaaid lag met deze parafernalia als er een flinke wind had gewaaid. Dus verzon hij het lumineuze idee van een brievenbus. Een keer per week trok de postbode naar de begraafplaats en eens in de maand werd de brievenbus geleegd door een vrijwilliger van de Stichting Vrienden van Antonio Machado. Het bewijs, dat zijn grootste wens, ‘Dat zijn woorden bleven voortleven’ een feit was.

Gisteren werden we overvallen door een enorme stortbui. Het had weliswaar wat gerommeld, maar toch bleef de zon schijnen. Er was boven duidelijk een gevecht gaande om het recht van de sterkste, want terwijl de regen met bakken tegelijk naar beneden kwam, bleef de zon stug volhouden, bijna tot aan de laatste snik. ‘Eigenzinnig en niet bang’, om met Annie M.G. Schmidt te spreken. En wonderlijk, geen regenboog te bekennen tegen die dieppaarse dreigende lucht.

De hagedissen op het terras hebben een leven als een luis op een zeer hoofd. De overrijpe vijgen vallen bij bosjes als pap uit de bomen en alles wat vleugels heeft en zoemt komt zich tegoed doen aan dat heerlijke goedje. Om beurten sneaken hun grote vijanden naar dat luilekkerland en snaaien snel met hun tongetjes een dikke wesp of vlieg weg. De vlinders, die ook dol zijn op dat heerlijke zoete goedje, worden door de wespen verjaagd. Een atalanta ging daarom maar eens overmoedig met de vleugels plat op het beton doodstil liggen. Een baken van rust. Had ze zich groot gemaakt en zo de wesp afgeschrikt. In ieder geval lieten ze haar toen wel met rust.

In de potten waarin de kantige look zo uitzonderlijk lang en uitbundig hadden gebloeid, zijn nu nieuwe asters gezet, prachtig violet van kleur, haar paarse zusjes staan al volop in bloei en trekken vooral de bijen aan. De look verhuisde naar de tuin. Vriendlief had opgemerkt dat je door Duitsland en Oostenrijk rijdt met een redelijk schone ruit om vervolgens binnen een mum van tijd in Hongarije onder de insectenspetters(helaas)te zitten. Hier is veel wilde en ongerepte natuur en relatief weinig verkeer, al neemt dat wel enorm toe de laatste jaren.

Dochterlief belde gisteren lang en uitvoerig. Zo gezellig altijd op zondagochtend. Het hele stel nog in pyjama met een slaaphoofd, maar uitgelaten en vrolijk. Ze heeft af en toe last van wat echte vrouwen perikelen. Dus daar waren de overbekende vragen. ‘Had jij dat nou ook?’ of ‘Hoe ging dat bij jou?’. Dat had ik ook graag van mijn moeder willen weten, die in mijn ogen vrij soepeltjes door dit soort processen heen rolde. Maar ik was 38 jaar toen ze overleed en was argeloos en zorgeloos en er totaal niet mee bezig van wat er eventueel nog zou kunnen komen. Dus waren er ook geen vragen in die richting. Er waren zes broers boven me en die zaten nergens mee. ‘Het kan verkeren zei Bredero’ en zo werd ik wijs door de ervaring. Wat fijn dat ik nu mijn lieve schatten het een en ander in kan fluisteren. Daar gaan we dankbaar gebruik van maken.

Overpeinzingen

Om zelf sjeu aan het leven te geven

Een nieuwe schrijfingang: Wie ruikt lekker.

De wereld ruikt alleen nog maar scherp. Scherp zoet, zout of bitter, scherpe rook of chemisch en verder gaat het leven reukloos voorbij, al een paar jaar. Verliezen van geuren gaat geleidelijk. Tot voor twee jaar terug waren lekkere geuren als knoflook, kaneel of anijs nog bij me. Maar nu vult mijn geheugen alles in voor dat werkloze trilhaarepitheel. Vooral zonder ui-, knoflook-, munt- en basilicumgeuren te moeten,  vind ik een verlies. Maar daarom niet getreurd. Het staat me nog vers voor de geest hoe het allemaal gegeurd heeft. Combinaties kan ik feilloos op mijn herinnering maken. Koken is een van mijn liefste bezigheden. 

Nu ik terug wil naar mijn jeugd en naar hoe mensen roken en wie, dan wordt het diep graven. De eerste geurherinneringen die opkomen zijn de mottenballen in mijn moeders klerenkast. Maar dat rook minder aangenaam toen dan dat ik me nu voor de geest kan halen. Elke zondag naar de kerk. Daar waren mensen die naar kamfer roken met hun zwarte kamgaren winterjassen, waarbij die geur zich bij de mannen nog mengde met sigarenrook of pijp. Zo’n zware lucht. Niet echt lekker maar wel heel vertrouwd, want zo rook opa ook. Naar sigaar en kamfer. Opa was lief. 

Iets later lagen er maja-zeepjes uit Spanje tussen mijn moeders kleren in hun zwart met rode papiertjes en kwamen er zakdoekjes met eau de cologne erop, een paar druppels uit de grote fles met het blauwe etiket en de krullerige letters en als ze de was deed rook zij en de hele keuken naar sunlight zeep, die wij dan mochten kloppen. Zachte geuren. Later werd dat vervangen door Dreft en Biotex, mijn moeder zwoer bij Biotex. Dat waren de lekkere geuren van het verleden, samen met de wierook, de brylcreem en de scheerzeep. Ze werden extra lekker omdat er een groot contrast was met hele nare geuren. Die van de fabriek van de Benenkluif op de Lange Lauwerecht, een penetrante geur van verbrande botten en verschroeid vlees die over alle straten hing en de zware koolraap- en bloemkoollucht in huis, als ze tot pap gekookt werden. 

In Frankrijk leerde ik de frisse Marseille-zeep kennen. Wat een heerlijk goedje was dat. Je waande je in een veld vol bloemen als je een bloes aanhad, die gewassen was met Marseille-zeep. 

In mijn puberteit kwamen er heerlijke geuren bij, die van Musk, Patchouly en Afghaanjassen. De allerlekkerste grond-geuren die je maar kan denken, zelfs als de jassen nat waren. Musk rook heel sterk en stoer, maar de patchouly maakte alles in me los wat er aan beleving te halen was. Ik droeg de druppeltjes achter mijn oor of op een van de polsen met verve. Dat je zo in een geur past. Toen ik ‘m in de verpleging niet meer opdeed, vergat ik het een beetje en werd die eigen-wijze geur gesmoord in de Chanel 5 om me heen, die in de verpleging in de mode was in die dagen, maar eenmaal opnieuw geroken wist ik: Dat is mijn geur. Daar wil ik alleen nog maar naar ruiken. Vanaf die tijd in de jaren negentig nooit meer zonder mijn Patchouly de deur uit. Ook dat ruik ik niet meer, maar wat zou ik dat toch nog graag een keer willen opsnuiven.

