Vanmorgen las ik terug, wat ik over mijn moeder en vader ooit geschreven heb. Het was de periode na de hersenbloedingen van mijn vader.
‘Min-dag. Ik zit ‘n feministisch boekje te lezen dat over huisvrouwen gaat, ‘t lijkt me leuk, als ik er niet meer ben, toch te lezen hoe ik op 65 jarige leeftijd mijn huisvrouwdag doorbracht.
Er volgt een opsomming van wat ze dagelijks deed en daarop schreef ik acht jaar geleden, toen ze al 28 jaar niet meer bij ons was:
Haar vooruitziende blik destijds heeft mij gebracht waar ik nu ben. Ik ben nu een jaar ouder dan zij toen. 32 Jaar later lees ik haar dag zoals ze in mijn geheugen is gegrift. Ik kan haar uittekenen, als ze ‘ de badcel doet’. Met chloor weet ik, veel te veel. Als je de huisdeur opende, rook je niet de oudemannengeur waar ze zo bang voor was, maar een doordringende chloorlucht. Alle bacteriën, die rond wilden waren, werden gesmoord en stukje bij beetje ook haar gezondheid. Kinderen komen en gaan, het huis in de Amandelstraat is een duiventil. Als bijen om de stroop komen ze aanvliegen, drinken en eten wat, kouten wat, kabbelen voort. Daarna zijn er in vliegende vaart de boodschappen en andere verplichtingen. De dagelijkse hectiek, waar ze minder onrust aan verbond dan ik er in meen te zien. Een huisvrouwendag. Zijn die er nog? Echte ‘huisvrouwendagen’.

Huisvrouwendagen: Ik heb ze nauwelijks gekend. Huishouden deed je erbij. Nog steeds. Als ik iets achter stel in het leven is het de aard der dingen in huis. De staat van de wasmand, de inhoud van laden en kasten, de van kleding uitpuilende stoel op de slaapkamer, het stof tussen de boeken, de vlekken op het aanrecht. Die speciale dagen van mijn moeder zijn ingeboet tot het hoognodige. Niet meer, niet minder, waarom energie verspillen als het anders kan. Je draait je om en er ligt alweer een nieuw huishouden klaar. Ik heb het er nooit met haar over gehad. Een ding had ik me voorgenomen. Ik zou nooit doen wat op een opdracht leek en er kwam geen was in de kamer te hangen.
Gedeeld leven:
Mijn vader beeft als ik hem in zijn jas help. Zijn lippen klemmen zich verbeten op elkaar. Mijn moeder plant zijn pet, de klep naar voren op zijn grijzende kransje en doet hem de das om. Aangekleed gaat uit. Ergens vraagt Toon Hermans aan mij of zijn jasje goed zit. De deur zwaait open en we stappen over de drempel van het ongewisse. Voor het eerst loopt hij zijn rondje. Zijn bezwaren over de lijdzaamheid waarmee de buurt hem zal bekijken, de buurvrouwen achter de half gesloten vitrage, de gesprekken die komen gaan: ‘Zeg heb je van der L. al gezien, ook niet meer wat het geweest is’, sussen we weg. ‘Kom nu maar.’ Een beetje beweging in zijn vastzittend gemoed. Hij zet er de vaart in, zo kenmerkend voor Parkinsonachtige verschijnselen. eenmaal de vaart erin zijn ze niet meer te stoppen. Hij helt licht voorover en we proberen de armen te ondersteunen, maar hij rukt zich los. Hij begint steeds sneller te lopen. Mijn moeder maant hem tot kalmte wat als een rode lap op een stier werkt. Aan het eind van het blok, niet meer dan een klein kwadraat, moeten we hem tegenhouden omdat hij voorover dreigt te vallen. Al struikelend leunt hij zwaar op onze beide armen en spuugt zijn onmacht verbeten over de hoofden uit.
Haar afsluitend ritueel van de dag, schrijven, lezen, mijmeren heb ik overgenomen en is een deel van mezelf geworden. Het is wat ik het liefste doe.
In de loop der tijd is het avondritueel van mij omgebogen naar een ochtendritueel, maar nog wel steeds op dezelfde leest geschoeid.
Ik heb ontroerd gelezen💚
LikeGeliked door 1 persoon