Mijn herinneringen aan de markt in Hongarije gaan terug tot 2000, toen ik met zoonlief en de Oude in Kecskemét er een bezocht. Ik keek mijn ogen uit. Enorme bakken met kleurrijk tafelzuur, de specialiteit van het land, stonden op de houten kramen. Oude vrouwen in klederdracht of eenvoudigweg met sjaal en bloemetjesrokken stonden erachter. Enorme potten tot de rand toe gevuld met dezelfde kleurrijke lagen trokken vooral de aandacht. Hele paprika’s, gepelde uien, hele augurken of kleine komkommers, pepers, in grove stukken gesneden witte kool, wortel in een mengsel van zout, water en azijn. Verleidelijke kleurkanonnade en meer dan verleidelijk lekker. Daarnaast waren er groentenkramen, met minstens zo’n kleurig aanbod en bakkers, kruiden en deegwaar. Alles naast elkaar in een mooie mengelmoes aan ingrediënten van de Hongaarse keuken.
De kramen zijn aangepast. De kruiden en de linzen, de pasta en wat er nog meer is, staan in potten, ook kleurrijk maar minder verleidelijk. De groenten liggen hoog opgetast gebroederlijk en gezusterlijk naast elkaar Kon ik in Pécs nog wel echte marktvrouwen vinden in de originele sjaals met lange rokken handelend in verlepte bosjes wild kruid of dille, hier waren ze ver te zoeken. Veel meer mannen bevolkten de kramen. De kleurrijkheid zat hem in de grootte van de hal waar de waar werd aangeboden. Nog even verleidelijk, maar vlees, vis, brood, kaas en melkproducten bevonden zich in meer hygienische kleine ‘winkeltjes aan de zijkanten van de hal. Boven waren ook nog groenten te vinden en een enkele bloemenkraam. Hoofdzakelijk oude vrouwen al dan niet met hun witte of grijze haren boven hun oude gezichten trokken een boodschappenkarretje achter zich aan en hoe later op de ochtend, hoe moeizamer het trekken ging.

We konden niets meenemen, anders had ik wat vers ingemaakte groenten meegenomen. Maar er viel een trammetje te halen naar de Universiteit van de stad. Een imposant gebouw met een enorme waterpartij ervoor waar grote beelden zich laven aan de koelte van het water. Het gebouw zelf is ontworpen door Flóris Korb en bekend om het werk van Miksa Roth, dat terug te vinden is in het indrukwekkende glas in lood en in de koepel van het gebouw. We mochten naar binnen en konden doorlopen naar de grote bibliotheek, waar we ook vrij rond konden kijken. De sfeer was aangenaam. Hier en daar waren studenten bezig op een laptop of aan het praten met elkaar. In de bieb vonden we de afdeling Nederlandse en Vlaamse literatuur.
We wandelden door het aangename bijbehorende park en een stukje door het grote bijbehorende Nagyerdei forest, waar de voorbereidingen werden getroffen voor een groot festival dat 15 augustus begint. Het bos grenst aan de oude dierentuin. Met de tram reden we de weg terug, maar het Aquaticum dat we daarna wilden bezoeken, kwamen we niet meer tegen. De tram had toch een rondje gemaakt. Er zat niets anders op om opnieuw de tram naar Egyetem te pakken en dan op de heenweg bij het gewenste uit te stappen. Het Aquaticum zelf bleek het grote thermaalbad te zijn. Dat lieten we links liggen. Tegen die tijd was het al over enen en we hadden trek. Niet veel, maar toch. We besloten een kleine salade te nemen, maar de ober vond dat wel heel ‘kicsi’ was, zoals hij met een hand gebaarde en hij wees ons de bijzondere grotere salades. Voor Lief een salade Nicoise en voor mij een Zakuzska salade. Om je vingers bij op te eten. De vrolijke noot kwam van de gedecideerde ober, die alles met een knipoog presenteerde.
Daarna wandelden we door het park, genoten van de kalme sfeer in de lommerrijke omgeving met ook overal bankjes. Wat een zegen. Tegen vieren kwamen we weer in het hotel aan. Voldaan en moe met de gedachte dat we Debrecen echt hadden leren kennen deze week. Een aanrader is het zeker en niet op de laatste plaats door alle belangrijke bezienswaardigheden op loopafstand van ons voortreffelijke hotel. We gaan het missen.
Leuk je enthousiasme over Debrecen te lezen. Wij vonden het er ook heel leuk.
LikeGeliked door 1 persoon