Bijvoorbeeld ook de geur van boeken, ieder nieuw boek weer, vers van de pers en daarna alle oude boeken in hun kasten of de simpele dingen als hoe ene krant ruikt of de pas gewassen baby-haartjes met Zwitsal, iets lekkerders, mooiers en onschuldigers bestaat niet. Zijdezacht en heerlijk om tegen je aan te koesteren en diep op te snuiven opdat je nooit vergeten zal hoe dat intense gevoel was.

Je weet pas wat je mist als het er niet meer is. 

Er gloort hoop aan de horizon, want er is iets uitgevonden tegen Anosmie. In de wintermaanden ga ik daar achteraan. Wie weet wat het oplevert. Vroeger zei men bij het moeten maken van een keuze: ‘Nee heb je en ja kan je krijgen’ en ‘ Niet geschoten is altijd mis.’ Zo is het maar net. Het is de moeite van het proberen waard, want zonder geur en smaak is het leven wat minder spannend geworden, een tikkeltje vlakker en moet je alle zeilen bij zetten om zelf sjeu aan het leven te geven.

Overpeinzingen

Weidsheid, schoonheid en stilte

Confetti was de schrijfingang van vanmorgen. Onmiddellijk moest ik denken aan de spikkels op de golfjes van een kalm water als de zon er laat haar licht op laat schijnen. Maar ook aan de lol die we met de kinderen van de groep hadden, als de wind alle bladeren op een grote hoop had laten waaien in de herfst. Niets leukers dan er doorheen ritselen met je voeten en daarna met handen vol ze in de lucht gooien, zodat ze weer naar beneden zouden vallen.Staaltje confetti-leut van de natuur. Natuurlijk konden de bloesembomen ook niet uitblijven. Hier op de Hof met al haar wilde pruimen en kersenbomen, mirabellen en kroosjesbomen dwarrelen er na de lente aardig wat wolken confetti naar beneden en in de zomer of de herfst met de val van het fruit het doen ze het nog eens dunnetjes over. Om over de Japanse bloesembomen maar te zwijgen. Confetti genoeg.

Stef Bos heeft het in zijn nieuwe column in de Zin over Voltaire en Nietzsche, en hoe we in deze tijd de grote denkers missen. Hij haalt een bekend zinnetje van vroeger aan: ‘Wat je zegt ben jezelf’ en hoe waar het is wat daar staat. Als een ander wat over jou te zeggen hebt, zegt het meer over degene die dat zegt. Dat is mooi hè. Als je dat kan bedenken en je niet gelijk in de emotie schiet. Dat geduld en die wijsheid zou ik wel willen hebben.

We waren gisteren de film 45 Years aan het kijken in navolging van The South Path. Ook een ouder echtpaar en een wonderlijk ontdekking, waardoor hun leven vooral een moeizame wending neemt. Jaloers zijn op iemand die nooit met de man getrouwd is geweest met in je hoofd de veronderstelling dat dat had kunnen gebeuren als niet…Als/Dan is geen slimme leidraad en jaloezie op zo’n leeftijd is bijna niet meer mogelijk, bedacht ik me. Of in ieder geval, dat zou er niet meer moeten zijn. Blijf in gesprek, praat het uit, stop niets weg in die donkere krochten van je ziel. Daar worden we niet vrolijker van, integendeel. Midden in de film werd ik gebeld. Het was vriendinlief die video-belde omdat de kamer vol zat met de reünie-gangers. Zo gaaf om al die vertrouwde koppies te zien. Geen idee hoe ik er aan de andere kant uitzag, want moe en murw, haha. Ze herkenden me in ieder geval nog, maar verstaan kon ik ze nauwelijks. Toch was het heel fijn.

Klaas Vaak was kennelijk door zijn zand heen, want ik was om twee uur klaar wakker. Ik begrijp hier de honden niet, die buiten op het erf de wacht moeten houden. Ze slaan geregeld aan en ik heb niet de indruk dat er dan gekeken wordt of er iets mis is. Zelfs het bejaarde mottige scharminkeltje van de buurvrouw doet mee, vlak onder ons open raam wel te verstaan. Dat is vast ook een van de oorzaken. Maar als je niet op onderzoek uitgaat, dan sla je de plank toch mis als er ineens wel wat zou zijn. Blaffende honden en bosmaaiers zijn helaas alom vertegenwoordigd. Zaak is je er niet aan te gaan ergeren. Soms lukt dat de ene keer beter dan de andere.

Gisteren zaten we op de grens van het bos en de nieuwe voedselhof en we hadden het uitzicht over de grote wolkenpartijen die langzaam maar gestaag langs dreven als grote schepen van licht en lucht en ik bedacht hoe dankbaar je kan zijn voor zo’n uitzicht met die weidsheid, schoonheid en stilte.

Overpeinzingen

Altijd weer een feest

Nog snel de rijpe vijgen geplukt voordat ze voos door de wespen uit de boom op de grond ploffen. Iedere dag een maaltje. Gisteren wilde ik gekarameliseerde vijgen met kip maken, maar door het schilderen, twee doeken afgemaakt en aan het grote doek verder gegaan, was ik eigenlijk te laat en te moe om er nog aan te beginnen. Wel heerlijke gebakken spruiten met ui, paprika en kip en aardappeltjes gemaakt. Zo’n tijd geleden.

Gisteren hadden we zin in een échte film en hadden het Zoutpad gekozen. We hadden het boek alle twee gelezen en het lag ons zeer na aan het hart. De beschrijvingen van de natuur en het gevecht ermee door de ziekte van Moth was iets dat we ons heel goed voor konden stellen. Alle drukte om de reputatie van de schrijfster en wat nu wel of niet waar is van het verhaal boeide ons eigenlijk niet. Het was een pakkend verhaal, goed beschreven en daar draait het wat ons betreft vooral om. We hebben elk detail van de film dan ook goed in ons opgenomen, vooral omdat we het op de Ipad keken, omdat de televisie het al een tijdje heeft begeven. Dan word je letterlijk en figuurlijk met je neus op de feiten gedrukt. Naar onze bescheiden mening komt de film, met het boek in je achterhoofd, heel goed uit de verf. De strijd, de natuur, de summiere aanwijzingen naar de beginsituatie en het waarom ervan. Goede acteurs, mooi beelden van de natuur en van de worsteling en gaandeweg de film verbreden de beelden zich, net als hun blik op de wereld, zoals er in de VPRO-recensie wordt gezegd, waarin het camera werk van Hélène Louvart wordt geprezen. Wij hebben er met veel genoegen naar gekeken en bedacht, dat we hier ons eigen (zout)pad hebben om te ontginnen. (De voedselhof). Werk tot in de Eeuwigheid.

