Dat je met liefde de regen uit de lucht kunt kijken en elke donkere wolk als een zegen voorbij ziet varen. Voorbij, ja, want uitstorten deden ze zich niet of je moet de drie druppeltjes tellen die aan het eind van de middag vielen. Terwijl in het Oosten van het land het leven werd overspoeld, bleef het bij ons krakend droog. Ik had op die onweersbuien gerekend en was niet naar de tuin gegaan om water te geven. Nu rest me enkel nog een schietgebedje, want ik heb pas morgen tijd. Niets is onberekenbaarder dan het weer. In het centrum viel de hitte van de stad zonder meededogen op de hoofden van het winkelend publiek neer. Tanige mannen, stratenmakers, veegden hun hoofden droog met grote zakdoeken, ‘Veel te warm om te werken.’ Ze knikten. Al zwetend. ‘Maar,’ riep de langste ‘Ik heb het liever zo dan andersom,’ als antwoord op mijn opmerking.
Ik was al tijden niet meer bij het sportcentrum naast het zwembad geweest en dat was te merken. Ik kende het niet meer terug. Een grote bouwput met enorme staketsels, een geraamte van een nieuw te verrijzen gebouw, een vernieuwd sport-en-evenementencomplex met een grondige renovatie van het oude zwembad. Het duurde even voordat ik de huidige ingang had gevonden. De judoles van Dribbel zou daar plaats vinden. Hij was jarig en bij wijze van verrassing ging ik naar de les, dat de laatste van dit schooljaar bleek te zijn, compleet met de slippen-uitreiking. Dat laatste was weer voor mij een verrassing. Wat tof.

Schoonzoon en Dribbel zaten in het snikhete gebouw te schaken in de kantine. Er werd een flesje water voor me gehaald, op de pof trouwens, want je kon er alleen maar met baar geld betalen en dat hadden we geen van beiden bij ons. ‘Dat komt volgende keer wel weer’, zei schoonzoon.
We verhuisden naar de Dojo toen het tijd was. Het was een zaal met dikke matten (tatami) en een spiegelwand. Het grut mocht even vrijuit rennen en tikkertje doen, terwijl de twee mannen de lijsten door namen. Een van de mannen had nog bij de kringloop gewerkt in de jaren ‘80. Hij verkondigde luid tegen ieder die het horen wilde, dat hij mij kende. Bijna veertig jaar geleden kwam hij met een beperking alles binnen sjouwen. ‘Ze was helemaal gek op boeken’, riep hij ’Nu nog?’ Ik beaamde het. ‘Dus nu heb je thuis een bibliotheek’. Ook dat werd bevestigd. Hij was de assistent van de Sen-sei, een taak, die duidelijk zijn ego streelde.
De zaal stroomde vol met publiek. Er mocht gekeken worden. De judoka’s in de dop, een gemêleerd gezelschap, ook qua leeftijd en niveau, leefden zich uit in een wervelend tikspel. Twee kleine zusjes renden uitgelaten mee. De leraar had een rustige stem, gebruikte duidelijke opdrachten en liet ook de dreumesen af en toe oogluikend toe, maar als ze te veel aan het afleiden waren, pakte hij ze op en bracht ze bij de betreffende ouder. Twee aan twee deden de kinderen de oefeningen, waarbij ze steeds moesten afwisselen, aanvaller/verdediger en vice versa. Soms hadden ze meer oog voor de spiegel dan de concentratie op de worp, maar dan werden ze weer met zachte hand teruggeleid tot de orde van de dag.
Toen ik Lief leerde kennen was hij op Judo onder de bezielende leiding van Anton Geesink en had hij de zwarte band net gehaald. Hij had dit geweldig gevonden.
Aan het eind werd hen een voor een de begeerde slip overhandigd. Voor Dribbel betekende het dat hij de groene mocht overslaan en door kon naar de blauwe. Hij blij, wij blij en het leukste cadeau voor een verjaardag natuurlijk. Daar stak oma’s in de haast gekochte aardbeien badhanddoek maar dunnetjes bij af. Maar het echte cadeau komt pas zondag. Dan vieren we zijn feest met de familie. Dubbel jarig, dubbele pret.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.