Het hele schrijfproces waar ik in september aan begonnen ben vroeg me na te denken over ‘Spelen’ op dag 117. Als voorwoord stond er:
Wat betekent spelen voor jou? Wat speelde je vroeger? Hoe speel je nu***Elk werkwoord nodigt uit om zowel letterlijk als figuurlijk beleefd te worden. Als je jezelf dit eigen maakt, kun je werkwoorden in je schrijven gebruiken als bommen vol betekenis.
Vroeger was mijn wereld een grote speeltuin. Immers, er was niets anders. Geen tv, geen computer, geen draagbare telefoons, cassettedecks, hooguit een 33 toerental grammofoon en de radio met om zeven uur Kleutertje luister. We speelden met name buiten: Kaatseballen, stoepranden, tikkertje, hoepelen, tollen, bokkie piéd, verstoppertje, of je had je driewielertje, je step(soms), en wandelen naar het park was er ook bij om de eenden en de karpers in de grote vijver te voeren met je vader en moeder en de rest van het gezin. We gingen dan naar het Julianapark. ‘s Winters konden we sleeën en schaatsen, sneeuwpoppen maken, een sneeuwballengevecht houden. Ik had de mazzel om kind te zijn in 1963, een van die hele strenge winters met veel sneeuw. Of je speelde een van de vele sprookjes na: ‘Ik was de sneeuwkoningin en jij het jongetje dat haar kwam opzoeken en toen werd ik heel boos’. Tikkertje begon met het versje ‘De maan is rond: De maan is rond, twee ogen, een neus, en een mond’, wat je letterlijk op de rug van de tikker uitbeeldde. Daarna moesten ze gaan aftellen tot tien en ging iedereen zich in de straat verstoppen. We speelden met alle buurkinderen. Ook speelden we thuis bibliotheekje of schooltje na en dan was ik de bibliotheekmevrouw of de juffrouw en de poppen en de zussen waren de leerlingen of ze waren de kinderen die boeken kwamen lenen. Toneel tussen de stapelbedden werd altijd nagespeeld van iets dat we gelezen hadden of een film van mijn vaders draaizondagen in het clubhuis. We bakten aardappeltjes op het klein fornuisje in de poort met zo’n wit blokje om aan te steken. Er was altijd iets te doen en als je niet meer wilde, was er een boek.

Toen ik ouder werd, speelde ik graag op school met de kinderen mee. Drama, muziek en creativiteit, alles waar je je fantasie de vrije teugels kon laten. Eigenlijk is de speelsheid nooit uit mijn lijf verdwenen en toen ik daar dan ook weer ging werken zat ik onmiddellijk opnieuw in de begeestering van het experiment. Zolang we dat konden doen was het spelen, zodra er een wedstrijdelement in kwam was het spelelement verdwenen, want dan moest je presteren en dan ga je voor het eindresultaat, terwijl het bij spelen om het plezier ging. Echt plezier, dat je voelt opborrelen vanuit je tenen.
Als ik nu speel speel ik met materiaal of met olieverf of aquarel en penselen, drukinkt en een etspen, monoprint of andere mogelijkheden die er zijn om iets moois ervan te maken. Vooral ecoline en oostindische inkt laten het spelelement ontwaken omdat je nooit weet waar je uitkomt. Ik zou er weer eens meer mee moeten spelen. Vooralsnog denk ik teveel. Het komt wel. Meer spelevaren, goed voor je ziel en zaligheid.



















Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.