Zoonlief belt en zit met de kleine Njong aan het ontbijt. Maar die is allang niet klein meer en praat, als hij niet verlegen is, al heel wat. De reis naar Ambon en Bali is heel goed bevallen en vooral de laatste tien dagen op Bali, een wonderschone plek met veel zee, zon en schoonheid. Ze hebben een pan vol met de prachtigste schelpen. Geweldig mooie exemplaren zitten er tussen. ‘Parels van de zee’ vind ik.

In het boek Het Kwartet vindt een kleine kentering plaats als de vier vrouwen zich meer gaan roeren binnen de wereld van de filosofie. Ze verwerpen de filosofie van het logisch positivisme van Ayer, die met zijn boek Language, Truth en Logics aardig wat te weeg had gebracht in Oxford en Cambridge. Zijn analytische filosofie liet geen ruimte voor levensvragen. Maar de vier vrouwen, met de oorlog nog maar net achter hen, verzetten zich tegen die rationalisering, waar het gevoel niet meer aan te pas kwam. Samen pleitten ze voor de herwaardering van de moraalfilosofie.

In onze gesprekken over het boek voelen we onze verbondenheid des te meer en niet alleen is het boeiend om samen over de verschillende vormen van die filosofiegeschiedenis te praten, maar onderscheiden we ook op onze eigen manier de zin van de onzin. Ik vertel Lief hoe boeiend het was als je begint met het principe van de filosofie aan kinderen van vier tot zes te leren. Namelijk het stilstaan en de bewustwording van een object, een glas, een stuk fruit, een sleutelhanger, door te observeren, te voelen, te ruiken, te kijken en eventueel te proeven en door het te laten omschrijven. Het leverde in de filosofielessen altijd prachtige momenten op, waarbij de kinderen in de groep feilloos de diepte in konden gaan door hun schrandere opmerkingsvermogen. Dat is de waarde van de aandacht voor de filosofie in het bijzonder. Altijd weer een feest.

Overpeinzingen

Omdat woorden zo helend zijn

‘Wat is je lievelingswoord,’ vraagt WordPress aan haar gebruikers. Ik heb er een die alleen mijn collega’s kennen, omdat het een verbasterd woord is dat voor mij uit de koker van Annie M.G.Schmidt komt. Het is het woord ‘Stekeletee’, in de betekenis van een nijdasserig prikje in de discussie, een steek onder water, olie op het vuur. Steketee is een achternaam die zowel in Annie’s Beertje Pippeloentje als in het Nederlandse namenregister voorkomt. Maar Stekeletee is door mij naar een heel ander niveau verheven. Wat mij betreft dekt hier de vlag geheel en al de lading. Je voelt het prikken in je nek.

Het is regenachtig buiten, maar heerlijk weer om te werken in het atelier, deur wagenwijd open, frisse lucht erin en gaan. Er waarde een goede vibe rond. Twee doeken afgemaakt naar volle tevredenheid en door zoonlief nog even op een kleinigheid gewezen, altijd fijn als de familie meedenkt. Mijn eerste criticasters.

Met het tekendagboek ben ik nog steeds een inhaalslag aan het maken. Ik loop nu nog een weekje achter. Stug doorgaan maar. Even zonder inkleuren, dat kan altijd nog. Ik ben nog een beetje op zoek naar een betere invulling ervan, misschien een zonder woorden tekendagboek?

Het boek dat ik van nichtlief heb gekregen voor mijn verjaardag: De Weemoed van de Reiziger van Jan Brokken begint aanstekelijk en zet me onmiddellijk aan het denken. De hoofdpersoon uit het eerste verhaal loopt op een snikhete dag over de begraafplaats en ontdekt ineens bij een grafsteen een brievenbus. Brieven aan de overledene? Eerbiediger dan bloemen. Zeker als de overledene een dichter is. Twee intrigerende dingen. De brievenbus, brieven aan een overledene, zet aan het denken tot wie ik me zou wenden voor een dergelijke brief. Waarom is een brief eerbiediger juist voor de dichter, dan voor een ander.

Met het doek in mijn achterhoofd, dat op een kleinigheid na af is is de brief natuurlijk voor haar, mijn schoonzusje. Op haar begrafenis of crematie ben ik niet geweest, maar dankzij het verhaal van Jonathan de zeemeeuw die ze zelf heeft uitgekozen als omlijsting voor haar heengaan, was ik er toch bij. De zeemeeuw wil bij het vliegen steeds nieuwe beperkingen overwinnen en wordt daardoor het symbool van het verlangen van de mens naar onbegrensde vrijheid. Het wordt een dankbrief voor alle tijd die ze heeft gestopt in de hulp aan haar broer, de vader van de kinderen, om hem te helpen bij de moeizame weg die hij de laatste jaren te gaan had. Steeds stond ze klaar om hem op te halen of weg te brengen als dat nodig was of voor een goed gesprek en bracht op die manier meer balans in de situatie. Ik zou ook willen vragen hoe ze op het idee is gekomen om het verhaal van Jonathan als leidraad voor het afscheid te gebruiken, omdat ik het een geweldige vondst vond. Het past haar als een handschoen. In ieder geval een brief in liefde.

Als ik zo’n brievenbus tegen zou komen bij een grafsteen, dan zal het moeite kosten om niet even stiekem te kijken of er brieven in zitten, én zo ja, om ze dan niet even stiekem te lezen. Maar dat zou ongepast zijn. Handgeschreven brieven erin denken is misschien wel net zoveel waard. Bij nader inzien lijkt het me wel wat. Geen grafsteen maar een brievenbus en heel veel post. Het mes snijdt aan twee kanten. Aandacht voor de lieverd die er ligt en troost voor degene die schrijft, omdat woorden zo helend zijn.

Overpeinzingen

Een lange weg te gaan

Het was gisteren hagedissendag. Ze hadden kennelijk besloten om het terras tot hun wandelgebied te maken. Eerst wandelde een grotere hagedis met zijn mooie groen/bruinige kleurtjes rond, dook tussen de bloeiende basilicum en vervolgde daarna de weg vice versa over het terras weer terug. Even later kwam spuit elf ook langs, een ieniemienie bruine versie van zijn pa of ma. Wat zijn ze toch grappig deze bijna préhistorische beestjes met hun geschubde huid, de grote kaken en die kleuren. Het grut is klein, glad en bruin en ze schieten voor je voeten weg als je door het veld loopt. Vorig jaar hadden we per ongeluk de eieren opgegraven bij het planten van de tijm. Ze leggen de eieren in de vroege zomer en in deze maanden komen die dan uit, getuige de vele jonkies.

Ik weersta de verleiding om aan de rozenbotteljam te beginnen. De wilde rozen bottelen overal. Prachtig om te zien. De informatie op internet leert dat het in januari de beste tijd is om ze te plukken, als de eerste vorst er over is geweest zijn ze zoeter en zachter. Als ik in mijn geheugen graaf, kom ik de rozenbotteljam in de kelder van ons ouderlijk huis tegen, gekocht wel te verstaan, en toen de kinderen klein waren gaven we ze rozenbottelsiroop. Ook dat is kinderlijk eenvoudig om zelf te maken. Toch eens proberen van de rozen op de volkstuin straks.

Het portret begint te komen, ineens was haar koppie er. ‘Moeilijk lijkt me,’ schrijft vriendinlief. Maar het is ook fijn aan de andere kant, om zo intens met haar te leven nu ze er niet meer is. Het is wel zoeken en de kalmte bewaren, niet toe te geven aan de drang om overnieuw te beginnen, maar stug door te blijven zoeken.

Dochterlief belde gisteren lang en uitvoerig. We hadden het over de tocht tegen femicide die in Utrecht was gelopen door veel vrouwen en mannen en ze vertelde dat de filosoof opmerkte dat iedereen wel boos leek op hem. Hoe leg je uit aan je zoon, waar je alle hoop van de wereld aan mee wil geven, hoe dit gegroeid is en dat het niet gaat om mannen in het algemeen maar bepaalde mannen in het bijzonder. Dat we de opvoeding misschien anders moeten aanpakken op gebied van respect en taal, dat we moeten leren elkaar ruimte te geven en hoe moeilijk dat is in tijden dat je zelf nog volop aan het zoeken bent, bijvoorbeeld tijdens de pubertijd. Dat het om bewustwording draait en rekenschap geven, verantwoordelijkheid nemen, maar ook geven. Met Lief filosoferen we er over door, na het voorlezen van Het Kwartet, waar de vrouwen ook worstelen en dan zijn dit nog wel de meest bevoorrechte vrouwen van hun tijd, want ruimdenkende of rijke ouders. Ga er maar aanstaan. Het begint met acceptatie van jezelf.

Het is fijn om zo met elkaar verweven te zijn dat je alles, maar dan ook alles met elkaar kan bespreken. De schrijfingang van vandaag was: ’Bij wie ben je kind aan huis’. Vroeger of nu. Het sluit aan bij onze gedachtengang van gisteren. Mijn slotconclusie was: ‘Kind aan huis-zijn is vooral daar waar je je veilig voelt en je geen schone schijn hoeft op te houden. Waar het vertrouwd ruikt en voelt en waar een sfeer is van huiselijke geborgenheid. Waar je jezelf mag zijn.’

Dat betekent, dat met die kennis van het eigen ik, je de wereld onbevangen tegemoet kan treden. Hier ben ik en ik weet wat ik waard ben. Vaak is er, om dat te bereiken, een lange weg te gaan

Overpeinzingen

Dat geeft de burger moed

Dochterlief belde, ze had een vijg en een clematis in de aanbieding plus schone zoon die wel een plantgat wilde graven op de volkstuin. Waar zou het allemaal kunnen staan? Van mij kreeg ze groen licht om dit naar goeddunken te doen. Later een videobelletje van de door brandnetels en Nicandra overwoekerde tuin en daarna de foto’s van een deels opgeschoonde tuin, de vijg zolang voor de composthoop,, omdat die eruit gaat in november als ik er weer zelf aan de slag kan en de clematis tegen het hek tussen dochterlief en mij in.

Wat een heerlijk begin van de dag. Het werd al snel broeierig warm. Ik trotseerde de vele wespen en plukte de rijpe vijgen uit de boom. Na het wassen, sneed ik ze in vieren. Deksel op de pan. Na de boodschappen mocht de kook erover. Vijgenjam was de bedoeling. Er staan al drie potten vijgenchutney. Dit zou ook weer een beste voorraad worden. En de boom hangt nog boordevol.

Voor de uitgebloeide kantige look uit de grote potten hebben we plek in de border gemaakt. Daar mogen ze voor vast blijven staan. Het blijkt dat de hele plant te eten is. Stengel, blad en vrucht zijn als een geurige look te gebruiken. Eens kijken of we zaad kunnen overhouden.

Na de boodschappen alweer een verrassing. Post met een QR-code waarachter oudste dochter met haar gezin bleek te zitten, ze zongen drie verjaarsliedjes door elkaar en je kon de snelheid ervan verhogen of verlagen. We hebben hier zitten schuddebuiken van het lachen, wat een heerlijk alternatief voor ‘even langs komen’ wat hier ten enenmale onmogelijk is.

De vijgen gingen voorspoedig en tegelijkertijd maakte ik een overheerlijke paprikasoep met vis en aardappel. Multitasken is ons al zolang gegeven. Een oog op de vijg, een oog op de soeppan. Beide waren goed gelukt. Geen kleine potten meer voor de jam, dan maar grotere. Wel even de staafmixer erdoor. Dat resulteerde in 2 1/2 pot.

Het voorlezen in het Kwartet van Clare Mac Cumhaill en Rachael Wiseman houden we goed vol. Iedere avond zakken we, in de luie stoelen buiten, af naar de perikelen van de vier vrouwen in en rond oorlogstijd. De oorlog is inmiddels afgelopen en er dolen door Europa enorme hoeveelheden ontheemde mensen rond zonder huis en haard. Berooide vluchtelingen zonder bezit. Iris Murdoch ontmoet Sartre en dat levert een interessant hoofdstuk op. Sartre losgeweekt van de Beauvoir biedt een ander perspectief. De paralellen met de huidige tijd zijn opmerkelijk.

De nieuwe Groene heeft de gids als bijlage en een bijlage van 20 jaar Muziekgebouw. Lange artikelen, veel leesvoer. Nichtlief vroeg vorige week of ik ‘m altijd helemaal uitlas. Nee, dat niet. Ik heb zo mijn lievelingsrubrieken. Als iets me niet trekt sla ik het over. De keuze van de vrije wil. De concentratie is er ook niet altijd. Soms merk ik dat ik weg dwaal en moet ik teruggaan om te lezen wat ik eigenlijk al gelezen heb, maar zonder me er bewust van te zijn omdat ik aan de tuin dacht, aan de kinderen, aan een kolibrievlinder, aan de wolken, aan een ander boek. Wegdromen. Dat is eigenlijk een zeer aangename bezigheid, die we wel eens wat serieuzer zouden mogen beoefenen.

Aanstaande vrijdag is er een reünie van de collega’s van de Jenaplanschool. Ik ben er niet bij. Ik wilde erbij schrijven ‘spijtig genoeg’, maar toen bedacht ik me. Spijt is het niet. Jammer ja, maar het kan altijd in de herhaling. Ik mis wel meer. Als dat altijd spijtig wordt gevonden, zwelg ik hier van heimwee en dat is het niet. Nu zijn er de videoboodschappen van thuis, de vrolijke kaarten, nicht en haar man als vrienden voor het leven, straks zijn er de kinderen, de collega’s, de familie, de zussen, de week uit met de twee dochters. Andere leest, nieuwe verhalen. Dat geeft de burger moed

Overpeinzingen

De Sprong

Het schrijven van vandaag wil ik jullie niet onthouden. Het kriebelt vast wat herinneringen los. De schrijfingang was ‘De Sprong’.

Dag 19) De Sprong

Er stond een lange rij voor mij. Zoals altijd was ik als achterste aangeschoven. Hoe langer je het moment kon uitstellen, des te beter. De gymleraar stond naast de bok. Er was nog geen afzetplank. Voor de meesten was dat niet nodig. Immers we waren de hele dag buiten aan het bokkie pie-en zoals dat op straat heette. Niet dat ik daar ooit aan mee deed. Het lokaal waarin we waren was hoog. Aan de muren grote klimrekken, hoog boven ons de ringen, die je naar beneden kon laten zakken. Een onbestendige grijze vloer. Er hing een lucht dat een mengelmoes was van gummi en zweet, onaangenaam, in mijn geval kwam daar ook nog angst bij. De houten lange banken aan weerskanten tegen de hoge muren. Er viel licht door de ramen hoog bovenin de ruimte, die met een hendel open waren te trekken. 

Nog een halve klas voor me. 

Verderop stond de lange bok met de twee steunen erop. Vandaag was de kleine aan de beurt. De vloer trok koud op onder onze blote voeten. Hierna zouden de ringen en het touw aan de beurt zijn. De bedoeling was langs het touw omhoog te klimmen. Dan bungelde ik als een hoopje ellende onderaan en probeerde wanhopig maaiend met mijn benen om omhoog te komen. Iets wat eenvoudigweg niet lukte. De ringen gingen beter, maar een vogelnestje maken was voor iedereen die magerder was dan ik een peuleschil. Zwaaien was al wat ik kon. Springen was helemaal mijn stiel niet. Eigenlijk was de hele gym niet aan mij besteed. Gaf mij maar een boek, dan sprongen mijn ogen gretig over de letters en las ik soepeltjes mijn hele hoofd vol. 

Nog een/derde klas voor me. 

In een nis lagen de matten en de hoepels. Dat laatste kon ik wel. Zelfs met zes stuks tegelijk. Er is nog ergens een foto met afgetrapte gympies, een pony tot bijna over mijn ogen en al die hoepels om mijn lijf. En maar draaien. Zo heerlijk. Tollen ging ook altijd goed. Een flinke zwieper aan de tol en prrrrrrrrrt daar danste hij over de stenen, zo snel dat je alleen een egale kleur zag.

Nog vijf kinderen voor me

Ik stelde me voor dat ik vleugels had en weg kon vliegen, ontsnappen uit de rij. De barse stem van de gymleraar, het tellen, de afzet op je blote voeten lagen ver onder mij en ik vloog en vloog, recht het raam uit, als een veertje zo licht, de vrijheid tegemoet. Langs de kerktoren, boven het klooster en hoger en hoger. Kijk eens, ik vlieg!

‘Van der Linden’ Dertig paar ogen waren op mij gericht. ‘Stond je weer te dagdromen.’ Ook daar was ik goed in. ‘Nee, meneer.’ ‘Nou, je bent aan de beurt. Aanloop, afzet, spring!’

Het klonk zo simpel en als je geluk had, hield ie je vast bij een arm en sleurde je erover heen. Alleen, bij mij ging dat anders. 

Ik haalde diep adem, nam een aanloopje, zette af en…Klapte met bok en al omver. ‘Wat doe je nou’ riep de man verschrikt. ‘Uh…Ik sprong’. De joelende kinderen langs de kant hoorde ik niet omdat ik verwoed de tranen aan het wegslikken was. Ik nam me voor om nooit, maar dan ook nooit meer mee te doen met gym. 

_________________________

Overpeinzingen

Net als de bellen aan de hop

Hoera, we hebben Hop met bellen. Dat wil zeggen: We hadden hop met bellen. Die mooie eigenwijze plant was in de den gekropen en Jozef had zonder te kijken de boom al vrijgemaakt. Voor volgend jaar mag deze prachtige hop gewoon de boom in, letterlijk dan en niet figuurlijk, natuurlijk.

Vandaag is er een feestje in de familie en schitteren we door afwezigheid, maar in gedachten zijn we erbij. Zoonlief beloofde te videobellen. Dat is het mooie van deze tijd. Afstanden zijn met gemak te overbruggen. Veraf is ineens dichtbij. Gelukkig maar.

In de kunstbrief van See All This staat een schrijven over een opmerkelijke vrouw. Isabella Ducrot, die zich zelf ‘een oude dame uit Napels’ noemt en kunstenaar is. Ze is pas na haar vijftigste begonnen om haar fascinatie voor alledaagse voorwerpen, haar grote liefde voor textiel en haar gevoel voor schoonheid om te zetten in grote mixed-media werken. Ze stralen fragiliteit en zachtheid uit maar ze zijn oersterk. Ze is nu 94 jaar oud en nog altijd aan het scheppen. In deze fase van het leven kun je niet meer liegen. Je kunt niet anders dan dingen zeggen die waar zijn… Laat de waarheid eruit snikken. Er is geen morgen, er is geen morgen.’ Wat een mooie omschrijving van haar ouderdom. Van de laatste zin zou ik willen maken: ‘En er is altijd de hoop op een nieuwe morgen.’ Anders klinkt het zo eindig.

Ze is ervan overtuigd dat het leven voor veel vrouwen pas echt begint na hun zestigste. ‘-Het moment dat we vrij worden-‘. Dat laatste is achterhaald. Tegenwoordig ligt het aan de keuzes die je maakt, of je al dan niet tijd hebt om je aan iets te wijden. Na je pensioen, merken we hier, is er een veel grotere vrijheid. Maar die komt eigenlijk wel erg laat. Dan is het zaak om ruim voor die mijlpaal met een goede planning toch het nodige te kunnen doen.

Toen mijn moeder alleen nog de tweeling had rondlopen, besloot ze dat ze voor het grootste gedeelte klaar was met de opvoeding en kon ze aan haar zelfontplooiing beginnen. Ze had naast het drukke huishouden altijd al veel gelezen, maar na haar vijftigste waren de gespreksgroepen in de parochie aan de beurt. Ze zette zich in voor de oecumene en zaken als vrouwen op het altaar en struinde tweedehands boekenwinkels af op zoek naar nog meer voeding. Daarnaast werkte ze als vrijwilliger bij de telefonische hulpdienst en ging ze langs de eenzame oudjes in de wijk. Het kerkkoor en de clubjes van het vrouwengilde en de katholieke huisvrouw heeft ze altijd wel aangehouden naast alle drukke bezigheden .

In principe maakte mijn vader hetzelfde door. Zijn grote hobby, sportmasseur, had hij uitgebreid naar een opleidingsinstituut voor fysiotherapie en daar gaf hij enthousiast les aan de jonge studenten. Dat was na een vervroegd pensioen en dat heeft gelukkig nog een aantal jaren geduurd tot een hersenbloeding een einde maakte aan deze opleving. Heel spijtig en wat wisten we toen nog weinig van de aard van die aandoening en wat het teweeg bracht.

Dat betekende voor mijn moeder eveneens het terugdraaien van de activiteiten, al probeerde ze de gespreksgroepen er wel in te houden, want dat was dé voeding voor haar geestelijk leven samen met haar leesuurtjes. Mijn moeder kon verdwijnen in haar boeken en dat bleek een zegen toen er steeds minder mogelijk werd. Een weg vinden om boven jezelf uit te kunnen stijgen. Of je nu kunst maakt of je verliest in een boek. Beiden zorgen voor persoonlijke groei. Iets om te koesteren, net als de bellen aan de hop.

Overpeinzingen

Druiven in de pan en zeven maar

Nichtlief en ik hebben via de app wat oude foto’s uitgewisseld. Mijn moeder in haar dienstje, opa voor het huis in de Meloenstraat, in middels tegen de vlakte, mijn moeder en haar opoe in de Dahliatuin. Een gekleurde trouwfoto van haar ouders. ‘Wat een mooie rijzige vrouw was jouw moeder’ vond ze. Inderdaad en vergeleken bij mijn iets kleinere vader zonder haar viel dat nog meer op. Het huis in de Meloenstraat is tegen de vlakte gegaan, maar ik vind wel een oude foto van het huis ernaast van de kruidenier van mijn moeder. Hij bracht altijd de boodschappen aan huis en je mocht er aan het eind van de maand op de pof kopen. Dat was wel nodig met ons grote gezin. Grappig. Ik kende de foto niet. Nostalgie ten top.

Gisteren kon ik geen foto’s bij de blog plaatsen omdat er geen ruimte meer was, dus vanmorgen begon ik met opschonen hier en daar. Als je je nou verveeld, is dat een klus die je aan kan pakken. Mijn hemel wat is het toch altijd een werk. In het begin liet ik de foto’s groot staan en dan verlies je nog meer ruimte.

Het schrijven van vanmorgen ging over veren en alle sprookjes, boeken en verhalen met en over veren kwamen langs. Achter dat deurtje verbeelding in mijn hoofd zit nog altijd aardig wat opgeborgen, een onuitputtelijke bron welhaast, kan ik stellen. Iedere keer als ik het op een kiertje zet of langs de planken speur rollen er verhalen naar beneden, bestaande en nieuw verzonnen verhalen. ‘Wil je geen kinderboek schrijven’, vroeg nichtlief. Maar ik ben geen afmaker. Ik verzin ze, schrijf ze uit en dan is het klaar. Die andere dingen, verhalen opsturen, uitgevers proberen te vinden en dat soort werk, ligt me niet heel goed. Illustreren ervan dan weer wel. Er zijn hele grappige tekeningen naar aanleiding van de verhalen ontstaan.

Ach ja, zoals ik eerder schreef, de dagen zijn te kort of de wensen te lang. Gisteren een snelle opzet gemaakt in grisaille van mijn, dit jaar overleden, schoonzusje of was het alweer vorig jaar. De tijd vliegt ook op vleugels. Het was fijn om in een paar streken toch al een rake gelijkenis te schetsen. Nu eens kijken of het wil lukken met het aanbrengen van de glacis.

Tussendoor heb ik gisteren aardig wat aan druif van takken en takjes ontdaan. Ze gaan zometeen in mijn pannetje voor de druivensap. De vijg smeekt me om zijn rijpe vruchten bijtijds te plukken, maar die geeft zo overdadig dat we echt wat laten hangen voor de vogels. Ze vallen er dan wel van af en dan wordt er nog aardig door het grondvolk van gesmikkeld.

De laatste was is gedaan. Zoonlief belde. Ze zijn weer een beetje bijgekomen van de lange reis. Zo’n vlucht gaat je niet in de kouwe kleren zitten. Ik ben benieuwd hoe het met zuslief gaat, die direct bij aankomst dezelfde dag met mijn andere twee zussen een paar dagen naar Wijk aan zee gingen. Spijtig om dat te missen, maar ook fijn voor hen, dan konden ze naar hartenlust wandelen zonder mijn zen-tempo. Maar nu even haast maken. Druiven in de pan en zeven maar.

Overpeinzingen

Gelukkig is mijn kinderhand al gauw gevuld

Er was sprake van een tijdverhaspeling. Dat kwam omdat de woensdag bestond uit twee duidelijk gescheiden delen. In de ochtend het ontbijten en het aanstaande vertrek van nichtlief en eega, dat uitgebreid en hartelijk gebeurde. Rond twaalf uur ging het ‘en route’. Daarna viel alles stil en werkten we in ons eigen tempo de verschillende klusjes af. Twee dagen in één en dat levert een Babylonische verwarring op. Dus werd de donderdag vrijdag. Op die dag gingen we de stofzuiger terug brengen naar de winkel omdat hij na een stief maandje stilzwijgend het loodje had gelegd. Iets dergelijks constateerde de chef van de winkel ook zodat hij in de doos met een schrijven van een blaadje of vier en evenzovele handtekeningen retour werd gezonden naar de fabriek. Daarna de boodschappen voor de komende drie dagen in de wacht gesleept en vandaag brak de zaterdag aan die eigenlijk vrijdag bleek te heten. Vrijdag 5 september. Hoe een mens zich kan verrekenen.

De ingang van de schrijfcursus vandaag was: ‘Schrijf een brief’. Daar moest ik even op broeien maar toen wist ik het wel. De enige aan wie ik zeker een brief te schrijven had. Het slot: ‘Onze levens zijn een eigen pad ingeslagen. Heb ik er verdriet van? Dat weet ik eerlijk gezegd niet. Er viel een last van me af. Ik hoefde niet langer meer op mijn tenen te lopen om de boel bij elkaar te houden. Ik ervoer een grote rust. Mezelf mogen zijn en niet op een voetstuk proberen te komen dat ik nooit zou bereiken omdat het niet mijn voetstuk was. Wel wil ik je bedanken. Voor de henna, voor het schilderen, voor het onbedaarlijke lachen dat we samen konden doen, voor de goede kant van onze gedeelde tijd. Een lieve zoen op je neus’. Ber.

Het voordeel van deze cursus is dat je ongemerkt steeds bij jezelf en je diepste innerlijke zijn uitkomt. Niet omdat het moet en verkrampt voelt door een verplichting, maar gewoon omdat het op een heel natuurlijke manier in werking wordt gezet, waarbij de woorden hun eigen zinnen vinden en vormen, warm geschreven en vol gevoel. Een fijne en zinvolle ervaring.

De boekenbabbel is een maand uitgesteld en daardoor nam ik de gelegenheid te baat om in het boek: ‘Ik heb het de tuin nog niet verteld’ van Pia Pera te beginnen. De titel is een citaat uit het gedicht van Emily Dickinson :’I Haven’t Told My Garden Yet’. Daarin wordt gesuggereerd dat er een dag zal komen dat de tuinman zal ophouden met het onderhouden van de tuin. De tuin weet dat niet. De natuur wordt weer haar enige kracht.

Eigenlijk is het verhaal me op het lijf geschreven. Waar eerst nog volop gesnoeid, gemaaid, gezaagd, geklotterd en gesjouwd kon worden, is alles naar een lager pitje gedraaid, zijn er hulpmiddelen nodig om bepaalde dingen te kunnen blijven doen. Een lichtere grasmaaier, een krukje voor het wieden, maar een met steun voor het opstaan daarna, lange zagen op een stok, stoelen in de buurt om op uit te rusten. Kortom dit boek gaat een groot deel over het leven met de opgelegde beperking van een aandoening of het ouder worden én, niet onbelangrijk, een nieuwe kijk op het groeien en bloeien van alles om je heen. Waar planten sterk genoeg zijn blijven ze tot wasdom komen, de zwakkere minrebroeders vergaan. Zodra de acceptatie daar is en het spijtige gevoel is weggeëbd, dan zijn er nog mogelijkheden te over binnen de beperkingen. Een aanrader dit boek met haar filosofische gedachten.

Druivenjacht was de insteek vandaag. Gewapend met hoedje, bril zonder sterkte en snoeischaar ging ik de confrontatie aan. Sorry bijen, wespen en wantsen, er is ook nog vijg en heel veel druif over. Eens kijken wat ik kan versappen van deze trossen. Een paar flesjes is genoeg. Gelukkig is mijn kinderhand al gauw gevuld.

Overpeinzingen

Hoe verrijkend kan het leven zijn

Het huis is opnieuw stilgevallen. Geen stemmen meer in de bibliotheek, geen gerommel in de keuken als er koffie gehaald wordt in de vroege ochtenduren, geen geroezemoes vanaf het terras. Slechts de Turkse Tortel en de schorre haan van de buurvrouw laten zich horen.

Gisterenochtend startte de dag kalm op. Rond half tien zaten we gepikt en gesteven aan de ontbijttafel. Deze hernieuwde kennismaking, want zo lang als nu waren we niet eerder bij elkaar, voelt voor ons allemaal als heel bijzonder. Bovendien hebben nichtlief en ik nog nooit ons beider verjaardag gevierd en ik kan het iedereen aanraden om dat eens op zo’n intieme manier te doen. Stel dat je met al je geliefde vrienden zo de diepte in kon gaan voor een dag of drie. Wat een rijkdom zou dat geven.

De vermeende Leidse kaas voor ons ‘Leidse glibbers’, ooit hebben we acht jaar daar gewoond, viel goed in de smaak en zij smulden van een verse zelf geplukte vijg. Natuurlijk gaat er een pot vijgenchutney en een kersengelei met hen mee naar huis.

De bedbank in de bibliotheek was al helemaal afgehaald en alles lag keurig opgevouwen op de stoelen. De koffers en tassen stonden ingepakt in de gang. Bij het afscheid wisten we alle vier zeker dat dit in de herhaling zou gaan en als we in Nederland zijn dan heeft Amsterdam natuurlijk evenzo een hoge prioriteit.

We omhelsden elkaar hartelijk. ‘Dag lieverds, tot gauw weer.’ In ieder geval wordt er geappt of geschreven en blijven ze zo op de hoogte van onze Hof-activiteiten. Nichtlief heeft bijzonder veel interesse in de eerbied die Lief aan de dag legt voor de natuur, nu we ook weer met de aanleg van de Voedselhof bezig zijn. Vooralsnog heet het ‘de Steppe’, juist omdat er veel van de kruiden, bloemen en bomen nu terug te vinden zijn in hun eigen oorspronkelijke habitat.

In het eerste jaar dat Lief hier woonde had hij toestemming gegeven aan iemand uit de buurt om er te verbouwen, maar daardoor was er wel een rigoureuze ingreep gedaan op alles wat natuurlijk was. Na dat jaar is het niet meer gebeurd, op de pogingen van buurman na en groeide er alleen nog maar lang duinriet tot aan het achterbos. Fijn voor de reeën, maar voor alles wat er ooit groeide, funest. De kennis van nichtlief die ze opgedaan had in haar werk in de medicinale kruidentuin kwam goed van pas.

We zwaaiden elkaar uit, foto’s geschoten en ook uitgewisseld en in de middag kregen we bericht uit Bratislava. Ze hadden een prachtig uitzicht op de Donau en de omringende sparrenbossen. Ik ben benieuwd hoe ze die stad ervaren. Het is maar vier uur rijden van hier. Dus allicht een optie voor een bezoek van een dag of drie. Binnendoor over Gyor duurde het ruim zes uur, ondervonden ze.

Na logeerpartijen valt de leegte extra binnen. Ik probeerde de stofzuiger nog een keer uit en zowaar hij liep weer, maar met een vreemd geluid. Tien tellen later pruttelde hij opnieuw en zweeg in alle talen. Vandaag met stofzuiger en de garantie terug naar de winkel.

Er was tijd te over voor de voorkomende klusjes. Wasje draaien, beddengoed opruimen in de kasten, bank in de oorspronkelijke staat terugbrengen, was ophangen, achterstallig onderhoud in mijn tekendagboek aanpakken en inhalen. Dat lukte op een weekje na, bijna. De twee schrijfingangen van de logeerdagen verwerken en nog een beetje mijmeren en lummelen en mijmeren en lummelen.

Genieten van al wat langs kwam de afgelopen dagen. Hoe verrijkend kan het leven zijn.

Overpeinzingen

Keurig uitgekiend door de weergoden

Na een goede nachtrust op het logeerbed, altijd weer fijn om te horen, volgen snelle ochtendrituelen en om negen uur zaten we aan een ontbijt. Met de Leidse nagelkaas, die heel wat voeten in de aarde had, voordat onze logee hem had weten te bemachtigen, omdat een van de kaasboeren waar hij nul op rekest haalde, hem verteld had dat het Kanterkaas zou heten en bij de volgende kaas’juwelier’ zoals hij het noemde, hadden ze de Kanterkaas wel. Hoera, met een flink stuk rijker richting huis, waar al ras bleek dat het een traditionele harde Friese kaas uit het Westerkwartier bleek te zijn. Ze is herkenbaar aan de platte afgeronde vorm met scherpe rand aan de onderkant. Altijd mooi als iets een anekdote wordt, stof tot praten voor een volgende keer.

Lief werkte nog wat op het land en nichtlief en ik haalden onze gesprekken op over onze gezamenlijke geschiedenis, hoe ik mijn lief en zij de hare ook alweer had leren kennen. Oma en opa kwamen langs en haar vader en mijn moeder, broer en zus. Hoe zat het ook alweer. Er deden allerlei verhalen in de families de ronde en zaak was om waarheid van onvervalst aandikken te onderscheiden. Zij wist weer wat meer te vertellen over onze Opa zijn arbeidzame leven, had er ergens nog een foto van.

De caravan kwam aan bod, om af en toe te ontsnappen aan het Amsterdamse en natuur te snuiven in de buurt van Zutphen en toen haar Lief weer terugkwam lichtte ik een tipje van de sluier op over het projectonderwijs in het algemeen en het benaderen van kinderen in het bijzonder. In dat soort verhalen verlies ik mezelf in een soort verlangen, nostalgie ook, maar tevens met de hoop dat het op een dag nog eens bewaarheid wordt op heel veel scholen. Ik gun het de kinderen zo.

In de middag stond Zsolnay op het programma, een staaltje van de Hongaarse porseleincultuur, maar eveneens alles wat te maken had met het rijke culturele en kunstzinnige leven. De statige trappen(!)met de hoeveelheid beelden er langs, met als ondertoon de klassieke piano of fluit van de muziekschool geven het een sfeer waarvan je droomt als je als jong broekie zou willen gaan studeren.

Af en toe moest ik even bijkomen op een muurtje of een bank, maar die waren er gelukkig genoeg. We gingen naar het kleine winkeltje met snuisterijen en een handjevol brocante, waar de prijzen naar Westerse maatstaven waren opgeschroefd, vergeleken bij de vorige keer dat ik er was en naar de Zsolnaywinkel aan de overkant, waar we ons vergaapten aan het aanbod porselein. Soms prachtig, soms foeilelijk, maar dat is te allen tijde een kwestie van smaak. Er stonden ook prachtige kommen bij met een kloeke vorm en blauwe en groene uitwaaierende tinten, dus vroeg ik aan nicht of dat niet iets was om cadeau te geven aan hen, omdat ik hier geen boeken kan kopen en ze er nu een uit de verzameling had gehad, maar we zo graag iets samen wilden geven aan hen samen.

We vroegen aan de verkoopster of we ze even mochten zien, want al het porselein stond achter rode linten of glas. Ze begon ze een voor een te voorschijn te halen en zette ze op een rubber matje neer bij de kassa. Het bleek dat we ze zo beter konden bekijken. Ze hadden alles in zich wat een goede kop nodig had. De keuze was snel gemaakt. Een blauwe en een groene. Zorgvuldig werden ze ingepakt in vloeipapier en een doos, die weer in een papieren tasje werd geschoven. Top.

Langs het tegelhuisje en de metalen vernuftige kunstbrug over de weg weer naar de auto, om thuis nog even uit te rusten, omdat we door hen waren uitgenodigd voor een klassieke Hongaarse maaltijd dichtbij. Lieve bediening, redelijk eten met teveel van alles en thee of koffie toe. Donkere wolken pakten zich samen en de eerste druppels vielen bij het binnenrijden van het dorp. Daarna ging het los. Een en ander keurig uitgekiend door de weergoden.

Overpeinzingen

En dat was het

Om iets over tweeën sloegen er twee deuren van een auto dicht. We liepen naar de deur om te kijken of het onze gasten waren en jawel. Hartelijke omhelzingen. Het is altijd goed om het huis te bezien door de ogen van nieuwkomers die het nog niet kenden. Ze staken een stevige loftrompet af over de grootte, de originele details, de oude meubelen die bij het huis horen en haar cachet geven. In de hof zelf waren ze verbaasd over zoveel natuur. Nichtlief en haar man wonen in hartje Amsterdam. De Hof was een landgoed vonden ze. Wij voelden ons zeer vereerd en ik was plaatsvervangend trots op Lief, die dit alles in zijn eentje heeft opgebouwd door de jaren heen.

Ze hadden taart meegenomen dat het hotel in Pécs voor hen geregeld had. Echt Hongaarse gebak en dat zag er oogverblindend en kleurrijk uit. Foto van de feestvarkentjes en heel lang bijkletsen, want zo vaak zagen we elkaar niet, onder het genot van een kop thee. Wel fijn dat we een stuk jeugd met elkaar gemeen hadden en de anekdotes waren dan ook niet van de lucht. Dubbel jarig is dubbel bijzonder. Daarna wisselden we cadeautjes uit. Leidse kaas, de enige echte, omdat we acht jaar van ons leven in Leiden hadden gewoond, twee prachtige boeken: ‘Moderne Natuur’ van Derek Jarman, waar het ontstaan van de droomtuin van Jardan, nu een bedevaartsoord, in wordt beschreven met de nodige filosofische gedachten erachter en het boek van Jan Brokken: De Weemoed van de Reiziger voor mij, die altijd heen en weer pendelt tussen hier en daar en het verlangen naar beide plekken van haver tot gort kent, daarnaast gaat het ook over de vele kunstenaars die hij kent. Heerlijke ‘passende’ boeken, zo zorgvuldig uitgekozen dat het daarom alleen al heel wat waard is.

Verder nog lekker Amsterdamse koekjes, kaneelbrokken uit de buurt van Zutphen waar de caravan staat en een heerlijke streekcider. Misschien is vruchtencider, bijvoorbeeld van druif en vijg wel het volgende op ons lijstje. Een boek voor Nichtlief, maar vandaag wilde ik met ze naar het Szolnay, om die diepgewortelde culturele sfeer te proeven van Hongarije en waar ze nog een cadeau uit mogen kiezen in het winkeltje.

Dat is voor later op de dag. Na de thee gingen we het land verkennen en heel toevallig had nicht in de kruidentuin gewerkt en wist veel over alles wat er aan wilde plant te bekennen was. Op het menu stond spaghetti met zalm, huisgemaakte basilicumpesto en Caprese met een frisse sauvignon erbij. Ik vermoedde dat ik teveel had gemaakt, maar de mannen sloegen een flinke bres in de spaghettiberg.

Natuurlijk kwamen alle kwalen en kwaaltjes die zoal rond waarden in de familie om de hoek kijken en waar bij een groot deel de kiem toch gelegd was door ons beider Opa en Oma. Het leverde hilarische verhalen op net als de vakantieherinneringen, die we ook samen gemaakt hadden. We tafelden heerlijk lang na en het was donker geworden. De krekels werden voor het eerst weer gehoord en sterren gespot, helemaal toen we de lampen op het terras uitdeden. Rond een uur of tien was de koek op. Morgen weer een dag. Ontbijt rond negenen zodat ieder wakker kan worden in eigen uur. Een bijzondere dag, en dat was het.